Een bord vol rozen

Film/docu: Sergio Herman, Fucking Perfect (2015).

Regie: Willemiek Kluijfhout.

Verhaal: één van de allerbeste chefs ter wereld besluit zijn restaurant in Sluis te sluiten om… een nieuw, groter restaurant te openen in Antwerpen.

Koken is communicatie, een topchef een conceptueel kunstenaar. Sergio Herman drukt zijn indrukken, dromen en herinneringen uit in duintuinen en zeeschappen ter grootte van een bord. Fucking Perfect is een case study naar artistieke obsessie, A Portrait of the Artist as a Bezeten Topchef.

Een ijzersterke sequentie registreert hoe Herman en een assistent ’s nachts nadenken over de presentatie van één van de gangen die ze willen serveren op het afscheidsdiner van Oud Sluis. Je ziet een ontevreden Herman idee na idee afwijzen – hij wil iets met een duif doen, de symboliek van ‘honkvast’ combineren met ‘doorgaan’ en ‘vleugels uitslaan’ – tot hij een visioen krijgt: midden op ieder bord een poederige pootafdruk! Een latere scène toont hoe mooi en poëtisch het idee is uitgevoerd.

Herman is een uitmuntend vormgever en stylist. Als hij (blauwe broek, groen jasje) aan zee zilte plantjes verzamelt, dan schikt hij die keurig op soort. Of hoe hij, met pincet, bietenplakjes verandert in rozen!

Terwijl er een tatoeage op zijn bovenarm wordt gezet, staart Herman voor zich uit: ‘Weet je… als ik niet werk, dan is ’t net of ik een beetje aan het dromen ben… En als ik dan in Oud Sluis de keuken in loop, word ik pas weer wakker.’ Een kunstenaar leeft alleen als ie aan ’t werk is.

herman zeeIn recensies en andere berichtgeving rond SHFP wordt steeds beweerd dat de film toont welke ‘offers’ je moet brengen om je te handhaven aan de top. Je kan ook zeggen: wat een autoritaire bullebak je moet kunnen zijn. Sergio schreeuwt en scheldt tegen de piepjonge jongens die bij hem achter de kachel staan en hij beukt net een tikje te hard tegen hun schouders. Ondernemen: schelden op je personeel, slijmen tegen je klanten.

Wat Martijn Knol ook opviel is dat Sergio Herman af en toe in de derde persoon over zichzelf spreekt. Voor wie nog aarzelde om de sticker ‘narcist’ op zijn (Hermans) voorhoofd te plakken.

Prachtig is de verhaallijn over Sergio’s dementerende vader. De ziekte toonde haar lege ogen toen de oude Herman – van wie Sergio het koken heeft geleerd – zijn zoon om het recept van vissoep moest vragen, een gerecht dat hij al een leven lang bereidde. SHFP laat zien dat het leven vergankelijker is dan de kunst: fotografie en receptenboeken maken gerechten herhaalbaar. De maaltijd verdwijnt, het gerecht blijft. Individuen dementeren en sterven, tradities worden voortgezet door nieuwe individuen.

Herman vertelt met warmte over zijn kinder- en jeugdjaren. Het radiootje in de keuken tijdens EK’s en WK’s, zijn vader die in schort de trap opstormde, richting TV, als het Nederlands elftal leek te gaan scoren. Sergio’s eigen gezinsleven stelt geen flikker voor. De wezenloze scènes over zijn huwelijk hadden uit mededogen met mevrouw Herman – en met de kijker – misschien zelfs beter weggesneden kunnen worden.  ‘Trouw nooit met een kok,’ zegt Ellemieke Vermolen-Herman. Dat zou in haar geval inderdaad beter zijn geweest.

‘Ik wil niet de klagende vrouw zijn’… toch is dat precies waarnaar we zitten te kijken op de momenten dat mevrouw Herman in beeld wordt gebracht. Eenzaamheid overgoten met pseudo-spirituele, populair-psychologische kitsch. Voor een voormalig model heeft ze ook best dikke bovenarmen, trouwens.

Afijn, in artistiek opzicht verzadigt de documentaire beslist: ik zag ’m bijna een week geleden en heb sindsdien nog geen dag de behoefte gevoeld een andere film te gaan zien. Na afloop van SHFP krijg je vooral zin om stillevens te gaan bekijken in een museum of om lange strandwandelingen te gaan maken.

