Houdt van boeken

imagesIk kan me jaren herinneren waarin ik nauwelijks nat werd. Horecajaren, toen ik om de hoek van mijn huis werkte en kon wachten tot na de bui voor ik me buiten waagde. Sinds de geboorte van onze zoon lijk ik voortdurend door de regen te moeten. 

Al twee jaar leef ik volgens Nadims ritme, een timing die verdacht vaak samenvalt met hemelwater, buien waarvan ik vermoed dat ze wel eens even plaatselijk zouden kunnen zijn als de straat waarin ik fiets, de boom waaronder ik schuil; de kapotte paraplu die ik boven ons hoofd houd.  

Vanochtend op de crèche, toen ik met het water in mijn oren de verschillende gele rubberlagen van zijn lijfje aan het pellen was, bedacht ik dat een minder kranig mens inmiddels zou gaan denken dat de Heer zijn handen van hem afgenomen had. Niet ik. Negatieve aandacht was tenslotte ook aandacht. En hoe meer het regende, hoe meer ik las. Schrijven ging ook heel goed als het met bakken naar beneden kwam. Aangezien het overduidelijk Gods plan was dat ik in de komende 28 jaar Renate D. naar de kroon ging steken waar het om productie ging, mocht ik hopen dat het flink op me bleef regenen. Nog iets wat ik aan mijn zoon te danken zou hebben. 

Ik tilde mijn manneke het lokaal in en zette hem op een hoge stoel aan tafel. Terwijl ik zijn spulletjes opvouwde en in zijn la legde, viel mijn oog op een lijstje dat boven het verschoonkussen aan de wand getapet zat. Persoonlijke voorkeuren en allergieën van de kinderen waren er in ronde letters opgeschreven. Er zweefden nog net geen bolletjes boven de i’s. 

Sommige kinderen hadden hele waslijsten achter hun naam. Geen brood, las ik. Pas op! Lactose!!! en Wil twee spenen in bed. Natuurlijk zocht ik naar de naam van mijn jongen, die nu achter me met druipende haartjes zijn boerderijpuzzel aan het leggen was. Bij allergie stond niets, bij slapen en eten ook niet. Helemaal aan het eind van de rij, onder het kopje opmerkingen was met paarse stift Houdt van boeken geschreven. 

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Over wetenschap en perverse seks, en geverfd textiel

Een van de eerste boeken die ik las toen ik aan een universiteit studeerde was vast niet toevallig Sir Karl Poppers De groei van kennis. In een vroeg hoofdstuk beschrijft Popper een mooie overwinning van het wetenschappelijk denken, van hypotheses, falsificatie en verificatie aan de hand van – ik meen – een Oostenrijkse kraamkliniek. De onbegrijpelijke sterfte door kraamvrouwenkoorts wordt door een arts-assistent heel heldhaftig naar een oplossing gedacht: langzaamaan, steeds mogelijkheden uitsluitend, komt de man erachter dat handen goed wassen voor ze in een bloedende vrouw te stoppen, helpt.

Op Amerikaanse films, waarin de aarde gered wordt door een sergeant die moedig genoeg is het tegen monsters op te nemen na, is er nauwelijks groter heroïek denkbaar dan die van de medicus die redenerend tot inzichten komt die levensreddend blijken te zijn. Hoe voor de hand liggend ze in retrospectief ook mogen lijken.

Daarbij zijn ziektegeschiedenissen fascinerend. Ook in het schitterende boek Ontregelde geesten van Douwe Draaisma val je van verbazing in verbijstering. Verhalen waar die van zijn grote voorbeeld Oliver Sacks bij verbleken. De geestesafwijking bijvoorbeeld dat iemand meent dat hij geen linker been behoort te hebben. Terwijl hij dat been wel heeft. En dat die overtuiging zover kan gaan dat het tot amputatie komt en dat die patiënt dan pas echt gelukkig is, want dan past zijn lichaam bij het beeld dat hij van zichzelf had. Of het verhaal van het syndroom van Capgras, waarbij de zieke meent dat iedereen in zijn omgeving vervangen is door een dubbelganger. Huiveringwekkend. Een echte extra kwaliteit van het boek is dat het een geschiedenis van de 19e eeuwse psychiatrie is.

