Content is King!!!

You can’t depend on your eyes when your imagination is out of focus.
Mark Twain

Bol.com heeft de wens te kennen gegeven de beste boekhandel van Nederland te worden. Daartoe organiseerden zij het Uitgeversevent op 10 april jl. Ik was daarbij, omdat ik van boekhandels houd en omdat ik graag op de hoogte ben van wat de grootste internetboekhandel denkt en doet.

We zitten in een zaal die – naar Managing Director Daniël Ropers zegt – ‘niet zo inspirerend is als de dag die we voor ons hebben’. De managing director, spijkerbroek, mocassins, strak overhemd, is in zijn beste jaren. Bluetooth microfoontje, hij komt goed uit zijn zinnen, heeft gedegen naar allerhande TED talks gekeken. Hij komt zó goed uit zijn zinnen, dat duidelijk is dat hij de managing director is geworden. Niemand  die volgt komt in de buurt. In het vervolg van de ochtend teken ik voor eigen vermaak nog de volgende zinnen op:

‘een journey die nooit zal stoppen’

‘er een stukje perspectief op geven’

‘content is King!!’

‘qua storytelling en bingewatching’

Ik waak er voor de elitaire papierenboekenfetisjist uit te gaan hangen. Meer dan een beetje glimlachen is dan ook niet nodig. Wel heb ik gaande de ochtend, omdat je nu eenmaal hersencellen overhoudt, een aantal punten geformuleerd die beter kunnen als je als grootste internetboekhandel met uitgevers te maken hebt. Ik zet ze even op een rijtje om af te sluiten met iets wat ik wel leerde die dag en nog steeds heel interessant vind.

Wat BOL retorisch beter zou moeten kunnen:

-onderschat andere mensen nooit.

-wanneer je een zaal uitgevers toespreekt helpt het een stapel boeken op je bureau te hebben staan. Je moet ze overtuigen dat – anders dan Amazon eigenaar Jeff Bezos – je niet net zo goed ‘doodskisten, wasmiddel en paprika’s’ zou kunnen verkopen, maar dat je van boeken houdt. Dat 10 keer zeggen is niet voldoende.

-Noem een paar titels, gebruik in je slides geen grasmaaimachines als je het het over boeken hebt. Citeer iemand. Google is zeer behulpzaam met het zoeken van een passend citaat: Abraham Lincoln: ‘Books serve to show a man that those original thoughts of his aren’t very new at al.’

Of

‘There’s definitely a role for online booksellers, but they can’t host events, bring people together, and form a personal relationship in the way a bricks-and-mortar store and its staff can.’–  Graeme C. Simsion. Nou ja, die vonden ze misschien wel maar ze lieten dit citaat wellicht achterwege.

-Herhaal niet voortdurend dat je van de aanwezigen wilt leren, terwijl je uitsluitend over je zelf vertelt hoe goed je bent. Als je wilt leren, luister je.

-vermijd 367 keer ‘zeg maar’ zeggen in 8 minuten, Petra Lubbers, in het veelbelovende praatje ‘Ontwikkelingen en uitdagingen in de Boekenmarkt’ zorg dat je er minstens 1 van die ontwikkelingen en uitdagingen ook werkelijk noemt, die niet die door elke willekeurige groenteboer gesuggereerd zou worden, desgevraagd. Dat niet doen en bij algemeenheden blijven die op elke borrel wenkbrauwen zouden doen fronzen omdat ze zozeer voor de hand liggen, is een ontoelaatbare onderschatting van je publiek. Zie eerste punt, zeg maar.

Mijn conclusie: Bol is een heel goede webwinkel. ‘De beste boekenwinkel van Nederland’ worden, is een holle claim die past bij ’think big’, maar er zijn er al snel zo’n 70 die ik ken die eerder in aanmerking komen. Gewoon omdat ze hun klanten inschatten. Groot is BOL wel en belangrijk ook. Ik heb suggesties hoor, hoe ze zichzelf verbeteren kunnen.