Eindoordeel: fijne docu, drie veldjes met in de zilte zeewind rillende klaprozen (3/5).

——-

‘En nu zou Martijn godverdomme wel een espresso lusten. Wat sta je daar nou te staan, jongen? Dacht je dat iemand anders die espresso voor jou ging halen en dat jij ’m dan alleen nog maar op m’n bureau hoefde te zetten? Verantwoordelijkheid nemen, jongen! Hup! Leveren!’

‘Ik ren al!’

Volgende week: Lente, een liefdesverhaal.

————–

Portret Martijn Knol (foto Koos Hageraats) webMartijn Knol (1973) is schrijver en Tirade-redacteur. De duiker (2003), Aphinar (2007), Alles kan kapot (2011), Elders (2014). Verder: korte verhalen, essays, besprekingen, blogposts.

 

In de Oorshop

Primum vivere, deinde philosophari

Gisteren was een dagje Efteling, zoals we in het Nederlands zeggen. Het was meer dan dat, want mijn dochter vierde daar samen met haar vriendinnen haar verjaardag. En omdat ze nog te klein zijn om er alleen naartoe te reizen, maar ook te groot om daar begeleid te worden, ging ik wel mee, maar bleef de vraag wat ik er moest doen. Ik houd niet van pretparken en ik ben claustrofobisch. Maar met een boek in mijn tas wordt alles makkelijk, zelfs de Efteling. En het was ook niet zomaar een boek, maar Manifestaties van de intellectueel van Edward W. Said. Dus daar zat ik dan, in een enorme zaal, als een stationshal, Said te lezen, aan een tafeltje met nog één stoel vrij, in een enorm drukke omgeving: geschreeuw van moeders (“frikadel of kroket?”), gehuil van baby’s, onmacht van vaders (“ik zei toch pannenkoek!”). Tegenover mij de enige vrije stoel van de zaal. Mensen kwamen en gingen, anderen wachtten geduldig tot er tafels vrijkwamen, niemand kwam naast me zitten. De rij voor de wc reikte tot aan de vrije stoel bij mijn tafel. Ik dacht wat ik vaak denk als ik aan het poetsen of koken ben of andere huishoudelijke dingen doe: Primum vivere, deinde philosophari. Ik voelde dat ik deed alsof ik aan het “vivere” was, maar ik was aan het “philosophari”. Said zegt dat we te lang doen over de definitie van een intellectueel. Dat we te passief zijn. Dat alles politiek is.

Zelfs in de Efteling. In de rij om water te kopen, wil ik net afrekenen als de vriendinnen van mijn dochter zich bij mij voegen om andere dingen te kopen: achter ons maakt een mevrouw zo’n geluid met haar lippen dat ik wel moet begrijpen dat ze op één persoon voor haar had gerekend, niet op vijf. Zo te horen vormen de moeders en de vaders van alle bewegingen in de wereld niet zo’n buitengewoon kleine, uiterst selectieve groep, zoals Said denkt. De intellectueel moet zich laten horen, hoewel hij geen gemakkelijke taak heeft: hij bevindt zich altijd tussen eenzaamheid en conformisme.

Ik heb het boek van Said nog niet uit. Op het moment dat ik dit schrijf begraven mijn dochter en haar vriendinnen een tijdcapsule in de tuin. Ik weet niet precies wat er in de ijzeren doos zit, maar ik heb wel gezien dat elk meisje een brief over zichzelf en over hoe ze de wereld zien – nu en over twintig jaar – in de doos heeft gestopt. En hoewel ik niet zonder “philosophari ” kan, geef ik toe, na een drukke dag Efteling, dat “vivere” ook mooi kan zijn.

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Wytske Versteeg toegetreden tot de Tirade-redactie

Wytske Versteeg herfstWe zijn weer compleet.

Vandaag is, tot onze blijdschap, toegetreden tot de redactie van Tirade:  Wytske Versteeg.

Wytske neemt de plek in van Lieke Marsman die de redactie bij de verschijning van Tirade 457 heeft verlaten om zich helemaal op haar studie filosofie en op nieuwe literaire projecten te kunnen richten. Lieke, dank voor alle vrolijke, inspirerende uren die we sinds Tirade 447 met je hebben doorgebracht. We blijven je lezen, we blijven samenwerken.

