Gratis proza #11: De Amatodjastraat

Mevrouw Woo, die het supermarktje op de hoek van de straat heeft, spreek ik elke dag. Haar Nederlands is niet goed genoeg voor hele verhalen, maar als ik mijn inkopen bij de kassa heb gezet, kijk ik altijd even mee naar een film op haar oude televisie. De linker helft van het beeld is rood en de rechterhelft groen, maar mevrouw Woo lijkt daar geen last van te hebben. Ze vertelt me wat er wordt gezegd, zodat ik het verhaal kan volgen. Daarna reken ik af en loop terug naar huis.

Toen we hier net waren, werd Philip lid van de zwemvereniging, en na een half jaar vroegen ze hem om penningmeester te worden. Nu is hij elke dag van zeven tot elf de deur uit. Hij draagt teenslippers en een korte broek, wat hij vroeger nooit gedaan zou hebben. In de middag dut hij in zijn blote bast op onze veranda, met zijn T-shirt op zijn hoofd. Hij slaapt zoals hij dat in Nederland nooit kon: diep en zonder reserve.

Phil lijkt zich vereenvoudigd te hebben, teruggebracht tot het minimaal nodige. Soms vraag ik me af of ik misschien ook naar een andere man verhuisd ben.

Vrienden van de zwemclub komen vaak onaangekondigd langs. Ze zetten de motor van hun auto niet uit wanneer ze vragen of Phil thuis is. Vroeger was ik de enige die hem Phil noemde, maar nu is Phil van iedereen. Als ik nee zeg, bedanken ze me en rijden het erf weer af. Soms komen ze op het avondeten, en brengen bier en rum mee. Er wordt dan hard gelachen en de meegebrachte drank gaat altijd op.

Ik mis witte wijn, koele witte wijn en Franse kaasjes. Kalfsvlees en oesters, mis ik. Mijn boekwinkeltje in de stad.

Maar Philip heeft zijn leven hier verdiend. Er zijn mannen die na hun pensioen zomaar doodgaan. Dat is ons mooi niet gebeurd. Ik heb mijn man nog, en hij is voor het eerst in lange tijd gelukkig. We vrijen zelfs weer, al heb ik moeten wennen aan het litteken op zijn borst: het kloppend hart erachter zo veel minder vanzelfsprekend.

Vorig weekend is hij gaan jagen met Dennis, een zwaarlijvige Nederlander die hij kent van de zwemvereniging. Toen hij thuiskwam liep hij meteen door naar de slaapkamer, waar hij met zijn kleren aan op bed in slaap viel. Twee dagen lang alcohol en geroosterd wild hadden zijn lichaamsgeur volledig veranderd, en zo kreeg ik een idee hoe het zou zijn om op een ochtend, in dit land, naast een vreemde wakker te worden.

De dag erna kwam Dennis langs met een cadeau voor Phil, gewikkeld in een laken. Toen ik zei dat Philip er niet was, gaf hij het aan mij. Natuurlijk wist ik wat er in dat laken zat; met het ding in mijn armen keek ik de truck na tot hij uit het zicht verdween.

Toen Phil thuiskwam zei ik: ‘Ik kan me jou niet voorstellen met een jachtgeweer.’

Hij knikte het open en staarde in de loop alsof hij daar wijzer van zou worden. ‘Dat is hier anders’, zei hij, en klikte het weer dicht. ‘Hier jaagt men om te overleven.’

Ik dacht aan Dennis, met zijn dikke buik en zijn Amerikaanse truck. Aan de bierkoeler in de laadbak. Het geweer is opgeborgen, en hoewel ik niet weet waar, voel ik dat het nog in huis is.

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Privacy

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Sommige woorden hebben gewicht. Andere zijn al verdwenen nog voordat je ze uitspreekt, dwarrelen hoogstens even door de ruimte, landen daarna in een hoekje waar nooit meer iemand kijkt. Sommige woorden kun je met gerust hart uitbesteden aan belangenorganisaties waar nooit iemand naar luistert.

We noemden vrijheid privacy. We zeiden, privacy is dood. We zeiden het alsof het iets vanzelfsprekends was. We zeiden het alsof elk verlangen naar privacy op zichzelf al verdacht was, want we hadden toch niets te verbergen.

