Rook

Je moet in ’t leven kijken naar wat je wél kan en wat je wél hebt, vindt Ann, niet naar wat je níet kan en wat je níet hebt… Denk je nou echt dat je gelukkiger zou zijn als je met één hand ’n shagje kon draaien?… Ja, dat denk ik, ja.

’t Gaat om de eer… Of hoe zeg je dat?… De voldoening. Net zoals vroeger, als je met schepjes en emmertjes ’n zandkasteel bouwde… Of dat je net zo lang over ’t strand heen en weer rende tot je vlieger klapperend opsteeg en superstrak in de lucht bleef hangen…

Ik kan met ’n heftruck rijden, ik weet hoe je ’n kleine hijskraan bedient en volgens die meiden van ’t uitzendbureau ben ik de snelste metselaar van Midden Nederland… ’n Fikse kauwgumbel, keihard op m’n vingers fluiten: echt geen probleem. Maar met twee handen een shagje draaien – ’t lukt me goddomme gewoon niet…

Maakt niet uit joh, zeggen m’n maten, jij kan weer andere dingen – patat halen, bier koud zetten. Maar ’t zijn van die dingen die aan je vreten, hè?… ’t Is een strijd met jezelf… Bedrijven die op de fles gaan of kindertjes in Afrika die doodgaan van de honger, dat is in principe veel erger, maar dat kloterige gekloot met die vloeipapiertjes, dáár lig ík nachten wakker van, serieus…

Zit niet zo te zeiken man, zegt Ann dan, je hebt ’r gewoon de poten niet voor…  Wat geeft dat nou? Koop dan filtersigaretten… Ja, dag. Kun je net zo goed meteen op kantoor gaan werken… Igor kan ’n shagie draaien terwijl ie met z’n ogen dicht staat te zonnen… En Achmed zit iedere vrijdagmiddag ’n uur met z’n vrouw te bellen* terwijl ie met z’n ene hand z’n telefoon tien centimeter van z’n oor houdt en met de andere vast zo’n giga blow-toeter voor ’t weekeinde draait… Die gozer kan shag rollen met z’n blote voeten, ik zweer ’t je.

Maar bij mij is ’t altijd geduvel… de ene keer laat ik ’n dot tabak in m’n koffie plonzen, de andere keer maken m’n vingers zulke leipe bewegingen dat de vloei doormidden scheurt en de slierten shag in m’n wimpers hangen… echt kutzooi…

Maar ja, wat ik zeg… Ann maalt ’r niet om… die heeft tien jaar shagjes gedraaid voor d’r vader… Ann kon al shagjes rollen voordat ze d’r eigen veters kon strikken, serieus… Maar als we straks kinderen hebben, dan doe ik ’t niet meer voor je, zegt ze… Ik wil niet dat die de hele dag in de stinkrook zitten… Maar daar gaat ’t niet om. Een echte man draait z’n eigen shag, dáár gaat ’t om…

Volgende maand een weekje naar Tunesië, Ann en ik… Net als vorig jaar… Cocktails, disco. Beetje over ’t strand sjokken… Als we dan ’n stuk de zee in zijn gelopen, dan til ik ’r met twee handen boven m’n hoofd en dan gooi ik ’r zo drie, vier golven van me vandaan… En als ze dan weer naar me toe is gezwommen, dan trek ik dat spekgladde poppenlijfje van d’r stevig tegen me aan en dan zou ik ’r ’t liefst nooit meer loslaten…

Ligstoel, parasol. Zodra Ann in ’n tijdschrift ligt te lezen of d’r iPod aanzet, haal ik m’n pakje Drum tevoorschijn. Vloeipapier, pluk tabak. Shagie draaien. Nou ja. Proberen.

——-

‘Ja, alles goed en wel… maar eigenlijk had ik gehoopt dat je vandaag verder ging met dat verhaal over Dickie.’
‘Haha, wat grappig! Het toeval wil dat ik inderdaad een vervolg heb geschreven. Maar ja… de ruimte is beperkt. Misschien een andere keer.’

