Allerzielen

Het is Allerzielen en ik denk weer aan dat fietspad bij de Hagerhof in Venlo. Ik denk niet dat jij dat fietspad kent, jij woonde in Baarlo dus je zal wel in die rode Panda of Punto of Corsa over de stadsbrug zijn gegaan. Om hier te komen steek je bij de sportvelden die Styx van een Hagerweg over, de stroom doorgaand verkeer die de omheinde puberjungle waar wij elk een molensteen versleepten scheidt van de woestenij tussen Venlo en Tegelen. Dan passeer je eerst de kinderboerderij en dan de skyline van pallets achter de palletfabriek, waar om de haverklap brand uitbrak. Vanaf dit fietspad kon je als ambitieuze pyromaan met een eenvoudige molotovcocktail van eigen fabrikaat een hele houten wolkenkrabberstad in vlammen op zien gaan.

Van daar loopt het door een bosje naar de straat die aan de ene kant tuinbouwkassen heeft, of had, en aan de andere kant het rasterhek en de haag van de begraafplaats. Ik herinner me dit pad vooral aan de muziek die ik er hoorde, vechtend tegen de verveling tijdens al die fietstochten naar huis. Ik had muziek op mijn mp3-speler van artiesten die ik bewonderde, maar wier oeuvre ik niet noodzakelijk uitputtend kende. In het bosje na de palletfabriek ontdekte ik de tweede vioolromance van Beethoven, een muziekstuk en een moment die zo goed bij elkaar pasten dat ik het fietspad bijna magische krachten toe zou gaan schrijven.

Een stompzinnig idee dat alleen nog maar terrein won toen ik op precies dit fietspad reed en Brel op shuffle had. Het was de dag dat ze op school verteld hadden dat jij jezelf van kant had gemaakt, keurig opgehangen hoorde ik later, met de standvastige zorgzaamheid die je bij de commando’s had aangeleerd.

Ik weet nu dat Brel zijn laatste album opnam toen hij al stervende aan keelkanker was. Op dat album zingt hij het lied Jojo voor zijn overleden beste vriend. Hij beschrijft een bezoek aan het kerkhof met een krat bier en wat wijn, waar hij elke nacht liederlijk wordt aan Jojo’s graf, om ’s ochtends voor de eerste grafbezoekers weg te vluchten. Dat wist en hoorde ik toen allemaal niet. Met mijn 5vwo-Frans hoorde ik alleen de steeds herhaalde zin ‘cipié sous le terre’, van cipier, dacht ik, gevangen onder de aarde. Zo zag ik jou in je graf liggen, bonzend op je kist, afkerig van het leven en woedend in de dood.

Nog twee keer zou ik je zien. In een uitvaartcentrum met een veelzeggende coltrui aan, waar ik misschien te vroeg leerde wat dood zijn met een vertrouwd gezicht kan doen. En in de tuin van mijn ouders, bij het grote perk waar ik vandaag eigenlijk waxinelichtjes zou moeten planten, omdat het door alle zielen van dertig jaar huisdieren bemest wordt, van op de stoep gevonden muizen en vlinders tot Bobo, het kalf van een Airedale terriër dat nog niet wist dat het de laatste hond van mijn tante Wiesje zou worden. Dat zegt jou allemaal niks, maar het was eens rond je uitvaart dat ik je daar ontmoette, bang vroeg of ik me niet teveel met je afscheid had bemoeid, en je me geruststellend een idioot noemde, alsof ik me zorgen maakte dat je me een onvoldoende ging geven voor een prima essay.

Six pieds sous le terre, bleek Brel eigenlijk te zingen, zes voet onder de aarde. Er is geen woede of kalmte, er is alleen die meetbare maar onoverbrugbare afstand tussen jou sous le terre en ik er bovenop.

Het was een keer ’s avonds, rond deze tijd van het jaar, dat ik door het donker langs de tuinbouwkassen fietste, waarschijnlijk aan Brel en Jojo dacht, aan jou en mezelf, naar rechts keek, en bijna moest stoppen. Achter de haag, en tussen de bomen, als schepen op zee, waren honderden brandende graflichten door het donker gestrooid.

