Er was eens: disco

Waarschijnlijk denkt het gros der mensen aan John Travolta en zijn strakke witte pakkie in Saturday Night Fever bij het genre, maar tussen 1969 en 1979 zette disco de muzikale wereld behoorlijk op zijn kop. Disco groeide arm en medialoos op in de Amerikaanse gay, black and latino culture in New York en Philadelphia. Onder invloed van onder andere de Stonewall-rellen, de vrouwenbeweging en de homobeweging, alsook de opheffing van het onwaarschijnlijke verbod op dansen met een lid van dezelfde sekse, ontstond het in de muzikale undergound scene.

Zo begon ene David Mancuso in de vroege jaren zeventig LSD-rijke privé feestjes te geven in zijn Loft in de Lower East Side – nu bekend als het hippe Soho, maar toen arm en vervallen. De muziek die werd gedraaid werd nog geen disco genoemd en kwam voort uit soul, funk, salsa en diepe R&b met lange breaks, voor een groot deel afkomstig uit Philadelphia. Denk bijvoorbeeld aan aan ‘Love is the Message’ van MFSB, of ‘Girl You Need a Change of Mind’ van Eddie Kendricks. Na de Loft werd de legendarische The Gallery geopend met (de ‘Jimmy Hendrix van de platenspelers) Nicky Siano en in 1977 openden de Paradise Garage en Studio 54. Met name die laatste club stond bekend om haar exclusiviteit, glamour en hedonisme. Disco maakte hier een eerste echte intrede in mainstream culture. Bovendien ging het gerucht dat er elke nacht cocaïne via de airconditioning over het publiek werd uitgestrooid.

Disco fever was inmiddels al een tijdje overgewaaid naar Europa. Georgio Morodor tekende Donna Summer. ‘Love to Love You Baby’ werd een ongekende explosie van vrouwelijke seksualiteit en gehijg op geluidsgolven en ‘I Feel Love’ de voorloper van elektronische dansmuziek. De Bee Gees waren in één klap ongekend populair toen ze in 1977 de soundtracks voor Saturday Night Fever verzorgden en rokkenjager Travolta zijn mooie pak aantrok. Disco werd pop. En hoewel Saturday Night Fever een verhaaltje van een macho-man vertelt, inclusief heteroseksueel happy end, siepelden er nu ook voor het eerst ook elementen van LHBT-cultuur in de mainstream pop.

Allereerst was er Sylvester, een openlijk homoseksuele zanger die bekend stond om zijn krachtige, hoge stem en zijn oogverblindende glitterkostuums. Zijn muziek belandde pontificaal bovenin de muziek-charts. En rond dezelfde tijd – we kennen ze allemaal van de lokale camping-bonteavond: The Village People. Ook zij verborgen hun seksuele geaardheid niet, en ze maakten er zelfs een liedje over. De bezoekers van stadse gayclubs waren niet hun primaire doelgroep – nummers van de Village People sloegen vooral aan in de kleinere steden en blanke, heteroseksuele mannen gingen er volledig van uit hun plaat. Das heißt: van stereotype homoseksuele macho-mannen, die zingen over seks met elkaar in de douches van de Young Men’s Christian Association.

Rond die tijd was (behoorlijk slechte) disco al niet meer te stoppen: underground disco-koorts werd televisie kitch, dansjes oefenen met je oma op vakantie en speciale disco-outfits. Alle musicals hadden een discoversie en iedereen deed mee. Zelfs de soundtrack van Sesamstraat kreeg een disco-verantwoorde make-over. Waar was de geest van de tegencultuur van de Loft en The Gallery gebleven? De homobeweging, de vrouwenbeweging, black culture?

Die elementen waren waarschijnlijk in negatieve zin aanwezig in 1979, als een onderstroom aan racisme en homofobie tijdens de beruchte ‘Disco Demolition Day.’ Rock DJ Steve Dahl had het gehad met Village People, Chic en Donna Summer en lanceerde zijn ‘Disco Sucks’ campagne, een campagne die uitmondde in een heuse anti-disco beweging. In juli dat jaar kwamen er 59.000 mensen naar een White Sox honkbalwedstrijd met hun discoplaten onder de arm, om ze op een groot vuur te gooien en onder luid gejubel te verbranden. Ze smeten flessen kapot en schreeuwden ‘Disco sucks!’ – een slogan met een inherente homofobe ondertoon. De subtekst was dan ook duidelijk: disco was voor zwarte mensen en homo’s, niet voor rock-liefhebbende, hoofdzakelijk witte mannen met een twijfelachtige muzieksmaak.