Noot

*Over bellen gesproken. Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence, de nieuwe film – een handvol los samenhangende sketches – van Roy Andersson draait. ‘Fijn om te horen dat het goed met jullie gaat,’ is het refrein van de film, in de helft van de scènes worden telefoongesprekken gevoerd. Des te grappiger, dat refrein, omdat het met geen van de personages goed gaat. De film is kritisch (over oorlog, kolonialisme, kapitalisme, vervreemding), poëtisch, absurdistisch. APSOABROE is Monty Python op valium. Statisch camerawerk, dynamische film. Wel jammer – want flauw – dat de belangrijkste personages vertegenwoordigers in feestartikelen zijn. Eindoordeel: vier mosterdgele, in de hoek van een dansstudio opgestapelde stoelen (4/5). Na deze film kun  je nooit meer een bejaarde een fles wijn zien opentrekken zonder je schrap te zetten voor de hartstilstand. Kostelijk.

Soundtrack: Gabriel Rios, Broad Daylight.

Volgende week: Sergio Herman, Fucking Perfect. En meer.

Foto: M.K. ’11.

In de Oorshop

Herta Müller

Vandaag geef ik in Rotterdam een lezing over Herta Müller. In haar boeken laat zij de wereld zien waar ik vandaan kom. De dictatuur. “Moeilijke boeken,” zei iemand vorige week tegen me. “Zo’n groot publiek heeft ze ook niet.”

De toekenning van de Nobelprijs aan Müller was een verrassing voor iedereen. Ik las dat de boekhandelaren in Duitsland nog het meest verrast waren; hun etalages lagen vol Rushdie en Llosa. Nadat Herta Müller de Nobelprijs had gewonnen, werd zij omarmd door Duitsland, dat destijds echt moeilijk had gedaan over haar asielaanvraag, en herinnerde ook Roemenië zich ineens dat Herta Müller toch bestond. Collaborateurs van de geheime dienst Securitate afkomstig uit de gelederen van de Duitse minderheid in Roemenië hadden de roddel verspreid dat Müller zelf collaborateur van de beruchte organisatie was. Ze stuurden haar brieven met teksten als: “Uw boeken moeten worden verbrand. Blijf waar u bent!” en “We willen u niet in Duitsland. Het is een schande om zo over de Banaat te schrijven.” Helemaal Duits voelt Müller zich niet, Roemeens is ze evenmin. Ik ken het gevoel. “Mijn Duits is een geleende taal en Roemeens is ook een geleende taal.” Ik las dat ze nog steeds ‘Oeps!’ op z’n Roemeens zegt als ze iets laat vallen. Ze schrijft over individuen wier leven in de kern is verwoest. Geen gezellige boeken. Maar wel boeken die de waarheid vertellen. En was de waarheid ooit gezellig? De oud-officier van de Securitate die haar destijds had gevolgd en verhoord en microfoons in haar appartement had geplaatst, heeft meerdere interviews gegeven aan The Guardian en Al Jazeera en daarin verkondigde hij dat hij Müllers boeken heeft gelezen en dat hij ze maar niets vond. Het viel me op dat hij niet zei dat ze niet eens waar zijn. Haar boeken gaan namelijk over hem en anderen zoals hij.

De vraag is: Wat doen wij met de waarheid? Helpt de waarheid om wonden te genezen? En: Wat doet een schrijver met de waarheid? Wat doen wij met de waarheid van Herta Müller? Wie heeft de waarheid nodig?

Ik.

