Het verschil
(verwijderd)
Het verschil
(verwijderd)
Mijn website was vastgelopen. Bij het inloggen verscheen een strak wit scherm dat van geen wijken wilde weten. Ik zocht op het internet en ontdekte dat dit probleem door WordPresskenners The White Screen of Death genoemd wordt.
Wanneer ik tegen een dergelijk nicheverschijnsel aanloop en langs de eindeloze rij artikelen, sites en blogs scroll die aan zo’n onderwerp gewijd is, duizelt het me. Jeezes, denk ik dan. En dit gaat nog over iets waarmee ik zelf te maken heb. De hoeveelheid specifieke kennis waarover een mens zou kunnen beschikken als hij het eeuwige leven had en niet hoefde te slapen is shockerend.
In een grijs verleden – een jaar of twintig terug – was er natuurlijk ook al reteveel om te weten, maar in je dagelijks leven kwam je met veel informatie niet in aanraking. Nichekennis was alleen vindbaar voor mensen die deel uitmaakten van de betreffende niche.
Dat lijkt me – niet alleen voor mij – een veel gezondere situatie.
Volgens de meest betrouwbaar ogende artikelen die ik tegenkwam, was er een aantal mogelijke veroorzakers van een White Screen of Death, die ik geen van alle herkende. Er werden oplossingen aangedragen die ik niet begreep, en voor de beschamende derde keer dit jaar moest ik me tot mijn vriend Michaël wenden. Terwijl ik zelf op weg ging naar een lunchafspraak, boog hij zich over mijn site.
Hoewel ik sinds het internet een hoeveelheid kennis bijkan die alleen in sterrenkundige maten kan worden uitgedrukt, heb ik er geen enkele vaardigheid bij gekregen. Problemen oplossen in een WordPress-site schuif ik door naar de specialist, al weet ik nu wél hoe die problemen heten.
Een uurtje nadat ik de hulp van Michaël had ingeroepen belde hij om te melden dat het witte-schermprobleem verholpen was. Toen ik vroeg hoe hij dat geflikt had begon hij wartaal uit te slaan. Ik bedankte hem, beloofde in ruil alle tekst van zijn website te redigeren en hing op.
In mijn kindertijd hadden we (alleen in de avond) een handvol tv-zenders. En nu?
Als er een tegenbeweging komt, een reactie op de informatielawine van het Net, dan vraag ik me af in welke vorm. Misschien schakelen we in 2020 elke dag om vijf uur ’s avonds ons White Screen of Death in, om de hele heisa pas de volgende ochtend te reanimeren.
In willekeurige volgorde, met soundtracks.
1.
De opa van mijn Duitse buurvrouw was dominee toen hij een oproep kreeg voor het leger. Hij was eerder onder zijn dienstplicht uit gekomen, want als geestelijke mocht je moreel bezwaar maken. Toch kreeg hij in 1944 alsnog een oproep om naar het oostfront te komen. 26 was hij toen; oud voor een soldaat en jong voor een dominee, pas in dienst getreden bij een gemeente in Konstanz, waar hij ook een vrouw had ontmoet die hij hoopte te zullen trouwen. Aan het oostfront was het bar, er werd hard gevochten en hij belandde al op zijn eerste dag in de ziekenbarak die schudde in de ijzige wind. Een paar dagen later moest hij op het appèl verschijnen, en hij ging met lood in de schoenen. Op de binnenplaats tussen de barakken verscheen een eigenaardige figuur: een Italiaan met een snor, die waardeloos Duits sprak en die de soldaten keurde met een ander oog dan zij gewend waren. De Italiaan bestudeerde zijn hoge jukbeenderen, streek een vinger door zijn blonde haar. ‘Hij is het,’ zei hij en ze vertrokken nog dezelfde dag naar Italië. Daar zou de Italiaan, die schilder bleek, een portret maken van hem als soldaat voor in het museum van het Derde Rijk dat in oprichting was onder persoonlijk toezicht van de Führer. De opa van mijn Duitse buurvrouw zat dus model in de koele warmte