Een ander weergaloze verzameling van ziektegeschiedenissen uit die tijd is de  Psychopathia Sexualis: eine Klinisch-Forensische Studie van Richard Freiherrvon Krafft-Ebing – en ik voel dat ik je als lezer een beetje aan het verliezen ben. But you ain’t seen nothing yet.  Zekere episodes, als die over een man die bij voorkeur masturbeert als hij op een begraafplaats uit een opgegraven lijk de ingewanden vist, behoren tot de tederste in hun soort. Waarom? Door de oordeelloosheid van de beschrijving. Krafft-Ebing kwam ze gewoon tegen in zijn praktijk, deze mensen met vreemde seksuele voorkeuren en beschreef hun geval, niet veel meer.

Dat de medische wetenschap enorme obstakels heeft overwonnen heeft is bekend, maar welke het waren minder. In The Emperor of all Maladies, A Biography of Cancer, vertelt  Siddartha Mukherjee het verhaal van William Stewart Halsted, een Amerikaans chirurg die rond 1900 befaamd was om zijn radicale operatie van borstkanker, waarbij hij diepgravend te werk ging, conform de Latijnse stam van dat woord: tot in de wortel. Zeer omvangrijke operaties dus, waarbij soms maar een half mens overbleef.  Halsted is een mooi voorbeeld van een waarschijnlijk goedbedoelende wetenschapper die niet op het juiste moment de juiste vragen heeft kunnen stellen. Zijn oplossing diep te graven werd deels gerechtvaardigd door zijn waarneming dat kanker vaak terugkwam na een operatie. En zijn suggestie dat er dus meer verwijderd moest worden had een redelijke grond, maar hij heeft te weinig getracht zijn hypothese te falsificeren. Mukherjee merkt droogjes op dat het in de helft van de gevallen een niet uitgezaaide kanker betrof, waardoor de grote operatie niet beter was dan een heel locale, bij de andere helft was wel van een metastase sprake en ging de operatie dus toch niet ver genoeg. Het was dus in alle gevallen teveel. Halsted zag dit niet omdat hij dingen niet wist die wij nu wel weten, maar ook om dat zijn status en zijn succes met hem op de loop gegaan waren. Hij durfde onvoldoende te twijfelen, en nam te weinig moeite om de resultaten kritisch te bekijken. Hij werd vereerd, zijn studenten zaten op de goede plek. Hij was autoritair en bracht geld op. Veel problemen die ook vandaag relevant zijn.

Maar het meest ontbeerde hij waarschijnlijk de vonk van inzicht die de wetenschap naar een volgend plan brengt. Want dat is het soms. Maar even vaak: volstrekt toeval. Zoals bij de latere nobelprijswinnaar Paul Ehrlich, de vader van de chemotherapie, tevens de ontdekker van het middel tegen syfilis en difterie, die zijn laboratorium op twee minuten afstand van een grote chemische fabriek had. Een fabriek die alle toen bekende chemicaliën in huis had, omdat deze fabriek gespecialiseerd was in het maken van verfstoffen voor textiel, een lucratieve handel tijdens het hoogtepunt van de industriële revolutie.  En zo heeft de uitvinding van de katoenmolen behoorlijk bijgedragen aan de uitvinding van het principe achter chemotherapie.