De verkoop van discoplaten daalde inderdaad en hard rock en new wave namen de charts over. Disco trok zich weer wat meer terug naar de underground en de gayclubs, waar de AIDS epidemie er veel harder inhakte dan een stel honkbalfans met hun Bee Gees platen ooit hadden kunnen bewerkstelligen. Maar disco was en is bij lange na niet verdwenen, niet in de latere muziekgenres die deze muziekstijl heeft beïnvloed, maar ook zeker niet uit mijn platenkast. Zo maakte  disco onder meer de weg vrij voor house en de hiphop-cultuur die omstreeks die tijd begon te bloeien. In 2011 heropende Studio 54 de deuren zelfs voor één nachtje, want de fever leeft vandaag de dag nog voort. En de volgende keer dat je los gaat op de YMCA, weet je ook precies waar je indirect voor staat.

 

11066010_10152982469904353_7538317002007962637_nAmarantha Groen (1989) publiceerde in Tirade, de Brakke Hond, Meander, Met Andere Zinnen, Krakatau, Daidallein, en Op Ruwe Planken. In juni blogt ze iedere zondag op Tirade.nu.

 

In de Oorshop

M.

OLYMPUS DIGITAL CAMERAVanachter het glas zie ik hoe zij buiten met de buschauffeur praat, ze draagt een mannenhoed. Ik bewonder vrouwen bij wie een mannenhoed goed staat, graag zou ik zelf zo’n vrouw zijn. Ze kiest een plaats naast mij en we praten zoals vreemden dat doen. De hitte zal gelukkig niet zo lang meer duren, zegt ze. Als ik vraag tot wanneer dan, noemt zij een maand waarin ik hier al lang weer weg zal zijn.

Waar ik slaap, vraagt ze, en ik noem de naam van een motel in M.

Ze haat die stad, zegt ze.

‘Mijn vader is daar vermoord.’

De route naar haar werk loopt langs de plek waar het gebeurde, elke dag komt ze er langs.

De heuvels hier zijn kaal en droog en uitgestrekt; stenen steken als littekens omhoog. Eenmaal in M. krioelen alle stoepen van de zwarte torren, die haastig wegrennen als ik mijn blote voeten neerzet.

Wytske Versteeg schreef Dit is geen Dakloze, De Wezenlozen en Boy. Dit najaar verschijnt haar 3e roman, Quarantaine.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Een goed morgen met’ 6

00:44:08

Frederic Rzewski, Winnsboro Cotton Mill Blues (1979); Ralph van Raat, piano.

00:53:40

Van de meeste muziek die hij heeft gehoord, herinnert hij zich maar weinig; hij ziet eerder nog de rug en de bewegingen van de dirigent voor zich, weet ook dat hij onder de indruk was. Maar waarvan? Hoe klonk dat indrukwekkende? Hoe moest je, terwijl de meest banale deuntjes je bijblijven, muziek opnieuw beleven die, zoals hij eens bij Stravinsky las, ‘haar melodische glimlach’ heeft verloren?

Zeker, ook hij houdt van melodieën die je kunt meezingen, zoals hij het soms ook niet kan laten om mee te gaan dirigeren, zoals perfect beschreven door Erik Menkveld, in het gedicht ‘Poème de l’extase (Skrjabin)’, over de poes die aan de schoot van zijn baasje voelt dat zitten zal overgaan in dirigerende verrukking. Niet alleen als dichter was dat baasje een meester in het beschrijven hoe hij muziek onderging, ook in zijn proza, met als ontroerend en tegelijk hilarisch hoogtepunt, vonden wij, de passage in zijn ‘Brief aan Robert Schumann’ (ik heb hem er hele stukken uit voorgelezen door de telefoon), waarin hij opsomt welke muziek hij de aanwezigen bij zijn begrafenis allemaal wil opdringen, niet om te laten horen wat hij mooi vond, maar om te laten voelen wie hij was. Goed dat dat eens gezegd was, en dat dat zo goed gezegd was.

Ook de samensteller van dit programma heeft zo’n lijst van wat hij zijn nabestaanden wil laten horen. Op die lijst, van Monteverdi tot Goebaidoelina, zijn zijn voorlopige favorieten het ‘Lied (ohne Worte)’ uit Schoenbergs Serenade, opus 24 en de transcriptie door György Kurtág van de sonatine uit Bachs Actus tragicus, ‘Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit’. Over het eerste zei hij dat hij altijd pas weer als hij het hoort, merkt dat het hem echt zo raakt als hij zich vaag herinnerde; het tweede, een en al melodische glimlach, kent hij bijna uit zijn hoofd – hij heeft zelfs een versie voor twee blokfluiten.

