Aan mijn literaire held

Naar aanleiding van

 

 

 

 

 

 

Beste meneer Brouwers,

 

Twee jaar geleden stuurde ik u een brief. Ook in de envelop: het manuscript van mijn toen nog niet gepubliceerde debuutroman. Ik weet niet of u het las, wel weet ik dat u mij geen brief terug stuurde. Witte vliegtuigen.1 Wellicht heeft u het gelezen en het ’theemutsproza’ gevonden, uit mededogen (‘achkom, sparen we dat meiske’) besloten mij niet van verwoestende repliek te dienen. Wellicht stond de brief u niet aan en belandde mijn ongelezen manuscript met die brief in versnipperde vorm tussen aardappelschillen, rotte banaan en koffieprut op uw composthoop. Wellicht schrijft u liever geen brieven meer, uit angst dat ze zonder uw medeweten worden gearchiveerd in het Letterkundig Museum, alwaar ze door iedere onbenul, ‘door geen mot gehinderd’, kunnen worden ingezien, waarna er vrijelijk uit ze kan worden geciteerd, zonder de brievenschrijver hiervan op de hoogte te stellen.  

Toen ik u mijn brief schreef, was het een honger naar erkenning die mij daartoe dreef, mijn wens door God zelf (u) opgemerkt te worden en wellicht – o, hybris! – zelfs geprezen. Nu vormt uw negende feuilletonboek de aanleiding u te schrijven. (Restletsels: ‘[Dat] wat niet meer valt te helen en dus van de kwaal resteert’) (Die kwaal: het leven zelf?). Dit boek, namelijk, maakt me bang. Niet omdat het de weg wijst naar de meurende gierput die zich onder alle menselijke bevalligheid schuilhoudt (dat is ook bij al uw andere werk het geval), maar omdat, in tegenstelling tot uw andere werk, iedere vorm van relativering ontbreekt; het lijkt niet langer ‘voor mij’ geschreven te zijn, ik voel me een toerist op een plek waar ik niks te zoeken heb, de stop is eraf, ongezeefd plempt de drek gelijk met het drinkwater de kraan uit. Meest pregnante voorbeeld: een vierendertig (!) pagina’s tellend schotschrift aan het adres van het Letterkundig Museum, hier en daar pesterig uitzwenkend naar de directeur in eigen persoon – het kan me niet schelen of u gelijk heeft in het punt dat u maakt, ongetwijfeld heeft u gelijk, maar het interesseert me niet! Of dan toch in ieder geval niet zozeer dat ik er tig maal, in wisselende bewoordingen die steeds exact hetzelfde uitdrukken, ironieloos mee om de oren geslingerd wens te worden. Het boek laat zich, ik wil u niet kwetsen, lezen als de doodsstrijd van een stuiptrekkend dier. U toont het beeld van de Grote Schrijver die al dood is, al vergeten, met doorgegroeide nagels krabbend aan de binnenzijde van zijn kist.  

Alles in dit werk, uw werk in het algemeen, (uw polemische werk 2, uw romans, uw essays, zelfs uw (al dan niet met uw medeweten gepubliceerde) brieven) staat in het teken van ofwel het vergetene, ofwel dat wat spoedig vergeten staat te worden. Zelfs uw gepubliceerde woorden, volgens u: ‘in lucht geschreven’.  

(Soms zie ik u voor mij, in uw werkkamer, tussen wanden van (al bijna-)vergeten-schrijvers-archieven, met een zere hand lettertekens trekkend op opengevouwen bakkerszakken3. Gespannen lippen, fluitende ademhaling, koortsachtig inktdopen, foeterend – zowel binnenshoofds als op die zak – op de vergetelheid.)  

U schrijft dat ‘in brieven alle mussen zonder enige consequentie van de daken [mogen] vallen’. Zo’n vallende mus:  

Ik stel mij voor het immense rotsblok een zetje te geven, met de bal van mijn voet, waarop dat rotsblok donderend en ketsend in stukken splijtend de hemelhoge heuvel af raast. Sisyphus aan zijn mouw naar de grond te trekken. Mijn arm om zijn hoofd te vouwen, mijn hand over zijn nog overgebleven pluishaar, warme, geruststellende klanken te fluisteren vlak naast zijn oorschelp. En boven de wolken, op die hemelberg, hijgend, met hem te rusten. Ik stel mij voor hoe ze uit de hemel vallen: honderden, duizenden, tienduizenden onbeschreven vellen papier – of bakkerszakken.  

brouwers2Nee, blijft u foeteren. Blijft u vooral boos en angstig en verongelijkt en onvolprezen. Blijft u ‘mulischiaans’ uw ‘reusachtig’ zelfvertrouwen veinzen. Blijft u eeltloos, huidloos, indrukken drinken, blijft u altijd alles aan alles verbinden. Blijft u in ’s hemelsnaam schrijven.  