 


 

Daan Doesborgh (1988) is redacteur van Tirade en schrijft onder andere voor Vrij Nederland. Hij is oud-redacteur van Propria Cures en won in 2010 het NK Poetry Slam.

 

In de Oorshop

Disclaimer

In Lost for words van Edward St.Aubyn persifleert deze op de hem zo toevertrouwde slim–kwaadaardige wijze het juryoverleg bij literaire prijzen. Het boek is ongetwijfeld uit frustratie geboren. Frustratie om een nominatie die niet verzilverd werd.

Zoals Marja Pruis haar nominatie voor de ECI-prijs niet verzilverd zal zien, als het aan Arjen Fortuin ligt, omdat haar goede vriend Joost de Vries in de jury van die prijs zit. Fortuin wijdde er een column aan, aan het verschijnsel dat Arie Storm – zo rekende Philip Huff uit – wat al te vaak iets aardigs zegt over schrijvers van Querido, waar zijn teerbeminde vrouw werkt. Jamal Ouariachi http://www.jamalouariachi.nl/blog/ vat het geheel even samen en neemt iedereen de maat, Huff, De Vries, Fortuin, en meldt en passant even waar iedereen zijn onderbroek koopt. Leuk toch?

De leidende gedachte van zijn stuk is dat iedereen iedereen kent en dat argumenteren de oplossing is: als Joost de Vries goed uitlegt waarom een boek dat opgedragen is aan ‘Joost’, geschreven door zijn vriendin en collega op de shortlist staat van de ECI prijs, dan wordt het acceptabel. En Joost de Vries mag zich van Jamal Ouariachi niet achter een juryrapport verschuilen.

De oplossing is misschien nog makkelijker. De disclaimer. Wanneer Arie Storm (gesteld dat het Parool inderdaad zo dom blijft hem boeken van Querido-auteurs te laten recenseren)  onder zijn recensie schrijft dat hij in bed ligt met de redactrice, wordt het – naast wat  hilarischer – ook wat eerlijker. (En zijn disclaimer zou zich moeten uitstrekken tot de nawoorden of nogal vlugge vertalingen die er van zijn hand bij Querido of Singel uitgeverijen verschijnen, omdat iedereen (ja echt, iedereen) dan steeds maar weer denkt: mevrouw Storm  keek in de huishoudportemonnee en dacht: kom, Arie moet maar weer eens een stukje bakken).

Van Pieter Steinz heb ik eens begrepen dat hij niet naar borrels ging. Misschien omdat hij niet van borrels hield, maar naar eigen zeggen vooral om deze toestanden te vermijden. Een recensent zou zich dus inderdaad volgens deze stelregel nooit op een borrel mogen vertonen van iemand over wie hij later een mooie recensie schrijft. Ook, of juist, NRC-recensenten.  Ik zal dat bij komende presentaties in de gaten houden. En dus recensenten verwijderen van borrels. Goed voor hun gezondheid. De Steinz Regel Voor Gezonde Kritiek.

De jury in Lost For Words bekroont uiteindelijk een kookboek dat per ongeluk ingestuurd is. De voorzitter plugt een titel van een maat van hem, die onder pseudoniem schrijft. De beste schrijver krijgt…. het meisje in het verhaal. (ook leuk) En een matige moeder tracht haar gebrek aan liefde te compenseren door haar dochter al haar geld op een van de titels in te zetten, die ze er toch helaas niet doorkrijgt. Au! De voorzitter komt in een lift vast te zitten met een man met en een stok die claustrofobisch is en om zich heen slaat met de woorden ‘don’t panic! don’t panic!’ Smakelijk materiaal. Voor een roman.