Soms dient zich iets nieuws aan, waarvan hij eerst nog niet beseft dat dat ook op zijn lijst moet komen, totdat hij het, terwijl hij dacht dat het uit zijn geheugen was gewist, opnieuw hoort en geen moment twijfelt, ook al heeft hij de programmagids niet gelezen en geen aankondiging gehoord. Pas nog, een late avond, nog even tv aan, ziet en hoort hij een groot koor, een orkest, en na twee of drie maten beseft hij dat dit Harmonium moet zijn, van John Adams. Hij heeft het niet op cd, wel de laatste jaren een paar keer live gehoord, maar hij had er niet vooraf een omschrijving van kunnen geven. Ja, minimal, en niet fanatiek-dogmatisch als werk van andere minimalisten. En ja, hij wist ook nog dat Adams gedichten had gebruikt van John Donne en Emily Dickinson; vooral die van Dickinson, het gedragen ‘Because I Could Not Stop For Death’ en het extatische ‘Wild Nights’, hadden indruk op hem gemaakt. Van verschillende andere componisten had hij liedversies van ‘Wild Nights’, een tamelijk rustige, een urgent klinkende en één waarin het golven van de zee overheerst. Maar geen treft hem zo direct als die van Adams. Misschien doordat het, volgend op een lang, bijna kabbelend deel, de luisteraar overweldigt? Het is ook heel goed mogelijk dat hij geen zin heeft om zijn nabestaanden met iets al te verstilds op te zadelen (wat tot nu toe op zijn lijst staat is dat wel), maar iets wil laten horen dat hen naderhand niet aan zijn dood zal doen denken, maar aan de dynamiek van leven.

00:56:07

John Adams, Harmonium, dl. 3, Wild Nights (1980/1981); Residentie Orkest en Groot Omroepkoor olv Brad Lubman.

01:02:26

 

adzuiderent Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

De valsgeprikte mongool

Ik liep door de hoofdstraat van Utila, een piepklein eilandje voor de Caribische kust van Honduras. Een paar vlekken van koraaleilanden zijn daar honderden jaren gebruikt als overslagplaats voor slaven, door de Britten. Anders dan op het vasteland van Honduras is de bevolking dus overwegend zwart, een enkele keer met knalblauwe ogen zoals ik er veel zag in Bleufields, Nicaragua. Op Utila heerste een heel vreemde Brits-koloniale sfeer, houten huizen met veranda’s en een onvermijdelijke dampende taart voor het raam, landelijk Engeland. Halverwege de hoofdstraat was een bank. In de bank, het enige geairconditionde gebouw van het eiland stond een zwarte man, fors van omvang en met downsyndroom. Hij had geen fijn leven gehad, was waarschijnlijk veel gepest, zodat in hem een onuitroeibare kwaadaardigheid had postgevat. Omdat hij veel last van warmte had mocht hij opzichter spelen, ongetwijfeld van zijn neef de bankdirecteur. Wij konden niet anders aan hem denken dan als aan ‘de valsgeprikte mongool’ een van ons had vroeger kennis gehad aan een marmot die door kinderen met een potlood steeds geprikt werd en daar heel bozig van geworden was. Het was ook angst: we moesten soms bij de bank zijn, en om eerlijk te zijn hadden we een pissige Dobberman-pincher nog wel geprefereerd boven deze man.

Op de dag dat we vertrokken hadden we geld nodig. Ik herinner me de aftocht van het eiland als een filmische reeks: langs de valsgeprikte mongool naar het kasregister, incasseren, op weg naar de enige man verderop in de enige straat die kaartjes voor zijn Chessna verkocht, een vliegtuigje met een stuk of twaalf zitplaatsen. Wel 25 man wensten die dag te vliegen. Terwijl kijvende eilanders elkaar een zitplaats ontzegden, mochten wij erin. In het vliegtuigje vroeg een reiziger voortdurend de aandacht van de piloot, met steeds een verhaal en hij vond ook dat de piloot om moest kijken. De fraaie dikke dame die zich daar aan stoorde riep keer op keer: ‘Let the man fly, let the man fly!’ Door angst ingegeven waarschijnlijk. De schaduw van het vliegtuig vloog  onder ons over de witte bodem van de ondiepe blauwe zee. De piloot had zijn linkerarm losjes uit het open raam. Wij hadden het eiland wél kunnen verlaten.

