Zoet

Dickie mocht dan in Almere wonen, ze ging mooi wel naar Het Boekenbal. En Madelon en Sabrina niet. Ze hadden met elkaar gestudeerd in Groningen, droomden er in die tijd alle drie al van iets in de literatuur te gaan doen. Madelon (Utrecht) verkocht tegenwoordig televisiedocumentaires aan het buitenland, Sabrina (Middelburg) vertaalde bedrijfsjournalistieke producties (FR-NL, ENG-NL). En Dickie was Hoofd Publiciteit bij Uitgeverij De Boekenreus die weliswaar voornamelijk literaire thrillers, romantische romans en andere commercial fiction* uitbracht, maar toch, net als de meeste uitgeverijen, was gevestigd aan één van de Amsterdamse grachten.

Na hun afstuderen was het contact tussen Madelon, Sabrina en Dickie wat verwaterd. Sabrina kreeg als eerste een kind (‘een soort van ongelukje’), Dickie trouwde en kocht een huis. Sinds de begrafenis van Joris – de vriend van Madelon, die was omgekomen toen hij met een paar andere milieuactivisten het dak van het hoofdkantoor van een olieconcern betrad om een beschilderd laken over het reusachtige bedrijfslogo te spannen, maar zichzelf tijdens het abseilen langs de voorgevel aan een vlaggenstok spietste* – waren ze weer heel close.

Hoewel Dickie en Sabrina Joris altijd een geitenwollen zeikerd hadden gevonden, trokken ze zich Madelons verdriet erg aan. De drie gingen weer regelmatig met elkaar naar de kroeg en naar de bioscoop. Nu en dan probeerden Dickie en Sabrina een mannelijke kennis aan Madelon op te dringen, zonder resultaat. Ze kwamen wekelijks bij elkaar over de vloer. Hoewel Dickie tegen de twee anderen nooit iets losliet over haar vreet- en vomeerbuien, waren Madelon en Sabrina wel de eersten aan wie ze vertelde dat Ralf en zij uit elkaar gingen. De drie vrouwen deelden vrijwel alles met elkaar, net als vroeger, toen ze nog bij elkaar in huis woonden.

In januari begon Dickie al te klagen dat ze haar hardroze galajurk weer moest laten vermaken, dit keer omdat ze zo abnormaal veel was afgevallen. ‘Nou ja, het hoeft alleen als ik weer kaartjes krijg, natuurlijk. Dat wordt ieder jaar moeilijker.’ Het lukte. Al was het maar omdat de uitgeefster van De Boekenreus zelf nooit naar het bal ging (‘net een schoolfeest’) en Dickie zo ongeveer in haar eentje mocht bepalen wie er kaarten kregen en wie niet.

Glimlachend liep ze over de rode loper, glimlachend gaf ze haar jas af* en glimlachend liep ze met collega’s door de gangen van de schouwburg. Ze herkende Ilja Leonard Pfeijffer, Susan Smit, Franca Treur, Maxim Februari, Gustaaf Peek, Sacha de Boer, Maartje Wortel, Sander Kollaard. Toen Dickie op het balkon haar jaarlijkse sigaretten stond te roken, had ze twee keer oogcontact met een Franse of Italiaanse jongen met een staart* die stond te praten met Lieke Marsman en Gerbrand Bakker.

Trappen op, trappen af. Een dansje, een drankje. Het was heet, het was druk – maar Dickie was erbij. Ze verdrong de aanvechting om ergens in een rustige hoek even een berichtje te sturen aan de oppas om te checken of de meisjes zoet lagen te slapen. Vanavond was ze helemaal hier! Ze danste drie kwartier met een kale bureauredacteur en twee minuten met een sportjournalist die soms op televisie was. Een columniste bood haar coke aan, de vertegenwoordiger van digitale geschiedenisboeken (kunstgebit, bril) legde zijn hand op haar kont.

Dansen, lachen, kletsen: ijl suikerspinsel om het stokje van Dickies eenzaamheid. Ze hoopte dat Madelon en Sabrina voor de televisie zaten – achter Facebook en Twitter – en dat ze van haar glimlach minstens een glimp opvingen.

——-

Soundtrack (geïnspireerd door de Drie vroege verhalen van J.D. Salinger*): Bessie Smith, I need a little sugar in my bowl.

