Scheer-me-Ken

Het was nog maar een week geleden dat je van je zakgeld een Ken had gekocht. Hij heette Scheer-me-Ken, want de bruine vlekken op zijn wangen en kin kon je weghalen door er met warm water en een plastic minischeerstokje overheen te gaan. Scheer-me-Ken was van het kampeertype. Hij had een sportieve, wijduitstaande oranje korte broek met elastiek in de taille en een lekker neutraal wit T-shirt. Hij was duidelijk het soort man dat goed zou zijn in het tijdig beantwoorden van brieven van zijn foster-parentskind, het met twee fietsen fietsen en het openschroeven van een blik kapucijners met zijn teennagels. Je had nooit een Ken gehad. Wel eenentwintig Barbiepoppen en zelfs een aantal Skippers. Er was een Barbie van lang geleden bij, die zeer kort, plastic haar had en zij deed dienst als Ken, maar het was niet een Ken waaraan je je romantische gevoelens kon ophangen, want ze had harde puntborsten en een uiterst arrogante langgewimperde oogopslag.

Enter Scheer-me-Ken. Natuurlijk had je het wel gevoeld, de schaamte bij de kassa van Bart Smit. Een meisje van dertien koopt geen Barbies, Kens of welk ander speelgoed dan ook, maar dat gevoel schoof je opzij omdat er nu toch eindelijk, na al die jaren, een Ken zou komen.

Scheer-me-Ken was anders dan je je had voorgesteld. Zijn heikneuterigheid kon geen Barbie verleiden en het verontwaardigde je enigszins dat hij op de plek waar zijn geslachtsdeel had moeten zitten, niet eens een bobbel of een verhoging had, maar niks; een glad, steriel niks. Scheer-me-Ken was een eunuch. Misschien dat dat het moment was dat je je realiseerde dat het te laat was voor een Ken. Je hele kindertijd had je zonder gedaan en nu, op het randje van je jeugd aangekomen, was het te laat. Je had het geloof in Ken verloren.

Het ene ogenblik was je nog je Barbie met roze strepen in haar haar aan het verkleden voor het grote feest van Scheer-me-Ken, het volgende staarde je naar al die minikleertjes waarmee de vloer van je kamer was bezaaid en vroeg je je af wat het nut was. Wat was je aan het doen? Dit had niets te maken met het echte leven. Het feest was nep, je Barbie van plastic en Ken was een eunuch.

En zo stapte je de puberteit binnen, waar ‘doen alsof’ kinderachtig was en het echte leven maar één waarheid had. En het zou nog lang duren voor je doorkreeg dat verhalen verzinnen allesbehalve nutteloos is, fictie ook waarheid en Scheer-me-Ken met kleren aan gewoon een piemel heeft.

—-

DSC_4034 (2)Anne Eekhout (1981) is zondagblogger voor Tirade. Haar debuutroman Dogma (2014) werd genomineerd voor de Bronzen Uil en kwam terecht op de longlist van de AKO-literatuurprijs. Haar tweede roman, Op een nacht, is in maart 2016 verschenen.

In de Oorshop

Ik ben Sylvana Simons

In deze prachtige grimmige wereld – zoals een titel van Andrej Platonov luidt – helpt het ‘prachtige’ soms het ‘grimmige’ te doorstaan. Terwijl niet-gediagnostiseerde zwakzinnigen, zoals Donny Morero, de jongen die de ‘uitzwaaipagina’ op facebook voor Sylvana Simons maakte, een ouderwets soort domheid botvieren hebben anderen in het verleden bewonderenswaardige pogingen gedaan de ander te begrijpen in plaats van hem met geringe kennis te veroordelen.

Mijn helden van dit moment zijn Margaret Mead en Ruth Benedict. De eerste schreef een heel gedegen studie voor de leek op basis van jaren veldwerk waarin pubermeisjes in Samoa in hun ontwikkeling gevolgd worden teneinde ze te kunnen begrijpen (en misschien onze eigen pubers te gaan begrijpen). Mead is het type van de zeer begeesterde, wat strenge en uiterst precieze wetenschapper met hart voor de zaak. Mead volgde deze Oceanische cultuur jarenlang en was betrokken bij de mensen en stond midden in het leven dat ze beschreef.

220px-TheChrysanthemumAndTheSwordRuth Benedicts The Chrysantemum and the sword is een heel ander soort en eigenaardig antropologisch meesterwerk. In de tweede Wereldoorlog ontstond de behoefte Japanners te begrijpen zonder dat een Amerikaanse als Benedict de mogelijkheid had veldstudie te doen. Benedict bekeek dus cultuuruitingen. Ze schreef een heel praktische gids waar door latere antropologen wel wat op aan te merken valt, maar die enig is in zijn soort waar het de comparatieve studie aangaat: heel goed stap voor stap leren begrijpen waar opmerkelijke verschillen tussen culturen hun ontstaansgrond hebben.