Een nog fraaier voorbeeld van toeval in medische wetenschap is dat uit de gevolgen van het giftige mosterdgas dat in de Eerste Wereldoorlog voor het eerst gebruikt werd de conclusie kon worden getrokken dat dit gas het aantal witte bloedcellen dramatisch verminderde. In aangepaste doses een middel tegen de ziekte waarbij deze witte bloedcellen de overhand nemen: Leukemie.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Aspiratie, ambitie, verlangen’ – over autonomie

‘Het meest ‘subversieve’ dat je vandaag als schrijver kunt doen is misschien minder het ontregelen van een of alle bestaande regels, dan het opstellen van nieuwe regels. Aspiratie, ambitie, verlangen: dáárop lijkt het grootste taboe te rusten. Dit taboe doet zich bijvoorbeeld voor als verfijnde ironie – het ongeloof in de substantialiteit van grote verlangens – of als vulgair sentimentalisme – de kleinburger of universele consument die eist dat elk verlangen wordt ingezet voor zijn persoonlijke ontroering/entertainment. (De analogie (compliciteit?) met de huidige liberaal-democratische consensus lijkt me overigens evident: elk maatschappelijk verlangen dat de wil-tot-soepel-functioneren overtreft zou automatisch leiden tot de Goelag etcetera, etcetera.)’

 Jeroen Mettes, Weerstandsbeleid (Wereldbibliotheek, 2011;p. 239/240).

‘Een blogstukje met een motto? Wat raar! Dat zie je eigenlijk nooit! Wat gek! Ik vind dat niet normaal! Het stukje is nog maar net begonnen en ik ben al helemaal uit mijn doen! Nou, wat vreemd zeg! Gut! Tjonge, jonge! Dat is heel anders dan wat ik gewend ben! Ik weet niet of ik dit wel leuk vind! Ik weet niet of ik dit wel trek! Ik vind het eng! Ik vind het griezelig! Ik vind het naar! Ik denk dat ik er maar eventjes vandoor surf! Het is mij allemaal een beetje te onvoorspelbaar hier… huuh!’

Tot mijn grote spijt had ik beloofd iets te schrijven over Stephen Kings vervolg op The shining (1977). Nou, vangen…

Auteur: Stephen King.

Boek: Dr. Sleep (2013).

Eindoordeel: beneden kritiek.

Blijkbaar bestaat er werkelijk zoiets als lage – al te lage – kunst. Ik heb totaal geen behoefte om in te gaan op het handjevol passages in Kings roman dat wel de moeite waard is en het ontbreekt me al helemaal aan de lust om over de rug (geen woordspeling) van Kings boek wat van mijn gebruikelijke flauwiteiten te debiteren. Al is op de talloze bespottelijke, occulte passages in Dr. Sleep die bekende uitspraak van Oscar Wilde van toepassing: je moet wel een hart van steen hebben om hierbij niet in schaterlachen uit te barsten. Hopelijk meldt zich een cineast van het kaliber Stanley Kubrick om Kings boek intelligent te adapteren voor het witte doek.

De Nederlandse vertaling van Dr. Sleep is verschenen bij de één of andere kloterige concernuitgeverij waarvan ik je, erop vertrouwende dat je het boek van King sowieso ongekocht laat, de naam onthoud.

In het algemeen geldt natuurlijk: koop je boeken en losse nummers van literaire tijdschriften bij zelfstandige boekhandels. En probeer je zoveel mogelijk te beperken tot titels die verschijnen bij zelfstandige uitgeverijen. Anders kun je je huis, je bezittingen, je dierbaren en jezelf net zo goed meteen helemaal ondersmeren met de zachte stront van zieke kistkalveren.

Overigens ben ik van mening dat auteurs die hun werk onderbrengen bij een concernuitgeverij – een heuse receptie/balie!, representatief geklede redacteurs!, borrels met luxe hapjes!, fotomomentje bij het ondertekenen van een nieuw ‘contract’!, anoniem kapitaal!, efficiency!, winstmaximalisatie! – zich geen grote muil kunnen veroorloven over cultuurbezuinigingen, verharding van de samenleving en censuur. Alles is in alles, zoals Multatuli leert.

Maar laat het maar weten als je er anders over denkt. Dan gaan we lekker polemiseren.

Tirade – bloedserieus.

Volgende week: ‘Hahaha, schitterend!’

‘Wacht, wacht, wacht… wacht nou es eventjes… beweer je nou dat er bij concernuitgeverijen helemaal geen goeie boeken verschijnen?’