Lezers van Tirade en van dit Tirade blog zijn al bekend met Wytske Versteeg de auteur, wetenschapster, blogger. Binnen de redactie van Tirade zal zij zich, net als iedereen, bezighouden met poëzie, verhalend proza en essayistiek. Iedere dinsdag publiceert zij een nieuwe blogpost op deze site.

Wytske, van harte welkom in de redactie!

Tirade – nieuwe tijden, nieuwe teksten.

Over Wytske Versteeg

Wytske Versteeg (1983) studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. Behalve de romans De wezenlozen (2012) en Boy (2013) publiceerde Versteeg het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008) dat gebaseerd is op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Versteeg won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. In 2014 zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. Deze herfst publiceert ze een nieuwe roman.

De redactie van Tirade, per heden: Martijn Knol, Gilles van der Loo, Wytske Versteeg, Marko van der Wal.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Slapen en meten met twee maten

Zo’n boek ligt daar dan dus

Ze schieten als zwammen uit de aarde: noeste en peperdure nichewinkels met artikelen die basaal uit hout, koper, leer, touw, papier en ijzer bestaan, koophutten met hebbedingen voor mannen. Opgezette vogels, vlinders, scheergerei dat je alleen daar kopen kunt, messen uit Japan, sandelhouten scheerzeephouders, boeken met kleurenfoto’s uit 1900, vintage pennen, bijlen, thermoskannen van Stanley. Mannelijk. Duurzaam. En toch.

Bij mij in de buurt, in ‘de leukste winkelstraat van 2013’ zijn nu twee van dit soort winkels. De eerste keer is een blijde verrassing, wat mooi allemaal, hoewel erg duur. De tweede keer een vreemde sensatie: ik pas in een niche. Als je alles in een winkel mooi vindt en wel wilt hebben dan is droevigheid je deel: het besef volledig marketable te zijn geworden, samen te vallen met je demografische omschrijving van leeftijd, geslacht, inkomen, woonplaats. En dat iemand precies heeft ingeschat wat je dan wel leuk zult vinden. Dit is de Google-bubble maar dan real life. Het is niet erg overeenkomstige voorkeuren te hebben. Het is verdacht dat je in een winkel alles wel mee naar huis wilt nemen, ik voel dan verzet opkomen. Maar een mens wil slapen en meten met twee maten. Voorzichtigheid en passende oplossingen zijn het moto.

Que le monde sommeille
Par manque d’imprudence

Ik moest dit mijmerend, denken aan Jojo van Jacques Brel en dan vooral de schitterende  en bij nader inzien steeds droeviger wordende  uitvoering van Jeroen Willems:

Brel zingt een lied over zijn chauffeur die dood is. Jeroen Wilems gaf denk ik de beste interpretatie van het lied en soms met een heel mooie vertaling, hoe vrij ook…

Jojo,
Ce soir comme chaque soir
Nous refaisons nos guerres
Tu reprends Saint-Nazaire
Je refais l’Olympia
Au fond du cimetière Jojo,
Nous parlons en silence
D’une jeunesse vieille
Nous savons tous les deux
Que le monde sommeille
Par manque d’imprudence

Six pieds sous terre Jojo tu espères encore
Six pieds sous terre tu n’es pas mort

Wordt bij Willems

Jojo,

Wij knokken deze nacht als elke nacht tevoren
jij rijdt het land weer door, ik bespeel een volle bak
dit graf is het decor, Jojo,
wij liggen hier te praten van jeugd die plots voorbij was
wij weten al te goed een mens wil slapend leven
en meten met twee maten.

Al lig je diep Jojo, je hoop wordt gehoord
al lig je diep, je leeft nog voort

‘Nous savons tous les deux, que le monde sommeille par manque d’imprudence’ echoot vreemd lang na in een op maat gemaakte wereld waarin voorzichtigheid de meeste kansen biedt.

Hier die van Brel

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #8: Freddy’s

 

 

 

 

 

 

 

Ik parkeer op mijn vaste plek naast de afvalcontainers. Meteen als ik uit de auto stap slaat de stank me in het gezicht. Een vuilniszak bovenaan de stapel lekt barbecuesaus en visvet; over de flank van de container loopt een glimmendbruine streep, en op het asfalt ligt een plas waar vliegen rondhangen als safariwild bij een waterpoel. Met mijn elleboog duw ik de zak verder de container in.

