No guru – no method – no teacher

In de Tegenlicht-documentaire ‘De nieuwe wijsheid van Ricardo Semler’ spreekt Kees Brouwer met deze goeroe op zijn Braziliaanse landgoed. Semler werd rijk door zijn werknemers als uitgangspunt te nemen in zijn bedrijfsvoering. Dat werkte en het boek dat hij erover schreef, verleende hem uiteindelijk de  status van goeroe. Mensen hebben iemand nodig om naar te luisteren. Tegenlicht bracht eerder al een documentaire over de man. Opvallend in dit nieuwe verhaal van Semler is de wijze waarop hij voortdurend verwijst naar antropologische benadering van groepen mensen: hij neemt de stam als uitgangspunt.

The Tribe. In de indrukwekkende Oekraïense film met die titel van regisseur Myroslav Slaboshpytsky, volgen we een groep jongeren op een school voor doven in een provinciestadje. Er is geen ondertiteling, de kijker moet het doen met de Oekraïense variant van gebarentaal, en dat lukt vreemd genoeg. De reden daarvoor is dat de hoofdpersoon – die nieuw is in de groep – kennis maakt met een stamverband dat volstrekt herkenbaar functioneert: wat we zien is: pikorde bepalen, uitsluiting – toenadering, geld verdienen, prostitutie, diefstal, afrekeningen, dromen, teruggetrokken worden wanneer je te hoog klimt, door fouten uit de rangorde vallen, zich terug vechten, typisch tribale procedés die ons heel eigen zijn en die we om die reden makkelijk herkennen.

De Braziliaanse goeroe heeft veel nagedacht over wat de stam zoal vermag en heeft gezien dat een van de elementaire missers in het recente roofkapitalisme is geweest dat we een te hoog percentage slimmerds in onze bedrijfsvoering hebben toegelaten. Daar is geld mee verdiend, maar er is geen wijsheid ontstaan. Wijsheid verkrijg je in een bedrijf door een procentuele afschaduwing van de stam, de maatschappij te benaderen, zo meent Semler. Zijn er in de wereld 2% luiwammesen, zorg dat je 2% luiwammesen aanneemt. 1% dieven in je land, neem op elke honderd werknemers een dief aan. In een goed door onderlinge verschillen vormgegeven werknemersgroep werkt de tribale correctie, zo is de gedachte van Semler.

De stam van de dove adolescenten in de film The Tribe functioneert goed maar beweegt zich in een droevige spiraal naar moord en doodslag toe, niet ongebruikelijk in de wereldgeschiedenis van stamverbanden. Semler heeft wat dat betreft een rooskleurig idee over wat de stam vermag. In je eigen stam, met personeel, vrouw een riedel kinderen en een stel honden en een strandje aan een bergmeer in het oerwoud van Brazilië, en het mooiste huis tot je beschikking, ben je met je rijkdom en je sigaar waarschijnlijk toch geneigd positiever te denken over groepsdynamiek dan wanneer je een blik in een doveninternaat in Oekraïne werpt. Semler idealiseert vanuit zijn ideale situatie. Semler is een intelligente man die veel heeft nagedacht. Jammer is dan ook dat hij ten behoeve van de docu de koketterie begaat in de afsluiting van de film zijn vertaalde succesvolle boeken te verbranden. Aangelegde barbecuevuurplaats, in wit geklede echtgenote, grote sigaar. Het verleden achter je laten. Bijna niet aan te zien zo ‘symbolisch’ en ‘krachtig’, het glazuur springt van je tanden, een grote fout in de documentaire.

Het gebruikmaken van de blauwdruk van het antropologisch concept ‘stam’ verbindt Ricardo Semlers denken met de blik van regisseur Myroslav Slaboshpytsky. Het lijkt me helaas verstandig Semlers suggestie niet teveel naar slimmeriken te luisteren te volgen en zijn rooskleuriger interpretatie van wat een stam kan toch maar terzijde te leggen. In stamverband is keiharde afrekening, verkrachting en onderdrukking minstens zo virulent aanwezig als wijsheid, begrip en richting.

 

-track: No guru, no method, no teacher, Van Morrisson

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Huis

Het is dinsdagavond en al laat en even sta ik te kijken naar de jongen die zit en opzij zakt, zich opricht, opzij zakt, de kapuchon van zijn jas ver over zijn hoofd getrokken. Ik kijk omdat ik hem niet hier verwacht in deze slaperige buurt, hier bij het water naast het zeilschip dat nooit ergens meer naar toe zal gaan. Ik kijk en zeg niets en liefst zou ik willen doorlopen, ik heb die avond geen ruimte over voor iets of iemand anders. Maar ik vraag of ik iets voor hem doen kan en hij schrikt op: ‘Wat? Wat dan?’

Ja, wat dan.

Ik blijf staan, we praten.OLYMPUS DIGITAL CAMERA Zijn korte termijngeheugen is kapot; hij werd als kind te hard geslagen. Hij vertelt over de spoelkeukens waarin hij heeft gewerkt, de instellingen waar hij is wegggelopen, de koeien en de paarden die hij vroeger kende. Over de kaarten die hij kreeg om de weg  te kunnen vinden die hij niet begreep en over de kamelen die hij knuffelde bij circus Renz, als hij de kans kreeg.

Wanneer ik niet meer weet wat ik kan zeggen vraag ik of ik hem iets warms kan brengen. Het is koud buiten, de nachtopvang al lang gesloten, mijn eigen huis is warm. Ik denk erover na om hem een bed aan te bieden, dat zou het beste zijn, dat zou ik moeten doen.

Maar er zijn teveel angstaanjagende verhalen, teveel waarschuwende stemmen in mijn hoofd en vooral ben ik moe en hunker ik ernaar om weer alleen te zijn. Dus luister ik naar dat wat mensen graag gezond verstand noemen, wat in dit geval koud en een leugen is. Dus warm ik chocolademelk op en slaag er niet in mezelf wijs te maken dat het meer is dan een leeg gebaar om mijn eigen geweten te sussen. Ik zoek naar adressen in mijn woonplaats, de organisaties waar hij terecht zou moeten kunnen. Nog terwijl ik hun informatie scan weet ik dat hij dit nooit zal redden, dat wat verwacht wordt veel en veel en veel te ingewikkeld voor hem is.

Ik schrijf wat adressen op in grote, duidelijke letters en vul de thermoskan met chocolademelk en natuurlijk is hij verdwenen als ik terugkom met mijn thermoskan en mijn schijnheiligheid, het bankje leeg, zelfs de kartonnen doos waarop hij zat verdwenen. Misschien geloofde hij nooit dat ik terug zou komen, of was hij al lang weer vergeten wat ik had beloofd.

‘Ik haal wat warms voor je’, had ik tegen hem gezegd, ‘Ik kom terug, maar ik moet  even –’

En vriendelijk had hij mijn zin aangevuld. ‘Naar huis.’

 

 

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Zelf een krantje maken

Proloog

Na schooltijd ging Edith nog even met Lorina mee naar huis om te kletsen. De hond van Lorina zat de hele tijd bij hen, op het kleed voor de bank. Edith aaide hem over zijn kop – steeds als ze even ophield, duwde Rommel met zijn karamelkleurige kop tegen haar hand om te laten merken dat ze door moest gaan. Toen Lorina van haar moeder huiswerk moest gaan maken, liep Edith via het park bij de bibliotheek (sneeuwklokjes, krokussen) naar huis. Ze waste haar handen en ging met een glas thee naar haar kamertje om op de oude laptop van haar moeder een mailtje te tikken.

Vragen, antwoorden

Hoi Martijn,

hier zijn de vragen voor school.

groetjes Edith!! : )

1: wat voor opleidingen heb je gedaan?

De laatste opleiding die ik heb gedaan is de Universiteit van Utrecht. De studie heet Algemene Letteren en ik heb me gespecialiseerd in Moderne Westerse Letterkunde (Letterkunde is gewoon een ander woord voor: literatuur. Of: boeken.).

2: heb je altijd al schrijver willen worden?

Ja, eigenlijk wel. Toen ik heel klein was leek het me leuk om vuilnisman te worden, omdat je dan de hele dag buiten bent en misschien wel veel speelgoed en andere spullen vindt bij het afval. Daarna wilde ik striptekenaar worden. Toen ik zelf veel leesboeken ging lezen, boeken voor volwassenen zeg maar, vond ik dat zo leuk, dat ik zelf ook schrijver wilde worden.

3: hoeveel boeken heb je al geschreven?

Vier. Drie romans en één novelle. Een novelle is langer dan een verhaal en korter dan een roman. Verder heb ik ook nog verhalen en andere stukken geschreven, vooral voor tijdschriften en websites.

4: waar haal je je ideeën vandaan?

Er zitten altijd ideeën in mijn hoofd en er komen iedere dag nieuwe bij. Alles wat je meemaakt of leest of hoort kun je gebruiken voor een boek.

5: is het moeilijk om een boek te schrijven?

Ja en nee. Schrijven is niet zo moeilijk, zinnen maken bedoel ik. En ideeën voor nieuwe boeken en nieuwe personages en nieuwe avonturen komen dus vanzelf. Het moeilijkste is uit alle zinnen en ideeën die je hebt de beste te kiezen. Alsof je een heel groot weiland hebt met eigenwijze paarden of koeien die je allemaal in een stal wilt drijven – je moet heel veel schreeuwen en duwen voor alle beesten staan waar je ze hebben wilt.

6: heb je zelf een favoriete schrijver, zo ja wie dan en waarom?

Mijn favoriete Nederlandse schrijver is Maxim Februari, omdat hij niet alleen intelligent en grappig is, maar ook heel gevoelig. De beste buitenlandse schrijver vind ik Vladimir Nabokov. Hij leeft niet meer. Hem vind ik heel goed omdat je alles wat hij opschrijft echt kunt zien en ruiken.

7: heb je ook nog tips om een boek te schrijven?

Ja. Rustig blijven zitten en niet opgeven als het niet gaat. Hoe langer je schrijft, hoe makkelijker het wordt. En als je boek dan klaar is en je kunt het vasthouden, ben je supertrots.

Hoi Edith,

Hier zijn de antwoorden.

Is dit goed genoeg zo voor school? Als je langere antwoorden wilt moet je het zeggen hoor, dan tik ik er nog wat bij.

Veel succes ermee en alvast een fijne vakantie!

Groetjes,

Martijn

hoi,

de antwoorden zijn heel goed hoor.

je hebt ook goed uitleg gegeven, dat vind ik fijn.

Groetjes Edith.

Epiloog

Haar vader had nasi met ham en een gebakken ei gemaakt. Na het eten ging ze nog even naar haar kamer. Ze had een nieuw mailbericht.

Hoi,

Haha, super! Dus ik heb een voldoende gehaald? Dan heb ik wel iets lekkers verdiend. En dat komt goed uit, want ik moet zo boodschappen doen.

De groetjes aan iedereen, dankjewel voor de leuke vragen!

Groetjes,

Martijn

Edith keek naar het scherm. Twee keer groetjes. En een vraag. Maar die ging ze niet beantwoorden. Zodra je volwassenen ook maar het kleinste beetje aandacht gaf, hielden ze je meteen eindeloos aan de praat. Ze stuurde het mailtje met antwoorden door naar meester Robinson Duckworth, die van alle stukjes van alle groepjes een echte krant zou maken, en logde in op Facebook.

————-

Volgende week: non-fictie. Maar niet van Joris Cornelis Luyendijk.

Steinz – gids voor de wereldliteratuur

Al uren blader ik door Steinz, gids voor de wereldliteratuur, dat deze week verscheen. Op een van de eerste pagina’s staat de kaart van Afrika, met in kaders per land en soms per regio uitleg over romans die er hun oorsprong vinden. Bij Congo wordt Joseph Conrads Heart of Darkness genoemd, net als Frederic Prokosch Storm and Echo. Bij Soedan staat Seizoen van de trek naar het noorden vermeld, de geweldige roman van Tayyib Salih.

In het boek zijn opgenomen 52 kaarten, 26 quizzen voor gevorderden en 416 rake korte biografieën van belangwekkende auteurs, met daarbij de invloeden op hun werk; zo ontstaat een metro-netwerk dwars door de stad van literatuur. Al snel begin ik een lijst bij te houden van alle onbekende auteurs en titels die ik tegenkom. Ontroering is een vluchtige emotie, een rilling die langs de nek naar het hoofd trekt. De eerste uren dat ik blader in de Dikke Steinz, zoals Pieter en dochter Jet Steinz hun boek hebben gedoopt, verkeer ik in een voortdurende staat van ontroering, omdat er zo ongelofelijk veel samenkomt in dit naslagwerk.

Een maand geleden kreeg ik van een tijdschrift het verzoek om een paar schrijvers te interviewen over de kunst van non-fictie. Onder anderen Pieter Steinz, die naast veel van fictie ook erg veel van non-fictie weet. De bedoeling was het kort te houden, net aan vierhonderd woorden.

Ik wist wie Steinz was, sterker nog: ik meende goed te weten wie hij was, want ik las al een tijd zijn knappe column in het NRC Handelsblad. Een krachtige symbiose tussen het hebben van ALS en een onuitputtelijke liefde voor boeken. De openhartige, op het oog bijna vanzelfsprekende waardigheid van die column verrast me keer op keer. De fysieke ontmanteling wordt trefzeker en onverbloemd opgeschreven. Soms sla ik de column daarom ook over. De woorden raken me te vaak, maken dat ik me kwetsbaar en weerloos voel, en dat wil ik niet.

TorinoMijn ex-vriendinnetje raakte in Italië eens in paniek. Ik was een espresso drinken in de stad en bleef drie uur weg. Toen ik terugkwam in het appartement, viel ze me huilend in de armen. ‘Ik dacht dat je dood was!’ riep ze verwijtend. ‘Dat je in de Po zou drijven.’ Ik was in een opwelling een religieuze optocht achterna gelopen die de hele stad doorkruiste.

‘Ik ga niet dood,’ beloofde ik haar toen. ‘Nog zeker vijftig jaar niet.’ Ik voelde dat het waar was en nog steeds verwacht ik oud te worden. Maar wanneer ik de columns van Steinz lees, schaam ik me voor mijn onnozelheid. De dood is een opportunistische guerrillastrijder die elk moment uit het struikgewas tevoorschijn kan springen. Wanneer leer ik dat eens?

Het interview dan. Mij leek dat Pieter Steinz betere dingen te doen had dan te worden bevraagd over de kunst van non-fictie. Ik twijfelde of ik hem zou benaderen, maar wist dat ik niet voor hem mocht besluiten. Ik vroeg me daarna af wat het handigst voor hem zou zijn. In persoon, telefonisch? Ook dat liet ik aan hem over. Het antwoord dat Steinz niet veel later stuurde, maakte dat ik een poos zwijgend naar mijn computerscherm keek. Ik herlas het meerdere keren, vertelde mensen erover. Onder de douche, de beste plek om na te denken, constateerde ik later die dag dat ik er toch eigenlijk ook maar weinig van begreep, van het leven. Hoe kostbaar het is, ik vergeet het te vaak. Soms jaag ik mezelf een week door omdat op vrijdag een feest wacht waar ik graag heen wil, of ik kijk zo uit naar een vakantie dat ik de weken die me ervan scheiden verwaarloos. Waarom doe ik dat?

Steinz’ antwoord op mijn verzoek tot een interview luidde: ‘Ik kan wel wat vragen beantwoorden, maar alleen via de mail, want door een spierziekte kan ik niet meer praten.’

Potverdomme.

Ik hield het bij een paar vragen, en dat vond ik al veel te brutaal van mezelf. Binnen vierentwintig uur kreeg ik afgemeten antwoorden terug, die ik zonder veel moeite in een interview kon omzetten. Steinz formuleert precies, de vele auteursnamen en titels haalde ik voor de zekerheid door google (want ik ken mezelf, ik spel de helft altijd verkeerd), maar alles klopte. Pieter Steinz’ toewijding en zorgvuldigheid verbaasden me. Aan de andere kant: het zijn precies deze zorgvuldigheid en toewijding die zijn werk van een constante hoge kwaliteit maken, die ervoor zorgden dat de Dikke Steinz zo’n uitmuntend boek is geworden.

In De Wereld Draait Door van afgelopen dinsdag was Steinz eregast. Hij sprak inderdaad niet meer, maar hij glimlachte de hele uitzending. Hij glunderde van trots toen dochter Jet De Dikke Steinz op tafel legde. Een vakboek dat op deze manier aan ruim 1,5 miljoen mensen werd geïntroduceerd, zonder dat de Steinzen concessies hadden hoeven doen ten behoeve van het grote publiek. Van een inhoudelijke versimpeling is geen sprake. Een naslagwerk over wereldliteratuur dat de grote massa bereikt, van de hand van iemand die al heel decennia de literatuur voor het voetlicht probeert te brengen. En dat boek is dan ook nog eens tot stand gekomen in nauwe samenwerking met zijn dochter – dat is toch prachtig, veel mooier kan het leven niet zijn.

—————-

roman helinski portretRoman Helinski (1983) studeerde Moderne Letterkunde en Journalistiek. Zijn teksten verschenen, en verschijnen, in, onder meer, Tirade, Hollands Maandblad, Hard gras, De Brakke Hond en Deus ex Machina. In 2014 verscheen zijn romandebuut, Bloemkool uit Tsjernobyl. Helinski werkt aan een nieuwe roman. Hij woont in Utrecht. Zijn jongste Tirade-publicatie vind je in Tirade 456.

Dit was de laatste Zondagse Gastblog van Roman Helinski. De redactie zegt: ‘Veel dank voor je bijdragen,  Roman, en graag weer tot lees!’

Volgende week: de Eerste Zondagse Gastblog van Mira Feticu.

Portret Roman Helinski: twitter.

Foto Pieter Steinz: NRC.

‘Van dat gedicht krijg ik een soort vechtlust…’

Deel XIII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

Toen ik zelf 14 was kreeg ik Do not go gentle into that good Night van Dylan Thomas onder ogen. Sindsdien lees ik het regelmatig, vooral als ik ergens de moed vandaan moet halen om iets moeilijks of engs te gaan doen. Het gedicht wordt waarschijnlijk vaak gelezen bij overlijden. Zelf krijg ik van dat gedicht een soort vechtlust; alles doen, voordat ik ooit zelf op dat bed lig te sterven en vecht tegen de vraag of ik iets heb gedaan, heb bereikt.

Eens per maand gingen mijn zus en ik vroeger een lang weekend naar Arnhem, vanuit Zeeland. We noemden Arnhem ‘de lichtjesstad’. We kwamen er meestal ’s avonds aan, de stad lag dan in het donker. In de straten rondom het station gloeide de stadsverlichting: van de hotels, de straatverlichting, de slingers van lampjes in winkelstraten. En zeker wanneer het winter was, tijdens de feestdagen.

Toen ik overigens op een reünie was een aantal jaren geleden, waren er oude klasgenoten die al die tijd (zo’n 25 jaar) Zeeland nog nooit verlaten hadden.

Later, veel later, zag ik een documentaire die ik nooit meer heb teruggevonden. Ik moet daaraan denken omdat het over mijn reizen naar de stad ging. Eén scene met een jongetje is in mijn hoofd gebrand. Het jongetje werd gevolgd, hij pendelde tijdens de documentaire tussen de twee huizen van zijn vader en moeder heen en weer.

De documentairemaakster had hem even apart genomen, nadat hij uit de auto van zijn vader was gestapt, in de straat waar hij woonde bij zijn moeder. Een jongetje met rood haar, hij zat op een schommel.

Hij ging heen en weer, keek de vragenstelster glazig aan, in een diepe stilte, terwijl de vrouw doorging met vragen stellen. Hij schommelde, en kon lang niks zeggen. Hou toch op met die vragen, schreeuwde ik naar de tv. Toen het jongetje uiteindelijk begon te praten, en uitlegde waar hij allemaal aan dacht heb ik de tv heel snel uitgezet.

Ik weet zeker dat het gebied waar het jongetje in gevangen zat, en wat ik met een schok herkende, het gebied is waar mijn poëzie en mijn tekeningen ontstaan.

Misschien kan ik dit gebied wel eens gaan onderzoeken en beschrijven, of tekenen, nu durf ik nog niet. Van het dorp waar ik woonde tot de grote stad was het 3 1/2 uur reizen, schommelend tussen het ene en het andere.

Naar welke stad ging jij voor het eerst?

Groet,
Annemieke

—————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

toen ik tien was gingen we naar Arnhem. Mijn moeder had een rijbewijs, mijn vader kon niet rijden. Ik herinner me dat mijn moeder midden in de stad in paniek raakte door de drukte en bijkans hysterisch werd toen een buschauffeur zijn deur opende en terwijl hij rustig doorreed op zijn voorhoofd tikte omdat hij haar rijgedrag onverantwoord vond.

Als plattelander voelde ze zich buiten de bebouwde kom van haar gemeente al snel niet meer op haar gemak. Net als boer Weenink die op latere leeftijd zijn rijbewijs haalde maar tijdens zijn eerste grote reis op een rotonde door angst werd bevangen en naar verluidt talloze rondjes heeft gereden alvorens hij door de verkeerspolitie naar de berm werd gedirigeerd.

Van het bezoek aan Arnhem herinner ik me door de nervositeit van mijn moeder en het geschamper van mijn vader niet veel meer.

Vandaar dat in mijn geheugen het eerste bezoek dat ik aan Amsterdam bracht altijd als eerste herinnering aan een stadsbezoek naar boven komt.

Ik ging met een buurtgenoot, een vervelend ventje dat in Den Haag was geboren en mij eigenlijk maar een boer vond.

Ik was veertien.

We hebben drie dagen in het huis van zijn broer in de Nieuwmarkt gebivakkeerd. Een gekraakte woning, zoals veel woningen in die Amsterdamse buurt in de jaren zeventig werden bewoond door krakers, veelal studenten. Eerlijk gezegd was ik stiekem op de hand van wethouder Lammers die de woningen wilde slopen, ik gaf geen cent voor de zogenaamde betrokkenheid van de studenten die dezer dagen wel ergens op het platteland zullen wonen.

Ik woon intussen al weer zeer lang in Amsterdam en ben voorlopig niet van plan te vertrekken. In die jaren zeventig had ik het intussen een verschrikkelijk idee gevonden om in deze stad te moeten leven. Ik herinner me dat ik alle dagen misselijk werd als ik buiten was. Ik kon niet tegen de stadslucht, de drukte benauwde me. Ik was blij dat we na drie dagen terugliftten.

Toen ik later Abel zag van Alex van Warmerdam waarin Abel op een bepaald moment stilstaat op straat terwijl hij links en rechts gepasseerd wordt begreep ik direct hoe hij zich op dat moment moest voelen, terugdenkend aan mijn eerste bezoek aan Amsterdam.

Nu ik dit schrijf moet ik plotsklaps denken aan de zwerver die in de omgeving van het Centraal Station vaak ongenaakbaar stilstond, als een standbeeld.

Abel.

Hij was zo smerig als ik nog nooit een zwerver smerig heb zien zijn. Tot mijn verbazing las ik na zijn dood een verhaal over hem in De Volkskrant. Hij was een begaafd muzikant geweest, speelde zelfs in het Concertgebouw, raakte aan de drugs. Eindigde op straat.

Misschien dat ik eens zou moeten proberen de stad vanuit zijn perspectief te beschrijven, in een gedicht.

Hoe zou jij dat doen?

vrgr

Wim

 

 

‘De stijlfiguren van het bazel-essay’ geïllustreerd aan de hand van Joost Zwagermans ‘De stilte van licht’ leven en werk van Mark Rothko in poëzie.’

‘Dat meen je niet, heeft Zwagerman dat gezegd?’

Dames en heren van harte welkom, fijn dat u ertoe besloten heeft uw geringe capaciteiten maximaal te benutten. Omdat u ervan overtuigd bent dat niemand meer wat leest en in tekst er dus niets meer echt toe doet, doet u er verstandig aan voor eigen gewin zoveel mogelijk flauwekul op te bakken tot iets waar eigenlijk niemand nog wat mee kan. Afijn. Laten we de wegen van onze grote name-drop kampioen Joost Zwagerman eens medebewandelen.

-We beginnen eens met de titel: ‘De stilte van licht’, een aardige synesthesie, in wezen heb je in de titel je logische achtervolgers al afgeschud. Je kunt nu veilig alles beweren want je hebt beweerd de weg van de poëzie te volgen. De rest van de titel maakt dat nog duidelijker. ‘Leven én werk in poëzie’. Dat je vervolgens nergens duidelijk maakt dat er leven van Rothko zou zijn besproken in poëzie, dat maakt natuurlijk niet uit. Knap gedaan van Zwagerman, in de titel is ie iedereen al kwijt!

-We gaan bovendien eerst eens een stofwolk van namen optrekken in de eerste bladzij. Let op: dit is niet alleen name dropping, maar ook efficiënt het zelf moeten nadenken tot een minimum beperken, we laten een waaier van materiaal zien waaruit we vrijelijk gaan citeren. Bent u er nog? We leggen dus een dikke humuslaag van andermans gedachten waar het iele plantje van onze eigen redenering eigenlijk niet echt meer opvalt. Een grondverf van andermans denk- en dichtwerk.

-En dan laat je ook weer – even opletten – het vers zichzelf verklaren. U zegt? Ja, het vers zichzelf laten verklaren! Kijk dat gaat zo: “‘De blauwe gitaar’ uit Stevens’ gedicht vormde ‘de dingen zoals ze zijn’ voorgoed om tot iets ‘anders’. Dus dit is poëzie poëzie laten verklaren, zoals het hele essay eigenlijk tracht poëzie beeldende kunst te laten verklaren! Chapeau! Dan meld je natuurlijk wel een paar keer dat dat eigenlijk niet kan, maar dan ben je inmiddels wel een handvol pagina’s geleuter verder.

-Let op klas, wat ook leuk is, is het volgende: je stelt een vraag, en beantwoordt die: niet: “Maar hoe schrijf je een gedicht over een abstract schilderij – en wat schrijf je in zo’n gedicht? Hoe verwijs je in woorden naar een beeld dat zelf naar niets en niemand uit de werkelijkheid verwijst, maar zelf louter werkelijkheid wil zijn? En, toegespitst op een van de grootmeesters van het Amerikaans abstract expressionisme, Mark Rothko: hoe smeed je Rothko’s meditatieve doeken uit zijn latere periode, de doeken vanaf eind jaren 50 waarop hij zich toelegde op zachte, fréle en ijl uitwolkende kleurvlakken, hoe smeed je zo’n werk van Rothko om tot poëzie?’

Ja hoe?