 

 

disclaimer:  Ik, Menno Hartman, heb er nogal baat bij dat een titel van Marja Pruis virtueel uit de shortlist van de ECI-literatuurprijs verdwijnt, hoewel ik Pruis ken en zeer waardeer, maar omdat onze grote Martin Michael Driessen een van de andere genomineerden is, met Rivieren en dat zijn kanspercentage met 3,3333 % vergroot. Neemt u mijn mening en argumenten dus met een korrel zout. Fortuin ken ik persoonlijk en ik heb persoonlijk baat bij de verkoop van zijn geweldige Geert van Oorschotbiografie. En… ik heb overwogen dit stukje niet te plaatsen omdat er soms ergens een mooi stuk verschijnt van iemand van wie ik weet dat hij/zij Van Oorschot een warm hart toedraagt en ik dus idealiter zou moeten willen dat dat stopt. De Vries schreef een werkelijk prachtig stuk over Driessen in de Groene, en alleen daarom, nog los van zijn macht in de ECI jury, heb ik me in dit stukje lafhartig beperkt tot ariestormbashing, hoewel ik De Vries met liefde mee zou nemen -– iedereen tenslotte die zo klein is en zich zo  disproportioneel tot de groten rekent verdient een schimpscheut als een schaterlach – als dat mijn belangen niet teveel zou schaden…

Bovendien verschijn ik binnenkort ergens in een jury dus de problemen stapelen zich nu reeds op…

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Nieuw leven

De afgelopen week verscheen er op deze plek geen stukje van mij. Ik gaf mezelf vrij na de presentatie van Het jasje van Luis Martín, maar de reden was vooral dat ik even niets te zeggen had.

Bij mijn eerdere boeken ervoer ik na publicatie niet zo’n – overigens aangename – leegte als nu. Er staat geen nieuw verhaal te dringen, het gevoel van door-door-door is weg. Mijn verschrikkelijke haast lijkt te zijn verdwenen.

Wat er nu gaat komen weet ik niet, maar ik heb het gevoel dat Het jasje een keerpunt voor me zal blijken, en dat een volgend boek anders zal zijn dan mijn voorgaande werk.

Volgende week begin ik weer met werken. Vijf dagen per week schrijf ik de eerste bladzijde van een nieuw verhaal, dat kans maakt uit te groeien tot een roman. De beste bladzijde van de week zal ik op deze plek delen.

Misschien wil je meedenken en reageren. Misschien kun je me helpen te kiezen voor een volgend boek.

Foto: archief Nutty Johnny Mallard, Esq.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Afleidende bijzaken

Schrijvers die het hebben over hun schrijfproces: ik vind het moeilijk. Achteraf kan ik het hebben, dat ze vertellen hoe ze op personage A kwamen en op motief B, al lees ik liever gewoon het boek. Schrijvers die het in het openbaar hebben over het schrijven van hun huidige project: hmmm. Online screenshots van woordaantallen, foto’s van verhaalschema’s, foto’s van onleesbare aantekeningen, foto’s van een stapel printpapier met rooie kringeltjes erin: meh. Ik snap het wel: het is fijn om je omgeving, terwijl je als een maniak aan je manuscript zit te werken, te laten zien dat je nog leeft. En als je na drie jaar afwisselend naar een knipperende cursor staren en vruchteloos duizenden woorden typen eindelijk over de 40.000 woorden heen zit, heb je misschien behoefte aan een schouderklop of applaus. Maar ik denk dan: joe, ik merk ’t wel als je boek af is hè. Dat heeft ongetwijfeld te maken met dat ik over het algemeen ook niet erg gevoelig ben voor ‘kijkjes achter de schermen’ (behalve als het achter die schermen heel spectaculair is, met veel vuur en mooie kleuren, zoals bij een glasblazer, of heel hoog, zoals in een hijskraan) of – en deze is tricky – de biografie van kunstenaars en schrijvers (tenzij met veel vuur en mooie kleuren, drank en hoeren kennen we nu wel). In die laatste categorie bestaan natuurlijk uitzonderingen, want een goeie biografie, biopic of een goed interview kan een kunststuk an sich zijn. Toch kennen mijn twee desinteresses – die stapels printpapier en die biografieën – misschien dezelfde oorsprong: het is namelijk je reinste demystificatie – ik mystificeer mijn helden graag. En soms is het gewoon kokette aanstellerij, bijvoorbeeld in geval van een overdaad aan online voortgangsverslagen, schrijven over je eigen schrijfproces of nodeloze autobiografieën.  Doe gewoon je ding, schrijvers, applaus volgt wel tijdens je boekhandelstoernee. Suck it up.

