Een begin#2: Jouw kant van de kamer

Tegen het einde van de nacht droomde ik over je. Ik was op een thuisfeestje op de bovenste verdieping van een smal gebouw en zag je aan de andere kant van de kamer.

Je leunde tegen de muur met je handen achter je billen, en luisterde naar een man die ik niet kende. Ik wilde naar je toe, maar merkte dat de vloer begon te hellen. Scheuren ontstonden in de bakstenen wanden terwijl de gastheer champagne schonk, en niemand leek te merken dat het parket onder spanning stond, de visgraatlatjes van hun lijmlaag loskwamen en er breukvlakken verschenen. ‘Lang zal hij leven,’ zongen de gasten en met elke stap die ik in je richting zette gleed ik er een terug, maar mijn verlangen was als warme adem op je hals. Je draaide je hoofd en zag me.

‘Suus,’ fluisterde ik, en de woorden slalomden tussen de pratende en lachende gezichten door naar je toe. Een scheur trok over het plafond, de ruiten barstten in hun sponning en het licht viel uit terwijl de gasten proostten en lachten. Je lachte met ze mee en op dat moment besefte ik dat ik droomde; dat deze droom niet anders af zou lopen dan alle andere. Ik zou jouw kant van de kamer nooit bereiken, en een ijzig daglicht wachtte op me in mijn nauwelijks beslapen bed.

 

De komende weken werk ik aan het begin van een nieuwe roman. Elke woensdag publiceer ik hier een mogelijke bladzijde. Muziek die ik luisterde bij de bladzijde van vandaag: Randy Newman, I’ll Be Home

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Achteraf gezien

In januari van dit jaar ging ik naar een opera, een beetje klunzig toneelstukje met werkelijk adembenemende muziek. Een maand daarvoor zag ik een film waarin een man in de buik kroop van zijn opengesneden paard. Zo overleefde hij een sneeuwstorm, maar zijn paard was dood. Ergens in die zomer daarvoor at ik met schrijvers spaghetti carbonara terwijl een van hen beschreef hoe hij ooit tijdens een seksdate op een blinde man plaste. In het voorjaar zag ik in een chique Parijs warenhuis een reuzenrad vol glitterschoenen en een fles drank die achtentwintigduizend euro kostte. Helemaal aan het begin van dat jaar had ik een deadline voor mijn boek. Toen zag ik op tv een man een agent doodschieten met een Kalasjnikov terwijl hij iets riep, luidkeels, en ik herkende iets. Het aanbidden van een god, het vuur van overwinning en het volledig toegewijd zijn.

Inmiddels heb ik het geloof van mijn ouders vervloekt. Niet alleen in mijn hoofd, maar ook op papier. Ik zie de Noorse religieuzen niet zo snel met Kalasjnikovs tegenstanders neerschieten. Toch zijn ze in staat van paraatheid en sluiten hun gelederen. Niet de leiders, aanverwanten en stromannen die zich ten koste van de leden verrijkt hebben zijn de vijand, maar de buitenwereld, de krant, journalisten, ex-leden en de geestenwereld.

Ik zou alles wat ik bezit afstaan aan de mannen die aan de leiding staan, schrijft een broeder op Facebook. Wij strijden voor onze kinderen, wij strijden voor recht. En die strijd voeren wij met alles wat in ons is.

Een ex-lid schrijft: Toen de kinderen van mijn dochter niet meer bij ons mochten komen omdat ik gescheiden en weer samenwonend ben, heb ik op het randje gestaan om uit het leven te stappen.

Een ander ex-lid schrijft: Toen de broeders mij een zuster aanboden om me te genezen van mijn geaardheid, heb ik geweigerd. Vanaf dat moment was ik als jonge jongen mijn familie kwijt.

Ik kijk naar de eerste schoolfoto van mezelf. Een zesjarig meisje, ogen als halve maantjes en een ontbrekende tand. Achteraf gezien was die rare absurde buitenwereld niet mijn vijand, terwijl me dat toen wel door de broeders werd voorgespiegeld. Achteraf gezien is de ware vijand degene die met volle overtuiging de groei en vrijheid van zijn eigen kinderen belemmert.

