Gratis proza #5: Precies daar

De eerste keer dat ik je oma zag was hier, in deze kamer. Het was februari, de dagen werden langer en Nederland stond aan het begin van een nieuwe tijd: kilometers draad trok ik. Van zonsopkomst tot ver na zessen schroefde ik kastjes op plinten, plaatste ik schakelstations in bezemkasten en duwde ik dikke gedraaide kabels door gaten die ik in maagdelijke muren geboord had.

Precies daar, waar jij nu staat, had ik mijn laken uitgespreid. Mijn gereedschapskist stond opengeklapt in het midden, daarnaast lagen mijn kabelhaspel en mijn boormachine. Ik herinner me zelfs de geur van mijn thermoskan; hoe leger hij werd, hoe meer hij naar al die oude koffie rook die mijn vader – jouw overgrootvader – er met de jaren uit gedronken had. Ik woonde nog thuis, elke ochtend vulde jouw overgrootmoeder mijn kan. Daarna stapte ik op de fiets om mijn werkrooster te gaan halen op het hoofdkantoor. Niemand was ongelukkig in die tijd, maar ik weet niet goed waarom ik je dat nou zeg.

Goed, ik was net bezig een gat te boren in die muur daar – als je die goedkope nieuwe plint zou wegtrekken, dan zou je het zeker vinden – toen de deur openzwaaide. Het is een flinke jongen, zoals je ziet, en er zat een behoorlijke vaart achter. Een klap, ik liet de boor los, en de kop vrat zich vast tussen de bakstenen. Eer dat ding gestopt was met draaien zat de hele kabel eromheen.

Kijk eens: hier, op mijn koppie, zie je die lichte lijn?

Vijf hechtingen.

Dat was je oma, jongen. Hoe zeggen ze dat? Ze maakte indruk?

Een telefoonsignaal gaat door een draad, door een muur, of zelfs door de lucht. Het zijn allemaal golven. Alles is elektriciteit. Vroeger kon je de spanning horen als je zo’n schakeldoos opendeed. Het zal wel door de klap tegen mijn hoofd zijn gekomen, maar de kamer leek te zoemen, op precies zo’n zelfde manier.

Een hoofdwond, zelfs eentje waar maar vijf hechtingen voor nodig zijn, bloedt verschrikkelijk. Je oma stond daar met haar handen voor haar mond en een opengevallen ordner aan haar voeten. Ik raapte die map op, gaf hem aan haar.

‘U bloedt,’ zei ze, en rende de kamer uit.

‘Zeg maar jij,’ zei ik nog.

Ja. Communicatie, jongen.

Het had een klus van een halve ochtend moeten zijn, maar door het tripje naar de EHBO kon ik mijn draden pas tegen het einde van de middag afdoppen. Kastje dicht, loodje erom. Zo ging dat.

Zo’n bult, had ik. Ik weet nog dat ik overeindkwam en me stevig aan de deurstijl vast moest houden. Tegenwoordig zou je een week vrijnemen, maar het was de tijd er niet naar. Ik stak een sigaret op, wat ik niet had moeten doen, want ik kon meteen weer gaan zitten. Iemand van de Lloyd kwam langs om te kijken of ik al klaar was, zo’n type met een glimmend snorretje en heel schone brilleglazen. Zo een die met zijn onderbroek aan in bad gaat. Niet dat iemand in die tijd een bad in huis had, maar je begrijpt wat ik bedoel. Ik vroeg naar het meisje dat ik die ochtend had gezien, en hij leek niet te weten waarover ik het had.

‘Een mooie meid,’ zei ik. ‘Donkere krullen?’

Hij schudde zijn hoofd alsof hij water in zijn oren had; zei dat hij niemand kende die er zo uitzag.

‘Maar ik heb haar zelf gezien,’ zei ik. Ik wees naar mijn hoofd. ‘Hier is het bewijs.’

Mijn verband leek hem er alleen maar zekerder van te maken dat er iets mis was in mijn bovenkamer, en dus begon ik mijn spullen maar in te pakken. Toen ik buitenkwam stond ze naast mijn fiets. Nu begon ik zelf te denken dat er iets was losgerammeld bij me boven.

‘Ben jij wel echt?’ vroeg ik.