Omdat ik, net als zij, niet geloof dat het einde van een dictatuur samenvalt met het einde van de pijn die ze heeft aangericht. “Alles wat de vernietiging van de mens betreft duurt voort.” Wat we in geschiedenisboeken lezen gaat maar al te vaak niet over mensen. Het gaat om feiten: oorlogen, revoluties, traktaten. Maar literatuur gaat wel om mensen. Mensen zoals u en ik, zoals iedereen, zoals mensen in Roemenië of Afghanistan. En Herta Müller is veel meer dan een schrijver van boeken. Ze is een schrijver van de waarheid. En de waarheid moet gehoord worden, omdat het de waarheid is.

De wereld wacht nog op een Herta Müller van Syrië, van Somalië, van Afghanistan.

De waarheid heeft Herta Müller nodig.
 

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het nulnummer, die nieuwe Eco

Het eerste woord van de nieuwe roman van Umberto Eco Het nulnummer is ‘Vanochtend’ en het laatste woord is ‘zon’. Daartussenin staan minder woorden dan hij ooit in een roman schreef. Sinds De naam van de roos lees ik alles van Eco. Er zijn een paar van die schrijvers: Daniel Kehlmann, Ian McEwan, Julian Barnes, Umberto Eco, Sandro Veronesi. Ze behoren in eenzelfde categorie ook: ze schrijven nu, ze publiceren veel maar niet met de frequentie van een Brusselmans, hun boeken zijn goed maar niet altijd steengoed. Je kunt er dus een mindere tussen hebben. Misschien is een andere redelijk opvallende eigenschap dat ze steeds een heel ander boek schrijven.

Het is dus voortdurend zeer ongewis wat er komen gaat. En dus is je appreciatie van het boek bepaald niet op voorhand vaststaand. Na Il nome della rosa, De naam van de roos, in 1980, een ongelofelijk internationaal succes, middeleeuwen, monniken, misdaad, het oerboek van dit genre, verscheen Il pendolo di Foucault, De slinger van Foucault, het Eco-boek dat mij het liefst is, een toch wat overintellectuele avonturenroman in de wereld van de rozenkruisers en ander mystieke sekten.

Dan in 1988, L’isola del giorno prima, Het eiland van de vorige dag, 1994, een wat mij betreft volstrekt mislukt boek over een poging de datumgrens vast te stellen, althans dat is wat ik mij herinner. Baudolino, 2000, is een heel vreemd avatar-achtige maar op middeleeuwse bronnen geïnspireerde fantasy over een wereld die bevolkt is met hoe reizigers in de middeleeuwen vreemde wezens typeerden, mensen met een voet zo groot als een parasol, vreemde beesten etc. Aardig. La misteriosa fiamma della regina Loana, De mysterieuze vlam van koningin Loana, 2004, is onderschat, het is echt een heel leuk boek waarin het stripverleden van de hoofdpersoon in woord en beeld aanwezig is, een mooi wat recenter tijdsbeeld. Il cimitero di Praga, De begraafplaats van Praag, 2010. Aardig, maar na de lange jaren van wachten een lichte teleursteling.

Dan Het nulnummer. De vader van de historische roman stapt uit het verre verleden en plaats zijn nieuwe verhaal in Milaan, 1992. Dat is toch wel heel avontuurlijk van Umberto Eco. Ik moet nog beginnen hoor.

Umberto Eco schreef ook veel non-fictie: over hoe je en scriptie moet schrijven, over de queestestructuur in de James Bond films. Over schoonheid, lelijkheid, over interpretatie, iets wat ik heel interessant vond in 1992 maar nu niet zo goed meer weet te plaatsen. Over de poëtica van Joyce, over hoe je moet reizen met een zalm. Eco combineert een enorme belezenheid met een heel alledaagse boerenslimheid. Die creativiteit blijft aantrekkelijk in een goede, maar ook in een slechte Eco. Een Eco eigenlijk is altijd verrassend.

Toen een journalist hem na het succes vroeg hoe zijn fortuin zijn leven veranderd had antwoordde Eco: ‘Ik neem wat vaker de taxi.’