Een Duitser die ik kende merkte ooit op hoeveel vertrouwen er schuilt in ons woord ‘overheid’, de neutrale instantie die boven ons zweeft, het beste met ons voor heeft. Ik zag de afgelopen weken twee politie-acties. De eerste was echt, de tweede een oefening met de wat lacherige sfeer van een gymnastiekles op de middelbare school – de agenten hadden er duidelijk plezier in om de rollen om te draaien, een opdringende menigte na te spelen. Blank, middenklasse ben ik opgegroeid met de politie als mijn beste vriend, maar de daklozen die ik later sprak dachten daar vaak heel anders over. Ik heb aan tafel gezeten met politiefunctionarissen die zichzelf omschreven als dienders – de politie maakt niet het beleid, zij voert het alleen uit. Het zware materieel dat voor de acties van stal was gehaald deed denken aan science-fiction films waarin er nergens meer een plaats was om naar toe te gaan, geen mogelijkheid om aan het systeem te ontkomen. Zoveel was er niet aan de hand, de meeste agenten verveeld, de brave burgers nieuwsgierig toekijkend, van een veilige afstand. Het valt eenvoudig te vergeten dat onze oom agent – een term die in veel andere landen onvoorstelbaar is – alsnog het monopolie op geweld bezit, dat de sterke arm ook ons een klap kan uitdelen, het systeem erachter niet per definitie welwillend is.

Privacy is het recht om niet te worden bekeken. Het recht om niet te worden bekeken, en daarom nog niet verdacht te zijn. Privacy is dood. Vrijheid ligt onder de grafsteen, onzichtbaar.

IMG_0499Wytske Versteeg (1983) publiceerde Boy, De Wezenlozen en Dit is geen dakloze. Haar derde roman verschijnt deze herfst.

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Junk

‘Als je altijd alleen maar over ’m zit te zeiken, waarom ga je dan niet bij ’m weg?’

‘Dat kan niet zomaar als je ’n kind hebt.’

‘Waarom niet? Dacht jij dat Dostojevski zou instorten als je bij ’m wegging? Die heeft zo weer een ander, hoor. En daar maakt ie dan ook weer ’n kind mee.’

‘…’

‘Moet ik z’n remleidingen doorsnijden? Of zal ik ’m overhoop knallen?’

‘Björn, doe normaal!… En je moet Pjotr geen ‘Dostojevski’ meer noemen, dat vind ik echt niet leuk.’

‘Ga dan bij ’m weg.’

‘Hij heeft me nodig! Dat jij nou zo goed voor jezelf kan zorgen.’

‘Weet je wat? Rot meteen maar weer op. Ga maar lekker naar Dostojevski. Dahaag.’

Ik duw haar van me af, maar ze grijpt de hals van m’n shirt en trekt er zo hard aan dat we de naden horen knappen. Lachend laten we ons op bed vallen.

‘Moet je nog terug naar kantoor?’

‘Misschien vanavond nog even. Jij?’

‘Ik heb om vijf uur een bezichtiging.’

‘Godverdomme.’

Ze kijkt me aan, droevig en vrolijk tegelijk, trekt me dichter naar zich toe.

*

Winter, anderhalf jaar eerder. We waren een paar dagen foetsie. Samen. Mijn broer zat een halfjaar in India en omdat ik zijn planten verzorgde, konden we dag en nacht terecht in zijn appartement. Ze was tegen me aangekropen op de bank en las een script op basis van een roman van James Salter of F. Scott Fitzgerald. Een slokje wijn, een pagina dialoog. Opeens legde ze het scenario weg en vroeg:

‘Wanneer was jij ’t gelukkigst? Ooit? Tot nog toe?’

‘Op onze trouwdag.’

‘Niet gemeen doen. Eerlijk antwoorden.’

‘Die week in ’t huis van je zus.’

‘Ja.’ Ze keek me blij aan. Opgelucht dat mijn antwoord met haar te maken had. ‘Alles was zo… intens… Voor m’n gevoel hebben we daar een jaar gezeten.’ Ze zette haar glas op tafel en liep van de bank naar het raam.

‘Sneeuw!’

*

Ze kan douchen zonder dat haar haar nat wordt. Haar gezicht is nog knalrood. Soms leest ze me voor uit scenario’s, vandaag verdwijnt haar bril ongebruikt in de tas. Ze ziet er tien jaar jonger uit dan toen we hier een paar uur geleden aankwamen.