Haar vingers zagen rood van de kou. Ze leek al uren op me te wachten. Ik wist natuurlijk nog niet dat je oma altijd rode vingers heeft. Ze lachte, zei dat vandaag haar eerste werkdag was geweest. Ik keek op mijn horloge: het had geen zin meer om terug naar het kantoor te gaan, en ze had zulke blauwe ogen, zie je.

Ze had zulke blauwe ogen, zie je. Zo heel erg blauw; toen we samen naar de stad liepen, mijn fiets tussen ons in, dacht ik na over het toeval. Over dat ik net die ochtend… nou ja, je begrijpt het wel.

We kwamen langs het spoor, waar de spanning door de bovenleidingen zoemde, en ik vertelde haar over de golven, en dat alles elektriciteit is. Ik ratelde maar door, over de atmosfeer die in de toekomst bol zou staan van de signalen, en dat het meest belangrijke, namelijk wat er gezegd werd, dankzij mensen zoals ik alleen gehoord zou worden door degenen voor wie het was bedoeld. Dat al die elektriciteit, al dat trillen en golven, uiteindelijk toch iets tussen twee mensen zou blijven.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Vrijheid

Pam Emmerik heeft vierduizend Facebookvrienden. Die heeft ze gelukkig niet meegenomen naar de door René Daniëls en Emmerik herself beschilderde espressobar van Museum Boijmans (R’dam). De teksten en beelden op de muren zijn zo intens dat wie in dit café een glas Spa rood bestelt, na het eerste slokje mag zeggen: jezus, pittig bakkie!

Rond de millenniumwisseling was ik een gretig lezer van de essays die Emmerik publiceerde in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad; ik vond haar stukken net zo meeslepend als die van Wolkers en Tepper. Op een maandagochtend nam ik een krantenstuk van haar mee naar het reclamebureau waar ik werkte als copywriter om het te laten lezen aan een art director. De rest van de ochtend zaten we te discussiëren en te dromen over de verdwijnende grenzen tussen kunst en niet-kunst. Die uren schreven we op het account van de meest kapitalistische klant die het bureau had: een investeringsbank.

Van Emmeriks teksten, tekeningen en persoon gaat hetzelfde vrije, onbekrompene uit als van Oliviero Toscani, de Italiaanse fotograaf en campagnemaker. Hij was afgelopen woensdag te gast in de Balie (A’dam). Het woord dat hij het meest gebruikte in zijn lezing en tijdens de discussie met het publiek was ‘vrijheid’. Freedom. Toscani liet zijn werk zien, ontregelde het publiek (‘Ben je zanger? Zing je vraag dan maar.’), vertelde een paar anekdotes. Maar interessanter was dat zijn blik, stem en houding een ronduit agressief verlangen naar vrijheid overbrachten. Laat mij doen met eigen vuur / wat ik verkies, zo lang ik duur. Er zat een roofdier in de zaal – wie Toscani in de hoek probeerde te drijven, werd uitgelachen of kreeg een haal over z’n neus. Mocht je je trouwens afvragen waar Toscani zijn ideeën heeft leren vormgeven: hij doorliep de Bauhaus Academie in Zürich.

Als Pam en ik het over Toscani’s beeldtaal hebben – we zitten al een uur of twee te ouwehoeren – stelt ze voor nog even via het prentenkabinet naar de spiegelkamer van Yayoi Kusama te lopen. Spiegelende wanden, een vloer vol gestippelde, fallische textiele objecten. Prachtig, grappig. Als ik hurk om één van de stoffen piemels van de vloer te rapen – lijkt me een leuk valentijnscadeau voor mijn vriendin, weer es wat anders dan een bosje bloemen (of eigenlijk precies hetzelfde, zou Freud zeggen) – houdt Pam me tegen. En terecht.

————–

Volgende week: tja, het zou wel strijdig zijn met thema en strekking van dit stukje om hier iets in te vullen.

P.S. Een interview met Pam Emmerik, door Jeroen Vullings vind je: hier. Een kritisch verslag van het Toscani optreden: daar.

Beeld: Toscani.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Onzichtbare boeken

In mijn favoriete Utrechtse boekhandel stuitte ik tot mijn verbazing op Onzichtbare boeken van Thomas Heerma van Voss. Een piekfijn dunnetje, vierenveertig pagina’s. Maagdelijk wit, eenvoudig vormgegeven en aangeboden tegen een sympathieke prijs: net geen zeven euro. De titel Onzichtbare Boeken doet denken aan Italo Calvino’s meesterwerk Onzichtbare Steden. Maar in de literatuur van Heerma van Voss worden geen luchtkastelen met gewelfde torens en ingewikkelde wenteltrappen onder   fluoriderende koepels gepresenteerd. De schrijver hanteert een strakke precieze taal met weinig versieringen. Ogenschijnlijke eenvoud.