-Ha! De lezer zal vergeefs zoeken naar een antwoord in 7 pagina’s gekmakend gebazel van Zwagerman in de catalogus bij de Rothkotentonstelling in het Gemeentemuseum. Wat een kunstenaar! Lees hem goed, dan weet hoe je dat moet doen. Let er op dat je in je lulstuk het irritatieniveau goed hoog houdt. Hoe meer mensen snel afhaken, hoe geringer de kans dat iemand er iets zinnigs over probeert te zeggen. Dus veel van dit soort zinnen toevoegen: ‘De ingekeerde schreeuw zindert van stilte en onhoorbaarheid, het is de schreeuw die de ik-figuur in ‘The Rothko Chapel Poem’ geleidt naar het ‘moving away’ en de ‘movement of transparency.’ Alle betrokkenen bij het maken van zo’n catalogus zijn – denken we dan – allang afgehaakt, je kunt veilig door je eigen semi-intelligentie roeren zonder dat er een spat over de rand vliegt, murwgebeukt is elke lezer reeds.

-Ferme taal gebruiken op zijn tijd, dat leidt ook wat af van de zinledigheid: ‘Vandaar dat Rothko de lichtbronnen in zijn werk afschermde tegen al te oppervlakkige kijkers die dit frêle licht weleens zouden kunnen kannibaliseren en daarmee zouden beroven van de oninwisselbare intimiteit.’

-Het stijlfiguur van de kleren-van-de-keizer. Had u hem zelf gezien? Suggereer dat je domheid, ‘oppervlakkigheid’ wordt bewezen door het niet begrijpen van wat je ziet. Verschuil je achter poeha en gewichtigdoenerij.

-Niet vergeten: het zelfcitaat. Het enige citaat dat toch al niet hoeft te kloppen want wie controleert het, en daarbij: een autoriteitsargument: ik heb er verstand van, want ik had er al verstand van: “‘Zwart geeft licht’ concludeerde ik ooit in een artikel over Rothko’s Seagram Murals.”

-Blijf wendbaar in je onzin, belicht onzin altijd vanuit twee kanten: ‘Midden in het licht in het donker verkeren – het gaat op voor veel van Rothko’s werk. Maar ook het omgekeerde: midden in de duisternis het licht ervaren.’

-Haak op cruciale breekmomenten aan bij een semireligieus gevoel, iets van devotie, de lezer durft dan de kerk niet te verlaten: ‘We worden meegenomen, opgetild, opgenomen in en meegevoerd naar het licht dat schuilt achter het duister van de laatste werken van Rothko. Mark Rothko’s werken ontsluieren ‘verscholen’ licht, totdat wijzelf in die lichtsfeer zijn aanbeland.’ Opletten: op de juiste momenten cursief gebruiken om extra lading te suggereren, en aanhalingstekens om een onduidelijk woord te camoufleren en te accentueren tegelijk!

-Suggereer op elk misplaatst moment je voorsprong op de lezer, vooral als dat niet nodig is. Dus niet: A ontmoette B een keer’ nee: “Zoals is na te lezen in de vele Warhol-biografieën, en in de Rothko-biografie uit 1993 door James Breslin, ontmoetten Warhol en Rothko elkaar eenmaal.’

-Tenslotte: stapel. Vlek op vlek, onzin op onzin, vaag op vaag. Houd iemand een spiegel voor en zeg ‘rechts’: ‘’Movement of transparency, noemt Taggart op weer een andere plaats in The Rothko Chapel Poem, die inwaartse zelfverdwijning , want Rothko’s reeks in de kapel stelt de toeschouwer in staat zich te verliezen in een niets dat niet neerdrukkend of angstaanjagend is. Integendeel, het Niets bij Rothko drukt geen horror vacui uit maar veeleer de verlossing van een geheiligde zelfverdwijning in het Verborgene.’

Kijk, doe hem dat maar eens na! Veel succes klas: op Gods wegen van de prulbeschouwing. Succes in de praatpanels, de voorwoorden en de anthologieën, bewandel uw wegen in de catalogi waar tekst verpakkingsmateriaal van het beeld is, leuter uzelf een weg naar de onvermijdelijkheid.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.