Rothko in de tuin

Ik ben waarschijnlijk de enige die Rothko in het Gemeentemuseum niet gezien heeft.

Een vriend mailde me afgelopen zaterdag dat hij de volgende dag eerst naar Rothko zou gaan, omdat het de laatste dag met Rothko was, en dat hij daarna bij mij zou langskomen. Klonk goed! Ik had hem kunnen terugmailen en zeggen dat ik mee zou gaan, immers: hoe durfde ik Rothko aan me voorbij te laten gaan? Maar voor zondagochtend had ik al plannen. Het was de tweede zondag op rij in de tuin, waar ik eigen paars, rood, groen aan het maken was.

Maar waarom ik niet ging? Omdat ik angstig ben voor dingen die iedereen groot vindt, omdat de norm mij altijd op afstand houdt (en andersom). Omdat wat door iedereen geliefd is, in mijn door mijn eigen geschiedenis gesensibiliseerde neusgaten, riekt naar… dictatuur.

Wanneer iedereen gaat, ga ik niet. Als iedereen zegt: “Dat moet je lezen!” denk ik: Dáág! Vanuit de tram had ik ongeveer een jaar lang, twee keer per dag, ter hoogte van de Haagse Bierkade, de grote poster van Rothko gezien. Bruin met paars. Mensen barsten voor zijn schilderijen in tranen uit, hoorde ik. “Ik heb dat tot nu toe niet gehad, maar die kleuren blijven je volgen,” nam een collega mij in vertrouwen. Grote schilderijen. En op het laatst ineens kleine schilderijen, omdat hij van de dokter geen grote meer mocht maken. Iets met zijn hart. Depressie. Hij wilde de kleur uit zijn schilderijen elimineren. Geen kleur meer, maanlandschappen. En later zelfmoord. Ik had ergens een interview met hem gelezen.

Mijn vriend was heel enthousiast. Minder enthousiast over de bezoekers overigens, die niet zozeer aan het kijken, maar vooral aan het fotograferen waren. Fotograferen wat ze niet hadden bekeken. Alle schilderijen op de foto. Mijn vriend had er zelf ook een paar gemaakt. Hij liet mij zijn favoriete zien. Toch was het anders, de foto was het schilderij niet, zei hij. Hij keek op zijn horloge. 17:00 uur. “Als ik nu wegga, kan ik Rothko nog een keer zien. En de zaal die ik nog niet gezien heb.” Hij had een stempel op zijn hand zoals kinderen bij het speelparadijs van Ikea krijgen. Op de Kamasutrabeurs had ik ook veel mannen gezien met zo’n stempel op hun hand, waaruit ik concludeerde dat ze daar de hele dag bleven: buiten roken en gauw weer terug naar het halfduister van de zaal.

De vriend van mij ging terug naar Rothko. Het laatste uur Rothko. Ik ging terug naar de tuin. Hoeveel van de viooltjes die ik geplant heb moet je bij elkaar brengen om dat paars van Rothko te krijgen? Want het bruin had ik al, ik stond daar in de tuin, midden in het bruin, te verlangen naar paars.

 

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

In de Oorshop

Drie boeken die elkaar raken…

‘Dat is het mooiste boek van de kraam.’

Omdat ik de man nog niet eerder op een charmanterie had kunnen betrappen moest het in zijn ogen wel waar zijn. Ik stond met Pig Earth in handen van John Berger.

Het was me veel eerder aangeraden door een man die ik gisteren toevallig hoorde spreken over het Franse platteland. Kleine agrarische samenlevingen verdwijnen. Heel soms kan het tij gekeerd worden door een oude Franse wet, bijvoorbeeld éen die regelt dat een aankoop van land gepareerd kan worden door de lokale gemeenschap, wanneer zij met net zoveel geld, en een beter plan komt. Bosbouw bijvoorbeeld boven plezierjacht. Ik tuimelde rechtstreeks in het boek waar deze korte lijn begon. Hij eindigt straks bij Geert Mak.

Het begon met Pierre Bergounioux. In De komst van de tijd beschrijft deze weinig bekende Franse meester een boerderij in Frankrijk, een boerengezin met 4 kinderen. Ik heb met stijgende bewondering gezien hoe Bergounioux dit aanpakte. Bergounioux is waarschijnlijk getrouwd met een kleindochter, hij houdt dit in het boek redelijk vaag. Hij bouwt  heel zorgvuldig aan de hand van familiegeschiedenissen het verhaal op.

miette2Een echtpaar, 4 kinderen, we leren heel veel over het boerenbedrijf aldaar, bosbouw met name, maar ook de mislukte poging van een zus te ontsnappen naar een ander leven. Het is een zwaar bestaan, wat vreugdeloos lijkt het soms, maar de stijl, de manier waarop Bergounioux dit doet is ongeëvenaard goed. Ik had nog nooit zoiets gelezen. Het lijkt me heel zinnig als je zou willen leren te schrijven dit boek te lezen.