Onzichtbare boeken gaat over Heerma van Voss’ periode als redacteur en chef internet van het even illustere als onbeduidende Babel&Voss uitgevers. De opkomst en teloorgang van deze uitgeverij vormen de uiteinden van dit verhaal, daartussen ligt het speelveld voor terloopse anekdotes. Vaak grappig, want een tikje klunzig. Bovenal ontwapenend eerlijk. Over het ongemakkelijke auteursbezoek van de Duitser Nicol Ljubic, over de facebookpagina waar enkel de moeder van medeoprichter Daniël van der Meer reageert en over de honderden visitekaartjes die de jongens krijgen van de oprichter van de uitgeverij, een ongebreidelde optimist die het boekje smaak en kleur geeft, al is dit laatste de verdienste van de schrijver die van een levend persoon een aanstekelijk personage heeft gemaakt dat in het verhaal op de goede momenten op wordt gevoerd, en zo lichtheid en ontroering brengt.

Maar naast deze lichtheid en ontroering biedt Onzichtbare boeken ook een uitzicht dat verder strekt dan het particuliere verhaal van een kleine uitgeverij. Een uitzicht op de vele strubbelingen en uitdagingen van de moderne uitgeefwereld. Hoeveel uitgeverijen zijn er niet ten onder gegaan en hoeveel zullen er de komende jaren niet alsnog verdwijnen? Babel&Voss bestaat in ieder geval nog steeds, ook al is dat vooral op papier. Acht boeken zijn er sinds de oprichting verschenen, want uitgeven is eigenlijk zo moeilijk niet volgens de schrijver. De grootste uitdaging schuilt erin te zorgen dat het publiek de boeken opmerkt, dat het niet voor niets is geweest. Goede recensies zeggen – in tegenstelling tot vroeger – niet zoveel meer. Het boek van de Duitse schrijver, die van het auteursbezoek, wordt lovend besproken en is genomineerd voor een grote Europese prijs, maar ingekocht wordt het nauwelijks. Dat is het lot van bijna alle boeken van Babel&Voss. Wanneer de roman van een beloftevolle Vlaamse auteur in de folder aan wordt geboden, worden er zegge en schrijve elf van verkocht in de voorverkoop. Elf. Misschien maar goed ook trouwens, want dat boek is er tot op heden niet gekomen.

kunnen missen b & VHet stikt van de onzichtbare boeken in de uitgeefwereld. Een paar maanden voordat mijn debuutroman zou verschijnen, sprak ik een schrijver. Hij had de presentatie van zijn nieuwste werk al uitgedacht. Een hippe bar in Amsterdam was geregeld en een Oegandese dj zou komen draaien, want het Oegandese nachtleven speelde een rol in het boek. Ik kan wel zeggen dat ik me er erg op verheugde. Maar de uitnodiging voor het grote festijn bleef uit. In de winkels verscheen het boek maar niet. Ik deed navraag: het was gesneuveld in de voorverkoop. Weinig reserveringen naar aanleiding van de aanbieding in de folder, slecht verkocht op de beurzen. Een presentatie was de moeite al niet meer; het boek was min of meer opgegeven voordat het was verschenen. De Oegandese dj werd afgezegd.

Ook mijn debuutroman deed het verre van goed op de beurzen. Ik kneep ‘m daardoor eerlijk gezegd wel, want ik had inmiddels gezien hoe hard de uitgeefwereld kan zijn. Maar mijn roman werd toen het zover was gewoon gepresenteerd in een vol Utrechts cafeetje. Er was Poolse soep, worst en vodka. Ik gaf het eerste exemplaar aan mijn moeder.