‘Doe m’n rits even dicht.’ Ze heeft haar rug naar me toegedraaid. Ik leg mijn hand in haar nek. Ze is onweerstaanbaar in deze jurk. Alleen haar eigen, blote huid staat haar beter. Het liefst zou ik de marineblauwe stof in één beweging van haar lijf rukken, als cadeaupapier. Rot toch op met je bezichtigingen. Ik heb zin om haar op haar knieën te dwingen en ’r te neuken tot ze de slappe lach krijgt, stil wordt en alleen nog maar kan kreunen en hijgen.

‘Björn? Please?’

Als ik de rits van haar jurk heb dichtgetrokken loopt ze naar het dienblad met waterkoker en kopjes op het dressoir. Ze pakt een hand verpakte paaseitjes uit de schaal ernaast, stopt die in haar tas. Voor haar dochtertje.

‘Blijf nog even? Laat die filmlui de schijt krijgen.’

‘Jezus Christus, Björn, ’t is echt maar goed dat we niet samenwonen, want dan zouden we de hele dag niks anders doen dan vrijen.’

First world problems.’

‘…’

‘Ik denk dat ik je oor d’r af ga bijten. Als aandenken.’

‘Ik zal jouw snikkel er eens af bijten. Waar zijn m’n autosleutels?’

‘Die heb ik uit ’t raam gegooid.’

Ik probeer luchtig te doen, maar ze kijkt dwars door me heen. Met de rug van haar hand aait ze over mijn wang.

‘Zorg je wel dat je af en toe iets eet?’

‘…’

‘Alles komt goed, lieverd. Sneller dan je denkt. Echt.’

Ik weet niks meer te zeggen. Ze trekt haar jas aan. Ik pak mijn telefoon. Als ze in de deuropening naar de gang staat, noem ik haar naam. Zodra ze over haar donkerblauwe schouder kijkt, maak ik een foto. Haar hoofd vult het schermpje van mijn iPhone. Bruine krullen, grote groene ogen. Een location hunter met de looks van een Oscar winnares.

*

Ik sta in m’n blote lul achter de vitrage. Even later zie ik haar beneden naar haar veel te grote auto lopen. Haar hoge hakken accentueren hoe klein ze is. Net een schoolmeisje op de schoenen van haar moeder. De aanvechting mijn vuist door de ruit te slaan en haar naam uit te schreeuwen. Kom terug! Kom terug! Ik leg een hand op het glas. Het gewicht van alle jaren die we niet samen hebben doorgebracht lijkt de lucht uit m’n lijf te persen.

Haar lippen tintelen nog op de mijne. Mijn handen gloeien na van haar kuiten, haar bovenarmen, haar kont. Voor ze instapt kijkt ze naar de geblindeerde hotelgevel. Naar de verkeerde kamer, naar de verkeerde etage. Ze start de auto en rijdt het parkeerterrein af.

Ik draai me om. Ik heb het gevoel dat ik in de fik sta. Nu godverdomme het hele interieur kort en klein slaan. De kreukels die we in de lakens hebben geneukt, de ingedeukte kussens. Ik ga op de rand van het bed zitten. Even lijkt het of ik moet overgeven – dan begin ik, tot mijn eigen verbazing, voor het eerst in tien, vijftien, twintig jaar te huilen. Minutenlang.

Als ik, nadat ik mijn gezicht heb gewassen, de badkamer uitkom, zie ik dat er een hemelsblauwe envelop uit mijn jaszak steekt. In de envelop zit een correspondentiekaart en een sleutelhanger die ik eerder heb gezien: de vergeelde gummi vuurtoren met daaraan de sleutel van het duinhuis van haar zus. Op de voorkant van de kaart staan onze beide namen in een krans van zelfgetekende hartjes, achterop een datum en een tijd.

Nog zes dagen en twintig uur – dan herrijs ik uit mijn as.

 

————–

Portret Martijn Knol (foto Koos Hageraats) web

Martijn Knol (1973) is schrijver en Tirade-redacteur. De duiker (2003), Aphinar (2007), Alles kan kapot (2011), Elders (2014). Verder: korte verhalen, essays, besprekingen, blogposts.

 

 

 

 

Volgende week: Zadie Smith, geïnterviewd door Arnon Grunberg.