‘Nee, sterker: het werk van verschillende van mijn lievelingsauteurs – sommigen springlevend, anderen morsdood, derden ergens daartussenin – verschijnt nu nog bij concernuitgeverijen… Maar noblesse oblige: ik zou graag zien dat alle supertalenten hun werk zouden onderbrengen bij zelfstandige uitgeverijen… Er zijn er genoeg: Van Oorschot, Wereldbibliotheek, De Harmonie, Van Gennep, Karaat, De Geus, Podium, Prometheus, Perdu, IJzer, enzovoort, enzovoort..’

‘Jezus… zijn jullie allemaal van die sektarische, mueslivretende sandalen bij Tirade? Of ben jij de enige? Met je rare Jezushaar. Godverdomme man, die bedlegerige lachebekjes van DasMag vind ik altijd net een stelletje VVD-ers, maar jij lijkt je op te houden aan de gans andere zijde van het lifestylespectrum…’

‘Ik dank je hartelijk.’

Soundtrack: Original Alpenland Quintett – Jetzt Geht’s Los.

 

 

Wisselzondag: Hannah van Binsbergen

Hannah van Binsbergen | Zoek de kogel die je waardigheid bewijst

Hoe kun je je aandacht ervan afleiden en weer eens een veld inlopen
waar niet veel meer aan de hand lijkt
Je moest niet lachen toen je viel voor iemand zonder hart
hoe vaak je ook beweert dat het een grap was
Ik kan niet zeggen dat ik heb geleefd op de manier die mij het beste leek
en kan niet kijken naar mezelf en wat er uit mijn lichaam stroomt maar
weet van de onmogelijkheid die dingen ooit nog terug te krijgen

Ik kan daar één ding over zeggen en dat is
dat het niet waar is

Je kunt niet kijken naar jezelf: deze dingen zijn niet nieuw maar lijken zo onmogelijk ver weg
als iemand over tafel leunt en zegt: ik heb een nummer voor je. Bedenk dat het een keer te laat zal zijn, je weet niet of er dan nog iemand is
Als iemand zegt: ik kan daar één ding over zeggen
en zich omdraait om te kijken hoe je valt of eigenlijk waarom
en je wist niet dat ze wisten dat je viel.

 

 

Vrijdag frietdag

In het huidige nummer van Tirade (450) staat een tirade van Menno Hartman over patat, of beter gezegd: tegen patat. Hij schrijft het volgende:

Mij stoort de lucht van patat. Ik kan slecht tegen dingen die zich in een algemeen en groot publiek mogen verheugen. Waarom is dat? Is patat dan niet lekker? Ja­wel, één keer per jaar is patat lekker. Een mens moet zich beperken tot een keer per jaar patat. En dat is niet uitsluitend omdat je te dik wordt van patat. Dat is ook omdat er zo vreselijk veel andere dingen te eten zijn. Elke keer dat je patat eet, roep je over jezelf af dat je een gerecht niet zult leren kennen.

Wij aten vroeger thuis bijna elke vrijdag patat (overigens noemden wij patat ‘friet’ en dat vind ik toch een vriendelijker woord). Om de beurt moesten mijn zus en ik naar de snackbar (die wij ‘friettent’ noemden en ook dat vind ik een vriendelijker woord) in het nabijgelegen winkelcentrum om daar ‘voor vijf gulden’ te kopen, en soms een nasibal voor mijn moeder. Om de beurt probeerden mijn zus en ik hier vervolgens onderuit te komen, wat meestal leidde tot vreselijke ruzie. Was er een tijdje geen friet meer gegeten en waren we vergeten wie er voor het laatst naar de friettent was gegaan, dan werd er geloot. Ook dit leidde meestal tot ruzie. Verloor mijn zus de loting, dan zat ik vervolgens gniffelend op de bank te wachten tot ze terugkwam en dacht alvast verlekkerd aan de frietjes die mij zo dadelijk ten deel zouden vallen. Verloor ik zelf, dan liep ik met lood in mijn schoenen en bonzend hart richting de schuur om mijn fiets te pakken. Een enorme angst overviel me, iedere keer opnieuw.