Tenslotte, wat ik wel leerde en boeiend vond, kwam van Arno Otten, Managing Director Digital Media bij RTL en is het volgende. Een serie van het type dat iedereen nu kijkt: House of Cards, Borgen, Suits etc kost evenveel om te maken als een speelfilm. Het format van de speelfilm heeft veel te maken met de beperkingen die golden toen het concept van massavermaak op het grote doek zijn eerste  furore maakte: het moest in pakweg 1,5 uur, op 1 plek te consumeren zijn. Door dat bedrag nu in een serie te stoppen, heb je niet alleen veel meer tijd doorgebracht als consument, maar de ‘uitgever’ heeft ook veel meer ‘contactmomenten’ met de ontvanger.

En deze manier van verhalen vertellen pas beter bij het hart en de ziel van de verhalenverteller: tijd nemen, uitspinnen, divergeren, lange afstanden afleggen (Homeros). Ik denk er al een dag of zes over na wat dit precies kan betekenen voor schrijvers en uitgevers.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van lente.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

All – – That – Is – –

In All That Is schrijft James Salter (Hoofdstuk 4, As One): “Freely, as they sat or ate or walked he shared with her his thoughts and ideas about life, history and art. He told her everything. He knew she didn’t think about these things, but she understood and could learn. He loved her for not only what she was but what she might be, the idea that she might be otherwise did not occur to him or did not matter. Why would it occur? When you love you see a future according to your dreams.”

Vanochtend las ik deze zinnen wel tien keer achtereen. Wat ik me afvroeg: waar komt het licht vandaan? Misschien neem ik taal anders waar, maar in Salters woorden – of eerder erachter – lijkt altijd een vorm van schittering aanwezig: de zon die door kleine kabbelingen weerkaatst wordt, te fel om lang naar te kijken, maar warm en heerlijk tegelijk. Een zomertuin vol vrienden die je jaren niet gezien hebt. Een grote schaal rijpe aardbeien. Een lachend kind. Dat werk.

Als ik naar de betekenis van die paar zinnen kijk, is die eerder droevig: we kennen elkaar nooit, zelfs – of misschien juist – in de liefde. En we zitten daar niet mee, waarom zouden we in de werkelijke persoon geïnteresseerd zijn?

Het licht zit ook niet in hetgeen beschreven wordt. Er is niets zintuiglijks aan de tekst. Salter heeft het over gedachten, ideeën, denken, begrijpen. Alleen het zo platgetreden love zegt iets over gevoel, maar raakt de lezer in deze context op geen enkele manier.

Wat resteert er, na het buiten beschouwing laten van betekenis en vorm, dat licht overbrengen kan? Hoe kan een stem zo herkenbaar door geschreven tekst heen klinken, bijna – ja, volg me maar even – alsof Salter alleen maar voorleest en de woorden er niet zo toe doen? Het antwoord kwam na een kleine wandeling met Otis de Hond, waarop ik Salters zinnen hardop bleef herhalen.

Ritme.

Ik kwam thuis en sloeg A Sport and a Passtime open. Het klopte. Solo Faces. Ook. Burning the days. Idem.

Light Years is sinds ik het een jaar of twaalf geleden las altijd een van mijn favoriete boeken gebleven, terwijl ik er geen zin van citeren kan. Ik ken de namen van de hoofdpersonen niet meer en weet alleen nog dat de lezer te maken krijgt met een falend huwelijk. Salter leeft niet in de tastbaarheid van zijn details, anders waren die me bijgebleven. Hij heeft een adelaarsblik: van grote hoogte strijkt hij over de mensen en dingen, bijna koel noterend.

Voor mij is wat schittert aan het werk van James Salter zijn ongelooflijke gevoel voor ritme. Alsof je door fluwelen klauwen opgetild wordt, en vlak boven je de vleugelslagen horen kunt.

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Story

lezer“What’s your story? It’s all in the telling. Stories are compasses and architecture; we navigate by them, we build our sanctuaries and our prisons out of them, we build our sanctuaries and our prisons out of them, and to be without a story is to be lost in the vastness of a world that spreads in all directions like arctic tundra or sea ice. To love someone is to put yourself in their place, we say, which is to put yourself in their story, or figure out how to tell yourself their story.