Het is wellicht een schrale troost, maar ik kan u, oprecht en hartgrondig, beloven: zolang ik ploeter aan een eigen oeuvre (vooralsnog aan een tweede boek), zult u als een literaire vader in mijn gedachten met me meelezen. Ik zal uw Zondvloed 4  in mijn rugzakje met me meezeulen tot ik het niet vijf, niet zes, maar honderd keer herlezen heb en iedere willekeurige zin eruit moeiteloos kan citeren. Meneer Brouwers, ik zal u en uw oeuvre, voor zover het een van het ander te scheiden valt, nooit vergeten. Zo verbeten als u de Taalunie opgedoekt wenst, zo onvermoeibaar zal ik het nieuws van De Zondvloed blijven verspreiden, ook onder generaties na mij, en na hen.  

Met zijn allen krijgen we hem die berg wel op.   

‘Toegenegen groeten van uw liefhebbende’ 5  

 

Shira Keller 

 

P.S. Naar aanleiding van dit schrijven zocht ik in kladarchieven naar de brief die ik u twee jaar geleden schreef, vond en herlas die, ongerust er een aanleiding voor uw zwijgen in aan te treffen, wat inderdaad het geval bleek: ik haal in deze brief hartstochtelijk Verzonken Rood aan –  een boek dat u nooit geschreven heeft. 6 

 

Noten:

1                Iedere dinsdag, schrijft Brouwers, wordt er in het Indië van zijn jeugd door een wit vliegtuig een postzak afgeleverd, ‘waarbij [zijn] moeder en de andere blanke bewoners van het eilandgebied juichten omdat het feest was, – dinsdag feestdag.’. Meestal was geen van de bezorgde brieven voor hem bestemd.

2                Venijnige stukken, niet zelden uiterst geestig. ´Zwavelzuur´, het eerste deel van Restletsels, laat zich zelfs lezen als een kort college in polemisch schrijven. In eerste instantie wilde ik een poging wagen me in deze blog, geïnspireerd door Brouwers, aan het genre te wagen, maar ik bleek er te weinig boos voor, te bedachtzaam, te laf misschien, misschien ook wel te veel ´vrouw´ – hierover wellicht later meer.

3                Aangezien Brouwers nerveus wordt van maagdelijk, onbeschreven papier, zo vertelt hij in interviews, schrijft hij doorgaans op papier dat al eens ergens voor gebruikt is. Bijvoorbeeld op opengevouwen papieren zakken van de bakker.

4                Wat mij betreft is De Zondvloed Brouwers’ absolute meesterwerk. Een boek als een fijngeaderd vaatstelsel waardoorheen de thema’s van zijn oeuvre stromen. Heden leverbaar als De Indiëromans, waarin ook Het Verzonkene en Bezonken Rood opgenomen zijn.

5           In de Hollandse kostschool die Brouwers tot zijn zeventiende bezocht,  waren de leerlingen ‘verplicht iedere week, op zondagmorgen na de hoogmis, een brief naar huis te schrijven. De brief diende […] altijd te eindigen met Toegenegen groeten van uw liefhebbende zoon.’

6                Van Jeroen Brouwers verschenen de fantastische romans Het verzonkene en Bezonken rood. Dit zijn de eerste twee delen van zijn Indiëtrilogie, waarvan het eerder genoemde De Zondvloed het slotstuk is. Een boek getiteld Verzonken Rood schreef hij niet.

 

_____________________________________________________________________________________

 

 searchElke zondag van juli: het gastblog van Shira Keller, toneelschrijfster en auteur van de zeer terecht veelgeprezen roman M.  

 

 

 

In de Oorshop

Het geluk

Al mijn verhalen gaan over gemis, over naar iets of iemand verlangen of terugverlangen. Ik vroeg me af waarom. 

‘Birre,’ zei ik tegen mijn vrouw. ‘Ben ik wel gelukkig?’ 

Zonder zichtbaar na te denken zei ze: ‘Heel erg.’ En even later: ‘Maar dat weet je zelf toch het best?’

Het is vast vreemd om dit soort dingen aan een ander te moeten vragen.