 

““Here I am””

Roelof ten Napel

Ik was eerst van plan iets anders te schrijven, tot ik de aankondiging van deze reeks blogs op Tirade las. Er wordt verwezen naar een interview met CJP, naar dingen die ‘ik’ ‘daarin’ ‘zeg’. Zo’n artikel heeft een schrijver, Steven Stoffers, waarvan we moeten beseffen dat hij een toon probeert te vangen, dat hij een impressie van me heeft gekregen en een tekst heeft gemaakt die ‘mij’ voor anderen probeert te herhalen. Een tekst met, soms, zinnen die ik anders zei dan dat ze er staan – zelfs al was het maar omdat ik met hem sprak, omdat ik ze nooit, zelf, zo schreef.

 

I

Als motto is elke zin een aforisme. Misschien is elke uitspraak dat ook, als citaat. Of nee, misschien is het anders. Als motto kan elke zin een aforisme worden – doordat de zin een andere omgeving krijgt, een andere lading, waardoor hij anders gaat werken.

Andere gedachte:

 

Als motto is elke zin een aforisme.

— Roelof ten Napel, Blog op Tirade.nu

 

Het stond er, ik schreef het. Maar klopt dit? Even later staat er, “Of nee, misschien is het anders.” Wat voor significantie had dat, het verbeteren? Wat wordt hier herhaald?

Voorbeeld.

Politici worden getraind om zinnen zo te formuleren, dat ze niet uit hun context gerukt kunnen woorden. Dat ze als losse (of holle) slagzinnen gaan werken. Dat is een gevolg van, om maar met de deur in huis te vallen, ons ‘collectieve waarheidsbegrip.’

Ik kom erop terug, maar maak even een omweg.

Anne Carson schrijft in Eros the Bittersweet het volgende:

“Written texts make available the notion that one knows what one has merely read. For Plato this notion is a dangerous delusion; he believes the reach for knowledge to be a process that is necessarily lived out in space and time. Attempts to shortcut the process, or package it for convenient reuse, as in the form of a written treatise, are a denial of our commitment to time and cannot be taken seriously.”

En een hoofdstuk later: “As reader you want knowledge to be knowledge and yet lie fixed on a written page.”

Ik zeg net, Anne Carson schrijft. Moet ik zeggen schreef? Ons tijdbesef is bij geschreven tekst onhelder. Ik citeer dat ze daar Plato laat zeggen dat geschreven tekst nooit hetzelfde kan zijn als de geleefde kennis. Maar wat staat daar dan?

Ons collectieve waarheidsbegrip – dat hoewel niemand het hoeft te delen, tot uiting komt in hoe we met elkaar omgaan; de maat die voor geen van ons maatgevend hoeft te zijn, maar ons wel meet, in het beïnvloeden van ons gedrag – is deze: het idee dat waarheid te verdelen is onder blijvend kloppende volgordes woorden, ondeelbaar, los van een bewegende, geleefde context. Het idee dat waarheid niet iets is dat wordt meegemaakt, niet iets is dat over kan gaan.

Het idee dat iemand die niet liegt, continu de waarheid spreekt, met elk losse woord uit zijn strot, en daaruit: het idee dat een journalist elke zin van een politicus zou mogen nemen, kan verbranden en zo de integriteit van een mens in twijfel kan trekken. Daaruit: politici die alleen nog nietszeggende, ontwijkende antwoorden geven, zodat ze in elk geval niet liegen.

 

Wat er staat?

Carson, ik – elke schrijver sterft vast voor elke tekst: we hebben alles altijd al geschreven.

Kennis is wat plaatsvindt terwijl er wordt gelezen, terwijl het wordt geleefd. Mijn gesprek met Steven is vergaan, en is er zelfs nooit als geheel geweest. Wij spraken, en dat heeft bij hem het schrijven een tekst veroorzaakt.

 

II

I see the signal searchlight strike me in the window of my room

— Sufjan Stevens, ‘Death with Dignity’, Carrie & Lowell

 

Here I am.

— Travis Jeppesen, Wolf at the Door

 

Here I am (…).

— Jacques Derrida, Of Grammatology

 

[H]ere I am.

— Jason Schwarz, ‘I am tired’, A German Picturesque

 

Envoi

Die zin van Jeppesen heb ik ‘eerder’ gebruikt, in m’n debuut, (p. 133). Ik had die van Derrida ook kunnen gebruiken. Dat ook Schwarz hem heeft geschreven, wist ik toen ik aan Constellaties werkte nog niet.

Of heb ik die, achteraf, alsnog gebruikt?