Franz Boas schreef in de inleiding op Coming of age in Samoa ‘Courtesy, modesty, good manners, conformity to definite ethical standards are universal, but what constitutes courtesy, modesty, very good manners, and definite ethical standards is not universal. It is instructive to know that standards differ in the most unexpected ways.’

Dat kon Boaz – vader van de antropologie – in 1928 nog schrijven. Kom er nog maar eens om bij de niet gediagnostiseerde zwakzinnige die de facebookpagina maakt met het leuke idee Sylvana Simons uit te zwaaien na 5 december.

‘Courtesy, modesty, good manners,  are universal?’

Domme dreinende kinderen zijn het, deze ‘aanhangers van de PVV’, met een groot gebrek aan opvoeding en ontwikkeling.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Bedankt Gustan Asselbergs, welkom Anne Eekhout!

In mei was Gustan Asselbergs zondagblogger voor Tirade, met subtiele observaties over zijn werk bij een veilinghuis en als afsluiter een kort verhaal bij een mooie ets. Nog even nagenieten? Lees hier alles terug. Heel veel dank aan Gustan!

 

 

 

 

DSC_4034 (2)In juni neemt Anne Eekhout de zondag op Tirade voor haar rekening. Anne Eekhout (1981) is schrijfster. Haar debuutroman Dogma (2014) werd genomineerd voor de Bronzen Uil en kwam terecht op de longlist van de AKO-literatuurprijs. Haar tweede roman, Op een nacht, is in maart 2016 verschenen. Haar blogs zullen gaan over de leeftijd dertien.

Come what may

Het is aan het gebeuren. Vorige week had ik een afspraak met Roos van RTV-NH. Ze had me gebeld omdat ze na vijf jaar graag een item wilde maken over mijn beste vriend Gijs. Over zijn vermissing, onze zoektocht en zijn dood.

Sinds zijn lichaam in het IJ gevonden werd heb ik er niet meer met de pers over willen praten, maar Roos belde me op de dag dat ik het manuscript van mijn nieuwe boek had ingeleverd. Het is een sterk autobiografisch verhaal geworden over een vriendschap tussen twee jonge mannen die elkaar leerden kennen in de Amsterdamse horeca. Er is een lijn in het heden waarin de vaderloos opgegroeide hoofdpersoon Issa zelf vader is geworden en nauwelijks toekomt aan de verwerking van de dood van zijn vriend, en een lijn in het Madrid van de jaren ’60, over barman Luis Martín Murillo van het Café de los Marineros Ahogados.

Luis Martín was de vader van Laura, met wie Gijs een relatie had tijdens een jaar in Madrid tegen het eind van zijn studie. De voor Issa denkbeeldige persoon van Luis zou een grote rol in hun samenwerking en vriendschap blijven spelen. Martín werd de personificatie van vakmanschap en mannelijkheid, de gedroomde vaderfiguur voor vaderloze jongens. Nu is het tijd voor Issa om zich af te vragen hoeveel van Luis hij wil overdragen op zijn zoon Nadim. 

Hoewel mijn roman fictie is, heeft hij innige banden met de werkelijkheid. Het is geen letterlijk te nemen verhaal over Gijs, maar wel het verhaal van onze vriendschap.

Dit is het boek dat ik niet wilde schrijven. Daarom schreef ik een ander, niet wetend dat Het jasje van Luis Martín geduldig zou wachten tot ik daar klaar mee was. Dat andere boek ligt nu in een la en zal daar waarschijnlijk blijven omdat het een lege huls is; een ontwijking is gebleken.

Ik wilde dit boek niet schrijven omdat ik het moeilijk vind mensen waarvan ik houd neer te pennen. Omdat ik altijd bang ben in gebreke te blijven. Iemand die je te nabij staat is moeilijk helder te zien. Ik wilde dit boek niet schrijven vanwege het grote risico: slagen zou erg zijn en falen nog erger.

Al bij de eerste bladzijden realiseerde ik me dat ik zou moeten bedenken hoe om te gaan met de publiciteit. Ik heb het nog steeds niet bedacht; merk dat ik blokkeer als ik probeer een strategie uit te zetten.

Goed. Het is er nu, Het jasje van Luis Martín. Nog een maandje schaven en mijn boek is klaar.

_________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

We kunnen overal naar toe, we kunnen naar Spijkenisse

graffitiDe jongen was net ‘buiten’ en hij praatte over wie hem had verraden, maar dat hij zelf niets had gezegd. Hij rolde een joint die hij niet aanstak en piste in het gangetje van de trein. Hij zei dat zijn vader vijftig kinderen had, zoals Osama Bin Laden – ‘geloof je dat?’ Zelf had hij een dochter van zes. Hij droeg een joggingbroek en luisterde naar harde gangsterrap, zong in zijn eentje mee. De meeste teksten ging over moorden, maar ik herinner me een regel met de strekking: ‘we kunnen overal naar toe, we kunnen naar Hoogvliet, we kunnen naar Spijkenisse.’