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #7: Frank

 

 

 

 

 

 

 

In het bakstenen gebouwtje van Martins Minimarket stal Frank kauwgom voor zichzelf en een Snickers voor mij, terwijl ik met knikkende knieën op de uitkijk stond naast het krantenrek. Bij het afrekenen van zijn andere boodschappen glimlachte hij naar Martin, die al een leven achter de kassa stond en toch ook niet gek kon zijn, maar de oude man gooide mijn haar in de war en bood ons lolly’s aan.

‘Nee dank u,’ zei Frank. ‘Mijn moeder wil niet dat ik snoep.’

‘Heel verstandig.’ Ook mijn lolly werd ingetrokken. ‘Doe je haar de groeten?’

Franks blik verhardde, maar zijn glimlach bleef. ‘Zeker, meneer.’

‘Zeg toch Martin tegen me.’ Terwijl hij omhoogreikte om de pot lolly’s terug in de kast te zetten, was het elastiek van zijn witte onderbroek te zien. Ik keek weg, voorbij het einde van de toonbank, waar achter een halfopen harmonicadeur de doorgezakte stretcher stond waarop Martin zijn uiltjes knapte.

Met een knikje schoof hij de ingepakte boodschappen naar Frank toe, die zijn armen om de tas sloeg en ermee naar buiten liep. Midden voor de ingang – de tas tussen zijn benen geklemd – verdeelde hij de buit.

‘Goed werk,’ zei Frank. ‘Nu weet ik dat ik je kan vertrouwen.’

Hij liet de tas staan, pakte mijn fiets en begon ermee te lopen. Zonder na te denken tilde ik de boodschappen van de grond en volgde hem. Een tot op dat moment ongebruikt deel van mijn hersenen leek in Martins winkel te zijn ontwaakt, een oeroud en vergeten noodsysteem dat ervoor zorgde dat ik Frank Johnsten altijd in mijn zicht zou willen houden.

Al na een paar dagen kon zijn afwezigheid me het gevoel geven stuurloos te zijn, een kleine astronaut die van zijn capsule wegdrijft in een dode hoek van het heelal.

 

 

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van zijn hand verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Wenspad

Ieder verhaal is een pad door de tijd.

De verteller neemt ons bij de hand met er was eens en hoopt dat we onderweg niet verdwalen of afslaan voordat we het eindpunt hebben bereikt, ze leefden nog lang en gelukkig. Na dat eindpunt komt er nog veel meer tijd, maar die is niet meer van belang of niet voor dit verhaal, hier stopt het pad. Plot is een ander woord voor verhaal, maar het is ook een afgebakend stukje grond. We volgen het plot als een pad door de tijd en terwijl we dat doen blijven we binnen de omheining die de verteller voor ons heeft uitgezet, we grazen in de wei van het verhaal.

Het Engelse woord desire path is een poëtische naam voor dat wat we allemaal kennen, het kale stukje grond op de hoek van het grasveld, daar waar iedereen de bocht net iets te krap neemt. Het wenspad is het pad naast het asfalt, de weg die er niet was maar die iedereen neemt. Er zijn landen waar de ontwerpers van parken wachten tot de eerste sneeuw gevallen is, om in die sneeuw de sporen van voetstappen te volgen en hun ontwerp daarop te kunnen aanpassen. Het pad wordt pas zichtbaar wanneer het door sneeuw is verborgen.

Ons woord verhalen, vertellen is ontstaan uit verhalen, verslag doen zoals dat in de rechtbank gebeurt, zoals we iets op de verzekering verhalen. Wie verhaalt, haalt genoegdoening. Wie verhaalt, haalt terug in woorden. Sommige verhalen leggen we vast in boeken, maar veel meer verhalen vertellen we zomaar tussendoor, verhalen over wat we hebben meegemaakt, wat we hebben ervaren. Ervaren komt van irfaran, doorheen reizen. Wie door een streek reist leert die kennen, wordt gewaar, maakt iets mee.