leonid_pasternak_-_the_passion_of_creationDit gezegd hebbende wil ik het even over mijn eigen schrijfproces hebben. En dan niet alleen dat van mijn volgende roman (huidige stand: 5000 woorden waarvan minstens 4000 poep, bedankt dat u ernaar vraagt) (hairflip), maar dat van alles bij elkaar; recensies, columns, blogs, verhalen, essays, de dingen die ik schrijf of eigenlijk zou moeten schrijven. Iedere keer als ik ergens aan begin, gaat het hele internet and beyond door mijn achterhoofd, of eigenlijk niet het hele internet maar een heel klein kruimelig hoekje ervan, waar je, als je er eenmaal in zit, verdomd moeilijk uitkomt, tenzij je het voor elkaar krijgt niet op social media te kijken maar daar ben ik persoonlijk te millennial voor. Het Literaire Internet. Een flauwe doch dikwijls correct gespelde afspiegeling van wat er in de echte wereld gebeurt, gelardeerd met polemieken tussen veelal heren uit de polemische generatie of met tenminste sympathieën in die richting, en een aantal flinke gewetensvragen.

cover_of_gutter_star_by_dorine_b-_clark_-_illustration_by_frank_uppwall_-_intimate_novel_1954Dan schrijf ik een roman met een mannelijk hoofdpersonage en denk ik nee dat moet een vrouw zijn want waarom schrijven we de hele tijd maar over mannen, alsof het echt zo is dat een mannelijk personage een soort blanco canvas is zonder afleidende bijzaken en bij vrouwen ineens alles uitgelegd moet worden, en dan verander ik ‘hij’ in ‘zij’ en ben ik ineens een kneiterlesbische zeikroman met veel te veel uitleg aan het schrijven, wat is daar mis mee vraagt u, nou helemaal niks, maar het overschaduwt de rest van het plot zo, en waarom schrijf ik eigenlijk geen Grote Geëngageerde Roman, nou, is het niet al genoeg dat ik niet over mezelf schrijf, nee, dat is niet genoeg, het moet Over De Wereld Gaan, maar ik heb helemaal niks van de wereld gezien, en dan verander ik die zanikende lesbo maar weer in een witte man van middelbare leeftijd en ga ik mezelf een beetje haten, maar dat zal wel weer komen omdat ik een vrouw ben.

Dan heb ik een mening over of schrijvers elkaars boeken moeten recenseren en schrijf ik die op maar heb ik na een aantal zinnen überhaupt geen zin meer om daar een mening over te hebben, want de literaire sector bestaat uit ongeveer vijftien mensen die zich heel druk maken om de literaire sector en de rest van lezend Nederland zal het werkelijk aan de reet roesten, maar als helemaal niemand meer een mening over dat soort dingen zou hebben zou het vrij rampzalig zijn, want de literatuur moet toch levend blijven, en het zou jammer zijn als die alleen in leven gehouden werd door louter (al dan niet mentaal) belegen kerels, echter, waarom ga je elkaar in het openbaar te lijf met vuile stukjes en niet gewoon telefonisch of zo, maar, dan onderschat ik weer het hele genre van de polemiek, en, doe ik nu iets heel belangrijks af als stijloefening, dus, kom ik eigenlijk nog wel eens ergens anders dan op een boekpresentatie, nee, en dan bel ik mijn moeder of we in godsnaam even ergens zonder literatuur in de buurt wijn kunnen gaan slempen, hoe ben ik hier eigenlijk beland, na zes bier klink ik als een ouwe Jordanees en eergisteren woonde ik nog in een nieuwbouwwijk en dacht ik dat De Groene Amsterdammer een blad voor natuurvrienden uit de stad was.