Als er genoeg fijns in je leven gebeurt en je bent in staat daarvan te genieten, mag je je gelukkig noemen. Er is ook nog iets anders wat geluk heet: een kort maar hevig gevoel dat alles overneemt en inkleurt. Als ik die vorm van geluk moet omschrijven blijkt het niet een wezenlijk andere gewaarwording te zijn dan verdriet of melancholie. 

Misschien ben ik raar. Als onze zoon zegt dat hij van me houdt, schiet ik eerder vol dan dat ik lach. 

Birre omschrijft geluksgevoel als lichtheid, te willen springen en huppelen en fladderen. Dat is ook precies wat ze doet als ze blij is. Kunnen mensen zo sterk verschillen? Ik dacht altijd dat uitingsvormen uiteenlopen, maar gevoelens universeel zijn. Zoon Nadim lijkt in dit opzicht niets van mij meegekregen te hebben. Ook hij springt, huppelt en fladdert. Als ik even kort door de bocht ga, dan leid ik hieruit niet af dat hij van de melkboer is, maar dat niemand met mijn afwijking geboren wordt. Ik moet het dus aangeleerd hebben. 

“I somehow got my wires crossed,” zingt Benjamin McDonell in Helpless Flight. “Cause I was crying when I met you and laughing like I fool when you got lost.” 

Mocht mijn toestand ongeneeslijk blijken, dan heb ik volgens Proust in ieder geval Nadim en Birre nog: “Soyons reconnaissants aux personnes qui nous donnent du bonheur; elles sont les charmants jardiniers par qui nos âmes sont fleuries.”

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Confucius ontmoeten door een goed boek

Uw woensdagblogger in de Nanjing Confucius tempel

Elias Canetti schrijft: ‘De Gesprekken van Confucius zijn het oudste volkomen intellectuele en geestelijke portret van een mens. Op mij komt het over als een modern boek.’  De sinoloog Simon Leys meldt dat het ‘de enig plek is waar we de echte levende Confucius kunnen ontmoeten.’

Die ontmoeting wenste ik wel, maar ik was zo’n 2500 jaar te laat. Nu wordt dat makkelijker, met de vertaling van De gesprekken door de Nederlandse Kristofer Schipper: Confucius. De gesprekken. Gevolgd door Het leven van Confucius door Sima Qian (ca. 145-86 v. Chr.) vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper. Atlas Contact 2014. (Zie ook Wim Brands in gesprek met Schipper)

Simon Leys schrijft verder: ‘In de hele wereldgeschiedenis heeft geen werk een grotere invloed uitgeoefend, over een langere tijdsduur en over een groter aantal mensen dan dit dunne boekje. Met zijn nadruk op de humanistische ethiek en de universele menselijke broederschap heeft het alle landen van Oost Azië geestelijk bezield en is het de hoeksteen geworden van de volkenrijkste en oudste beschaving op aarde.’

Ik kan een extra fascinatie voor een boek hebben wanneer het zo precies en zorgvuldig gemaakt is als dit boek. Uit de toon van alles wat Schipper in voor- en nawerk schrijft spreekt een haast  monastieke zorgvuldigheid die zeer zeldzaam aan het worden is.

Dus ik ga op reis en ik neem mee:

220px-SpeakMemorySpeak, Memory, Vladimir Nabokov voor de Nabokov-leesclub  waarover later meer…

 

 

 

The-Desire-And-Pursuit-Of-The-Whole-Andy-Warhol

The desire & pursuit of the whole,  Frederick Rolfe omdat het geloof ik naast George Gissing, Geerten Meijsings lievelingsschrijver is, en wat een taal!…

 

 

 

24457

The Long Day Wanes: A Malayan Trilogy, Anthony Burgess

 

 

 

AC_SCHIPPER_(confusius)_rug37mm_v08.inddConfucius. De gesprekken…

Want: ‘De meester zei: “Ik heb nog nooit geweigerd iemand te onderwijzen die uit zichzelf al was het maar een beetje droog vlees voor me meebracht.”

De volgende vier weken doet uw woensdagblogger op het Maleis schiereiland nieuwe indrukken op en vraagt zich af of Burgess koloniaal Maleisië goed getroffen heeft en of er iets waarneembaar is van Confucianisme in The Cameron Highlands….