Ieder pad is een verhaal door de tijd.

 

IMG_0499 Wytske Versteeg schreef De Wezenlozen en Boy (BNG Literatuurprijs 2014). Haar 3e roman verschijnt deze herfst.

Zoet

Dickie mocht dan in Almere wonen, ze ging mooi wel naar Het Boekenbal. En Madelon en Sabrina niet. Ze hadden met elkaar gestudeerd in Groningen, droomden er in die tijd alle drie al van iets in de literatuur te gaan doen. Madelon (Utrecht) verkocht tegenwoordig televisiedocumentaires aan het buitenland, Sabrina (Middelburg) vertaalde bedrijfsjournalistieke producties (FR-NL, ENG-NL). En Dickie was Hoofd Publiciteit bij Uitgeverij De Boekenreus die weliswaar voornamelijk literaire thrillers, romantische romans en andere commercial fiction* uitbracht, maar toch, net als de meeste uitgeverijen, was gevestigd aan één van de Amsterdamse grachten.

Na hun afstuderen was het contact tussen Madelon, Sabrina en Dickie wat verwaterd. Sabrina kreeg als eerste een kind (‘een soort van ongelukje’), Dickie trouwde en kocht een huis. Sinds de begrafenis van Joris – de vriend van Madelon, die was omgekomen toen hij met een paar andere milieuactivisten het dak van het hoofdkantoor van een olieconcern betrad om een beschilderd laken over het reusachtige bedrijfslogo te spannen, maar zichzelf tijdens het abseilen langs de voorgevel aan een vlaggenstok spietste* – waren ze weer heel close.

Hoewel Dickie en Sabrina Joris altijd een geitenwollen zeikerd hadden gevonden, trokken ze zich Madelons verdriet erg aan. De drie gingen weer regelmatig met elkaar naar de kroeg en naar de bioscoop. Nu en dan probeerden Dickie en Sabrina een mannelijke kennis aan Madelon op te dringen, zonder resultaat. Ze kwamen wekelijks bij elkaar over de vloer. Hoewel Dickie tegen de twee anderen nooit iets losliet over haar vreet- en vomeerbuien, waren Madelon en Sabrina wel de eersten aan wie ze vertelde dat Ralf en zij uit elkaar gingen. De drie vrouwen deelden vrijwel alles met elkaar, net als vroeger, toen ze nog bij elkaar in huis woonden.

In januari begon Dickie al te klagen dat ze haar hardroze galajurk weer moest laten vermaken, dit keer omdat ze zo abnormaal veel was afgevallen. ‘Nou ja, het hoeft alleen als ik weer kaartjes krijg, natuurlijk. Dat wordt ieder jaar moeilijker.’ Het lukte. Al was het maar omdat de uitgeefster van De Boekenreus zelf nooit naar het bal ging (‘net een schoolfeest’) en Dickie zo ongeveer in haar eentje mocht bepalen wie er kaarten kregen en wie niet.

Glimlachend liep ze over de rode loper, glimlachend gaf ze haar jas af* en glimlachend liep ze met collega’s door de gangen van de schouwburg. Ze herkende Ilja Leonard Pfeijffer, Susan Smit, Franca Treur, Maxim Februari, Gustaaf Peek, Sacha de Boer, Maartje Wortel, Sander Kollaard. Toen Dickie op het balkon haar jaarlijkse sigaretten stond te roken, had ze twee keer oogcontact met een Franse of Italiaanse jongen met een staart* die stond te praten met Lieke Marsman en Gerbrand Bakker.

Trappen op, trappen af. Een dansje, een drankje. Het was heet, het was druk – maar Dickie was erbij. Ze verdrong de aanvechting om ergens in een rustige hoek even een berichtje te sturen aan de oppas om te checken of de meisjes zoet lagen te slapen. Vanavond was ze helemaal hier! Ze danste drie kwartier met een kale bureauredacteur en twee minuten met een sportjournalist die soms op televisie was. Een columniste bood haar coke aan, de vertegenwoordiger van digitale geschiedenisboeken (kunstgebit, bril) legde zijn hand op haar kont.