Which means that a place is a story, and stories are geography, and empathy is first of all an act of imagination, a storyteller’s art, and then a way of traveling from here to there.”

Rebecca Solnit, The Faraway Nearby. Penguin, New York.

‘I’m not like most people.’

Sarie is terminaal kankerpatiënte. Dus als de messenwerper (rode broek, geel vest) van Circus Olympia dat in Sander Kollaards roman Stadium IV is neergestreken in Borgholm een vrijwilligster zoekt, stapt zij de piste in. Ze heeft toch niks te verliezen:

‘Geholpen door de assistente nam ze plaats tegen de goudkleurige wand. Het licht dempte en de muziek verstilde tot lang aangehouden tromgeroffel terwijl de assistente de messenwerper een blinddoek ombond. Ze zette hem op zijn plaats en gaf hem de messen in handen: zeven stuks. Het geroffel viel weg tot een fluistering en plotseling, in een zevenvoudig salvo, vlogen de messen door het licht van de schijnwerpers. Er klonken zeven droge tikken. Het volgende moment barstte de muziek los en ging het licht weer aan terwijl het applaus opklonk.’ (2015; p. 126).

Een openbaar interviewer is een circusartiest die het profiel van zijn gast aftekent met vragen in plaats van met messen. Zadie Smith verroert zich nauwelijks als Arnon Grunberg haar zijn vragen toewerpt. Persoonlijk vind ik het geinig als een geïnterviewde ongevraagd door hoepels begint te springen, zich in de trapeze waagt of – zoals Oliviero Toscani twee maanden geleden deed hier in Circus De Balie – eerst de messenwerper letsel toebrengt en vervolgens diens messen en werpsterren het publiek in begint te keilen.

Zadie Smith schrijft mooie romans, verhalen en essays. Ze doceert, ze mengt zich in maatschappelijke/politieke discussies. Ze heeft een dichtende man, gezonde kinderen, in het echt is ze nog mooier dan op de foto’s die glossy’s van haar afdrukken en het is, zo blijkt, een plezier om haar in het openbaar te zien spreken. Ze is vriendelijk, rustig, geestig, kritisch, eigen. Voorkomend zonder stijf of afstandelijk te worden. Relativerend – op het flegmatieke af. Ze weet dat ze geen genie is, zoals Nabokov of DFW, maar neemt haar talent serieus genoeg om haar leven aan het schrijven te kunnen wijden.

Ik draai onrustig op mijn stoel als Smith aan Grunberg vertelt dat ze The Embassy of Cambodia (2013) als haar beste werk beschouwt (ik ook!, ik ook!). Ze deelt haar opvattingen over slavernij, de multiculturele samenleving, schoonheid. Het publiek is kalm en ontvankelijk – sommigen slijpen de vragen die ze Smith straks mogen toewerpen. Iedereen lijkt gesticht, geïnspireerd of minstens geboeid.

Het enige wat er over deze avond te klagen valt… is dat er niks te klagen valt.

Zadie NWKorzelig en obstinaat door alle Menselijke Warmte en Harmonie – vechtend tegen de zelfhaat omdat ik me laat behagen door wat Jeroen Mettes ‘de ouwehoerindustrie’* noemt – dwalen mijn gedachten iedere tien minuten even af naar Smith’s personage Annie, uit het Neo-Modernistische NW (2012). Als haar minnaar Felix haar opzoekt om haar te vertellen dat hij verder wil met zijn leven, zonder haar, zegt Annie:

‘You know, Felix –’ a dainty little voice, like a waitress reciting the specials – ‘not everyone wants this conventional little life you’re rowing your boat towards. I like my river of fire. And when it’s time for me to go I fully intend to roll off my one-person dinghy into the flames and be consumed. I’m not afraid! I’ve never been afraid. Most people are, you know. But I’m not like most people.’ (p. 139)*.

Wanhopige, onware woorden uit de mond van een heroïneverslaafde veertigster.