De dagen na verschijnen kreeg ik klachten van bekenden uit de hoeken van het land. Mijn roman was moeilijk te krijgen, hij lag alleen in de grote steden in de boekhandels. In Limburg, waar ik potdomme vandaan kom, bleek hij niet of nauwelijks verkrijgbaar. Wanneer ik een boekwinkel binnenliep in een vreemde stad, lag mijn werk daar niet. Ik had me debuteren anders voorgesteld, maar dat was gelukkig alleen het begin. De recensies bleven verschijnen, waarop het machtige verkoopapparaat van mijn uitgever nog krachtiger in werking kon treden. Mijn boek kwam door het hele land behoorlijk goed in de boekhandels te liggen. Bloemkool uit Tsjernobyl was zichtbaar geworden. Eén van de gelukkigen was ik, maar voor mijn gevoel was het een dubbeltje op z’n kant geweest.

Dit soort overpeinzingen roept Onzichtbare boeken bij mij op. Dat is de verdienste van deze ontzettend jonge schrijver die het universele laat zien door het particuliere te beschrijven. Dat is hopelijk het streven van elke schrijver, maar het blijkt ongelofelijk moeilijk om te bereiken. Zeker als de schrijver laat geloven dat het bijna terloops is gebeurd, dat het hem heeft overvallen. Ogenschijnlijke eenvoud, dat idee. Die indruk wekt Onzichtbare boeken omdat het boven alles geestig en ontwapenend is.

Het tere boekje verscheen overigens gewoon bij Babel&Voss Uitgevers, voorlopig of misschien voor altijd de laatste publicatie. Uitgerekend dat boekje staat dankzij mooie besprekingen en andere warme lof al een tijd in het licht, zichtbaar voor iedereen. Ironisch.

—————————-

roman helinski portretRoman Helinski (1983) studeerde Moderne Letterkunde en Journalistiek. Zijn teksten verschenen, en verschijnen, in, onder meer, Tirade, Hollands Maandblad, Hard gras, De Brakke Hond en Deus ex Machina. In 2014 verscheen zijn romandebuut, Bloemkool uit Tsjernobyl. Helinski werkt aan een nieuwe roman. Hij woont in Utrecht. Zijn jongste Tirade-publicatie vind je in Tirade 456.

Volgende week: de Vierde Zondagse Gastblog van Roman Helinski.

Portret Roman Helinski: twitter.

De onweerlegbare Harry Mulisch

Precies vijfentwintig jaar geleden schreef Willem Jan Otten in Tirade een essay over Harry Mulisch als essayist. Het is een hogere vorm van kritiek die Otten bedrijft. Misschien zou je het een zeer selectieve vorm van prijzen moeten noemen. Je kunt iemand het graf in prijzen.

Harry Mulisch is een schrijver – en hij is niet de enige Nederlandse auteur, denk aan W.F. Hermans – die zich laatdunkend over essayisten heeft uitgelaten. Niet omdat ze te veel praatjes hadden en onnodig veel in het Engels en Duits citeerden, zoals Hermans beweerde, maar omdat ze niet filosofisch genoeg waren of durfden te zijn. Mulisch constateerde bij essayisten een gebrek aan precisie en uithoudingsvermogen, wat ze bovendien nog zelf toegaven door hun werk te betitelen als ‘probeersel’.

Maar als Willem Jan Otten de opstellen van Mulisch leest, treft hij er juist veel essayistiek in aan – en dat is precies de reden waarom hij Mulisch leest. De filosofische passages slaat hij daarentegen liever over; ze gaan snel vervelen.

“Ik verval al snel in verveling zodra proza denksystemen weergeeft of uitwerkt. Alles wat ook door anderen in eigen bewoordingen zou kunnen worden gezegd of samengevat, verliest onwillekeurig mijn aandacht. Misschien speelt mij de poëzie parten, zijnde de vorm van literatuur die buiten zijn eigen verwoording weinig betekenis heeft. Ik zoek hoe dan ook naar zinnen die niet zozeer gedachten uitdrukken als wel mij de sensatie bezorgen aan het denken te zijn. Wat dat voor zinnen zijn; wat ‘aan het denken zijn’ precies inhoudt; en wat het precies voor elektriciteit is die zich dan aan je bewustzijn meedeelt, dat weet ik welbeschouwd pas op het moment van lezen zelf. Het gaat hier om ervaringen. Zinnen die je een ervaring bezorgen.”

Willem Jan Otten noemt het essayistische proza van Mulisch betoverend en onweerlegbaar, maar stelt vast dat de ware ervaring er ontbreekt. Bij Mulisch prevaleert de verklaring boven het onbegrip. Hij denkt vanuit de conclusie.