van de Italiaanse winterzon, terwijl zijn maten sneuvelden in de slag om Warschau. En al was niet hoeven vechten zijn vurigste wens geweest, nu lag hij wakker dat hij de geschiedenis in zou gaan als het gezicht van een leger waar hij geen deel van uit wilde maken. Maar verder dan schetsen is het nooit gekomen want de oorlog was plotseling voorbij, de Duitsers verloren, en hij kon halsoverkop terug naar Konstanz, waar hij de schetsen op zolder verstopte als bewijs van een tijd waarover hij nooit meer heeft gesproken. Zijn zoon vond ze eens tussen oude spullen en vroeg ernaar. De schetsen waren bijzonder goed gelukt. Al was zijn vader ondertussen 60 jaar ouder, de gelijkenis was nog altijd treffend. Hij vertelde zijn zoon dat een maat van hem die had gekrabbeld, met restjes houtskool uit een vuur waaraan ze hun bevroren vingers warmden. In die ijzige winter aan het oostfront waarin hij zijn natie diende met zoveel tegenzin als hij niet had gedacht dat mogelijk was.
2.
Vriendin W. werd eens gearresteerd op een feestje in Noorwegen. Ze wist net op tijd haar jampot met xtc-pillen onder een kast te rollen, toen ze een groepje agenten de gang in zag stormen. De agenten waren getipt en plozen het huis uit, schenen met lampen door de kamer, lieten alle gasten hun zakken omdraaien. Maar de pillen van W. zaten achter de kiezen of in de pot onder de kast, die tot W’s grote geluk nooit is gevonden. Teleurgesteld arresteerden de agenten een plukje pubers met wijde pupillen en ook maar vriendin W. die als enige aanwezige geen Noors sprak. Ze is daarna een paar dagen vastgehouden op een politiebureau in een provinciestad, terwijl ze steeds werd ondervraagd door andere agenten. Het enige Nederlandse meisje op dit feestje. Wat deed je daar? Wie kende je daar? Hoeveel heb je verkocht? Dat vroegen ze haar telkens in andere bewoordingen. In tien minuten maakte een toegewezen advocaat haar duidelijk dat er geen bewijs was, en dat ze alleen maar hoefde te ontkennen. Vanaf dat moment kwam er een onderkoeld soort rust over haar. W. heeft iets schoolmeisjesachtigs; een ontwapenende blik, een hoge stem, ze slist een beetje. De derde dag moest ze voor de rechter verschijnen. In de cel vlocht ze haar haar in twee lange vlechten die ze in geveinsde naïviteit heen een weer liet zwaaien, terwijl ze stug bleef volhouden niet te begrijpen waar de agenten het over hadden. Werd er drugs gebruikt op dat feestje? Niets van gemerkt. Alleen maar omdat ik Nederlands ben? En tot haar opluchting werd haar hechtenis niet verlengd. Ze moest in Noorwegen blijven, maar wist niet hoe snel ze een vlucht naar huis moest boeken. Haar Noorse vriendje, dat lichtelijk autistisch was, en voor wie ze dit hele handeltje had opgezet, vond het jammer dat ze door die toestand zo weinig tijd voor elkaar hadden gehad. Ik hou van je, zei hij toen hij haar naar het vliegtuig bracht, je bent mijn favoriete drugsbaron. Maar ze heeft nooit meer iets van hem gehoord. Wel van haar advocaat, die haar belde dat ze voorlopig beter niet naar Noorwegen kon komen, en die haar het dossier nastuurde met daarin een potloodschets van de zitting.
In 2005 werd het opeens heel serieus. Ik kreeg een atelier in de voormalige Rechtbank aan de Hamburgerstraat (Utrecht) – mijn daglicht viel door drie grote ramen op de benedenverdieping, uiterst rechts – en zat daar regelmatig te kletsen met schilderes Marloes, tekenaar Wout en vooral met allrounder Yolanda, alias Jamingo, alias Yolandalí, die in 2010, net als ik, in een ander kunstenaars-verzamelpand belandde, in de Universiteit voor Humanistiek aan de Van Asch van Wijckskade/ Singel.