‘Fuck,’ zeg ik. ‘Maurice. Hoe moeilijk kan het zijn?’

Ik haal het hangslot van de deur en stap naar binnen, wacht tot de tl-balken aanspringen voor ik het alarm uitschakel. De code komt niet vanzelf in me op, en ik heb bijna de volle dertig tellen nodig om hem goed in te voeren.

Op een paar vette vegen na is de keuken redelijk schoon. De binnenkant van de oven plakt nog – wat niet echt een verrassing is – en het oude brood is niet weggegooid, maar veel meer te zeuren heb ik niet. Ik trek de deur van de koeling open, doe het licht aan en staar naar de rijpende rib-eyes, de T-bones en varkenskoteletten. Onder al het vlees zijn schone bakken geplaatst en de lijst is netjes bijgehouden. Goed zo, jongens.

Door de klapdeuren loop ik de zaal in, waar het naar bleek ruikt en de stoelen op de tafels staan. Mager ochtendlicht glipt door de ramen naar binnen. Ik haal de stoelen van tafel 14 en pak de klapper met bestellijsten en facturen achter de bar. Dan zet ik koffie en kies een cd uit: John Coltrane en Johnny Hartman.

Aan tafel, met mijn ellebogen op het hout en een rode pen in mijn hand, staar ik een tijdje uit het raam. Koplampen komen en achterlichten gaan over de kustweg, waarboven een vloedgolf van mist is blijven hangen. Een man zou in zijn auto kunnen stappen, die mist in rijden en verdwijnen; er aan de andere kant van de wereld weer uit komen, misschien wel in een heel andere tijd. Hartman zingt:

They say that falling in love is wonderful,

so wonderful,

so they say…

Over een half uur zal de laatste mist opgetrokken zijn. De straten zullen weer lopen waar ze altijd lopen, tussen de kustweg en de bergen; alfabetisch oplopende dwarsstraten zullen die straten weer verbinden. Het raamwerk staat geen dromen toe. Klik, doet mijn pen. Klikklik.

De facturen kloppen. Ik vink en onderstreep en onderteken tot ik kramp krijg. Schrijven met links valt niet mee, hoewel de letters nu al meer beginnen te lijken op de letters die ik met rechts maakte. Na de facturen pak ik het rooster erbij. Daniels vakantie komt eraan, en als ik volgende week nog niet kan koken hebben we een probleem. Ik maak een vuist, de huid van mijn handpalm trekt alsof er tape overheen geplakt zit. Als ik mijn vingers bij de verwarming houd bijt de warmte door het verband heen in het nieuwe vlees waar ooit mijn vingerafdrukken zaten.

‘Doet het nog pijn, Chef?’

Freddy doet zijn jas uit, steekt een vinger door het lusje in de kraag en laat het over een haak van de kapstok glijden. In de tijd dat ik niet heb kunnen werken lijkt hij grijzer geworden, zijn armen hangen langs zijn zij alsof hij het nauwelijks meer kan opbrengen ze te tillen. Op de foto boven de bar, om het allemaal nog in te wrijven, stralen de Freddy en Paul als twintigers me tegemoet, met het net gestarte Freddy’s op de achtergrond.

‘Wanneer ga je die foto weghalen?’

Hij kijkt omhoog. ‘Nooit meer, denk ik. Dat had ik dan veel eerder moeten doen. Na de begrafenis, of zo.’

‘Het deprimeert je niet om hem daar te hebben hangen? Jullie samen?’

Sloffend komt hij naar me toe. Hij haalt zijn bril uit zijn borstzak, gaat zitten en rolt de mouwen van zijn overhemd op. ‘Ik weet niet of die foto iets uitmaakt. En Paul heeft hier een plek verdiend. Het was ook zijn zaak.’

‘Maar hij ging bij je weg toen hij al ziek was?’

‘Dat is zo.’

‘En hij is overleden bij die ander?’

Weer knikt hij. Een glimlach als een oorlogsmonument. ‘Jonathan.’

‘Was je niet boos?’