Wie spreekt daar op bladzijde 133? Jeppesen? Ik? Iets of iemand anders? En wat wordt er gezegd? “Here I am”? Of meer dan dat?

Misschien dezelfde vraag, op een andere manier: wie spreekt er in Of Grammmatology, dat door Derrida als De la grammatologie werd geschreven, en door Gayatri Chakravorty Spivak werd vertaald?

 

III

I am all here alone.

— Jason Schwarz, ‘I am tired’, A German Picturesque

 

“[A] denial of our commitment to time”, zo stond het er net. We willen dat kennis vaststaat zonder dat het plaatsvindt, we willen dat geschreven teksten een atemporeel karakter hebben.

Ik geloof in een recht tot citeren – mijn debuut staat vol met een, zoals Gerwin van der Werf het omschreef, “confetti van wereldliteratuur”.

Maar wat ik van belang vind, is een besef van wat herhalen is. Het besef dat alles de hele tijd verloren gaat, en dat wat we doen, wanneer we terugwijzen, iets nieuws is. We her-denken gebeurtenissen.

Geen van de auteurs die ik in Constellaties aanhaal heeft nog alle controle heeft over wat ze daar zeggen. Je kunt die zinnen alleen maar beleven op het moment van lezen, nieuw en toch alweer, met alle associaties die je op dat moment maakt, waar ik deels op anticipeer, maar ook geen idee van heb. Het klinkt solipsistisch, dat hoeft het niet te zijn – hoewel we in het laatste citaat ‘I am here all alone’ kunnen horen, plaatste Schwarz het in andere volgorde. Er was anticipatie. Er is een nabijheid. Wat ik probeer te schrijven, wat literatuur denk ik moet willen zijn, zijn woorden die naar jouw ervaring verwijzen. Het enige bereikbare leven voor elke tekst is die van de lezer, hier en nu – die naar waarheid zou kunnen herhalen: here I am.

Roelof ten Napel (1993) debuteerde vorig jaar op 21-jarige leeftijd met Constellaties’.  Ten Napel woont in Utrecht, studeert wiskunde en werkt aan een roman.

 

Roelof ten Napel is Tirade’s Zondagse Gastblogger in april 2015

Afgelopen zondag verscheen de laatste uit een reeks fraaie, rauwe gastblogs van Mira Feticu. En aanstaande zondag verschijnt de eerste bijdrage van onze nieuwe gastblogger, Roelof ten Napel .

Roelof ten Napel (1993) debuteerde vorig jaar op 21-jarige leeftijd met de verhalenbundel/het tekstboek ‘Constellaties’. Aan CJP vertelde hij:  ‘Ik vond literatuur an sich wel interessant, maar de kaders waarin het is vastgeroest niet.’ En:  ‘Ik word moe van normale boeken.

Ten Napel woont in Utrecht en studeert wiskunde. Hij werkt aan een roman.

Eerdere Zondagse Gastbloggers: Lize Spit, Walter van den Berg, Anne-Marieke Samson, Roos van Rijswijk, Rosan Hollak, Daniël Rovers, Shira Keller, Carolina Trujillo, Thomas Heerma van Voss, Wytske Versteeg, Maarten van der Graaff, Jannah Loontjens, Bregje Hofstede, Roman Helinski, Mira Feticu.

Tirade – literaire bloedverversers.

Portret Roelof ten Napel: Twitter.

Bonus malus

‘Toon mij een mens…’

De media zijn er lekker mee bezig: een reeks topapen heeft een bonus gekregen of zou die krijgen en het ging niet door. Dijselbloem heeft vuile handen, of niet. ABN Amro gaat niet naar de beurs –  hoewel dit het juiste moment is – vanwege de kwestie. De code Tabaksblatt lijkt alweer een baken van matigheid die ver achter ons ligt.

Het is inmiddels een redelijk oud en afgesleten onderwerp in de beschouwing van het laatkapitalistisch graaien. De bonus. Maar wat me verbaast is dat er zo weinig antropologisch en psychologisch gekeken wordt naar het fenomeen. Waarom heeft een topaap een bonus nodig? Hier en daar zie je verwijzingen naar het fraaie filmpje van Frans de Waal waarin hij aantoont dat een kapucijneraapje boos wordt wanneer hij hetzelfde kunstje moet flikken als zijn buurman, maar iets minder aantrekkelijk beloond wordt.