 

afbeeldingEllen Heijmerikx (1963) won met haar roman Blinde wereld de Academica Debutantenprijs 2010, waarover de jury o.a. schreef: ‘Beklemmend en glashelder proza. Alle pathetiek zorgvuldig vermijdend. Dit boek ademt noodzaak.’ Eerder won zij de eerste Duizend Woorden Prijs voor het beste korte verhaal. Wij dansen niet is haar tweede roman en in 2015 kwam haar derde roman En nooit was iets gelogen uit.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Kwestie van perspectief

We zijn wel wat gewend in de romankunst. De onbetrouwbare verteller kennen we al – dus dat je als lezer er op zeker moment achterkomt dat wie het verhaal vertelt gewoon niet te vertrouwen is (Pale Fire, Nabokov), –  een misschien geesteszieke verteller (Don Quichote, Cervantes)  de autist als verteller (The Incident with a Dog by Night Time Mark Haddon). Het schilderij  als verteller (Specht & zoon, Willem-Jan Otten) en de reeks is schier eindeloos. In een eeuw of tien romankunst heeft een lange rij schrijvers zich afgevraagd welk perspectief te kiezen. In Ian McEwan’s Nut shell is het de ongeboren baby.

McEwan is zo’n schrijver die je blijft volgen als je ooit met hem begonnen bent, hij schreef aardige boeken (Enduring Love, Sweet Tooth), heel goede  (Atonement, On Chesil Beach, The Children Act) en een briljant boek (Saturday).

Een van de kwaliteiten van McEwan is de economie van zijn vertelling, waardoor hij plaats overhoudt voor boeiende terzijdes.

‘She reaches up to a cupboard for the tin of ground coffee and the filter papers, runs the cold-water tap, fills a jug, fetches a spoon. Most of the cups are clean. She sets out two. There’s pathos in this familiar routine, in the sounds of homely objects touching surfaces. And in the little sigh she makes when she turns or slightly bends our unwieldy form. It’s already clear to me how much of life is forgotten even as it happens. Most of it. The unregarded present spooling away from us, the soft tumble of unremarkable thoughts, the long-neglected miracle of existence. When she’s no longer twenty-eight and pregnant and beautiful, or even free, she won’t remember the way she set down the spoon and the sound it made on slate, the frock she wore today, the touch of her sandal’s thong between her toes, the summer’s warmth, the white noise of the city beyond the house walls, a short burst of birdsong by a closed window. All gone, already.’

Ik vind dat deze passages de kracht van McEwans schrijven uitmaken. Ze zijn precies, origineel, veelzeggend. Wat ik opvallend en misschien heel knap vind, is dat McEwan met zijn keuze voor dit ongewone perspectief niet op de loop gaat. Zoals ik zelf bijvoorbeeld zou doen. Ik kom nu al enige dagen niet tot rust door gedachten over wat ie allemaal had kunnen doen met deze denkende baby die getuige is van de moordplannen van zijn moeder en haar minnaar op zijn vader.

Wat McEwan wel deed: hij heeft de baby veel kennis gegeven doordat hij meesluistert naar radioprogramma’s en podcasts. De baby hoort natuurlijk de gesprekken van moeder en minnaar, hij hoort de hartslag van de moeder dus weet wanneer ze bang is. Hij wordt dronken als de moeder teveel drinkt. Hij ergert zich aan de seks die hij moet ondergaan, met dat Ding dicht bij zijn hoofd…

Wat McEwan niet deed is vooral in het verhaal handig gebruik maken van wat de baby verkeerd ziet of misinterpreteert, hoewel dat héél uitdagend is voor de schrijver, lijkt me. En dat had de roman echt knap gemaakt.

Maar misschien is echt knap wel niet de bedoeling. McEwans pleidooi voor het gewone en het dagelijkse is wellicht veelzeggend: er is in wat er al dagelijks verdwijnt zoveel bewonderenswaardigs, the unregarded present spooling away from us, the soft tumble of unremarkable thoughts, the long-neglected miracle of existence, dat de schrijver misschien niet moet proberen al te knap en geniaal door te denken. Maar ik blijf maar scenario’s bedenken. Wat bijvoorbeeld als…

——————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Is momenteel (niet slecht qualitate qua) zeer enthousiast over: Marijke Schermer Noodweer, Gilles van der Loo Het jasje van Luis Martín en Joseph Mitchell McSorley’s wonderbaarlijke Saloon (vertaling Dirk-Jan Arensman).