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer groeten uit Venetië

‘Godsamme… ben je na anderhalf jaar eindelijk gewend aan ’t blogrooster, komt die luie klootzak van de maandag opeens aankakken op de dinsdag.’
‘Wat een idioot.’
‘Die Martijn is een onbetrouwbare klootzak, dat heb ik altijd al gezegd.’
‘Het is een hufter.’
‘Een paardenlul.’
‘Een arrogante, autoritaire zakkenwasser.’
‘Hij kan ook helemaal niet schrijven.’
‘Hij kan helemaal niks niet! Een grote muil opzetten, dat kan ie. Met z’n vieze lange haar en z’n arrogante smoelwerk en z’n cariës!’
‘Iedereen heeft toch cariës?’
‘Ja, maar bij hem komt ’t door z’n rotte karakter… Wordt ’t tandbederf bij anderen veroorzaakt door de suikers die ze consumeren, bij hem komt het van de leugenachtige, zoete woordjes die langs z’n tanden strijken.’
‘Ze zouden ’m helemaal kapot moeten trappen! Gewoon, om ’m een lesje te leren, die kankerhond.’
‘Goed idee, ik hoorde laatst –’
‘Hé, daar heb je ’m… Tyn!… Wat leuk dat je d’r weer bent! Hoe was je reis?’
‘M’n reis? Ik was gewoon op vakantie, verrekte snob.’
‘Hahaha, meteen weer met z’n kontje tegen de krib, die viespeuk. Het -’
‘Nee, superleuk om weer thuis te zijn. Excuses trouwens dat ik deze week op de dinsdag blog, vanwege de – ’
‘Doe niet zo mal! Daar hoef je je toch helemaal niet voor te verontschuldigen?! Vrijheid blijheid… Wij zeiden net nog tegen elkaar: kunstenaars moet je niet teveel breidelen… die moet je lekker de ruimte geven… gewoon: lekker los. Waar ga je over schrijven?’

Fundamentals

kooi vzMet de vaporetto aankomen bij de Giardini della Biennale. Glinsterende golfjes, in de verte de stad waar je vanavond gaat eten. Het weer en de omgeving zo schunnig mooi dat je je afvraagt over wiens rug je zo geprivilegieerd bent geraakt dat

‘Ja, ja, dank voor je moedige poging tot lyriek… ter zake, vriend.’

Voor wie – net als ik – geen bijzonder groot kenner van de hedendaagse architectuur is, is de tentoonstelling van Rem Koolhaas & assistentie (Elements of architecture) een prachtige introductie. Rustig, toegankelijk-academisch, helder, informatief. Het is een beetje alsof je een bijvak volgt aan de universiteit.

Koolhaas & Co laten zien dat de elementen waaruit gebouwen worden geassembleerd – vloer, muur, raam, helling etc etc – los van elkaar evolueren en dat sowieso alles altijd maar verandert en in verandering blijft.

Je moet je oordelen en verwachtingen voortdurend bijsturen. En dat, in 2014, meer dan ooit.

Bij wijze van aanvulling op Koolhaas’ centrale tentoonstelling tonen zesenzestig landen een voorbeeld van de impact die de ‘moderniteit’ bij hen heeft gehad op de architectuur. Of juist niet heeft gehad. De grappigste landenbijdrage komt… van Duitsland. Serieus. Mocht je nog naar de Biënnale gaan: let op de Mercedes die voor het Duitse paviljoen staat geparkeerd. De fijnste muziek schalt uit het paviljoen van de Roemenen. De NL inzending is helemaal gewijd aan Jaap Bakema en de open samenleving.

De bijdragen/aanvullingen/illustraties/reacties van de landenpaviljoens boeien lang niet allemaal. Het is veel. Het is specialistisch. Het is vaak retorisch.

ragazza vzNatuurlijk is het intimiderend om te zien hoe virtuoos en gecontroleerd veel architecten de artistieke ambities van hun bureau combineren met economische, ideologische en landschappelijke eisen en beperkingen. Maar eerlijk gezegd raak ik bij de opstellingen/presentaties van toegepaste kunsten – architectuur, mode, reclame, grafische vormgeving, productontwerp/design – altijd vrij gauw een tikkeltje gedeprimeerd. Of geïrriteerd.

Toegepaste kunstenaars blijven in de eerste plaats ondernemers. Ze bedrijven Low Art. In de definitie van David Foster Wallace: ‘The sort of art that has to please people in order to get their money.’  Vrije, moderne kunstenaars willen onderzoeken, geven en delen – daarom zijn de meesten ook zo arm.

Het Biënnale terrein is – zoals dat gaat met secluded areas – ook wat verstikkend en steriel. Maar dat geldt voor bijna iedere museale omgeving.