Het atelier van Marloes, een vroegere rechtszaal, lag op de eerste verdieping, uiterst links. De ruimte van Jolanda lag daarachter (niet zichtbaar op de foto).
Ik was altijd al gecharmeerd van Street Art, openluchtvoorstellingen en kunst in de openbare ruimte, maar door de ernst waarmee Jolanda over de ‘sociale kant’ van kunst sprak, begon ik dieper na te denken over kunst en ‘de samenleving’ . Op straat keek ik aandachtiger om me heen en als vanzelf ontstond de behoefte om Street Art te gaan vastleggen, zodat ik later nog eens rustig kon kijken naar de plaatjes waar je anders altijd alleen maar langs vliegt.
Om de één of andere reden vatte ik een speciale belangstelling op voor tags en tekeningen op elektriciteitskastjes. Die fascinatie gaf ik later door aan de protagoniste van Alles kan kapot (2011). Over Serafijn – dochter van Merel, zus van tonijnliefhebber Jonathan – staat daar:
‘Ze gunde de hele wereld het inzicht dat stroom de kleur van zonlicht had. (…) Op een nacht schilderde ze het stopverfgrijs van de elektriciteitskastjes die overal in de stad staan vrolijk lichtgeel.’ (AKK,p. 225).
Misschien komt mijn eigen fascinatie voor die elektriciteitskastjes voort uit de wetenschap, of de angst, dat je energie ooit moet gaan luwen. Geeuwen voor de televisie. Middagdutjes. Dautzenbergs verzuchting dat hij steeds meer moeite heeft om zijn ‘accu’ op te laden, is me in ieder geval het meest bijgebleven uit zijn nrc-artikel van vorige week. Dautzenberg is vijf, zes jaar ouder dan ik.
Huuh!
Elektriciteitskasten bemoedigen: de hele stad gonst van de energie. Alles kan ontploffen, in de fik vliegen, doorbranden. Alles leeft. En iedere elektriciteitskast is een gedicht.
In de zomer van 2011 – ik zat inmiddels in dat antikraakpand aan de Van Asch van Wijcks – liep ik een maand lang bijna iedere dag via het Griftpark (picknick, BBQ, skaters) richting Biltstraat omdat ik de poes die daar halverwege de route altijd rondhing per se voor een specifieke elektriciteitskast wilde vangen. Dat is uiteindelijk gelukt: Poes 1, Poes 2, Poes 3.
Een paar dagen geleden – op weg naar David Bade’s Europe Me – zag ik nog een fraaie elektriciteitskasttekening bij Station Heino. Het wezen dat op meerdere kasten was aangebracht, was een kruising tussen een doodshoofd en een intkvis. Ik heb ’m niet op de foto gezet – ik had al eens een aardige inktvis gefotografeerd. Bovendien was ik voor lugubere memento mori’s te gelukkig.
Tirade – wat een energie!
Soundtrack: Let the Sunshine in.
Volgende week: Een vorkje prikken met Manon. En meer.
Noot
*Een paar dagen geleden ging ik met mijn broer, die ook Martijn heet trouwens, naar Despair (1979), Rainer Werner Fassbinders verfilming van Nabokov’s Otchayanie (1936). Weer eens wat anders dan een avond sjoelen of BBQ-en. We vonden de film niet geweldig. Of deden we Fassbinder tekort? De avond erna zijn we opnieuw gegaan, naar dezelfde film. Maar ons eindoordeel bleef onveranderd: aardig. De titel boven dit stukje is overigens de neerslag van een gedachtewisseling tussen protagonist Hermann en de man die volgens hem kan doorgaan voor zijn dubbelganger. ‘I’m a film star.’ – ‘You’re a storyteller!’ ‘Storyteller’ wordt in deze context vertaald/ondertiteld als ‘fantast’. ‘The Döppelgänger subject is a frightful bore,’ stelde Nabokov in 1966 (Strong Opinions, 1973;p.83). Despair is dan ook een deconstructie van het thema. Interessant voor liefhebbers van Wes Anderson: de Milka-achtige art direction van Hermanns bonbonfabriekje lijkt een inspiratiebron te zijn geweest voor Mendl’s uit The Grand Budapest Hotel (2014).