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Het begin#1: Marley

tumblr_n94plvkbxz1qjzcbeo1_500

 

 

De tochtgang die de straat gebleken was en waarbij de architect nooit had stilgestaan toen dit alles nog op een tekentafel lag, zoog de dikke sneeuwvlokken horizontaal langs de winkelpuien, tramhokjes, de eindeloze rode en zwarte bakstenen van IJburg. Binnen een paar minuten was de oostkant van alles wit. Marley stond op de convectorput bij het grote raam van zijn appartement in gebouw De Lelie en liet de zolen van zijn Nikes de hitte opnemen: een voorraadje warm voor straks, als hij de straat op moest. Hij speelde met de muntjes in zijn broekzak, liet het kleingeld door zijn vingers klateren terwijl hij zijn plan voor de dag naliep. Over elf minuten vertrok de tram naar het station, vanwaar hij door de stad zou lopen naar het gebouw met de engel op de kop van de Haarlemmerdijk. Hij keek naar zijn camera, die op de armleuning van de blauwe leren bank lag. Ernaast, op de zitting, lag zijn laptop met het scherm nog open. In onbarmhartig wit toonde het zijn rekeningoverzicht, het saldo bovenaan onleesbaar maar de min ervoor als een kleine maar onbereikbare splinter in al ontstoken vlees. Marley liep naar het apparaat toe, klapte het dicht en haalde zijn jas van de kapstok. Nog vijf dagen en het jaar zou voorbij zijn. Hoewel hij alles had nagerekend en zijn uitgaven had bijgehouden had hij het niet gered: de stapel herinneringen en aanmaningen van de woningbouwvereniging kwam al bijna boven de schoenendoos uit. Marley keek naar de ooit felrode Jordans aan zijn voeten, waarvan het leer grijs geworden was, hard door het vocht dat het op had moeten nemen in alle kilometers straat die zijn gympen inmiddels hadden gezien. Hij tilde de camera van de bank en stopte hem samen met het schrift in zijn rugtas.

‘Shit, ma,’ zei hij met een hand aan de knop van de voordeur en de andere op het kruisje om zijn nek. Zijn stem galmde in de lege hal. ‘Ik wil je geloven, maar het wordt steeds moeilijker.’

 

De komende weken werk ik aan het begin van een nieuwe roman. Elke woensdag publiceer ik hier een mogelijke bladzijde. Muziek die ik luisterde bij de bladzijde van vandaag: Goodie Mob, Thought Process.

__________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Het spoelen van hersenen

Ik zit naast de poes en lees berichten op een site van een besloten facebookgroep. Ik ben lid. Mijn mede groepsleden zijn mensen die net als ik geboren zijn in en gevlucht zijn uit de Noorse-broeder-sekte. Sommigen zijn nog vers gelovig, anderen houden het bij ietsisme of hebben het bestaan van een god volledig afgezworen. We lezen krantenberichten en zijn verbaasd. Er komt feiten boven waarvan we nooit hadden gedacht dat ze ooit openbaar zouden worden. We hadden het stiekem gehoopt, althans ik, de ongelovigste en meest rancuneuze van ons allemaal. Maar nu is het zover. Er is een verdachte die miljoenen heeft verduisterd. Er zijn mails die bewijzen dat leiders sjoemelen met geld en elkaar aanwijzingen gegeven hoe de leden te indoctrineren. Er komt een rechtszaak met getuigen. Zelfs de big brother uit Noorwegen zal onder ede zijn hachje moeten zien te redden. God zij geloofd en geprezen. Of het wat opbrengt is nog maar de vraag. Niet alleen dichten leiders zichzelf bijzondere kwaliteiten toe, ze worden ook door de volgelingen aan de leiders toegedicht. Een aanklacht of veroordeling zal daar niets aan veranderen.
Maar what the hell. Alleen de steekwoorden zijn al leuk om te lezen:
Noorse broeders. Internationaal miljoenenconcern. Veertigduizend leden. Geestelijk leiders. Stromannen. Grote sommen contant geld. Web van bedrijven. Belastingparadijzen.
Gesloten gemeenschap. Sekte. Vaker in opspraak. Ex-leden. Kindermishandeling, kinderarbeid. Groepsmanipulatie. Verstrengeling kerkelijke en commerciële belangen.

‘Als je hersens zo gespoeld worden dat je heel blij en gelukkig wordt, dan maar hersenspoelen,’ zegt een oudere broeder als hem door een televisieploeg om commentaar wordt gevraagd.

—-

afbeeldingEllen Heijmerikx (1963) won met haar roman Blinde wereld de Academica Debutantenprijs 2010, waarover de jury o.a. schreef: ‘Beklemmend en glashelder proza. Alle pathetiek zorgvuldig vermijdend. Dit boek ademt noodzaak.’ Eerder won zij de eerste Duizend Woorden Prijs voor het beste korte verhaal. Wij dansen niet is haar tweede roman en in 2015 kwam haar derde roman En nooit was iets gelogen uit.