Otten geeft twee voorbeelden. Ten eerste Mulisch’ verslag van de grote demonstratie tegen de plaatsing van kernraketten in 1981. Mulisch beschrijft hoe een gezamenlijke schreeuw zich door de kilometerlange optocht verplaatst, een Kreet die hij een ‘afschuwelijke angstkreet’ noemt en waar de geëngageerde auteur aan meedoet, ‘lachend als iedereen’. Maar hoe kun je nu lachend meedoen met een ‘afschuwelijke angstkreet’? vraag Otten zich af. Het kan niet anders dan dat Mulisch dit pakkende contrast pas tijdens het schrijven toegevoegd heeft. Er is fictie van de ervaring gemaakt.

Het tweede voorbeeld is een passage uit een reisverslag, waarin Mulisch beschrijft hoe hij, in een bootje op de Ganges, dankzij de jongen die hem roeit, het ‘volledige gemis aan historisch besef’ in India ervaart.  Niet waar, schrijft Otten, ook die ‘ervaring’ moet pas later, tijdens het schrijven van de tekst zijn ontstaan.

En dan gebeurt er iets moois, iets heel essayistisch. Otten vraagt zich plotsklaps af, in een zin die meteen ook een alinea is, hoe hij dat nu zo zeker weet. Het verbluffende antwoord luidt: “Ik weet het natuurlijk niet zeker.”

—————-

Op vrijdag 20 februari vindt in Perdu De avond van het essay plaats. Christophe van Gerrewey, Thijs Lijster, Nina Polak en Daniël Rovers spreken over hun favoriete essays – van Roland Barthes, Walter Benjamin, Joan Didion en Willem-Jan Otten. Aanvang: 20.00 uur.

 

‘Hij deed alsof hij zijn keel doorsneed…’

Deel XII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

ik hoorde van de organisator dat je deze zomer gaat voorlezen in de oude kerk in Groede. Tot nu toe heb ik je geschreven over mijn tijd in Zeeland, die zich dus deels daar in Groede afspeelde. En zeker in die kerk: mijn opa en oma zijn er getrouwd en begraven, mijn moeder en haar broers gedoopt, getrouwd. Mijn Zeeuwse familiegeschiedenis begint en eindigt daar.

Mijn oma heeft nog net meegekregen dat ik op de kunstacademie zat, waar ze trots op was. Ze schilderde niet onverdienstelijk, wel heel traditioneel. Haar mooiste schilderij dat ik nu bij mij thuis heb hangen vond ze ‘mislukt’. Omdat het niet lijkt. Het is een prachtig schilderij.

In die kerk van Groede vertelde ik op mijn oma’s begrafenis wat over haar, hoe ze me ooit toevertrouwde dat ze zich graag had ontwikkeld en wilde studeren, maar dat de tijd waarin ze leefde dat onmogelijk maakte. Ze werd daarna, eerlijk gezegd, een moeilijke vrouw, behalve tegen haar kleinkinderen.

Toen ik puber was sprak ik iemand die de haren knipte van bejaarden. Ze vertelde me hoe die mensen tijdens het haren wassen steeds hard met hun hoofd tegen haar handen duwden, in de hoop op een massage, omdat niemand hen meer aanraakte.

Vanaf die tijd, in haar laatste jaren, omhelsde ik mijn oma vaak, en hield ik haar handen vast als ik met haar praatte. Het maakte haar zachter. Ik had er nog nooit over nagedacht dat niemand moeilijke oude mensen nog zachtjes aanraakt, en dat dit wel eens een simpele oplossing kan zijn als de echtgenoot is overleden.

Twee jaar geleden stond ik na tien jaar weer opnieuw in die kerk, en nu dan poëzie voor te lezen op hetzelfde festival waar jij gaat lezen.

Ik weet nog steeds niet precies wat er door me heenging. De geur, de pastorie waar we koekjes aten, de prachtige stenen vloer, dat was er nog. De harde banken waar ik met mijn opa en oma in zat tijdens de preken waren weg, net als het balkon voor de organist, waar mijn zus en ik mochten komen omdat mijn familie met hem bevriend was.

Ik kom denk ik weer uit bij Armando, dat ik ergens boos was dat er niks meer te zien was van wat zich daar heeft afgespeeld. Alleen in dit geval omdat het me allemaal zo dierbaar is.