Maar evengoed: je hoeft niet te wachten met het nemen van risico’s tot je wordt gediagnosticeerd met kanker.

————-

Martijn Knol (1973) – schrijver en Tirade-redacteur.

Volgende week: Leren apporteren.

Noten 

* ‘Poëzie doet ertoe, niet zodra ze beter geïntegreerd is in de markteconomie en de ouwehoerindustrie, maar zodra ze zich daar effectief tegen weet te verzetten.’ Uit: Jeroen Mettes, Weerstandsbeleid (2011, p.147).

* Technische noot. Op pagina 126 van NW denkt Felix over Annie: ‘She could fall and fall and fall and still never quite hit the ground.’ Wanneer hij haar, op pagina 142, achterlaat op de overloop van het huis waar ze hebben gevreeën en geruzied, lezen we: ‘He hurried to the stairs, and was a few steps down when he heard a thud on the carpet above as she went down on her knees.’ Bodem bereikt. Felix voelt zich ‘wonderfully, blissfully light’.

Een vreemdheid

Zo’n beginscène waarin we de hoofdpersonen nog niet zien, maar die bepaalde motieven alvast in beweging brengt – iets als de initiële, mysterieuze handeling in een detective

Na het lezen van mijn vorige stuk zei mijn vriend dat we wellicht niet hetzelfde onder het woord ‘blog’ verstaan.

Oké, het had wat essayistische trekjes.

Nou ja, trekjes.

 

10449144_815436288516236_1148165598_nGender en genre

Terwijl ik Judith Butlers Bodies That Matter las, begon ik te denken over genre. Al een aantal maanden ben ik bezig met wat ‘de roman’ zou moeten zijn, nadat ik het idee had opgevat er een te schrijven, en hoewel Butler het daar niet over had, zette ze me toch aan het denken. Het viel me op dat boeken en hun genre misschien niet zoveel verschillen van die ideeën over mens en sekse.

To claim that discourse is formative is not to claim that it originates, causes or exhaustively composes that which it concedes; rather, it is to claim that there is no reference to a pure body which is not at the same time a further formation of that body.

Het gaat erover dat als je van ‘sekse’ iets maakt dat puur voortkomt uit ‘theorie’, je het materiële ervan vergeet. Beweren dat theorie formerend is, is alleen niet hetzelfde als zeggen dat wat het formeert, eruit ontstaat – dat is het onderscheid dat Butler maakt.

Ze wil de aandacht vestigen op het hoe aanwijzen ook aantast. Zoals ik vorige week over citaten schreef, over hoe de herhaling telkens iets nieuws is, zo kun je ook denken over begrippen: het begrijpen van iets bestaat bij gratie van een bepaalde ‘citeerbaarheid’ – we moeten het (h)erkennen.

 

Wanneer je negen schapen met drie poten hebt, en één met vier, en die laatste begrijpt als een afwijking, tot je de kudde van je buurman ziet

Zo een methode leren: door hem heel vaak toegepast te zien worden.

Dan wordt hij wel zichtbaar, maar nooit als zodanig, het treed altijd op in de vorm van een exemplaar.

Tussen exemplaren en hun ideaal bestaat een spanning: exemplaren wijken af, omdat ze te specifiek zijn. Tegelijkertijd bestaat ons idee uit niets anders dan de ervaring van veel exemplaren. De vraag of een eigenschap onderdeel is van dat algemenere idee, kan nu wel vaststaan, maar blijft bij elk nieuwe gebruik de vraag.

 

Tussen boek en norm

Het interview waar ik vorige week ook al over schreef draagt tussen aanhalingstekens de titel: ik word moe van normale boeken. In het stuk komt dat zo terug:

Waarschijnlijk is het een fout van mijn kant, maar ik word snel moe van ‘normale’ boeken. Als je veel leest, wen je aan hoe schrijvers taal inzetten om te bereiken wat ze willen. Daardoor kan literatuur een lege herhalingsoefening worden. (…) Van een schrijver wil ik dat hij me eerst ontwapent, van alle verwachtingen ontdoet, zodat hij daarna alle vrijheid heeft om met taal te doen wat hij wil. De lei moet even schoongemaakt worden. (…) Ik wil iets maken dat ik zou missen als het er niet meer was. Dat is wat mij betreft de enige maatstaf die ertoe doet.