————–

FullSizeRenderMenno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van ver weg, en soms dichtbij.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

The Lost Language of Cranes

Afgelopen week las ik David Leavitts The Lost Language of Cranes. De roman speelt zich af in het New York van de jaren ’80, waar protagonist Philip Benjamin zijn ouders na lang uitstellen bekent homoseksueel te zijn. Hij is verliefd op de knappe en ongrijpbare Elliot, zoon van een schrijver wiens werk Philips moeder jarenlang redigeerde.

Ik heb een zwak voor dit soort verhalen omdat het in onze cultuur en tijd niet zo vaak meer voorkomt dat men grote risico’s moet nemen om zichzelf te kunnen zijn en de liefde te laten overwinnen. Blijkens de populariteit van TV-programma’s als Uit de Kast emotioneert een coming-out grote delen van de bevolking.

In het Nederland van nu zouden Romeo en Julia samen naar festivals gaan tot ze op elkaar uitgekeken raakten en daarna hun Tinderprofiel heractiveren. Zoals erotiek niet zonder kleding kan bestaan, impliceert vurig verlangen een nog te overbruggen afstand.

Misschien zijn mensen niet gebouwd op het realiseren van hun dromen, en is het beter als ze tenminste ten dele ongelukkig blijven, onvervuld. De absurde luxe vanwaaruit ik ertoe kan komen zoiets te stellen ontgaat me niet. In het Italiaanse kustplaatsje Senigallia sprak ik een bootvluchteling uit Senegal. De toevalligheid leek hem ontgaan. Hij vertelde me het verhaal dat we inmiddels allemaal kennen.

Ik heb niemand meer.

Er komt geen gratis geld uit de muur; er is niet eens werk.

Ik kan niet terug naar mijn ouders, die al hun spaargeld hebben ingezet op mijn succes in Europa.

De man verkocht kinderboeken, waaronder een geïllustreerd verhaal over een Senegalees meisje, dat ik aanschafte voor mijn gezonde blonde zoon van bijna vier, die zichzelf met behulp van een app heeft leren lezen. Voor zover Nadim weet is Afrika het decor van The Lion King, van de natuurfilms die hij zo graag kijkt op onze breedbeeld-tv die ik geen breedbeeld-tv moet noemen omdat er in ons deel van de wereld geen smalbeeld-tv’s meer bestaan.

Het spijt me als mijn verhaal meandert. Ook ik zoek naar wat ik hier eigenlijk wil zeggen. Misschien dat de armoede die economische vluchtelingen importeren voor ons van grote waarde zou kunnen blijken. Alle dingen waaraan we dachten behoefte te hebben importeren we immers al.

 

________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Uit verwondering

Sla een willekeurige inleiding in de filosofie open en je zult altijd op hetzelfde oorsprongsverhaal stuiten: men begon zich te verwonderen en vanuit die verwondering werd de wijsbegeerte geboren. We zien dit voor het eerst in Platos Theaetetus – een dialoog tussen Socrates, Theaetetus en Theodorus waarin de vraag ‘Wat is kennis?’ centraal staat. De verwondering wordt hierin gevierd als een staat die gelijk staat aan de sleutel tot ware kennis. Min of meer vanaf dit moment (dat is circa 369 BC) is de verwondering eigenlijk de dienstmaagd van de filosofie: ze zet het denkproces over een bepaald object of fenomeen in beweging en wordt van de hand gedaan zodra de filosoof hierover Ware Kennis heeft vergaard. Dit Platoonse verhaal dat de verwondering – thaumazein – onlosmakelijk met filosofie en kennis verbindt, is dan ook vrijwel zonder onderbreking herhaald in de wijsgerige traditie. Aristoteles, Descartes, Hegel, Kierkegaard, Heidegger, de lijst gaat maar door – allemaal geloofden zij in de kracht van de (weliswaar gematigde) verwondering om de filosoof op het goede spoor te zetten.

Dit is hoe ik kennis heb gemaakt met het concept verwondering. En ik begon hier niet heel lang geleden mijn vraagtekens bij te zetten. Was de verwondering misschien bestemd voor iets groters dan het bijstaan van filosofen in hun vaak megalomane kennisconstructen en alomvattende theorieën? Hadden die filosofen zich allemaal écht verwonderd, of verzonnen ze dat er later bij? En wat was er open aan een verwondering die graag zo snel mogelijk moest worden gesloten, vervangen voor hardnekkige categorisatie, logische definities en axioma’s? De conceptuele verwondering waarover ik in de schoolbanken leerde, stond ook zo ver af van een intuïtieve verwondering die ik zelf eerder associeerde met ontvankelijkheid, kinderlijkheid en kunst, dan met op kennis beluste wijsgierigheid. Een verwondering die er altijd is geweest, maar soms, als ik naar mezelf en om me heen kijk, steeds meer naar de achtergrond lijkt te verdwijnen.