Graag zou ik met je teruggaan naar jouw dorp, de IJssel, het bos. Vertel me eens, wat voor dorp was het? Voelde je je daar thuis? En hoe is dat, als je nu teruggaat?

Trouwens ben ik niet humeurig van de zwangerschap. Wel staat het water vaak in mijn ogen, terwijl ik gewoon bezig ben een half bruin te kopen. Duidelijk dat dit de hormonen zijn dus.

Hartelijke groet,
Annemieke

————————————————————————————————————————————————–
Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ken je Under Milkwood van Dylan Thomas? Ik heb dat hoorspel ik weet niet hoe vaak gelezen en beluisterd. Toen ik het op m’n veertiende voor het eerst las werd het dorp van Thomas al snel mijn gehucht.

Het was mijn gehucht.

Ik ken delen uit mijn hoofd.

To begin at the beginning, opent Thomas en laat ik daarom beginnen met de buren die rechts van ons woonden. Tussen de huizen overigens een flink weiland.

Voskamp heette de familie. Hij had bij de spoorwegen gewerkt en sleet zijn gepensioneerde jaren achter het raam. De hele dag. Hij keek naar de spoorwegovergang. Ik verzin dat niet. Ik heb geen fictie nodig om van Voskamp een personage uit Under Milkwood te maken.

Op een dag kreeg hij nieuwe buren aan de overkant die een aarden wal om hun huis aanlegden. God mag weten waarom, Voskamp was er in elk geval niet blij mee: hij was zijn uitzicht op de overgang kwijt, zijn herinnering aan zijn werk.

Hij raakte aan de drank.

Zo heftig zelfs dat hij zijn vrouw begon te mishandelen.

Wij kwamen dat te weten omdat zij vlak na een jaarwisseling rond middernacht ons erf op vluchtte en tegen mij – die verbaasd de deur opende voor een oude vrouw in een smetteloos witte nachtjapon – zei dat ik mijn vader moest roepen.

Ook met deze scene had Dylan Thomas wel raad geweten.

Over het incident werd niet meer gesproken. Ook niet door ons die overigens sinds jaar en dag ruzie hadden met de Voskamps die ook weer ruzie hadden met boer Boesveld die een eind verderop woonden.

Hoe onze ruzie was ontstaan was iedereen vergeten.

De ruzie tussen Voskamp en Boesveld was naar het schijnt ontstaan nadat de een de ander niet had bijgestaan toen een koe in nood geraakte omdat het kalven niet verliep zoals verwacht.

Op een mooie zomeravond zag ik voor het eerst dat ze ruzie hadden, waarna mijn grootvader de bron verduidelijkte. Boesveld stapte voor het huis van Voskamp van de fiets en maakte een resoluut gebaar: hij deed alsof hij zijn keel doorsneed. Hij herinnerde Voskamp aan de dood van diens broer die zich van het leven had benomen. Voskamp balde zijn vuist.

Op feestavonden waarop iedereen aanwezig was werd er over dit soort conflicten hartstochtelijk gezwegen.

Under Milkwood maar dan anders.

Wat me doet denken aan een verhaal dat Imme Dros, kinderboekenschrijfster en vertaalster van Homerus, me ooit vertelde. Ze werd geboren op Texel, ging naar het gymnasium in Den Helder naar ik meen en werd gegrepen door Homerus omdat ze zijn wereld begreep: visnetten.

Wanneer ging jij voor het eerst naar een grote stad?