Noten

*Trouwens, als je eens de tijd nam die boeken écht te lezen, dan merkte je hoe goed die geschreven waren. Die hele discussie over wat literair was en wat niet, was zóóó gedateerd.

* Zijn ingewanden spatten als koeienflatsen op het natuurstenen trottoir in de diepte.

*Het is jammer dat Dickie nooit naar kleine zaal-producties ging, anders had ze in de jongen die in de foyer zo soepel en vriendelijk haar jas aannam de acteur herkend die vorig jaar schitterde in ‘Breuk’, een voorstelling waarin hoogtepunten uit de modernistische canon tot één slimme vertelling waren gemonteerd.

* De Staart? Nee, hoor, ik was ’t gewoon zelf! Ik heb me drie weken geleden weliswaar vrijwillig – nou ja: onder druk van familie en vrienden – laten opnemen in de Jan Arends Kliniek te Hilversum, maar ik had verlof gekregen, zodat ik met mijn favoriete collega meekon naar Het Boekenbal. Toen mijn behandelend arts gisteren hoorde hoe goed – probleemloos – alles was gegaan in Amsterdam en opperde dat ik per april wel weer permanent naar huis zou kunnen, beet ik haar in ’t gezicht, spuugde d’r halve neus en een lap wang op d’r bureau en schreeuwde dat ik godverdomme zelf wel uitmaak wanneer ik weer goed bij m’n hoofd ben. Waanzin is a writer’s goldmine, die laat ik me echt niet zomaar afnemen.

* Salinger. Drie vroege verhalen. Geestige, vederlichte lectuur waar ik verder niks (on)zinnigs over te melden heb. Prima materiaal om op schrijfopleidingen of met schrijfvrienden te bespreken, vooral omdat de teksten – gewoon charmante scènes eigenlijk – verre van volmaakt zijn. Let bijvoorbeeld op ’t literaire gezwoeg waarmee de verhalen openen. In elk van de successieve teksten sta je tijdens de eerste alinea te kijken naar een auteur die met donkere plekken onder de oksels van z’n witte overhemd de motor van z’n T-Ford staat aan te zwengelen, terwijl veel van Salingers latere verhalen juist automobielen zijn die, zodra je het portier opent (de titel hebt gelezen) om plaats te nemen op de bijrijdersstoel, de maximaal toegestane snelheid al ruimschoots blijken te hebben overschreden. In elk van de drie vroege verhalen wordt gerookt, trouwens.

‘Ja? Was dit ’t? Moet je niet nog een paar… beletseltekens toevoegen?’

‘Nee, hoor, die gebruik ik alleen als ’t echt nodig is.’

‘Oké, nou… tot slot dan: heb je nog een boekenweekthemagerelateerde leestip voor ons?’

‘Zeker. Mag het een boek van een vrouw zijn?’

‘Liever niet. Maar als ’t echt niet anders kan…’

‘Patricia Duncker: Hallucinating Foucault (1996).’

———–

???????????????????????????????Martijn Knol (1973) is schrijver. En niet alleen van dit stukje. De schaarse biografische informatie over hem (wielrenner? cardiovasculair risicomanager?, hoogleraar te Rome?) is volslagen apocrief. Vermoedelijk is hij ’t verzinsel van één van z’n personages.

 

In de Oorshop

Rothko in de tuin

Ik ben waarschijnlijk de enige die Rothko in het Gemeentemuseum niet gezien heeft.

Een vriend mailde me afgelopen zaterdag dat hij de volgende dag eerst naar Rothko zou gaan, omdat het de laatste dag met Rothko was, en dat hij daarna bij mij zou langskomen. Klonk goed! Ik had hem kunnen terugmailen en zeggen dat ik mee zou gaan, immers: hoe durfde ik Rothko aan me voorbij te laten gaan? Maar voor zondagochtend had ik al plannen. Het was de tweede zondag op rij in de tuin, waar ik eigen paars, rood, groen aan het maken was.

Maar waarom ik niet ging? Omdat ik angstig ben voor dingen die iedereen groot vindt, omdat de norm mij altijd op afstand houdt (en andersom). Omdat wat door iedereen geliefd is, in mijn door mijn eigen geschiedenis gesensibiliseerde neusgaten, riekt naar… dictatuur.