De reden: ik was vreselijk bang dat ik een klasgenootje of anderszins bekende tegen zou komen. Die mij daar zou zien staan, in Snackbar Dagobert Duck. Met een zak friet. En een nasibal. Loser. Zeer slecht voor mij reputatie op het schoolplein, dacht ik. Soms verborg ik de plastic zak met het snackbar logo tijdens de drie minuten durende fietstocht naar huis zelfs onder mijn jas, waar mijn moeder op den duur ondefinieerbare vetplekken in ontdekt moet hebben.

Toch was het niet per se de angst om voor ‘goedkoop’ of ‘ongezond’ door te gaan die me op zulke momenten parten speelde. Omgekeerd had ik het namelijk ook: als ik met mijn ouders uit eten ging in een duur restaurant was ik misschien nog wel banger dat mijn leeftijdsgenoten ons zouden zien zitten, en dat ze mijn familie dan decadent of zelfs arrogant zouden vinden. “Lieke en haar ouders voelen zich zeker te goed om zelf hun eten te bereiden,” zo gonsde het door mijn hoofd. Naar mijn ouders toe verklaarde ik mijn restaurantfobie altijd heel nobel door te zeggen dat ik er gewoon niet van hield om bediend te worden. We kunnen toch ook thuis eten, mam, da’s gezellig, dan maak jij die lekkere lasagne, zei ik dan. En dacht: wat mijn part maak je die vreselijke visschotel waar ik iedere keer weer van gruwel, als je me maar thuis laat eten. Overigens bestelde ik bijna altijd een gerecht met frietjes, waar ik me dan weer voor schaamde, want waarom niet iets met orgaanvlees en/of zalmmousse.

Ik dacht dat dit alles zou veranderen op het moment dat ik ging studeren, maar niets was minder waar. Op de een of andere manier belandde ik in het enige studentenhuis van Amsterdam waar men er van hield om eigenhandig klein wild te schieten op het landgoed van iemands Britse familie en waar de ambachtelijke serranohammen boven de schouw te drogen hingen (totdat de maden eruit kwamen kruipen, dat dan weer wel). Als je zo nodig iets wilde frituren, dan moest je maar een pannetje olie opzetten. Een frituurpan kwam er niet in. Nog steeds vraag ik mij af hoe het mijn huisgenoten toch lukte om een zweem van goede smaak om zich heen te hebben wanneer het eten betrof, terwijl ze tegelijkertijd bijna iedere avond pasta-rode-saus (incl. analoog-kaas) naar binnen schoven. Want als je eenmaal bewezen hebt over ver-ontwikkelde smaakpapillen te beschikken, dan is het opeens wel weer bon ton om ‘slecht’ te eten. Het lukte me maar niet om wegwijs te worden in dit oerwoud van eet- en kookregels en op den duur begon ik steeds vaker kant en klaar maaltijden naar mijn kamer te slepen. 

Waar dit allemaal vandaan komt, ik weet het niet precies. Tegenwoordig ben ik allang niet meer de moeilijke eter die ik als kind was, en koken gaat me ook prima af, mits ik mijn best doe. Maar het probleem met faalangst is juist dat je op een gegeven moment je best niet meer doet. Ik heb het gevoel dat ik nog niet over het vermogen een ui te fruiten beschik op het moment dat er iemand meekijkt, dus probeer ik het niet eens meer en ben ik in de keuken degene die de kok toeroept dat ze normaal gesproken tosti’s eet als avondeten. Terwijl dat helemaal niet waar is. Maar dan heb ik in elk geval een houding.