Toen ik, na een bezoek aan het fijne Peggy Guggenheimmuseum, nog wat ronddwaalde in de steegjes achter de huidige kunstacademie van Venetië, fotografeerde ik de staaltjes Street Art die je bij deze blogpost ziet.

Ik kan me voorstellen dat sommige projectontwikkelaars en architecten graffiti en andere guerillakunst beschouwen als een soort visuele hondenpoep op hun verticale stoepjes. Toch maken Street Artists veel mensen die niet of nooit in een museum komen blij met hun werk. Sommige gebouwen worden er onherstelbaar door verbeterd. Zelfs in Venetië.

‘Ben je ook naar het Arsenale geweest?’

‘Ja.’

‘En?’

‘Dramatisch mooie locatie en de Italianen weten daar wat mij betreft wel een paar maatschappelijke haaien te doden. Maar het is erg veel en erg promotioneel. Het mooiste kunstwerk dat ik deze dagen zag, was een schilderij van Bellini, in een kerk op Murano.’

Tirade – zintuiglijk.

Soundtrack: Vivaldi, vioolconcert.

Volgende week: naar de tuin? Of liever naar de bios?

Toegift: een tikkeltje verdwaald raken in die Venetiaanse steegjes en dan op deze muurschildering stuiten:

steeg vz

Nagekomen verantwoording: de Street Art foto bij dit stukje nam ik in 2012 in Lissabon.

Barbie heeft een boek geschreven

Ik koos niet zonder reden voor een beroep waarbij sociaal contact tot een minimum kan worden teruggebracht. Meestal zit je thuis, achter een laptop, en heel, heel zelden is er een borrel, of een feestje, waar je werkelijk niet omheen kunt wanneer je de ambitie hebt de rest van je leven een schrijvend bestaan te leiden. Na zo’n feestje voel ik me zonder uitzondering beroerd. Nog minstens een week lang gaan mijn gedachten iedere stap na die ik op zo’n gelegenheid heb gezet. (Wat lachte ik hard! Wat reageerde ik dom! Ik heb daar-en-daar wel een half uur met een glas wijn in de hoek van de ruimte gestaan!) Kronkels in mijn maag. Wat ik iedere keer tijdens zo’n recapitulatie van mijn jammerlijk sociaal falen moedeloos verzucht: waarom kan ik niet gewoon mezelf zijn? 

Op die momenten dwalen mijn gedachten af naar de serie die ik in het geniep iedere week toegewijd en met een mengeling van hooghartige spot en stekende jaloezie gevolgd had, en dan vooral naar die ene vrouw die op het onbeschaafde af te allen tijde het toonbeeld vormde van dat waar het mij aan ontbrak. Barbie. Was ik maar, zo mijmerde ik met regelmaat, zo karaktervast en onbeschaamd als Barbie… 

Nadat de serie ten einde was gelopen, volgde er een sequel, die ik met minder toewijding volgde, en vervolgens kwamen er een stuk of wat programma’s die volledig om Barbie heen geconcipieerd waren, waar ik me nooit aan heb gewaagd. In mijn hoofd echter bleef ze mijn rots in de branding: een vrouw die ondanks almaar toenemende media-aandacht en de daaraan verbonden vloed aan ongevraagde meningen over haar uiterlijk, haar uitspraken, haar hobby’s, haar gedrag, compromisloos zichzelf bleef. Tot ik ontdekte, en de schrik sloeg me om het hart, dat Barbie een boek heeft geschreven. 

In opperste verwarring informeerde ik mij op het net over dit onverwachte nieuws. Maar dat past toch helemaal niet bij Barbie?? Barbie associëren we met opplakwimpers, met witte lipgloss en nepnagels, met een iets te bruin gezicht en asblond haar, met shotjes tequila en droogneuken in bars – maar toch om de dooie dood niet met een boek?! Is de mij zo innig vertrouwd geraakte Barbie dan toch, rees de angstige vraag, gezwicht onder de sociale druk van haar bekendheid, en heeft haar door mij zo begeerde authenticiteit het afgelegd tegen een wens zich, tegen haar natuurlijke staat van zijn in, te profileren? 

Gasten die meermaals opduiken in praatprogramma’s op tv zijn ‘zichzelf’, of zijn toch op zijn minst verdomd bekwaam in het spelen van een rol die een zekere authenticiteit uitstraalt. ‘Echte mensen’ is wat we willen zien, en een ‘echt mens’ is wie we willen zijn; iemand die zonder aarzeling of scrupules het risico neemt gehaat of geridiculiseerd te worden, ten bate van die ene heilige aspiratie: authenticiteit, of, zoals de meer esoterisch onderlegden het plegen te formuleren: ‘trouw zijn aan jezelf‘. 