Sinds enige tijd heb ik me verdiept in alternatieve verhalen die rond gaan over de verwondering. Wat kan ze nog meer voor ons betekenen en waar is ze toe in staat? In de feministische filosofie vond ik enkele denkers die met haar een ander, meer concreet en maatschappelijk geëngageerd doel voor ogen hadden. De Franse Luce Irigaray, bijvoorbeeld, haalt de verwondering uit het rijk van de epistemologie, om haar in de ethiek flink aan het werk te zetten. Volgens haar kan de verwondering als een soort relatie-modus dienen en een manier van relateren mogelijk maken waarbij we ontvankelijk kunnen zijn voor de ander, in plaats van deze te objectificeren, ons toe te eigenen en/of in een hokje te plaatsen. Gesimplificeerd voorbeeld: ik zie iemand die anders is dan ik (Irigaray betrekt dit voornamelijk op het sekse-verschil, maar het is niet moeilijk om dit verhaal toe te passen op welk anders-zijn dan ook). In plaats van die ander vrijwel direct te ‘kennen,’ of misschien zelfs te veroordelen en vanaf dat moment elke manifestatie van die persoon in een vastomlijnd kader te plaatsen, blijf ik open en laat ik me alsmaar opnieuw door haar verrassen.

Een andere functie van de verwondering komt naar voren in The Politics of Emotion [2004] van feministisch filosoof Sara Ahmed. Hierin besteedt zij enkele pagina’s aan de verwondering en hoe het haar in aanraking bracht met feministisch gedachtengoed: pas toen ze zich begon te verwonderen over de status quo op het gebied van bepaalde ongelijkheden in de samenleving, racisme, seksisme, enzovoorts, besefte ze dat wat is, eens anders is geweest. En nog belangrijker: niet altijd zo hoeft te blijven. Voor haar brengt de verwondering de geschiedenis van de stand van zaken aan het licht, en zet zij aan tot verandering.

De ethische, maar vooral ook urgente dimensie van de verwondering werd voor mij op een weer andere manier duidelijk toen ik in aanraking kwam met het werk van filosoof Catherine Malabou d.m.v. YouTube en haar boek Self and Emotional Life [2013]. Met behulp van recente neurologische bevindingen waarschuwt zij voor een algeheel verlies van het vermogen om ons te verwonderen. Voor Malabou betekent dit dat we onverschillig worden tegenover de wereld – een gevaarlijke staat waarin we onbezorgd en gevoelloos door het leven gaan, met een angstaanjagend gebrek aan empathie. De verwondering is hier het primaire ‘affect,’ dat ons in de eerste plaats in aanraking brengt met de ander in onszelf, en daarna met de wereld en alle verschillen om ons heen. Ze is voor Malabou de voorwaarde voor alle andere gevoelens en wanneer ze weg is, wanneer een mens niet meer ‘verwonderd’ en geraakt kan worden, rest er slechts een gevoelloos denken dat niet in staat is tot ethische keuzes. Het resultaat is een soort ‘disaffectie,’ een volgens Malabou om de hoek loerende politiek van onverschilligheid.

Deze non-gemoedstoestand is vervolgens ook nog eens de perfecte toestand voor het voortbestaan van de huidige neo-liberale maatschappij. Die teert namelijk op onverschilligheid, en op lamheid van mensen die zich niet geroepen voelen om iets te veranderen aan de sociale ongelijkheden die een dergelijk systeem genereert. Steeds meer geloof ik nu in het belang van verwondering. Maar hoe houden we haar bij ons, of vinden we haar terug? Dan kan ik misschien wat verwonderingspropaganda o.l.v. Wonder Woman op touw zetten voordat het allemaal al te laat is. Want de laatste mens van Nietzsche, die verwondert zich natuurlijk niet.

 

______________________________________________________________________

 

11066010_10152982469904353_7538317002007962637_nAmarantha Groen (1989) publiceerde in Tirade, de Brakke Hond, Meander, Met Andere Zinnen, Krakatau, Daidallein, en Op Ruwe Planken. In juni blogt ze iedere zondag op Tirade.nu.

 

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Roos van Rijswijk"
    Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler