Gratis proza #10: Melvin van 3A

 

 

 

Wanneer ik het douchegebouw uitkom, schijnt er blauw door de mist en worden de logge vormen van de caravans weer zichtbaar. Even waan ik me op een soort Stonehenge, waar een boze reus de stenen omgekegeld heeft.

Op het pad ligt rijp, en een zilveren lint leidt me het niets in terwijl luie golven hoorbaar worden, met tegenzin omslaand op het vervuilde kiezelstrand.

Melvin van 3A verschijnt, zijn dreadlocks dik als adders. Hij draagt een zwart Adidaspak met gouden strepen op de schouders, waardoor hij eruitziet als de generaal van een buitenaards leger. Op de hielen van zijn afgetrapte Supercracks volgt Rocky.

‘Die hond wordt te dik,’ zeg ik. ‘Zijn buik raakt de grond.’

Melvin steekt een Rothman’s op. Het nu lege pakje verfrommelt hij in zijn grote handen, waarvan de knokkels wit zien van het eelt. ‘Zolang hij op het gras blijft is er geen probleem.’

‘Hoe is het met Leyla afgelopen?’

Bloeddoorlopen ogen kijken met vriendelijk aan. De dreadlocks aan de rechterkant van Melvins hoofd liggen plat langs zijn gezicht. Opgedroogd speeksel bezet zijn mondhoeken, maar kan niet lang afleiden van zijn scheve gele tanden. Leyla was minstens tien jaar jonger, soort van slank en ondanks haar zelfgezette tatoeages niet lelijk. ‘Ik weet niet of ik klaar ben om me aan één vrouw te binden.’

‘Gelijk heb je,’ zeg ik, en denk aan Rosie, aan hoe haar huid rook als ze net gedoucht had.

Melvin knikt alsof er net een knoop is doorgehakt. Alsof we een overeenkomst hebben gesloten die ons leven, en misschien dat van vele anderen zal veranderen. Dan houdt hij zijn vuist naar me uit. Ik klem mijn toilettas onder mijn arm, zet mijn knokkels tegen de zijne en voel hoe ik het zegel in mijn leugen druk.

 

 

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Gezichtsverlies

 

Laatst kwam ik iemand tegen die ooit mijn beste vriend was.

We hadden elkaar jaren niet gezien, misschien wel een decennium niet meer. ‘Je bent niets veranderd’, zei hij en ik maakte een raar geluid omdat ik niets te zeggen wist. Ik heb het soort gezicht waarmee ik nog geregeld om mijn legitimatie word gevraagd wanneer ik probeer om een fles wijn te kopen, terwijl lezers de gedachten die ik opschrijf juist vaak weer te oud voor mijn leeftijd vinden. Nog altijd kan ik me verbazen over het gezicht dat ik ’s ochtends in de spiegel zie; lange tijd had ik er moeite mee mijzelf op foto’s te herkennen.

Omdat ik niets zei dacht mijn vriend – of wie hij tien jaar later dan nog was – dat hij me had beledigd en om dat op te lossen zei ik dat ook hij niets was veranderd. Dat was waar, maar nog terwijl ik het zei vroeg ik me af of hij hetzelfde dacht als ik, of het voorbijgaan van tien jaar iemand niet kon hebben veranderd, wat er mis was met mijn ogen, wat ik niet zag.

Wie lijdt aan het syndroom van Capgras is ervan overtuigd dat een of meerdere mensen om hem heen vervangen zijn door identieke anderen; dubbelgangers die zich voordoen als de verloren gegane echte geliefden en daarom wel kwaadwillend moeten zijn. Mogelijk treedt dat verschijnsel op doordat de patiënt het gezicht van de ander weliswaar verstandelijk herkent, maar niet meer de emotie ervaart die daarbij doorgaans onbewust optreedt, die aan de huid valt af te meten. Bij gebrek daaraan vallen uiterlijk en innerlijk uiteen; er is wel dat gezicht, maar niet meer de herinnering, niet langer de gevoelens die een relatie, vriendschap kenmerken.

Wat overblijft is het unheimliche: het zeer bekende dat plotseling volkomen onbekend, vreemd blijkt te zijn.