Dansen, lachen, kletsen: ijl suikerspinsel om het stokje van Dickies eenzaamheid. Ze hoopte dat Madelon en Sabrina voor de televisie zaten – achter Facebook en Twitter – en dat ze van haar glimlach minstens een glimp opvingen.

——-

Soundtrack (geïnspireerd door de Drie vroege verhalen van J.D. Salinger*): Bessie Smith, I need a little sugar in my bowl.

Noten

*Trouwens, als je eens de tijd nam die boeken écht te lezen, dan merkte je hoe goed die geschreven waren. Die hele discussie over wat literair was en wat niet, was zóóó gedateerd.

* Zijn ingewanden spatten als koeienflatsen op het natuurstenen trottoir in de diepte.

*Het is jammer dat Dickie nooit naar kleine zaal-producties ging, anders had ze in de jongen die in de foyer zo soepel en vriendelijk haar jas aannam de acteur herkend die vorig jaar schitterde in ‘Breuk’, een voorstelling waarin hoogtepunten uit de modernistische canon tot één slimme vertelling waren gemonteerd.

* De Staart? Nee, hoor, ik was ’t gewoon zelf! Ik heb me drie weken geleden weliswaar vrijwillig – nou ja: onder druk van familie en vrienden – laten opnemen in de Jan Arends Kliniek te Hilversum, maar ik had verlof gekregen, zodat ik met mijn favoriete collega meekon naar Het Boekenbal. Toen mijn behandelend arts gisteren hoorde hoe goed – probleemloos – alles was gegaan in Amsterdam en opperde dat ik per april wel weer permanent naar huis zou kunnen, beet ik haar in ’t gezicht, spuugde d’r halve neus en een lap wang op d’r bureau en schreeuwde dat ik godverdomme zelf wel uitmaak wanneer ik weer goed bij m’n hoofd ben. Waanzin is a writer’s goldmine, die laat ik me echt niet zomaar afnemen.

* Salinger. Drie vroege verhalen. Geestige, vederlichte lectuur waar ik verder niks (on)zinnigs over te melden heb. Prima materiaal om op schrijfopleidingen of met schrijfvrienden te bespreken, vooral omdat de teksten – gewoon charmante scènes eigenlijk – verre van volmaakt zijn. Let bijvoorbeeld op ’t literaire gezwoeg waarmee de verhalen openen. In elk van de successieve teksten sta je tijdens de eerste alinea te kijken naar een auteur die met donkere plekken onder de oksels van z’n witte overhemd de motor van z’n T-Ford staat aan te zwengelen, terwijl veel van Salingers latere verhalen juist automobielen zijn die, zodra je het portier opent (de titel hebt gelezen) om plaats te nemen op de bijrijdersstoel, de maximaal toegestane snelheid al ruimschoots blijken te hebben overschreden. In elk van de drie vroege verhalen wordt gerookt, trouwens.

‘Ja? Was dit ’t? Moet je niet nog een paar… beletseltekens toevoegen?’

‘Nee, hoor, die gebruik ik alleen als ’t echt nodig is.’

‘Oké, nou… tot slot dan: heb je nog een boekenweekthemagerelateerde leestip voor ons?’

‘Zeker. Mag het een boek van een vrouw zijn?’

‘Liever niet. Maar als ’t echt niet anders kan…’

‘Patricia Duncker: Hallucinating Foucault (1996).’

———–

???????????????????????????????Martijn Knol (1973) is schrijver. En niet alleen van dit stukje. De schaarse biografische informatie over hem (wielrenner? cardiovasculair risicomanager?, hoogleraar te Rome?) is volslagen apocrief. Vermoedelijk is hij ’t verzinsel van één van z’n personages.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?