Het staat er allemaal wat stellig, en ik weet niet of ik het zo zou zeggen, maar ergens begrijp ik nog steeds wat er staat.

Normale boeken – het gaat me daar niet om boeken die ‘gewoon’ zijn, maar om boeken die zich te veel houden aan een bepaalde norm. Dat is die herhalingsoefening: het idee dat je alle aspecten van een specifiek boek, al (h)erkent als eigenschappen van zijn genre. Het idee dat het geen risico meer loopt.

Ik geloof dat een boek – wil het mij raken – zijn genre op het spel moet zetten. Niet uit een soort holle originaliteitszin, of zoiets; het gaat soms niet eens om vernieuwing.

 

Wat me na aan het hart ligt

Wil je, aan iemand anders, ergens over schrijven, dan zul je moeten delen in een zekere taal. Je moet woorden gebruiken die voor die ander iets betekenen. Tegelijkertijd moet je recht doen aan dat waar jij het over wilt hebben.

Soms is dat zo specifiek, dat elke generalisatie het al tekort doet.

Een boek moet dan niet een roman zijn, het moet er een kunnen worden.

Hoe kun je schrijven over je overleden broer in de vorm een vertaling, zonder zijn dood te reduceren tot tekst? (Anne Carson, Nox). Of over een trage, bijzondere liefde, zonder te beweren dat zoiets uit woorden bestaat? (Hiromi Kawakami Strange Weather in Tokyo).

Iedereen kan zijn eigen lijstje afmaken.

Waar ik op doel is dat, zoals zeggen dat sekse theoretisch is zonder te zeggen dat er geen geslachten bestaan, er in boeken moet worden geschreven terwijl wat je schrijft niet de oorsprong is van wat er gelezen wordt. Er is een gedeelde achtergrond, een taal waaruit je ‘citeren’ kunt, iets dat door anderen te herkennen valt.

En er zijn onderwerpen die totaal niet te begrijpen zijn. Er zijn gebeurtenissen waaraan zo’n herkenning tekort zou doen.

Dat is waarover, voor mij, dat antwoord ging. Het veroorzaken van iets nieuws – niet in de geschiedenis van de literatuur, maar iets nieuws in mij – kan alleen als er juist verzet wordt tegen een bepaalde herkenbaarheid. De boeken die mij iets doen, hebben het over iets dat tekort zou worden gedaan door zo’n consistentie. Die literatuur is gebaat bij het vasthouden aan een zekere vreemdheid, iets dat niet door de lezer te begrijpen, bezitten of anticiperen valt. Op sommige momenten wordt wat je leest veel belangrijker dan de vraag of het nog aan een of ander genre voldoet. Het op het spel zetten van je genre kan werken omdat het genre als zodanig bestaat bij gratie van boeken, potentieel bij gratie van jouw boek. Een boek moet bepalend zijn. Zulke boeken zoek ik, die iets weerloos te verdedigen hebben – die me laten zien hoe iets dat ik zo nog niet kende, me dierbaar zou moeten zijn.

Pietje poppesnor

Afgelopen dinsdag bracht ik een bezoek aan het Nationaal Archief. Daar stond een donkerbruine archiefbak voor me klaar met het dossier van Hendrik Blonk, een agent uit het Amsterdamse politiekorps in oorlogstijd. Het dossier is onderdeel van het CABR, het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, waarin de dossiers te vinden zijn van Nederlanders die na de oorlog zijn berecht wegens het helpen van den vijand, oorlogsmisdaden.