Wanneer iedereen gaat, ga ik niet. Als iedereen zegt: “Dat moet je lezen!” denk ik: Dáág! Vanuit de tram had ik ongeveer een jaar lang, twee keer per dag, ter hoogte van de Haagse Bierkade, de grote poster van Rothko gezien. Bruin met paars. Mensen barsten voor zijn schilderijen in tranen uit, hoorde ik. “Ik heb dat tot nu toe niet gehad, maar die kleuren blijven je volgen,” nam een collega mij in vertrouwen. Grote schilderijen. En op het laatst ineens kleine schilderijen, omdat hij van de dokter geen grote meer mocht maken. Iets met zijn hart. Depressie. Hij wilde de kleur uit zijn schilderijen elimineren. Geen kleur meer, maanlandschappen. En later zelfmoord. Ik had ergens een interview met hem gelezen.

Mijn vriend was heel enthousiast. Minder enthousiast over de bezoekers overigens, die niet zozeer aan het kijken, maar vooral aan het fotograferen waren. Fotograferen wat ze niet hadden bekeken. Alle schilderijen op de foto. Mijn vriend had er zelf ook een paar gemaakt. Hij liet mij zijn favoriete zien. Toch was het anders, de foto was het schilderij niet, zei hij. Hij keek op zijn horloge. 17:00 uur. “Als ik nu wegga, kan ik Rothko nog een keer zien. En de zaal die ik nog niet gezien heb.” Hij had een stempel op zijn hand zoals kinderen bij het speelparadijs van Ikea krijgen. Op de Kamasutrabeurs had ik ook veel mannen gezien met zo’n stempel op hun hand, waaruit ik concludeerde dat ze daar de hele dag bleven: buiten roken en gauw weer terug naar het halfduister van de zaal.

De vriend van mij ging terug naar Rothko. Het laatste uur Rothko. Ik ging terug naar de tuin. Hoeveel van de viooltjes die ik geplant heb moet je bij elkaar brengen om dat paars van Rothko te krijgen? Want het bruin had ik al, ik stond daar in de tuin, midden in het bruin, te verlangen naar paars.

 

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Drie boeken die elkaar raken…

‘Dat is het mooiste boek van de kraam.’

Omdat ik de man nog niet eerder op een charmanterie had kunnen betrappen moest het in zijn ogen wel waar zijn. Ik stond met Pig Earth in handen van John Berger.

Het was me veel eerder aangeraden door een man die ik gisteren toevallig hoorde spreken over het Franse platteland. Kleine agrarische samenlevingen verdwijnen. Heel soms kan het tij gekeerd worden door een oude Franse wet, bijvoorbeeld éen die regelt dat een aankoop van land gepareerd kan worden door de lokale gemeenschap, wanneer zij met net zoveel geld, en een beter plan komt. Bosbouw bijvoorbeeld boven plezierjacht. Ik tuimelde rechtstreeks in het boek waar deze korte lijn begon. Hij eindigt straks bij Geert Mak.

Het begon met Pierre Bergounioux. In De komst van de tijd beschrijft deze weinig bekende Franse meester een boerderij in Frankrijk, een boerengezin met 4 kinderen. Ik heb met stijgende bewondering gezien hoe Bergounioux dit aanpakte. Bergounioux is waarschijnlijk getrouwd met een kleindochter, hij houdt dit in het boek redelijk vaag. Hij bouwt  heel zorgvuldig aan de hand van familiegeschiedenissen het verhaal op.

miette2Een echtpaar, 4 kinderen, we leren heel veel over het boerenbedrijf aldaar, bosbouw met name, maar ook de mislukte poging van een zus te ontsnappen naar een ander leven. Het is een zwaar bestaan, wat vreugdeloos lijkt het soms, maar de stijl, de manier waarop Bergounioux dit doet is ongeëvenaard goed. Ik had nog nooit zoiets gelezen. Het lijkt me heel zinnig als je zou willen leren te schrijven dit boek te lezen.

Hoeveel mensen moeten wel niet betreuren dat hun opa geen adellijke verzetsheld was, want dan heb je wat om over te schrijven. Bergounioux toont hoe waardevol goed kijken en goed formuleren is. Hij maakt wereldliteratuur van een levensverhaal dat vermoedelijk voor heel erg veel voorouders opgaat: het langzaam ingehaald worden door een andere tijd.