Allerzielen

Het is Allerzielen en ik denk weer aan dat fietspad bij de Hagerhof in Venlo. Ik denk niet dat jij dat fietspad kent, jij woonde in Baarlo dus je zal wel in die rode Panda of Punto of Corsa over de stadsbrug zijn gegaan. Om hier te komen steek je bij de sportvelden die Styx van een Hagerweg over, de stroom doorgaand verkeer die de omheinde puberjungle waar wij elk een molensteen versleepten scheidt van de woestenij tussen Venlo en Tegelen. Dan passeer je eerst de kinderboerderij en dan de skyline van pallets achter de palletfabriek, waar om de haverklap brand uitbrak. Vanaf dit fietspad kon je als ambitieuze pyromaan met een eenvoudige molotovcocktail van eigen fabrikaat een hele houten wolkenkrabberstad in vlammen op zien gaan.

Van daar loopt het door een bosje naar de straat die aan de ene kant tuinbouwkassen heeft, of had, en aan de andere kant het rasterhek en de haag van de begraafplaats. Ik herinner me dit pad vooral aan de muziek die ik er hoorde, vechtend tegen de verveling tijdens al die fietstochten naar huis. Ik had muziek op mijn mp3-speler van artiesten die ik bewonderde, maar wier oeuvre ik niet noodzakelijk uitputtend kende. In het bosje na de palletfabriek ontdekte ik de tweede vioolromance van Beethoven, een muziekstuk en een moment die zo goed bij elkaar pasten dat ik het fietspad bijna magische krachten toe zou gaan schrijven.

Een stompzinnig idee dat alleen nog maar terrein won toen ik op precies dit fietspad reed en Brel op shuffle had. Het was de dag dat ze op school verteld hadden dat jij jezelf van kant had gemaakt, keurig opgehangen hoorde ik later, met de standvastige zorgzaamheid die je bij de commando’s had aangeleerd.

Ik weet nu dat Brel zijn laatste album opnam toen hij al stervende aan keelkanker was. Op dat album zingt hij het lied Jojo voor zijn overleden beste vriend. Hij beschrijft een bezoek aan het kerkhof met een krat bier en wat wijn, waar hij elke nacht liederlijk wordt aan Jojo’s graf, om ’s ochtends voor de eerste grafbezoekers weg te vluchten. Dat wist en hoorde ik toen allemaal niet. Met mijn 5vwo-Frans hoorde ik alleen de steeds herhaalde zin ‘cipié sous le terre’, van cipier, dacht ik, gevangen onder de aarde. Zo zag ik jou in je graf liggen, bonzend op je kist, afkerig van het leven en woedend in de dood.

Nog twee keer zou ik je zien. In een uitvaartcentrum met een veelzeggende coltrui aan, waar ik misschien te vroeg leerde wat dood zijn met een vertrouwd gezicht kan doen. En in de tuin van mijn ouders, bij het grote perk waar ik vandaag eigenlijk waxinelichtjes zou moeten planten, omdat het door alle zielen van dertig jaar huisdieren bemest wordt, van op de stoep gevonden muizen en vlinders tot Bobo, het kalf van een Airedale terriër dat nog niet wist dat het de laatste hond van mijn tante Wiesje zou worden. Dat zegt jou allemaal niks, maar het was eens rond je uitvaart dat ik je daar ontmoette, bang vroeg of ik me niet teveel met je afscheid had bemoeid, en je me geruststellend een idioot noemde, alsof ik me zorgen maakte dat je me een onvoldoende ging geven voor een prima essay.

Six pieds sous le terre, bleek Brel eigenlijk te zingen, zes voet onder de aarde. Er is geen woede of kalmte, er is alleen die meetbare maar onoverbrugbare afstand tussen jou sous le terre en ik er bovenop.

Het was een keer ’s avonds, rond deze tijd van het jaar, dat ik door het donker langs de tuinbouwkassen fietste, waarschijnlijk aan Brel en Jojo dacht, aan jou en mezelf, naar rechts keek, en bijna moest stoppen. Achter de haag, en tussen de bomen, als schepen op zee, waren honderden brandende graflichten door het donker gestrooid.

 


 

Daan Doesborgh (1988) is redacteur van Tirade en schrijft onder andere voor Vrij Nederland. Hij is oud-redacteur van Propria Cures en won in 2010 het NK Poetry Slam.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.