Hij zei dat hij nu moest genieten, want hij moest toch weer terug. Hij wilde een nacht uitgaan, op zoek naar de ‘nigger Crips van de Schilderswijk’, hij wilde naar zijn grote familie in en rond Rotterdam. Hij wees beleefd aan waar de WC was toen een oudere heer daarom vroeg. Hij was met twee andere jongens en zelf zat ik bij het raam en luisterde, keek naar de andere reizigers die onze bankjes even overwogen, dan snel besloten een andere zitplaats te zoeken. Om te bewijzen dat hij was wie hij claimde te zijn, liet hij een tv-programma zien over georganiseerde criminaliteit en justitiegegevens die op straat lagen. Het was onduidelijk of hij er werkelijk in voorkwam, want het programma duurde anderhalf uur en zijn reisgenoot protesteerde dat het internet veel te snel opging.

Omdat ze elkaar broer noemden, omdat ze handgebaren deelden, duurde het lang voor ik begreep dat de twee anderen hem helemaal niet kenden.

 

Wytske Versteeg is redacteur van Tirade en schreef Quarantaine (2015), Boy (2013), De Wezenlozen (2012) en Dit is geen dakloze (2008).

De dingen die ik geloofde

Ik geloofde dat grote mensen meer vingers hadden dan kinderen, dat je vingers kreeg als jaarringen, steeds meer, dat dit één van de redenen was dat volwassenen meer dingen goed konden – zoals mijn oma zeer snel slagroom kon kloppen, mijn vader zelf een stoel kon maken, oudoom L. bier in zijn oor kon gieten en dat het er dan via zijn mond weer uitkwam, in een glaasje dat op de bruine bar stond waarachter de barman met zijn ogen rolde. L. was de reden dat ik de vingertheorie aanhing, hij had het zelf laten zien. Eén twee drie vier vijf zes zeven – hij kon zijn handen sneller bewegen bij het tellen dan ik.

Aan mijn moeder vroeg ik wat die zakjes toch waren die in kroegen en winkels aan de wc-muren hingen. Ze zei die zijn voor vrouwen, voor hun eitjes, die raken ze elke maand kwijt. Of ze dat precies zo zei weet ik niet meer, en of het wel echt mijn moeder was  of dat het misschien een tante of een oma was ook niet, alleen dat me ook verteld werd dat het met een beetje bloed gebeurde en dat je ook niet precies wist wanneer je dat ei ging leggen, dat kleine eitje dat je bijna niet kon zien, maar waar dus wel bloed bij zat, echt bloed zoals dat ook uit je knie kwam als je op de stoep gevallen was of uit je vinger als je had geprobeerd of die papiermesjes echt zo levensgevaarlijk waren als al die overdreven ouders en oma’s altijd zeiden. Bloed. Met een eitje. Dat ik er even over op moest houden.

Ik geloofde dat er een moment zou komen dat ik ineens eens per maand een eitje zou leggen, en dat dat moment op een of andere manier altijd precies samenviel met het bezoek aan een openbaar toilet. Ik durfde de zakjes niet meer aan te raken en dacht een poos bij iedere vrouw die ik zag: die legt dus óók een ei.

Ik geloofde dat vrouwen die oud werden, dertig of zo, op een ochtend wakker werden met grijze krullen. Dat hoorde er gewoon bij, net als die vingers en die eitjes. Maar je hoefde niet per se een oude vrouw te worden, je kon rond je zestiende ook besluiten een piemel te krijgen, dan was je gelijk van het probleem af dat jongens het niet cool vonden als je meevoetbalde en óók verliefd was op Denise.

Ik geloofde dat de maan ’s nachts in zijn handen klapte, maar kon dat gezicht waar iedereen het altijd over had niet zien. Ik geloofde dat sneeuw geluid maakte, laag en brommend en ik geloofde dat ik een keer onder water had geademd, in bad, toen ik het heel hard had geprobeerd in het water dat niet bromde maar fluisterde.

Er zat een Vlaamse gaai op mijn balkon van een vetbol te snoepen, ik had er nog nooit één van zo dichtbij gezien, ik kende ze alleen uit de tuin van de oma die snel slagroom kon kloppen en daarbij hard vloekte. De volgende dag vond ik zo’n blauw gestreept veertje, en dacht ik: die arme vogel is dood, want dat gebeurt als ze zo’n veertje verliezen, zoals mensen sterven op het moment dat hun laatste haar uitvalt. Direct hierop wist ik ineens hoe lang geleden het was dat ik aan Vlaamse gaaien gedacht had.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Roos van Rijswijk"
    Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.