Hoeveel mensen moeten wel niet betreuren dat hun opa geen adellijke verzetsheld was, want dan heb je wat om over te schrijven. Bergounioux toont hoe waardevol goed kijken en goed formuleren is. Hij maakt wereldliteratuur van een levensverhaal dat vermoedelijk voor heel erg veel voorouders opgaat: het langzaam ingehaald worden door een andere tijd.

De held van dit verhaal is Baptiste, een man die in zich zelf vloekend in de streektaal: ‘Bougre, bougresse‘ strijd voert met heel zijn wezen, met opschietende twijgen, rotsen, bomen. Een werker. De taal van dit boek is toegesneden op deze figuur, het is gedrongen, sterk, precies, zonder opsmuk, zonder heroïek, maar dampend van aarde en overdekt met twijgjes, geurend naar grond. De vertaling van Marianne Kaas kan niet niet anders dan geweldig zijn, deze Nederlandse tekst is althans van een een onuitwisselbare schoonheid. Lees het.

De man die over het Franse platteland vertelde, zei me ook  dat als je Bergounioux waardeert, dat je dan zeker John Berger moet lezen. Daar liep ik dus vorige week zaterdag tegenaan op de Lindengrachtmarkt. De marktkoopman lichtte zijn voorkeur nog toe met de aanbeveling dat Geert Mak heel erg van dit boek hield, sterker nog dat zijn Hoe God verdween uit Jorwerd geïnspireerd is door Berger’s Pig Earth.

Ik moet nog een paar dagen wachten, maar dan mag ik. De eerste zin vast: ‘Over the cows brow the son places a black leather mask and ties it to the horns. The leather has become black through usage. The cow can see nothing. For the first time a sudden night has been fitted to her eyes. It will be removed in less than a minute when the cow is dead. During one year the leather mask provides, for the walk of ten paces between fasting-stable and slaughterhouse, twenty hours of night.’

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Gratis proza #6: A Pear Shaped Cherry

 

 

 

 

 

 

 

 

When we moved out here it was just me, Marie, and the ice-floes. The rest a whiteness so dense, you wouldn’t know which way was up or down if you fell on your ass. I remember running – screaming – out into the nothingness of it, windmilling my arms as though I was already falling.

And then it snowed and there really was no direction to things, except that the snow probably wouldn’t go up. It was like static on the radio: wherever you turned the dial, there would be this white noise hovering before your eyes and you’d just be lost. And then the snow would let up and you’d find you were only a couple of yards from your own front door.

And there Marie would be, standing in the doorway like a pear shaped cherry on a whipped-cream cake, waving at you like you were an idiot. Next thing, you’d be inside, holding your palms up to the stove and shaking all over with the delicious pain of feeling returning to your fingers. And you’d be damn sure which way was up, because that’s where the ends of Marie’s smile were pointing.

She’d make hot cocoa, which I’ve always hated. I drank the gunk down because it seemed fitting, including the skin on top. And I considered that loving her came easy up here; that love comes easy when no one’s watching. How I envied the blind then, forever stuck in this kids’ game of becoming invisible by closing your eyes. I decided that the whiteness was a kind of innocence found, if only because there were no trees or lamp posts to hang a camera from.

 

Foto: Johannes Verwoerd

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Stilte

Drie planken vol dagboeken erfde de Amerikaanse schrijfster Terry Tempest Williams van haar moeder, vierenvijftig in totaal. Ze kreeg de dagboeken een week voordat haar moeder zou sterven, met de nadrukkelijke eis dat ze de boeken pas daarna mocht inkijken. Toen Tempest Williams dat uiteindelijk deed bleken de dagboeken leeg te zijn.

Allemaal.

Stuk voor stuk, alle vierenvijftig, van omslag tot omslag onbeschreven. Een raadsel, want waarom zou je stilte zo nadrukkelijk aan iemand nalaten?