1024px-voor_de_vuist_weg_1971-02-26_-_tante_leen__johnny_jordaan_1Dan vind ik het echt heel belachelijk dat er mensen zijn die beweren dat er een absolute vrijbrief moet zijn voor het reproduceren van racistische stereotyperingen in Naam Van de Kunst, dan wil ik daar iets over opschrijven, maar dan denk ik: heb je Roos, met d’r donkerblonde haar, d’r witte vrienden en d’r keurige ouwelijke dictie tenzij zes bier, anders hou ik gewoon mijn geprivilegieerde muil even in het openbaar, en dan bel ik iemand op om even tegen te fulmineren, wat dus geen schrijven is, wat verdomme geen schrijven is.

Dan wordt er om de zoveel maanden een boek onterecht bejubeld en zou het op zich wel prettig zijn als iemand even zou opschrijven dat het een matig boek is, maar ik ben dus niet degene die dat gaat doen, ik hou van niet zeiken, in ieder geval niet over Nederlandse boeken, want dan vallen die vijftien mensen over je heen en daar is het leven te kort voor, en God, iedereen moet het toch eigenlijk lekker zelf weten levenlatenleven etc., ik hef zes glazen bier en biets een peuk, roep tegen mijn literaire vertrouwenspersonen ‘dit is een kutboek’ en daarna ga ik ergens shoarma eten en neem ik preventief een paracetamolletje.

Maar ondertussen ben ik dus zo hard bezig met niet over al die dingen schrijven, me keurig op de vlakte houden, alles doodnuanceren en relativeren, dat ik terstond ook niet meer kan schrijven over dingen die helemaal niks met bovenstaande kwesties te maken hebben. Er zijn Belangrijke Dingen aan de Hand, tenslotte,  in die kruimelige literaire hoek maar vooral in de rest van de wereld, hoe kun je het dan nog hebben over de neusverkoudheid waar je eigenlijk deze blog aan wilde wijden? Wie zit daar op te wachten? Helemaal niemand, nee. Inderdaad: suck it up.

fredott

—–

 

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Therapie (5, slot): zie het als een murder mystery novel

In mijn tweede jaar van de academie schreef ik een tekst waarin mijn ouders voor het eerst een rol speelden. Het korte verhaal zat vol verhoudingen die op een dieper niveau nog geen woorden droegen, het waren alleen beelden: mijn moeder die een camera van de galerij van een flat naar beneden laat vallen; mijn vader die naast mijn broertje en mij in Batman the Ride zit in een pretpark en mijn broer angstvallig vasthoudt, omdat diens riem niet vastzit en de hele ruimte inclusief de stoel als een gek beweegt; de kaart die mijn moeder naar mijn vader stuurt vanuit Parijs wanneer ze zwanger is van mij. Soms lijk ik alleen opgebouwd uit verhaalfragmenten, niet uit een genetische code. Dan draag ik niet dezelfde frons als mijn moeder, heb ik niet dezelfde bovenlip als mijn vader. Ik draag een tape in mijn hoofd die ik steeds terug kan spoelen op zoek naar verwijzingen naar mij.

*

In The Curious Indicent of the Dog in the Night-time vindt Christopher de hond Wellington dood in de tuin van de buren. In Wellington steekt een hooivork. Het dier bloedt. Christopher weet niet waarom dit gebeurd is, maar in de openingsscène Mark Haddon’s roman vindt de vijftienjarige autistische jongen zichzelf op het gazon van de buren met het bloedende dier in zijn armen, vol met empathisch vermogen dat hij niet kan verklaren. De dode hond is het startschot voor wat Christopher een ‘murder mystery novel’ noemt, hij zal de moord op de hond oplossen. Dat is waar het boek over gaat. ‘It is a puzzle,’ schrijft hij. ‘If it is a good puzzle you can sometimes work out the answer before the end of the book. ‘

*

In de tekst die ik in het tweede jaar aan de academie schrijf, verwoord ik ouders als superhelden van kinderen. Je kan nog niet dieper in hen kijken. Ze zijn zo tastbaar als de Brinta die ze in de ochtend voor je maken, de popcorn die ze met je bereiden in de keuken, een pan vol mais, suiker en olijfolie. Dat er geen diepte is, betekent dat ik ook niet kan vallen. Er is niets om over te struikelen. Er zijn geen eigenschappen van mijn vader of moeder waarin ik ook verstrikt kan raken, alsof er nog een glazen scherm tussen mij en hen in staat, een one-way mirror: zij zien dingen die ze mij nog niet tonen, die me nog niet opvallen.