Ik had voordat ik daar binnenliep nooit van Hendrik Blonk gehoord. Maar ik heb wat speurwerk op het internet verricht, en de man blijkt een bekende figuur te zijn geweest in Amsterdam. Pietje Poppesnor was de bijnaam van deze Hendrik Blonk, die een joekel van een snor droeg, en die in de jaren twintig en dertig faam verwierf als een van de grootste boevenvangers die Amsterdam ooit had gekend. Ewoud Sanders schreef een tijdje terug in NRC over Pietje Poppesnor, die volgens hem beroemd werd in Amsterdam door de talrijke publicaties over diens heldendaden in de krant; Poppesnor “de kenner van de onderwereld”, “de vermaarde dievenvanger”. Later is gebleken dat Blonk deze nieuwsberichten zelf schreef, en anoniem instuurde aan de krant. Hij heeft het zelfs gehaald tot in het woordenboek. Poppesnor, staat in mijn dikke Van Dale nog altijd als uitdrukking voor een overijverige diender. Volgens etymologiebank.nl stamt dit woord ongeveer uit 1930.

Zo zie je meteen ook waarom het niet handig is om dingen te vernoemen, of om eponiemen op te nemen in het woordenboek, bij leven. Poppesnor werd namelijk in ’35 lid van de NSB, en werd in 1942 aangesteld als jodenhaler bij Bureau Joodse Zaken in Amsterdam. Blonk bleef ook toen een ijdele man. IJverig als hij was, en ongetwijfeld ook om indruk te maken op zijn nieuwe superieuren, heeft hij in de paar maanden dat hij daar werkte een tamelijk weerzinwekkend aantal joden opgehaald van hun onderduikadressen. Het arresteren van 52 joden, werd Blonk ten laste gelegd tijdens zijn proces. Blonk corrigeerde de aanklager, want het waren er meer geweest. “Zeker meer dan honderd.”

Het dossier is een wirwar van papiertjes, vodjes haast. Waarschijnlijk was er na de oorlog een tekort aan papier, en een overschot aan oorlogsmisdadigers die berecht moesten worden, want alle getuigenverslagen, en verslagen van zittingen, de formulieren van arrestatie, zijn getypt of met carbonpapier overgedrukt op flinterdun vloeipapier.

Vol verbazing lees ik het dossier. Poppesnor verklaart voor de rechter dat hij waar mogelijk joden heeft laten ontsnappen. Dat hij lang niet zo fanatiek was als sommige van zijn collega’s. Hij geeft voorbeelden van collega’s die joden voor hun ogen lieten creperen, en daarbij grove grappen maakten over reisjes naar Polen. Zo was Blonk volgens eigen zeggen niet. Maar andere getuigen in het proces verklaarden dat den verschrikkelijken beruchten Poppensnor in de wijde omgeving bekend stond als de fanatiekste der jodenjagers. Ook Blonk moet zich op een moment hebben gerealiseerd dat zijn werk als jodenjager hem zijn goede reputatie in de stad kostte. Een getuige verklaart dat in de westerstraat honderden jordanezen zwijgend toe hebben gekeken hoe Poppesnor met een koevoet het huis openbrak waar een joodse familie zich verschool. Poppesnor benadrukt in zijn verdediging steeds dat de joden die hij arresteerde boeven waren. Ook de familie uit de westerstraat stond volgens hem bekend als een stelletje dieven.

Zo toog Poppesnor ook begin 43 in vermomming naar de Wittenkade om een misdaad op te lossen. Daar zou volgens een bron een communist wonen. Eentje die persoonsbewijzen vervalste bovendien. Poppesnor bedacht een list en deed zich voor als een luchtbrigadier die een valse identiteit nodig had. Binnengekomen maakte hij zich bekend, en arresteerde alle aanwezigen, waaronder het joodse echtpaar Samson, dat daar ondergedoken zat.

Lezend door het dossier, zie ik opeens de naam van mijn opa staan. Gerd Samson. Hij verklaarde in het proces dat zijn ouders na hun arrestatie naar verschillende concentratiekampen zijn gevoerd, en beide niet terug zijn gekeerd. Zou hij dit verhaal hebben gekend? Niemand heeft er ooit met een woord over gerept.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Inez van de Ven"
    Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.