Nu is er sprake van een zekere paradox in deze kwestie, want authenticiteit kan alleen bestaan bij de afwezigheid van iedere vorm van bewustzijn hieromtrent. Dat wil zeggen: wanneer Marc-Marie Huijbregts zich bewust bezig zou houden met het in stand houden van zijn ‘echtheid’ (laten we zeggen: het opzetten van een hoge stem die bij vlagen van enthousiasme vloeiend door onvermoede registers glijdt), tast dat onmiddellijk en onomkeerbaar de oprechtheid aan, en worden diezelfde eigenschappen die hem voorheen ‘authentiek’ maakten opeens een kenmerk van verwerpelijk, want bewust toegepast, dus ‘onecht’ gedrag. In het streven naar authenticiteit is aldus onvermijdelijk de kiem van het tegendeel, van fake gedrag, besloten. Zodra we proberen echt te zijn, zijn we het, bij voorbaat, niet. De enige methode, kortom, om over te komen als iemand die ’trouw is aan zichzelf’, is door niet koste wat kost zo te willen overkomen. 

Wat ons, alles tegen elkaar afgestreept, de vrijheid biedt ons precies zo te gedragen als we willen, zolang we ons niet afvragen of ons gedrag al dan niet authentiek is. Een boek te schrijven met een catchy, allitererende titel, terwijl niemand vermoedde dat je foutloos je eigen naam kon schrijven. (“Zodat mijn dochter later kan lezen wie ik echt ben.”) Te hard lachen. Dom reageren. Voor mijn part een hele avond met een glas wijn in een hoek van een feestzaal gaan staan. Zolang we ons er niet druk om maken, is het allemaal oké!  

Dan rest mij nog af te sluiten met de alles samenvattende woorden van Michael, Barbie’s echtgenoot, gesproken op de boekpresentatie van haar debuut ‘Van bimbo tot business babe’: 

“Business babe, een andere kleur haar, tja… Ze is nog gewoon zichzelf, hoor.”

________________________________________________________

searchElke zondag van juli: het gastblog van Shira Keller, toneelschrijfster en auteur van de zeer terecht veelgeprezen roman M.  

Ezelsjaren

Voor Tirade 455 vertaal ik een verhaal van een van mijn helden. Daniel Woodrell is zo sympatiek gebleken om het kleine honorarium dat we kunnen bieden te aanvaarden, en nu zal in ons volgende nummer Uncle uit de bundel The Outlaw Album voor het eerst in het Nederlands te lezen zijn.

Het verhaal is een schitterend voorbeeld van Woodrells zo eigen aardse stijl en sfeer; van zijn inlevingsvermogen en zintuiglijkheid. Het is een wreed en prachtig miniatuur waarmee ik hoop mijn taalgenoten te enthousiasmeren voor het werk van de Ozarkse schrijver. Wie de boeken niet kent, heeft misschien het verfilmde Winter’s Bone gezien (Debra Granik, 2010) dat genomineerd werd voor vier Oscars en verkozen werd tot beste film van het Sundance Festival.

Voor zover ik heb kunnen achterhalen heeft alleen De Geus het werk van Woodrell in het Nederlands uitgegeven. Machteld van Gelder vertaalde Tomato Red (Tomaatrood), en Regina Willemse Woe to Live On (Op pad met de duivel). Beide titels zijn niet meer te bestellen, hoewel Bol.com ze nog wel tweedehands aanbiedt.

Dit wordt mijn eerste vertaling na bijna dertig jaar Engelse en Amerikaanse literatuur te hebben gelezen. Ik weet nu al wat het moeilijkst gaat worden. De laatste zin van Uncle is een typisch Amerikaanse uitdrukking, die door wat de lezer in de voorgaande bladzijden heeft meegekregen een bijzonder wrange bijsmaak krijgt.

‘Donkey’s years’ kan – bij wijze van voorbeeld – het best met ‘heel lang’ vertaald worden, maar je gaat dan echt iets missen als in zo’n verhaal een ezelsveulen wordt geslacht. De grootste moeilijkheid bij het vertalen had ik voorzien in het intact laten van de stijl van de schrijver. Uitdrukkingen blijken veel meer problemen op te leveren.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Machiel Jansen"
    Machiel Jansen

    Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimist, Op ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.