*

Ik ga een weekend naar mijn moeder. Datzelfde weekend vertrekt mijn vader naar Spanje met zijn huidige vrouw.
‘Ik heb een mail naar jellinek gestuurd,’ zeg ik als ik bij mijn moeder op de bank zit. We drinken thee, eten pepernoten. Mijn moeder fronst haar wenkbrauwen, neemt een slok, slaat haar andere arm tussen haar knieën en wiebelt in de donkerrode fauteuil tegenover mij.
‘Je hebt niet zulk soort problemen.’
‘Het is een praatgroep voor kinderen van alcoholistische ouders.’
Ik zou dit aan mijn vader moeten vertellen, het gaat hem aan, maar die zit in een vliegtuig. En hoe verdeel je je zorgen over ouders die uit elkaar wonen?
‘Is dat nodig? Je hebt toch heel veel op orde? Je werkt, er komt een boekje uit, het gaat goed met je, je praat veel meer dan vroeger.’
Ik wil zeggen dat dat de buitenkant is, maar een buitenkant is ook maar een beeld en mijn moeder is meer van de praktische dingen.

*

‘[…] I thought about how for a long time scientists were puzzled by the fact that the sky is dark at night, even though there are billions of stars in the universe and there must be stars in every direction you look, so that the sky should be full of starlight because there is very little in the way to stop the light from reaching earth. Then they worked out that the universe was expanding, that the stars were all rushing away from one another after the Big Bang, and the further the stars were away from us the faster they were moving, some of them nearly as fast as the speed of light, which was why their light never reached us. I like this fact. It is something you can work out in your own mind just by looking at the sky above your head at night and thinking without having to ask anyone.’

Ik heb dit lange citaat nodig, omdat ik denk dat alles een herinnering van een herinnering is. Niets staat vast. We weten dat het heelal uitdijt en dat is dat. In het licht van nieuwe gebeurtenissen veranderen je herinneringen. Dat beangstigt me. Net zoals ik nooit af ben, zijn de verhaalfragmenten waaruit ik besta nooit af. ‘Herinneringen heb je eerder in versies dan in waarheidsgetrouwe verslagen,’ vertelt psycholoog Douwe Draaisma in september in het NRC. Ik ‘herwerk’ mijn verleden, ik verwerk het niet. Het ben de lezer die boven een harde schijf zweeft, ik draai op een processor die met andere dingen aan het licht andere bestanden toont of de bestanden herschikt.

*
Volgens de vader van Christopher is zijn moeder overleden aan een hartkwaal. Dit is niet waar. Christopher’s moeder verliet zijn vader voor een andere man. Maar hoe leg je dat uit aan een autistisch kind? Het brengt een mozaïek van problemen en een schakering van herinneringen met zich mee. Christopher ontdekt dat zijn moeder in Londen woont – met de buurman, van die dooie hond dus was. Hij zoekt haar op, zijn murder mystery novel moet koste wat kost worden afgemaakt. Zo wordt een oude werkelijkheid een nieuwe werkelijkheid. Het beeld van de herinnering verschuift en de referenties veranderen. Je bent een signifier die verwijst naar telkens veranderende signified‘s, verschillend per omstandigheid of nieuwe gebeurtenis, zo vat ik de gedachte van Douwe Draaisma ook maar losjes op.
‘Mother used to say that it meant Christopher was a nice name because it was a story about being kind and helpful, but I do not want my name to mean a story about being kind and helpful. I want my name to mean me.’
Wat eerst een one-way mirror is, wordt een ruit waar je doorheen kunt kijken. Soms trek je de spiegel aan jouw kant van het glas op. Ouders zijn geen superhelden. Ze vallen van hun voetstuk. Wij doen dat op onze beurt ook. Daarvoor moet je misschien soms in therapie.