——————-
Carolina Trujillo
Carolina Trujillo (1970) publiceerde tot nog toe vier romans. Drie in het Nederlands – De bastaard van Mal Abrigo (2002), De terugkeer van Lupe Garcia (2009) en De zangbreker (2014) – en één in het Spaans: De exilios, maremotos y lechuzas (1991). Het werk van Carolina werd bekroond met en genomineerd voor verschillende literaire prijzen. Meer informatie over haar jongste roman, De zangbreker, vind je hier.
* Eind augustus verschijnt Tirade 455. Het nummer sluit af met een tirade van Trujillo. De namen van de andere 455-contribuanten volgen later deze maand.
Ik had de afgelopen week een paar interessante dingen gelezen die ik met jullie wilde delen, en al weet ik nog niet precies wat ik er over wil zeggen (om mezelf vast in te dekken voor wat ik later in dit stukje schrijf: ik denk er wel degelijk hard over na), het is leuk als jullie meedenken, dus
-Hier is bijvoorbeeld het einde van het essay Fictional Futures and the Conspicuously Young (1987) van David Foster Wallace, waarin hij ageert tegen oa het nihilisme in de dan huidige literatuur. Het is zo boos en ook grappig en waar, ik werd er vrolijk van!*/**
…Exciting is also confusing, and I’d be distrustful of any C.Y. (Conspicuously Young [writer]) snot who claimed to know where literary fiction will go during this generation’s working lifetime. (…) We seem, now, to see our literary innocence taken from us without anything substantial to replace it. An age between. There’s a marvelously apposite Heidegger quotation here, but I’ll spare you.
The bold conclusion here, then, is that the concatenated New Generation with whom the critics are currently playing coy mistress is united by confusion, if nothing else. And this might be why so much of the worst C.Y. fiction fits so neatly into the Three Camps reviewers consign it to: Workshop Hermeticism because in confusing times caution seems prudent; Catatonia because in confusing times the bare minimal seems easy; Yuppie Nihilism because the mass culture the Yuppie inhabits and instantiates is itself at best empty and at worst evil—and in confusing times the revelation of some- thing even this obvious is, up to a point, valuable.
Well, but it’s fair to ask how valuable. Of course it’s true that an unprecedented number of young Americans have big disposable incomes, fine tastes, nice things, competent accountants, access to exotic intoxicants, attractive sex partners, and are still deeply unhappy. All right. Some good fiction has held up a mercilessly powder-smeared mirror to the obvious. What troubles me about the fact that the Gold-Card-fear-and- trembling fiction just keeps coming is that, if the upheavals in popular, academic and intellectual life have left people with any long-cherished conviction intact, it seems as if it should be an abiding faith that the conscientious, talented, and lucky artist of any age retains the power to effect change. And if Marx (sorry—last dropped name) derided the intellectuals of his day for merely interpreting the world when the real imperative was to change it, the derision seems even more apt today when we notice that many of our best- known C.Y. writers seem content merely to have reduced interpretation to whining. And what’s frustrating for me about the whiners is that precisely the state of general affairs that explains a nihilistic artistic outlook makes it imperative that art not be nihilistic. I can think of no better argument for giving Mimesis-For-Mimesis’-Sake the chair than the fact that, for a young fiction writer, inclined by disposition and vocation to pay some extra attention to the way life gets lived around him, 1987’s America is not a nice place to be. The last cohesive literary generation came to consciousness during the comparatively black-and-white era of Vietnam. We, though, are Watergate’s children, television’s audience, Reagan’s draft-pool, and everyone’s market. We’ve reached our majority in a truly bizarre period in which “Wrong is right,” “Greed is good,” and “It’s better to look good than to feel good”—and when the poor old issue of trying to be good no longer even merits a straight face. It seems like one big echo of Mayer the fifties’ ad-man: “In a world where private gratification seems the supreme value, all cats are grey.”