Een van de dodelijkste woorden uit de recente geschiedenis is het Japanse mokusatsu. Ik beheers geen Japans en moet dus afgaan op de woordenboekeOLYMPUS DIGITAL CAMERAn, maar mokusatsu betekent zoiets als negeren door de stilte te bewaren. Het woord kan verwijzen naar een toestand van wijze inactiviteit, maar ook aanduiden dat iets of iemand met stille verachting behandeld wordt. Eind juli 1945 kwamen de geallieerde regeringsleiders met de Verklaring van Potsdam, waarin de voorwaarden waren vastgelegd voor een Japanse overgave. In de verklaring werd vermeld dat elk negatief antwoord zou leiden tot prompte en totale vernietiging van Japan. Toen journalisten in Tokyo de toenmalige premier Kantaro Suzuki vroegen naar zijn reactie op deze verklaring, reageerde Suzuki met het woord mokusatsu.

Hoogstwaarschijnlijk was Suzuki’s antwoord niets meer dan die overbekende reactie van politici overal ter wereld; ‘geen commentaar’. In de internationale pers werd het woord anders, naar de letter eveneens correct vertaald: de verklaring zou Suzuki’s commentaar niet waardig zijn. Waarop de geallieerden zich, volgens Secretary of War Henry L. Stimson, genoodzaakt voelden om te laten zien dat hun dreigement wel degelijk serieus moest worden genomen. Begin augustus vielen de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, en doodden tenminste 129.000 mensen.

Ik lees over deze vertaalfout in een unclassified document op de website van de NSA. De tekst waarschuwt voor de veronderstelling dat woorden een op een kunnen worden overgezet van de ene taal naar de andere. (Het Engelse translate komt van transferre, overdragen; alsof je de woorden in je armen over de kloof heen kunt tillen). Blijkbaar bestaat er een Spaanse term, niet genoemd in het artikel, die zowel kan verwijzen naar het plaatsen van een bom, als naar het installeren van een pomp, dus het is te hopen dat de NSA het artikel ter harte neemt. De auteur – cryptisch aangeduid als (b) (3)-P.L. 86-36 – drukt ons ook op het hart om de wollige, betekenisloze woorden te vermijden, al die vage termen waarin haast iedereen zich af en toe graag hult, vooral wanneer we niets te zeggen hebben.

De stilte als geschenk. Diane Dixon Tempest moet een wijze vrouw geweest zijn.

‘Get that smile off your face – it’s freaking me out.’

Fira & Siart

Siart liep in zijn wielrentenue de tuin in. In de zon was het net warm genoeg om buiten te zitten. Fira, haar winterjas als een dekentje over haar bovenbenen, zat te lezen. Ze zag lijkbleek.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Niks. Hoezo?’
‘Je bent helemaal wit.’
‘Ik zit weer in dat kauwenboek* te lezen… Wist je dat kauwen monogaam zijn? Sommige kauwenpaartjes blijven hun hele leven samen… kauwen die hun geliefde verliezen, sterven soms van verdriet.’
‘…’
‘Opeens bedacht ik hoe zielig het voor jou zou zijn als mij iets zou overkomen. Ga je fietsen?’
‘Yep.’ Siart grijnsde om de abrupte overgang.
‘…’
‘Als iemand voorzichtig en verstandig is, dan ben jij ’t wel. Volgens mij hoef ik me nergens zorgen om te maken. Goed kauwen voordat je je eten doorslikt, dan kan je niks overkomen.’

Siart kuste Fira op haar hoofd en verdween in de schuur. Fira hoorde het gerammel van de kettingen waarmee de racefiets na het toeren altijd aan het plafond werd getakeld.

Ze staarde over haar boek naar de donkerblauwe theemuts die helemaal strak stond van de porseleinen pot die eronder schuilging. Sinds vanmorgen wist Fira dat ze zwanger was. Straks ging ze het vertellen aan haar zus. En vanavond, als het bezoek weg was, aan Siart.

Daar was hij weer. Racefiets aan de hand, zwarte valhelm op. In zijn gele wielertruitje leek zijn buik twee keer groter dan wanneer hij een pak droeg.

‘Doe je voorzichtig?’
‘Altijd.’
‘…’
‘Kauw van jou.’

Het voelde belachelijk, maar ondanks zichzelf kwam Fira overeind en liep van het zonneterras over het gazon naar het tuinpad om Siart een kus te geven. Ze keek toe hoe hij zich in zijn wielrenschoenen wurmde en op z’n fiets klom. Het zadel stond te hoog. Maar volgens Siart hoorde dat zo. Fira hield het tuinhek voor hem open.

‘Tot straks. Groetjes aan de mannen.’
‘Doei!,’ riep hij over zijn schouder. Het tuinhek viel achter hem dicht. Twee, drie, vier slagen en fietsen werd vliegen.