De held van dit verhaal is Baptiste, een man die in zich zelf vloekend in de streektaal: ‘Bougre, bougresse‘ strijd voert met heel zijn wezen, met opschietende twijgen, rotsen, bomen. Een werker. De taal van dit boek is toegesneden op deze figuur, het is gedrongen, sterk, precies, zonder opsmuk, zonder heroïek, maar dampend van aarde en overdekt met twijgjes, geurend naar grond. De vertaling van Marianne Kaas kan niet niet anders dan geweldig zijn, deze Nederlandse tekst is althans van een een onuitwisselbare schoonheid. Lees het.

De man die over het Franse platteland vertelde, zei me ook  dat als je Bergounioux waardeert, dat je dan zeker John Berger moet lezen. Daar liep ik dus vorige week zaterdag tegenaan op de Lindengrachtmarkt. De marktkoopman lichtte zijn voorkeur nog toe met de aanbeveling dat Geert Mak heel erg van dit boek hield, sterker nog dat zijn Hoe God verdween uit Jorwerd geïnspireerd is door Berger’s Pig Earth.

Ik moet nog een paar dagen wachten, maar dan mag ik. De eerste zin vast: ‘Over the cows brow the son places a black leather mask and ties it to the horns. The leather has become black through usage. The cow can see nothing. For the first time a sudden night has been fitted to her eyes. It will be removed in less than a minute when the cow is dead. During one year the leather mask provides, for the walk of ten paces between fasting-stable and slaughterhouse, twenty hours of night.’

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #6: A Pear Shaped Cherry

 

 

 

 

 

 

 

 

When we moved out here it was just me, Marie, and the ice-floes. The rest a whiteness so dense, you wouldn’t know which way was up or down if you fell on your ass. I remember running – screaming – out into the nothingness of it, windmilling my arms as though I was already falling.

And then it snowed and there really was no direction to things, except that the snow probably wouldn’t go up. It was like static on the radio: wherever you turned the dial, there would be this white noise hovering before your eyes and you’d just be lost. And then the snow would let up and you’d find you were only a couple of yards from your own front door.

And there Marie would be, standing in the doorway like a pear shaped cherry on a whipped-cream cake, waving at you like you were an idiot. Next thing, you’d be inside, holding your palms up to the stove and shaking all over with the delicious pain of feeling returning to your fingers. And you’d be damn sure which way was up, because that’s where the ends of Marie’s smile were pointing.

She’d make hot cocoa, which I’ve always hated. I drank the gunk down because it seemed fitting, including the skin on top. And I considered that loving her came easy up here; that love comes easy when no one’s watching. How I envied the blind then, forever stuck in this kids’ game of becoming invisible by closing your eyes. I decided that the whiteness was a kind of innocence found, if only because there were no trees or lamp posts to hang a camera from.

 

Foto: Johannes Verwoerd

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Stilte

Drie planken vol dagboeken erfde de Amerikaanse schrijfster Terry Tempest Williams van haar moeder, vierenvijftig in totaal. Ze kreeg de dagboeken een week voordat haar moeder zou sterven, met de nadrukkelijke eis dat ze de boeken pas daarna mocht inkijken. Toen Tempest Williams dat uiteindelijk deed bleken de dagboeken leeg te zijn.

Allemaal.

Stuk voor stuk, alle vierenvijftig, van omslag tot omslag onbeschreven. Een raadsel, want waarom zou je stilte zo nadrukkelijk aan iemand nalaten?

Een van de dodelijkste woorden uit de recente geschiedenis is het Japanse mokusatsu. Ik beheers geen Japans en moet dus afgaan op de woordenboekeOLYMPUS DIGITAL CAMERAn, maar mokusatsu betekent zoiets als negeren door de stilte te bewaren. Het woord kan verwijzen naar een toestand van wijze inactiviteit, maar ook aanduiden dat iets of iemand met stille verachting behandeld wordt. Eind juli 1945 kwamen de geallieerde regeringsleiders met de Verklaring van Potsdam, waarin de voorwaarden waren vastgelegd voor een Japanse overgave. In de verklaring werd vermeld dat elk negatief antwoord zou leiden tot prompte en totale vernietiging van Japan. Toen journalisten in Tokyo de toenmalige premier Kantaro Suzuki vroegen naar zijn reactie op deze verklaring, reageerde Suzuki met het woord mokusatsu.