 

IMG_0499Wytske Versteeg werkt aan haar derde roman, die deze herfst zal verschijnen. Met Boy won ze de BNG Literatuurprijs.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Drowned by time – Perdu

De klok boven de zaaldeur van Perdu stond nog op wintertijd. Op de display van mijn telefoon was het 16.15 uur toen de presentatie van Tirade 458 begon. Zestig minuten later – na een welkomstwoord van Tirade-collega Marko, een prozalezing door Darja Menkveld, woorden van Maria Vlaar en voordrachten van dichters Jan-Willem Anker, Robert Anker, Jan Baeke, Jan Kuijper, K. Michel, Neeltje Maria Min – was het volgens de klok boven de zaaldeur nog steeds kwart over vier.  Alsof er een uur was buitgemaakt op de eeuwigheid.

Na afloop van de presentatie raakte ik in gesprek met Daphne Huisden, die ooit tegelijk met Erik Menkveld was genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. We spraken, misschien wel in de geest van Menkveld, over auteurs die we bewonderen. En we bleken een favoriet te delen: David Foster Wallace.

In de trein naar huis dacht ik, natuurlijk, aan sterfelijkheid en aan de opdracht je daar zo waardig mogelijk toe te verhouden. David Foster Wallace, in A Supposedly Fun Thing I’ll Never Do Again (1996; p.267/68):

I am now 33 years old, and it feels like much time has passed and is passing faster and faster every day. Day to day I have to make all sorts of choices about what is good and important and fun, and then I have to live with the forfeiture of all the other options those choices foreclose. And I’m starting to see how as time gains momentum my choices will narrow and their foreclosures multiply exponentially until I arrive at some point on some branch of all life’s sumptuous branching complexity at which I am finally locked in and stuck on one path and time speeds me through stages of stasis and atrophy and decay until I go down for the third time all struggle for naught, drowned by time. It is dreadful. But since it’s my own choices that’ll lock me in, it seems unavoidable — if l want to be any kind of grownup, I have to make choices and regret foreclosures and try to live with them.’

Ook met ‘foreclosures’ die je niet zelf hebt gekozen moet je leren leven, natuurlijk. En misschien is dat nog wel moeilijker.

——–

Volgende week (echt): Lente.

Voorplat: Meulenhoff. De Nederlandse uitgave bevat alleen de vertaling (door Iannis Goerlandt) van het titelessay uit ‘A Supposedly Fun etc.’. Evengoed een mooie introductie op het oeuvre van DFW.

Ode aan het schreeuwen

Als kind hebben we allemaal geleerd dat we ons moeten gedragen. Nou, ik niet eigenlijk. Mijn moeder vond de strijd met de puber die ik was namelijk van begin af aan een verloren strijd en op mijn dertiende stuurde ze me naar een internaat. Voor(goed) een betere toekomst. En daar, op mijn internaat, heb ik geleerd om… te schreeuwen. Ik bedoel: wat ik geleerd heb is dat als niemand jouw waarheid hoort of wil horen, je deze waarheid moet schreeuwen van het dak.

Toen de Roemeense Revolutie uitbrak, zat ik in mijn internaat. We waren met z’n tweehonderden, allemaal meisjes, en we hoorden dat er ergens in het westen van het land mensen aan het schreeuwen waren: ‘We hebben honger! Weg met Ceaușescu!’ Wij deden ook mee, op onze eigen manier: spandoeken aan de bomen op onze binnenplaats, met daarop de tekst: ‘Weg met de corrupte directeur! Weg met de beheerder die meisjes aanrandt!’

Ons geschreeuw werd gehoord, we kregen meer vrijheid en meer eten. Ik schreef mijn eerste boek, gedichten, als een geschreeuw van het dak, over alles wat ik niet begreep – lichamelijke veranderingen, seksuele behoeften. Een gedurfd boek, ik was het eens met de kritiek!