Fira las een paar pagina’s en schonk nog een kopje thee in. Ze keek naar de lichtblauwe hemel. Haar blik volgde duiven, mezen, vinkjes, een ekster. In de verte klonken sirenes. Politieauto’s, ambulances. Even later ging de telefoon.

———–

Noot

Ik vermoed dat Fira ‘De kauw’ zat te lezen. De conclusie van Birdman* – je stijgt pas werkelijk tot grote hoogten als je erkent dat mensen geen vleugels hebben – is het vertrekpunt voor het populair wetenschappelijke boek van Achilles Cools. In stilistisch en compositorisch opzicht is het boek een curiosum – het is redundant, soms zweverig (woordspeling!), wijdlopig en vaak gewoon… onhandig – maar die vorm past bij de inhoud. Cools weigert zijn kauwen in een wetenschappelijk/biologisch model te dwingen. Hij wil zélf waarnemen – en zijn bevindingen op zijn eigen manier delen. Cools identificeert zich met de dieren waarover hij schrijft en deelt zijn verwondering over hun emoties en slimheid in een vloed van anekdotes en waarnemingen. Zo vertelt hij hoe een kauw genaamd Kemel leert vissen als hij (Kemel) bij de vijver stukjes brood zit te eten: ‘Op een keer kreeg hij bij de oever hongerige visjes rondom een broodkorst in de gaten. Hij wipte er voorzichtig naartoe. Met een uitval als een wouwaapje greep hij er een beet. Zelfs vliegend schept hij als een meeuw visjes uit het water. (…) Op den duur werd hij nog bedrevener in het vissen en probeerde hij andere mogelijkheden uit. Hij trok een van zijn borstveertjes uit en gebruikte dat als aas. Voorzichtig liet hij het veertje op het water drijven, tot nieuwsgierige prooivisjes dichterbij kwamen. Terwijl ze argeloos onderzochten of het eetbaar was en eraan zogen, sloeg de kauw toe.’ (2014;p.63). Ik laat me al jaren amuseren door de kolonie kauwen die in mijn eigen straat woont. Dankzij het boek van Cools kan ik de dieren beter ‘lezen’ en begrijpen. De volgevreten aandeelhouders van Veen, Bosch & Keuning B.V. kunnen de champagne vast opentrekken: ook de andere deeltjes van hun Gevleugelde Bibliotheek zullen aanstonds van de zelfstandige boekhandel naar mijn huisadres vliegen.

Noot bij de noot

birdmanBirdman! Birdman: Or The Unexpected Virtue of Ignorance. Gesjeesde actieheld bewerkt een verhaal van Carver voor het toneel en dwingt zo respect af bij de theater-elite van NYC. Minder bombastisch dan Alejandro González Iñárritu’s eerdere picturen – toch: ik weet niet wat een ‘Oscar’ precies representeert, maar wat mij betreft mag AGI zijn kitscherige beeldje weer inleveren. Het zou overdreven zijn om te beweren dat ik via de kassa (geld terug!) de bios uit ben gelopen, maar cinema met een kapitale hoofdletter C is B beslist niet. Het is pseudo-kunst, een schijnheilige, ongevaarlijke, commerciële aanval op de commercie. Eindoordeel: twee van de dakrand van een theater naar beneden getufte en aldaar op het kale hoofd van een voetganger (‘hey!’) uiteen gespatte spuugklodders (2/5). De titel van dit stukje is overigens een citaat uit de film. Protagonist Riggan Thomson grijnst als hij acteur Mike (Edward Norton) heeft gecontracteerd – en met reden, want Mike is de onhandelbare, onmogelijke, inspirerende Echte Kunstenaar die de thermiek veroorzaakt waardoor stervelingen als Riggan boven zichzelf kunnen uitstijgen. Na die deal doet Riggans producent of agent of whatever de hier aangehaalde uitspraak. Goed. Nou. Om de cirkel nog ff rond te borduren breien: zelf zat ik tijdens het lezen van De kauw ook aanhoudend blij te grijzen. Het boek is beter dan de film. En peren zijn sappiger dan appels. En zoeter.

Tirade – geeft je vleugels.

Soundtrack: Bist du bei mir. Bach/Kathleen Ferrier.

Volgende week: boekenbal 2015. Plus: Salinger.

De stem van mijn overgrootvader (vervolg)

Deze week ploeter ik verder aan het oorlogsverleden van mijn familie. Van alle informatie die ik over deze tijd tot me heb genomen, blijft mijn overgrootvader dokter Hans Feldheim het grootste mysterie. Voor ik aan dit onderzoek begon, was alles wat ik over hem wist afkomstig van mijn oma, die vreselijk dol op haar vader was. Die hem beschreef als een liefhebbende, warme vader, uitzonderlijk wijs, de man die haar in de vreselijke oorlogsjaren via zijn lieve brieven moed inblies.