Wat zijn de redenen dat iemand een bonus wenst? Psychologisch gezien – en dat is diep en langdurig ingesleten getuige ook dit filmpje – wenst de mens beloond te worden in onderscheid met zijn medemens. Er moet kort en onverdund duidelijk zijn dat je meer krijgt dan een ander, omdat en zodat blijkt dat je beter bent. In die zin moeten we niet uitvlakken dat de ‘maatschappelijke onrust’ een deel van de bonus is: er wordt immers goed duidelijk dat je meer krijgt.

Wat zijn de redenen dat een bedrijf deze cultuur voortzet? De argumentatie van de meeste banken en bedrijven is dat je marktconform moet honoreren. En dat je om de concurrentie voor te zijn moet concurreren. Het fenomeen van de ‘brain drain’ is manifest aanwezig, zie ook de wetenschap, de beste wetenschappers verdwijnen naar Amerika, of Japan, of elders waar de betaling en de randvoorwaarden beter zijn. En de bedragen lijken hoog, maar zijn ze dat ook in verhouding tot hoeveel geld het bedrijf verdient met een goede bestuurder? Redelijke argumenten.

Kan het ook anders? In Blaricum, Laren, het Sticht en dergelijke oorden wonen nogal wat Rijkman Groeninkjes – gebonuste topapen met een groot huis en grote tuin – een gecaterde bijeenkomst voor ‘vrinden’ elke zaterdag en een mooie pot golf op dinsdag. Gebotoxt vrouwtje op de chaise longue. Door en door verwende pubers met een zuur smoel. Het was er misschien zo een die vorig jaar vrouw en dochter ombracht, want laten we wel wezen: door in Blaricum in een kapitale villa te wonen heb je onderschat dat je uiteindelijk vooral ‘relatief’ rijk wilt wezen, dat lukt daar niet want daar zijn er veel. Maar even zovele van deze gebonuste topapen vermaken zich prima met hun kapitaaltje.

In een laboratoriumsituatie zou ik het zo aanpakken: Je brengt profilering aan in inkomen en zorgt dat ze binnen een marge blijven waarin je wel fors kunt verschillen: apen extra hapjes geven. Maar daar zijn topapen te slim voor, ze komen erachter. Mijn voorstel is dan ook tweeledig:

  1. Voer het bonus-malussysteem in dat het Nederlandse autoverzekeringswezen sinds 1982 zoveel goed gedaan heeft, dat wil zeggen beloon schadevrij presteren, maar reken schade ook af. Als tegenover een bonus ook een malus kan staan (ik hoorde daar in het bedrijfleven nog niet van) wordt het spel spannender (en een redelijk percentage van deze mannen is adrenalinejunk).
  2. Kwantificeer beloning op een andere manier. Leer bedrijven dat ze hun topapen bonuspunten verschaffen die in te ruilen zijn voor heftige ervaringen:

-diepzeeduiken nabij Bunaken Island in de zee van Manado in het broedseizoen van de trigger fish: 3 punten

-een voordeur met halfedelstenen en een paar echte proletentanden ingelegd door een bekende kunstenaar: 2 punten

-een avond groenten koken in London met Ottolenghi: 1 punt

-met een Bugatti door Mongolië toeren en een paar yurts bezoeken met geile mongolenseks: 4 punten

De helft van de bedrijven waar het om gaat wordt tegenwoordig ondersteund door kunstenaars die de top en vooral de subtop wat creatiever trachten te maken. Laat die een aantrekkelijke  lijst opstellen van bonuspunten en welke ervaringen je ermee verkrijgt. De Albertheijnpsychologie. En gebruik de sociale bedrijfsmedia op een handige manier  om te tonen hoe onderscheidend de topapen beloond worden. Wat ze liever niet willen maar ondertussen.

We kunnen anderszins ook constateren dat de Balkenendenorm net als zijn naamgever gewoon te flets is, te onbeduidend en te grauw. Deze punten kosten ook wat, maar ze zouden duidelijk kunnen maken dat beloning vanaf pakweg ‘Balkenendenorm’ hoe dan ook een beloning in ervaringen is en hoe dan ook een relatieve beloning die mensen de ogen moet uitsteken. En het is per saldo goedkoper. En er valt weer eens te lachen om mannen-met-hoge-inkomens, want God, wat zijn ze saai en degelijk gekleed, onaantrekkelijk en voorspelbaar. Red de topaap van zijn gebrek aan creativiteit.

Filmtip: The Game

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)