vrgr

Wim

Een ring die de keizer aan een meisje bindt

‘De laatste grote uitvinding van een nieuw literair genre waar we getuige van zijn geweest, is afkomstig van een meester van de korte schrijfvorm, Jorge Luis Borges’ zo beweert Italo Calvino in zijn Zes memo’s voor het volgende millennium. Het boek bestaat uit een reeks lezingen die Calvino aan Harvard University zou houden. Hij maakte er vijf: over Lichtheid, Snelheid, Exactheid, Zichtbaarheid en Veelvuldigheid. De zesde ‘Consistentheid’ , ontbreekt, hij overleed voordat hij naar Amerika vertrok. Er hadden er meer kunnen zijn, hij wijdde zich met zoveel energie aan zijn taak dat hij beweerde al materiaal voor 8 lezingen te hebben: de achtste was bijvoorbeeld getiteld ‘Over het beginnen en eindigen van romans’. Het citaat hierboven komt uit ‘Snelheid’ en vervolgt: ‘Het was meteen de uitvinding van zichzelf als verteller, het ei van Columbus waardoor hij de blokkade kon overwinnen die hem haast tot zijn veertigste jaar verhinderde de stap te maken van beschouwend naar verhalend proza. Borges kwam op de gedachte om te doen alsof het boek dat hij wilde schrijven al geschreven was, dat het al geschreven was door iemand anders, door een denkbeeldige onbekende auteur, een auteur in een andere taal en van een andere cultuur, en om dat denkbeeldige boek te beschrijven, samen te vatten en te recenseren. Tot de legende die om Borges is ontstaan, behoort ook de anekdote dat het eerste uitzonderlijke verhaal dat volgens deze formule geschreven werd, El acercamiento a Almotásim (De weg naar Almotásim), toen het in 1940 in het tijdschrift Sur verscheen, ook werkelijk werd beschouwd als een recensie van het boek van een Indiase auteur.’

Een variant hierop is het prentenboek Keizer Karel verliefd. Floris Tilanus schreef een boek dat er al was, en overwon zo misschien zijn eigen blokkade, maar tekende er een nieuwe wereld bij.  Hij las Calvino’s boek in de jaren negentig. De lezing ‘Snelheid’ begint met een verhaal over Keizer Karel die verliefd werd op een meisje, het meisje bleek betoverd, een ring verklaarde zijn niet aflatende liefde voor haar. Toen een aartsbisschop de ring in handen kreeg verliefde de keizer zich in hem, etc. Calvino gebruikt het verhaal als een voorbeeld van ‘economie’ in vertelling. Er staat geen woord teveel, het is uitsluitend handeling. Op een andere manier is het ook voorbeeldig: het is een verhaal dat zich vermeerdert. Of in Calvino’s woorden over Borges: dat de tekst zijn eigen ruimte verdubbelt of vermenigvuldigt door middel van andere boeken van een denkbeeldige of werkelijke bibliotheek.

Alleen al de ring vermeerdert zich: ‘I should say that it was a mythical way of representing the truth that potency (or perhaps potentiality) if it is to be exercised, and produce results, has to be externalized and so as it were passes, to a greater or lesser degree, out of one’s direct control.’ Calvino over de ring? Nee, Tolkien over de ring. Maar zoals Tolkien zei wanneer zijn ring met weer een andere ring (der Nibelungen) vergeleken werd: ‘Both rings were round, and there the resemblance ceases.’

Tilanus verdubbelde de ruimte van de tekst op zijn eigen manier, door het verhaal ook in beeld te vertellen. Het is een wonderlijk effect, ik heb het boek al 20 keer gezien en gelezen en zie steeds iets anders.

Mijn boeken

Mijn boeken (die niet weten dat ik besta)
zijn mij even vertrouwd als dit gezicht
met grijze slapen en met grijze ogen
dat ik vergeefs zoek in het spiegelglas
en dat ik aftast met mijn holle hand.
Niet zonder een zekere logische wrevel
bedenk ik dat mijn wezenlijke woorden
staan op de pagina’s die niet weten wie ik ben,
niet op de pagina’s die ik heb geschreven.
Het is beter zo. De stemmen van de doden
vertolken mij voorgoed.

Vertaling Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, uit Borges Alle gedichten

 

Mis Libros
Mis libros [que no saben que yo existo)
son tan pane de mí como este rostro
de sienes grises y de grises ojos
que vanamente busco en los cristales
y que recorro con la mano cóncava.
No sin alguna lógica amargura
pienso que las palabras esenciales
que me expresan están en esas hojas
que no saben quién soy, no en las que he escrito.
Mejor así. Las voces de los muertos
me dirán para siempre.

Een zichzelf op meerdere wijze vermeerderend gedicht: in de verwijzing naar de boeken, maar ook in de spiegel (het wellicht meest frequente woord in het oeuvre van Borges.)

De bundel essays van Calvino zijn – als veel goede essays – teksten die zich vermeerderen, zoals de poëzie van Borges bijna steeds een wereld in zeer kort bestek is waarin je diep wegtuimelt. Zo is ook het prentenboek Keizer Karel verliefd een tuimelboek, de ring van Karel is een meme die al een half millennium meegaat en het volgend millennium stralend tegemoet treedt.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • "Foto van Inez van de Ven"
    Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.

  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.