Een tienwieler raast voorbij, mist aan flarden scheurend. Vlak voor de bocht gaan zijn remlichten aan: helle drakenogen verdwijnen achter de wand van Petersen’s Cliff.

Er komt kleur in Freddys wangen. Hij kijkt naar buiten en veegt met een trillende vinger achter zijn brilleglazen. ‘Ik heb hem gehaat.’

‘Nu ben ik in de war.’

Hij richt zijn blik weer op mij, de ogen van een oude jachthond die even een konijn geroken heeft. ‘We waren jong, Chef. We hadden lief en we vochten en neukten. Elke nacht was onze laatste, elke dag het begin van grootse dingen. Toen Paul wegging was het alsof mijn hart uit mijn borst gerukt werd. Hoe kan ik daar niet met plezier aan terugdenken?’

Coltrane en Hartman beginnen aan Autumn Serenade. Als ik opkijk heeft Freddy zijn ogen gesloten. Hij neuriet mee en zet gelijk in met de donkere stem die door het lege restaurant galmt. Om ons heen staan de stoelen op hun tafels; verse ijsblokjes maken een val in het reservoir van de machine. Naast de keukendeur, in een stalen doos waaruit een blauw schijnsel lekt, worden vliegen en muggen met dorre zakelijkheid geëlectrocuteerd.

 

 

 

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van zijn hand verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Charon

 

Charon (1)

Waarhee-een leidt de weg die wij moe-oeten gaan? Waahaartoe zijhijn wij o-op aard? Zo komen ze meestal hier aan; zingend, hand in hand, nog dronken van hun eigen uitvaart. Dat komt door de toespraken.

Van koffie en cake raak je niet beneveld, maar van die toespraken.

Over de doden niets dan goeds, die kunnen toch niet meer naast hun schoenen gaan lopen. Nee, de sprekers hebben er geen last meer van, maar ik zit dus daarna met al die doden, postuum eindelijk bevestigd in wat ze stiekem altijd al over zichzelf hadden gedacht. Dronken, brallend komen ze hier aan, en dat wordt alleen maar erger. “Ik wil geen tranen op mijn begrafenis, het moet een feestje worden, wat zeg ik, een féést!”

Laat de bitterballen aanrukken.

Vroeger was dat natuurlijk anders. Toen werden er nog bestraffende toespraken gehouden, de dode in zijn kist streng ondervraagd. Of hij wel goed genoeg geleefd had om ook maar te durven hopen op een hiernamaals. Toen was er angstig zwijgen in het bijzijn van de dood, toen namen ze hun hoed nog voor me af.

Op de één of andere manier voelde dat beter.

Nu worden ze gewoon nooit meer volwassen, gaan ze als pubers dood. En dan moeten ze wel even in hun eentje van daar naar hier zien te komen, en dat is natuurlijk koud en donker, dat ontnuchtert wel een beetje. Maar het is toch nooit koud en nooit donker genoeg om hen volledig te ontnuchteren, en dan komen ze weer hier aan met die feestmuts op één oor.

Dan zien ze mij.

Ja.

Dan zien ze plotseling mij.

Dat hadden ze niet verwacht, zoiets.

En ik zeg niets. Ik steek alleen mijn hand uit. Ze maken nooit de fout om die te willen pakken. En als ze eenmaal in mijn boot zijn, als ik hen uiteindelijk dan toch heb laten instappen, dan blijven ze maar ratelen. Vooral de atheïsten, degenen die er altijd zo van overtuigd waren dat er niets was na de dood, alsof ze bang zijn dat ik ze er uitgooi als ze niet blijven praten. Ik heb wel vaak die neiging.  Ze eruit te gooien. Maar het zijn pubers. Ze zitten nu eenmaal in een overgangsfase.

Dus roei ik. Dus trek ik mijn boot door het water dat zwart is, dat zich niet eens de maan meer herinnert. Ik roei mijzelf tandenknarsend de stilte in, mijzelf en mijn passagiers, mijn voorbijgaande zielen

Ik hoef niet lang te wachten.

Nog voordat ik de andere oever bereikt heb zijn ze al lichter, al bijna verdwenen.

Wytske Versteeg schreef De Wezenlozen en Boy (BNG Literatuurprijs 2014). Haar 3e roman verschijnt deze herfst.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.