—

lisa-weedaLisa Weeda (1989) schrijft, maakt literair programma bij Mooie Woorden in Utrecht, is co-host bij de literaire podcast Ondercast, geeft les en workshops. Haar werk verscheen onder meer in Das Magazin, De Titaan, op De Optimist en Hard//Hoofd. Lisa is onderdeel van het Slow Writing Lab, het talentenprogramma van het Nederlands Letterenfonds. In november verschijnt haar chapbook ‘De benen van Petrovski’ bij Literair Productiehuis De Wintertuin.

Foto: Masha Bakker

Konzentrationlageräpfeltotalbuch

Grundlage für pomologische Lexika

Hij was een licht gevulde jongeman met blozende wangen. Zowel bloezend als blozend dus. Een Zuid-Duitse hartelijkheid en intelligentie. Omdat hij in zijn paviljoentje al uren met uitgevers gepraat had over de rechten die hij verkocht, snakte hij naar een sigaretje. Bereid als ik altijd ben om de eenzame roker te vergezellen in de buitenlucht vertrokken we al pratend naar een snipper zonlicht net buiten de gevangenisgebouwen van de Frankfurter beurs.  Ik formuleerde mijn wensen met een wat absurd voorbeeld: ‘Toon mij nou bijvoorbeeld het ultieme boek over appels, ik wil graag iets van jouw uitgeverij waar jij enthousiast over bent en dat betreffende een speciaal  onderwerp  het laatste woord is.’

Het enige wat absurd was, bleek het feit dat hij dat boek verkocht. Bijna.

De laatste maand was ik tweemaal in Duitsland, de eerste keer om de begrafenis van mijn Engelse tante June bij te wonen.  Mijn broer vertelde op die plechtigheid onder meer dat hij zich mijn tante herinnerde als iemand die gewoon was in het najaar gevallen appels die op openbare grond terechtkwamen te behoeden  voor rot en verval en meenam voor een ongetwijfeld zalige Engelse crumble apple pie, of apple cinamon muffin. Engels blijf je.

De tweede maal liep ik door de velden nabij Bad Arolsen, waar het geboorteslot staat van onze koningin Emma. En de Sauerlandse bossen en heuvels, die schitterend van kleur verschieten in het najaar, barst het van de verwilderde appelbomen die uitbundig vrucht dragen en slechts de dankbaarheid van kraaien oogsten. Geen mooier beeld voor de rijkdom van het najaar gecombineerd met de weemoedigheid van het verval dan een niet genoten appel, glanzend nog, in vochtig gras…

Dit bracht de muffin topped jongen mij in herinnering met zijn fraai betoog over zijn Ultieme Appelboek. ‘De Zuid-Duitse dominee Korbinian Aigner schilderde zijn levenlang appels: in Originalgröße kleine, große, gestreifte, gefleckte, gepunktete, runde, spitze, plattgedrückte, grüne, gelbe, rote, glänzende, blasse, schiefe, glatte oder schrumpelige Äpfel.

Korbinian Aigner was een vroege anti-fascist, werd in de oorlog opgepakt en overleefde verschillende concentratiekampen. Ondermeer omdat hij in zijn broekzak appelzaad meesmokkelde en in de beperkte ruimte tussen de barakken appels kweekte, de soorten KZ-1, KZ-2, KZ-3 en  KZ-4 kweekte hij op in Dachau. Alleen K-3 bestaan nog, de rest is ook al weer uitgestorven.  Wat dacht de schilder Aigner 800 appels lang? Voor hem moet de appel net als voor Luther ( ‘Wenn ich wüsste, dass morgen der Jüngste Tag wäre, würde ich heute noch ein Apfelbäumchen pflanzen.’ ) een beeld voor hoop zijn, maar eveneens een herinnering aan de dood.

De ‘runde’ rechtenverkoper met zijn sympathieke zachtblauwe blik wist nog te vertellen dat die appels niet erg best smaken. Maar groeien doen ze, overal.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.