Het probleem is dat ik het idee heb dat alles wat ik in mijn mond stop voor altijd iets zegt over wie ik ben, en misschien nog wel meer: over of ik de moeite waard ben. Ik kan dit gevoel niet goed uitleggen – het heeft mogelijk te maken met verschillende kerstdiners in de jaren ‘90 waarbij ik als enige familielid de amuses van mijn culinaire tante niet door mijn keel kon krijgen, wat resulteerde in een eindeloos ge-‘probeer het nou toch een keertje, één klein hapje maar’ van de rest van de tafel (ja, rotzakken, ik weet dat een amuse maar één klein hapje is, maar ik ga zo meteen een soepbord vol kotsen en dan zullen jullie voor altijd spijt hebben) waarna ik me tekort voelde schieten. Sommige dingen hoor je nu eenmaal lekker te vinden, en ik ben gevoelig voor wat hoort. Tevens heeft het waarschijnlijk te maken met het feit dat ik het hyperbewustzijn dat ik als kleuter al had de rest van mijn leven achter me aan heb gesleurd.

Dit alles leidde ertoe dat ik in Menno’s tirade een echo hoorde van de gemene culinaire smaakpolitie die zich al zo lang in mijn hoofd bevindt. De angst bekroop mij dat ik alleen maar redacteur van een blad als Tirade mag zijn als ik er tegelijkertijd toastjes met kaviaar bij eet. Maar afgezien daarvan vind ik friet ook gewoon een heel lief gerecht. Juist omdat het zo niet-verantwoord is helpt het mij eens in de zoveel tijd de strengheid die ik ten opzichte van mezelf handhaaf te doorbreken, en dat maakt het troostrijk. Ik herinner me hoe ik ooit op een terras vreselijke ruzie met mijn geliefde zat te maken -het ging er verhit aan toe en we stonden op het punt om elkaar te dumpen. Maar toen kreeg de oude vrouw die in haar eentje aan het tafeltje naast ons zat een bord friet voorgeschoteld. De combinatie bejaarde/patat was killing, en er was ook nog eens sprake van ketchup. Op dat moment gleed alle boosheid uit me weg en maakte plaats voor een eindeloze mildheid, zowel jegens mezelf als jegens mijn geliefde.  Zij had hetzelfde. We legden het bij.

Alleen maar complimenten

1377289_692566570762992_2027580411_nGisterenavond was ik te gast op de premiere van de NTR-documentaire Disco. In een volle bioscoopzaal gaf regisseur Arjan Vlakveld een korte inleiding op zijn film, die hij afsloot door te zeggen: ‘Na de voorstelling hecht ik geen waarde aan kritiek. Ik wil alleen maar complimenten horen.’

Het licht ging uit, en in de bijna twee uur die volgden leerde ik veel over een muziekstroming die me altijd meer een grap geleken had. Aangezien Disco volgende week* op tv wordt uitgezonden, zal ik er hier weinig over verklappen.

Het belangrijkste wat ik van gisteren heb meegenomen is niet een verbrede perceptie van de sociale impact van een muziekstroming, maar eerder hoe om te gaan met de reacties die je werk oproept. Natuurlijk is het grappig om te zeggen dat je geen kritiek wilt horen, maar het is ook een heel verstandige aanpak. 

De laatste dagen ben ik in bange afwachting van de eerste bespreking van mijn nieuwe boek. Niet zozeer bang door een gebrek aan vertrouwen in mijn werk, maar eerder vanwege het effect dat kritiek op me kan hebben.

Bij een groot compliment over het einde van een verhaal vraag ik me meteen af wat er mis is met het begin. Laatst herlas ik een bespreking van mijn eerste boek, en ontdekte dat alleen de kritiek bij me was blijven hangen. Als geheel bleek het een mooi positief stuk. 

Het ergste wat je na een recensie kan overkomen is dat je in drie slapeloze nachten tot de conclusie komt dat die recensent nooit zou zijn gevallen over een terugkerend thema of herhalende vertelvorm als je dat ene hoofdstuk maar had weggelaten. Het is als wensen dat je nooit met die geleende Mercedes dat te smalle straatje in gereden was: zinloos, en niets dan zelfkwelling. 

Dank je wel vriend Arjan Vlakveld. Een lichtend voorbeeld, ben je.

 

*zaterdag 9 november om 21:25 op Ned 3

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.

  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.