Jaren later, tijdens mijn scheiding, debuteerde ik opnieuw, in het Nederlands. Ik had met het boek (of met de scheiding) een wond geopend. Ik hoorde dat mijn schoonmoeder mijn boek maar ordinair vond. Dat kan. De waarheid is vaak meer dan ordinair. En ik was weer aan het schreeuwen. Diplomatie is niet mijn ding. Maar er zijn waarheden die je niet sotto voce kunt noemen. Verkrachtingen, schendingen van de mensenrechten, genocide, terreur. In zulke gevallen heb je niets aan stille diplomatie, je moet een dak vinden waarvan je al die gruwelijke dingen kunt schreeuwen. Journalisten doen dat ook, internationale organisaties doen het ook. Ook slachtoffers moeten de kracht hebben om op het dak te klimmen. Ik doe het ook wanneer ik niet meer kan. Wanneer het mij allemaal te veel wordt. Wanneer de gehoopte dialoog een monoloog blijkt te zijn. Dan schreeuw ik van het dak. Op het bekende schilderij van Munch mis ik het wolkje met het geschreeuw, zoals in strips. Ik wil het horen! Door het stille geschreeuw raak ik in paniek. Ik zie zijn pijn, maar ik hoor hem niet.

De afgelopen week was ik weer aan het schreeuwen. Zoals lang geleden. Ik ben er niet trots op, maar schamen doe ik me ook niet. En hoewel ik niet weet wat ik duidelijk heb gemaakt bij degene die mijn gehoor vormde, heb ik iets duidelijk gemaakt voor mezelf. Wat precies? Iets wat zelfs een kind weet, maar wat volwassenen afleren: als iets pijn doet, schreeuw je: Au!

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Birdman: Carver met andere middelen

Het is natuurlijk niet netjes toch naar een film te gaan als collega-blogger Martijn Knol je dat afgeraden heeft. Het gaat om zijn korte ‘in een noot’ bespreking van Oscarwinnaar Birdman: ‘Het is pseudo-kunst, een schijnheilige, ongevaarlijke, commerciële aanval op de commercie.’

Ik geloof niet dat deze film daarover ging. Maar de bespreker geeft altijd zichzelf prijs, Knol is misschien in gevecht met de commercie. Mijn Birdman gaat over de vraag wat je met je leven aan moet. De voormalig actieheld hoort de stem van zijn succespersonage in zijn hoofd, een van woede vervulde stem die hem zegt dat zijn huidige omgeving, theatertje, armoede, gedonder, hem niet waardig is. Hij moet kunnen vliegen en vechten tegen monsters, maar Riggan ruziet met zijn ex en zijn dochter, en de sterauteur die hij ingehuurd heeft. Ik zag in de film vier dingen die ik heel goed vond en die je niet zo vaak in commerciële film ziet:

De hoofdpersoon zijn gedachten over zijn eigen situatie zijn het hoofdthema van de film, daarmee is de film introspectief, de hoofdpersoon stelt de kijker in staat om hem te lachen zonder hem geheel af te kammen, je ziet Riggan Thomson in zijn kwaliteiten en met zijn beperkingen. Daarmee is Riggan een redelijk echt mens. Mislukt, maar vol hoop, bezig zijn leven vorm te geven terwijl hij het idee heeft dat het mooiste achter hem ligt. Het is een beetje: ‘in het midden van mijn leven aangekomen bevond ik mij in een donker bos.’

De regisseur González Iñárritu heeft het zichzelf waanzinnig moeilijk gemaakt door de film op te bouwen uit heel weinig heel lange shots.  (vergelijk bijvoorbeeld Russian Ark) Dat betekent, zonder dat je dat van de daken schreeuwt, dat je eigenlijk gedeeltelijk toneel aan het maken bent. Intense voorbereiding is daarvoor nodig, heel veel meer werk dan monteren van heel veel camerastandpunten. Het resultaat is een grotere intimiteit tussen de hoofdpersonen en de kijker, je bent aanwezig, daar, omdat er maar 1 camera is. Het resultaat is ook dat de film al in zijn maakproces gaat over: acteren. Gaat over de technische kanten van filmmaken. En daarmee is de film een biografisch product van de filmmaker.

De film gaat over dromen. En de regisseur heeft de kans gegrepen dit te verhelderen door heel transparant te zijn in zijn gebruik van trucage: Riggan waant zich steeds een superheld, hij vliegt, kan dingen laten bewegen, maar de regisseur kiest er toch voor heel duidelijk te maken dat dit Riggans gedachten zijn. Daarmee wordt duidelijk dat zijn verleden een last is. Daarmee zitten we ook in dit aspect een goed deel van de film in het hoofd van Riggan.