Except art, is the thing. Serious, real, conscientious, aware, ambitious art is not a grey thing. It has never been a grey thing and it is not a grey thing now. This is why fiction in a grey time may not be grey. And why the titles of all but one or two of the best works of Neiman-Marcus Nihilism are going to induce aphasia quite soon in literate persons who read narrative art for what makes it real.
And, besides an unfair acquaintance with many young writers who are not yet Conspicuous and so not known to you, this is why I’d be willing to bet anything at least a couple and maybe a bunch of the Whole New Generation are going to make art, maybe make great art, maybe even make great art change. One thing about the Young you can trust in 1987: if we’re willing to devote our lives to something, you can rest assured we get off on it. And nothing has changed about why writers who don’t do it for the money write: it’s art, and art is meaning, and meaning is power: power to color cats, to order chaos, to transform void into floor and debt into treasure. The best “Voices of a Generation” surely know this already; more, they let it inform them. It’s quite possible that none of the best are yet among the Conspicuous. A couple might even be . . . autodidacts. But, especially now, none of them need worry. If fashion, flux and academy make for thin milk, at least that means the good stuff can’t help but rise. I’d get ready.
Misschien is dit een pleidooi voor engagement, dat vind ik lastig te zeggen, maar over engagement wilde ik het niet per se hebben (daar hebben Shira Keller en Marko van der Wal eerder deze week al interessante dingen over geschreven). Wat mij in dit stuk vooral aanspreekt is de mate waarin Foster Wallace roept om literatuur die geen uiting van leegheid is (waarbij leegheid dus niet per se het tegenovergestelde van engagement is; eerder lijkt hij zich uit te spreken tegen leeg engagement – goed voorbeeld is wederom het twitter account van Abdelkader Benali dat Shira Keller zo terecht onderuit haalt). Als ik de hier toepasselijke Heidegger-quote zou kunnen kiezen zou het er eentje zijn waarin Heidegger schrijft over wat hij Gerede noemt; geklets of ‘idle talk’. Idle talk is een vorm van praten die niet echt ergens over gaat, omdat de woorden door degene die ze uitspreekt niet langer begrepen worden; deze persoon kent ze alleen ‘van horen zeggen’: “The groundlessness of idle talk is no obstacle to its becoming public; instead it encourages this. Idle talk is the possibility of understanding everything without previously making the thing one’s own. If this were done, idle talk would founder; and it already guards against such danger. Idle talk is something which anyone can rake up; it not only releases one from the task of genuinely understanding, but develops an undifferentiated kind of intelligibility, for which nothing is closed off any longer. (SuZ 169/BaT 213)” Doen alsof je een expert bent op een bepaald gebied terwijl je geen idee hebt waar je over spreekt – dat is veel kwalijker dan je op de vlakte houden. Natuurlijk is het onmogelijk om een lijn te trekken die aangeeft wanneer je genoeg over een onderwerp weet om je over een onderwerp uit te mogen spreken (I am not a Heidegger-pundit…), maar belangrijk is dat je in elk geval probeert waar je over spreekt te doorgronden.
Bij dit alles weet ik een heel leuk Susan Sontag-filmpje, en ik ga jullie niet sparen (ook leuk om het filmpje helemaal te kijken):
http://youtu.be/7Mmi03G5oV0?t=5m6s
* Het hele essay kun je hier lezen (of in de bundel Both Flesh and Not). Geen idee of dat legaal is, maar veel plezier.
** Het is DFW week op tirade.nu, zie ook Anne-Marieke Samson afgelopen woensdag.