Hoogstwaarschijnlijk was Suzuki’s antwoord niets meer dan die overbekende reactie van politici overal ter wereld; ‘geen commentaar’. In de internationale pers werd het woord anders, naar de letter eveneens correct vertaald: de verklaring zou Suzuki’s commentaar niet waardig zijn. Waarop de geallieerden zich, volgens Secretary of War Henry L. Stimson, genoodzaakt voelden om te laten zien dat hun dreigement wel degelijk serieus moest worden genomen. Begin augustus vielen de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, en doodden tenminste 129.000 mensen.

Ik lees over deze vertaalfout in een unclassified document op de website van de NSA. De tekst waarschuwt voor de veronderstelling dat woorden een op een kunnen worden overgezet van de ene taal naar de andere. (Het Engelse translate komt van transferre, overdragen; alsof je de woorden in je armen over de kloof heen kunt tillen). Blijkbaar bestaat er een Spaanse term, niet genoemd in het artikel, die zowel kan verwijzen naar het plaatsen van een bom, als naar het installeren van een pomp, dus het is te hopen dat de NSA het artikel ter harte neemt. De auteur – cryptisch aangeduid als (b) (3)-P.L. 86-36 – drukt ons ook op het hart om de wollige, betekenisloze woorden te vermijden, al die vage termen waarin haast iedereen zich af en toe graag hult, vooral wanneer we niets te zeggen hebben.

De stilte als geschenk. Diane Dixon Tempest moet een wijze vrouw geweest zijn.

‘Get that smile off your face – it’s freaking me out.’

Fira & Siart

Siart liep in zijn wielrentenue de tuin in. In de zon was het net warm genoeg om buiten te zitten. Fira, haar winterjas als een dekentje over haar bovenbenen, zat te lezen. Ze zag lijkbleek.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Niks. Hoezo?’
‘Je bent helemaal wit.’
‘Ik zit weer in dat kauwenboek* te lezen… Wist je dat kauwen monogaam zijn? Sommige kauwenpaartjes blijven hun hele leven samen… kauwen die hun geliefde verliezen, sterven soms van verdriet.’
‘…’
‘Opeens bedacht ik hoe zielig het voor jou zou zijn als mij iets zou overkomen. Ga je fietsen?’
‘Yep.’ Siart grijnsde om de abrupte overgang.
‘…’
‘Als iemand voorzichtig en verstandig is, dan ben jij ’t wel. Volgens mij hoef ik me nergens zorgen om te maken. Goed kauwen voordat je je eten doorslikt, dan kan je niks overkomen.’

Siart kuste Fira op haar hoofd en verdween in de schuur. Fira hoorde het gerammel van de kettingen waarmee de racefiets na het toeren altijd aan het plafond werd getakeld.

Ze staarde over haar boek naar de donkerblauwe theemuts die helemaal strak stond van de porseleinen pot die eronder schuilging. Sinds vanmorgen wist Fira dat ze zwanger was. Straks ging ze het vertellen aan haar zus. En vanavond, als het bezoek weg was, aan Siart.

Daar was hij weer. Racefiets aan de hand, zwarte valhelm op. In zijn gele wielertruitje leek zijn buik twee keer groter dan wanneer hij een pak droeg.

‘Doe je voorzichtig?’
‘Altijd.’
‘…’
‘Kauw van jou.’

Het voelde belachelijk, maar ondanks zichzelf kwam Fira overeind en liep van het zonneterras over het gazon naar het tuinpad om Siart een kus te geven. Ze keek toe hoe hij zich in zijn wielrenschoenen wurmde en op z’n fiets klom. Het zadel stond te hoog. Maar volgens Siart hoorde dat zo. Fira hield het tuinhek voor hem open.

‘Tot straks. Groetjes aan de mannen.’
‘Doei!,’ riep hij over zijn schouder. Het tuinhek viel achter hem dicht. Twee, drie, vier slagen en fietsen werd vliegen.