Birdman is de manier waarop je een Raymond Carververhaal verfilmt in ultima forma: níet. González Iñárritu heeft een elementaire gedachte uit de beste verhalenbundel in de Amerikaanse literatuur (Raymond Carver What we talk about when we talk about love) als uitgangspunt genomen: hier zitten we dan, dit is ons leven. Daarom denk ik dat de reactie van de weduwe van Carver een hele mooie is: ze meent dat Carver erg gelachen zou hebben om de film. Wetende dat het geen verfilming is maar een voortzetting van het uitgangspunt met andere middelen.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #9: Het meisje dat onder water kan ademen

Het meisje dat onder water kan ademen woont op nummer drie in onze straat. Het eerste wat iedereen vraagt, is hoe ik weet dat ze het kan. Dat betekent dat ze me niet geloven, terwijl ik nooit lieg. Nooit.

Op woensdagmiddag werken ik en Rudie naast het zwembad. In de pauze roken we dan bij de boom. Rudie heeft shag en ik heb sigaretten, omdat Rudies pauzes langer zijn dan die van mij.

Volgens mij wil het meisje niet dat mensen weten dat ze onder water ademt. Ze doet het alleen als niemand kijkt, behalve ik dan, maar ik kijk heel voorzichtig, zoals je hoort te kijken naar dingen die je mooi vindt. Ik mag trouwens nergens met mijn handen naar kijken.

Dus als je voorzichtig kijkt dan kun je zien dat ze heel lang onder blijft. Rudie zegt dat het meisje wél boven komt om adem te halen, omdat iederéén moet ademen, zelfs vissen. Maar die doen het onder water, en dat is nou precies wat ik bedoel.

Vorige week ben ik van dichtbij wezen kijken, met mijn neus tegen de ruit. Het meisje klom op de kant en zwaaide naar me, maar misschien ook naar haar vader, die met zijn rug tegen het raam zat. Ik zwaaide terug en stak mijn duimen op en daarna riep ik, zo van: ‘Meisje! Hé, meisje!’

Tot de badmeester naar buiten kwam om te vragen of ik weg wilde gaan, en dat wilde ik niet, maar het moest toch.

Het meisje heeft een blauw badpak en een muts en een onderwaterbril met elastiek tegen de rode ogen van de chloor. Verder lijkt ze helemaal niet op een vis. Rudie zegt dat je kieuwen nodig hebt om onder water te ademen, en in mijn boek, dat Ans van de Bieb voor me besteld heeft, staat dat dat zo is.

Het boek gaat over de zee en nu weet ik alles over onderwaterdieren. Bijna, dan: ik ga het verlengen omdat ik nog niks over onderwatermeisjes heb gevonden.

Ik weet niet of het meisje kieuwen heeft. Misschien heeft ze wel hele kleine. In mijn boek staat dat je kieuwen achter je kaken zitten. Dat is bij alle vissen zo, of je moet een dolfijn zijn. Dan heb je een luchtgaatje, boven op je hoofd, maar dat heeft ze zeker niet. Dan zou ze stikken door haar badmuts.

Om twee uur, als de zwemles afgelopen is, gaat het meisje dat onder water kan ademen bij haar vader achterop de fiets over het laantje. Dan zingt haar vader, en je kunt ze nakijken tot aan het hek van haar achtertuin.

Ans van de Bieb zegt dat het meisje een zeemeermin moet zijn, maar die bestaan niet. En bovendien hebben ze een vissenstaart en tieten en blauwe ogen, en dat heeft het meisje allemaal niet. Morgen is het woensdag. Ik weet wat ik ga doen.

In de pauze loop ik langs de hele heg tot aan de ingang en dan laat ik daar mijn pasje zien. Door de kleedkamers ga ik naar het zwembad, en dan zó naar het meisje toe, om te vertellen dat ik weet dat ze het kan: onder water ademen. En ik ga zeggen dat ze niet bang moet zijn, omdat ik goed geheimen kan bewaren.

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • "Foto van Julien Ignacio"
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.