Eind vorig jaar las ik deze brieven. Daaruit kwam een snoeihard man naar voren. Bitter, weinig empathisch. Bij vlagen zo expliciet in zijn minachting voor zijn dochter, dat het nog lastig was die als goedbedoelde strengheid te interpreteren. Dat verraste me, al was ik er, moet ik toegeven, voor gewaarschuwd.

Vorige zomer bezocht ik professor Meyer die een dissertatie schreef over joodse artsen in WOII, en die een hoofdstuk besteedde aan mijn overgrootvader Hans, arts in Keulen. Ze ontving me met een gulle glimlach in haar kantoor in de universiteit van Hamburg. ‘Uw overgrootvader was een bijzonder dapper man’, zei ze. ‘Maar ook een opvliegerige draak.’ Toen ik haar vroeg waarom ze dacht dat Hans nooit heeft geprobeerd een onderduikadres te vinden, zei ze dat hij daar simpelweg te bourgeois voor was. Hij was er de man niet naar om te overleven in de ruïnes van gebombardeerde wijken, zoals andere Keulse joden aan het eind van de oorlog hebben gedaan. ‘Hij was te ongeduldig.’ Ze bleef lang met haar hoofd knikken bij het woord ongeduldig. ‘Erg weinig geduld.’

kampfIk schrok op dat moment van de best expliciete negatieve typering van mijn overgrootvader, over wie ik tot dan toe niets dan goeds had gehoord. Ik begreep niet waarom je zoiets over iemand zou zeggen, als je hem bovendien dapper vond. Ik besloot dat ik mevrouw Meyer hard vond in haar oordeel over Hans. Maar toen ik daarna een bezoek bracht aan mevrouw Becker, onderzoeker van het NS* Dokumentationszentrum in Keulen, die een boek schreef over het Judische Krankenhaus waar mijn overgrootvader werkte, deed die daar nog een schepje bovenop. ‘Uw overgrootvader was een koude, nare man’, zei mevrouw Becker, toen ik haar bezocht in haar stoffige kantoor, dat van onder tot boven was volgestapeld met bizarre artefacten uit de oorlog, zoals het Hitlerjugend gezelschapsspel Kampf und Sieg, ein neues Kriegsspiel.

Deze week waagde ik een eerste poging de geschiedenis tot een verhaal te construeren. Maar ik werd overvallen door aarzeling, vooral waar ik iets over Hans probeerde te schrijven. Ik voel een bepaalde loyaliteit aan het beeld dat mijn oma van haar vader schepte, maar begin te vermoeden dat zij hem wat heeft geïdealiseerd, wellicht onder het mom van over-de-doden-niets-dan-goeds. En opeens herinnerde ik me dat er wellicht nog iemand in leven is die hem persoonlijk heeft gekend.

Ruim tien jaar terug meldde zich namelijk bij mevrouw Becker ene Gunter, die vroeg naar het graf van dokter Hans Feldheim. Hans had een verhouding gehad met zijn moeder, Alice. Hans en Alice waren zelfs clandestien getrouwd tijdens de oorlog. In 1944, in een kelder die voor dat doel als synagoge dienst had gedaan.

Technisch gezien kreeg mijn oma er op dat moment een stiefbroer bij. Ze leefde toen nog, en het deed haar zichtbaar goed te weten dat haar vader -weduwnaar- in de oorlog een nieuwe liefde had ontmoet, dat hij wellicht een beetje geluk had gekend in zijn laatste, donkere dagen. En oma heeft deze Gunter een keer opgezocht in Londen, al leidde dat niet tot een vriendschap. Sterker nog, ze heeft over dit bezoek nooit een woord gerept.

Vandaag mailde ik de man, vurig hopend dat hij nog leefde, met de vraag of hij me over deze tijd, en met name over Hans, zou willen vertellen. Hij mailde binnen een half uur terug. Beste Anne-Marieke, natuurlijk wil ik je helpen. We zijn praktisch familie. Ik woon inmiddels weer in Duitsland. Kom langs in mei, als het klimaat wat zachter is. Want dat is beter voor mijn humeur. Over je overgrootvader, ik wil je dolgraag over hem vertellen, maar ik moet je waarschuwen, I hated him with venom.

*NS verwijst in Duitsland ondubbelzinnig naar Nationalsozialismus

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Anja Sicking"
    Anja Sicking

    Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
    hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.