Fira las een paar pagina’s en schonk nog een kopje thee in. Ze keek naar de lichtblauwe hemel. Haar blik volgde duiven, mezen, vinkjes, een ekster. In de verte klonken sirenes. Politieauto’s, ambulances. Even later ging de telefoon.

———–

Noot

Ik vermoed dat Fira ‘De kauw’ zat te lezen. De conclusie van Birdman* – je stijgt pas werkelijk tot grote hoogten als je erkent dat mensen geen vleugels hebben – is het vertrekpunt voor het populair wetenschappelijke boek van Achilles Cools. In stilistisch en compositorisch opzicht is het boek een curiosum – het is redundant, soms zweverig (woordspeling!), wijdlopig en vaak gewoon… onhandig – maar die vorm past bij de inhoud. Cools weigert zijn kauwen in een wetenschappelijk/biologisch model te dwingen. Hij wil zélf waarnemen – en zijn bevindingen op zijn eigen manier delen. Cools identificeert zich met de dieren waarover hij schrijft en deelt zijn verwondering over hun emoties en slimheid in een vloed van anekdotes en waarnemingen. Zo vertelt hij hoe een kauw genaamd Kemel leert vissen als hij (Kemel) bij de vijver stukjes brood zit te eten: ‘Op een keer kreeg hij bij de oever hongerige visjes rondom een broodkorst in de gaten. Hij wipte er voorzichtig naartoe. Met een uitval als een wouwaapje greep hij er een beet. Zelfs vliegend schept hij als een meeuw visjes uit het water. (…) Op den duur werd hij nog bedrevener in het vissen en probeerde hij andere mogelijkheden uit. Hij trok een van zijn borstveertjes uit en gebruikte dat als aas. Voorzichtig liet hij het veertje op het water drijven, tot nieuwsgierige prooivisjes dichterbij kwamen. Terwijl ze argeloos onderzochten of het eetbaar was en eraan zogen, sloeg de kauw toe.’ (2014;p.63). Ik laat me al jaren amuseren door de kolonie kauwen die in mijn eigen straat woont. Dankzij het boek van Cools kan ik de dieren beter ‘lezen’ en begrijpen. De volgevreten aandeelhouders van Veen, Bosch & Keuning B.V. kunnen de champagne vast opentrekken: ook de andere deeltjes van hun Gevleugelde Bibliotheek zullen aanstonds van de zelfstandige boekhandel naar mijn huisadres vliegen.

Noot bij de noot

birdmanBirdman! Birdman: Or The Unexpected Virtue of Ignorance. Gesjeesde actieheld bewerkt een verhaal van Carver voor het toneel en dwingt zo respect af bij de theater-elite van NYC. Minder bombastisch dan Alejandro González Iñárritu’s eerdere picturen – toch: ik weet niet wat een ‘Oscar’ precies representeert, maar wat mij betreft mag AGI zijn kitscherige beeldje weer inleveren. Het zou overdreven zijn om te beweren dat ik via de kassa (geld terug!) de bios uit ben gelopen, maar cinema met een kapitale hoofdletter C is B beslist niet. Het is pseudo-kunst, een schijnheilige, ongevaarlijke, commerciële aanval op de commercie. Eindoordeel: twee van de dakrand van een theater naar beneden getufte en aldaar op het kale hoofd van een voetganger (‘hey!’) uiteen gespatte spuugklodders (2/5). De titel van dit stukje is overigens een citaat uit de film. Protagonist Riggan Thomson grijnst als hij acteur Mike (Edward Norton) heeft gecontracteerd – en met reden, want Mike is de onhandelbare, onmogelijke, inspirerende Echte Kunstenaar die de thermiek veroorzaakt waardoor stervelingen als Riggan boven zichzelf kunnen uitstijgen. Na die deal doet Riggans producent of agent of whatever de hier aangehaalde uitspraak. Goed. Nou. Om de cirkel nog ff rond te borduren breien: zelf zat ik tijdens het lezen van De kauw ook aanhoudend blij te grijzen. Het boek is beter dan de film. En peren zijn sappiger dan appels. En zoeter.

Tirade – geeft je vleugels.

Soundtrack: Bist du bei mir. Bach/Kathleen Ferrier.

Volgende week: boekenbal 2015. Plus: Salinger.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen