Entertainment staat of valt vaak met leedvermaak, afgrijzen, een hoog dat-ie-dat-doet-zeg-hoe-dóet-ie-dat-nou-mij-niet-gezien gehalte. Soms denk je alleen maar: ‘Why…?’ Je steekt er niks van op, toch blijf je kijken.
Ik weet niet of de Chinese imker Lu Konjiang (20) hier veel pijn heeft – hij zwaait in elk geval vrolijk naar de camera’s voor zo’n 23 kg bijen hem van top tot teen bedekken.
Hij doet een wedstrijdje met een andere imker, Wang Dalin (42), die uiteindelijk maar liefst 26 kg bijen weet te lokken. Zal een behoorlijke herrie maken. Het record staat trouwens nog steeds op naam van ene Mark Biancaniello, die in 1998 maar liefst 39.5 kg bijen wist aan te trekken.
Arme Lu, bijna een uur lang onder de bijen zitten, en dan toch verliezen. Maar ja, als imkers elkaar uitdagen, dan doen ze nu eenmaal niet aan armpje drukken. Da’s iets voor softies.

The Bee is not afraid of me
The Bee is not afraid of me.
I know the Butterfly.
The pretty people in the Woods
Receive me cordially—
The Brooks laugh louder when I come—
The Breezes madder play;
Wherefore mine eye thy silver mists,
Wherefore, Oh Summer’s Day?
(Emily Dickinson, The poems of Emily Dickinson, 2005)
‘Het is poëzie die de lezer verpletterd achterlaat: macaber en hallucinerend, maar ook vol ironie en vernuft en bovenal met een sterke emotionele kracht.’ Aldus de flaptekst achterop Sylvia Plaths Ariel (vierde, herziene, eerste tweetalige druk, De Bezige Bij 2003), vertaald door Anneke Brassinga.
Het had ook achterop de deze week verschenen tweede dichtbundel van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer (Kaapstad, 1981) kunnen staan. Die heet grond/Santekraam, en is een adembenemende, zeer persoonlijke en ook zeer Zuid-Afrikaanse bundel. Maar er staat niets achterop vermeld. Geen foto, geen beschrijving, geen citaten. Terwijl dat makkelijk had gekund: haar debuut Noudat slapende honde (2008) is terecht overladen met lof, hier en buiten Zuid-Afrika.
Maar Kamfer is, zoals ook J.M Coetzee, een voorbeeld van een schrijver die wars is van dikdoenerij of geschreeuw. Laatst waren we hier in Sea Point met een klein groepje bijeen om Ronelda wat handige cadeaus te geven voor haar dochtertje, die een dezer dagen geboren wordt. Wij, haar uitgever Nèlleke de Jager, dichteres en mentor Antjie Krog, Margot Luyt van de radio, en ik, waren meer aan het woord dan Ronelda. Die luisterde vooral, lachte hartelijk en wreef af en toe over haar buik. Als het gezegde ‘Stille wateren hebben diepe gronden’ ooit op iemand van toepassing is geweest…
De gedichten in grond/Santekraam gaan echt ergens over, zonder prekerig, simplistisch of pamflettistisch te worden. Zoiets is razend knap. Over identiteit, over groepen achtergestelde landgenoten – het lot van de gewone, arme bruine medemens. Er worden personages ten tonele gevoerd die als metafoor dienen voor het onrecht dat veel landgenoten is aangedaan. Mensen die uit hun bestaan werden weggerukt en verplaatst, overgebracht naar een vreemde plek, krijgen hier een stem.
Ook personages die minder mythisch lijken en midden in de stedelijke en rauwe realiteit staan, krijgen een stem. Dat gebeurde al in Noudat slapende honde, dat gebeurt nu nog sterker en doordachter. Deze poëzie gaat dikwijls een gesprek aan met Zuid-Afrikaanse geschiedenissen, liedjes, gedichten, opvattingen – ‘The empire writes back’, als het ware. Nu en dan is de toon bitter: geen wonder, gezien de geschiedenis. Maar zoals Fred de Vries concludeert in zijn mooie bespreking in Rapport: ‘Dié is ’n moderne Suid-Afrikaanse weergawe van die “dust bowl blues” van die liedjies van die katoenplukkers en chain gangs – ’n oproep tot medemenslikheid en begrip wat nooit gekunsteld of pateties aandoen nie.’
grond/Santekraam is een verslavende, veelkantige en soms ingewikkelde bundel, vooral vanwege de verwevenheid met andere Zuid-Afrikaanse teksten.
Wat een grootse, hartverscheurende poëzie. Dat sms-te ik mijn goede vriend, dichter Danie Marais. Hij sms-te terug: ‘Absoluut. Mens kan dit eintlik nie eers kuns noem nie. Dis iets ergers.’
Jeppe
Jeppe wens hy was dood
elke dag
elke oggend
ons het saam taxi gery tot by Medi-Clinic
hy was 35 jaar oud
en ek 25
hy het sommer een oggend besluit
om my sy hele life story te vertel
so
tussen squeal met die taxi guard oor kleingeld
sy pa was ’n alkoholis
dis hoekom hy drink
en sy ma was ’n moeilike vrou
hy wou nie uitbrei nie
die bottom line het hy elke dag elke oggend
gesê
ek wens ek was dood
elke dag
elke oggend
het ek gesit en luister
een oggend vertel ek hom van my lewe
en hoe ek wens ek het nie so dood gevoel nie
en as ek kon
as dit van my afhang
as dit in my hande was
as ek regtig kon sou ek hom doodgemaak het
dan het ons albei se wens waar geword
ná daai oggend het ons nie meer met mekaar gepraat nie
–
dit vat ’n kat om ’n muis te vang
ek het my pa gaan soek
eers buitekant
waar mens mos begin
in die tuin tussen sy rankrose
toe in sy motorhuis
waar hy altyd in stilte besig is
laaste het ek binne gaan soek
waar mens mos eindig
drie kloppe
een
twee
drie
op jou merke gereed weg
my hand het sy asem opgehou
al vyf vingers se oë was toe
met die oopdraai van die handvatsel
het die deur gekreun
my vingers het my probeer waarsku
een
twee
drie
op my merke gereed weg
my oë was toe
maar ek kon hom sien
ek kon my pa sien hang
hy hang
en hy hang
en hy hang
sonder my
elke dag sonder om te val
hang hy
hy hang nou nog
(‘Jeppe’ en ‘dit vat ’n kat om ’n muis te vang’: Ronelda S. Kamfer, grond/Santekraam, 2011)
Ik had het over de jaren tachtig. Verleden week tijdens de winterschool. Opvallend toch dat, als je terugkijkt op de vorige eeuw, bijna geen ander tijdperk zo achterhaald lijkt en vermakelijk is als die jaren tachtig. De doem van de politiek, de vlucht in het
postmodernisme, de totale anarchie op het gebied van smaak: die dikke rode colbertjes bij de C&A, schoudervullingen, plastic muziek – sowieso veel plastic. Ik kan urenlang van jaren tachtig videoclip naar jaren tachtig videoclip surfen.
Maar ja, dat zijn de Nederlandse en de westerse jaren tachtig. Ik stelde, dacht ik, een retorische vraag toen ik vroeg naar de Zuid-Afrikaanse jaren tachtig. Een uitnodiging tot discussie. Jaren van isolement, angst, haat, oproer, nog sterkere ongelijkheid. Het kwam in die tijd tot een kookpunt, tot het aan alle kanten gewoon niet meer ging en men besefte dat het tijd werd voor een ander tijdperk, te beginnen met de vrijlating van Nelson Mandela.
Maar wat blijkt dan: je stelt zo’n vraag en nagenoeg alle studenten (maar natuurlijk!), hebben helemaal geen weet van die laatste, deprimerende apartheidsjaren. Zijn ze veel te jong voor. Dat zijn van die momenten dat je beseft dat het allemaal wel goed komt. De economische ongelijkheid en de daaruit voortvloeiende criminaliteit mogen dan een erfenis zijn uit die donkere tijd, de angel zelf is er wat betreft de jeugd wel uit.
Alleen nu en dan steekt zo’n stukje onkruid nog de kop op. Zoals laatst in de Pick ’n Pay (de Zuid-Afrikaanse Albert Heijn) in The Waterfront, een groot, druk en toeristisch winkelcentrum aan de haven van Kaapstad met veel, en soms dure winkels en veel cafés en restaurants. Uitgerekend daar voelde ik een naschok uit een tijd dat ik nog midden in mijn Leidschendamse jeugd verkeerde.
‘You’re all the same, you fucking blacks!’
Blijkbaar had de zwarte meneer die de winkelmandjes verzamelt wat te vroeg het winkelmandje van een mevrouw te pakken, haar boodschappen zaten er nog in. Niks aan de hand natuurlijk. Maar de vrouw zag haar kans schoon en brandde los. De man protesteerde, maar werd totaal overschreeuwd.
En daar kan ik dan niet tegen, zeker niet als iedereen eromheen zo stil blijft. En het is druk zat in de Pick ’n Pay van de Waterfront.
‘Whát did you just say to that man?’ Ik kreeg natuurlijk ook een grote bek, dat ik me met mijn Amerikaanse (ja, mijn Engels klinkt nogal Amerikaans) bemoeizucht moest reppen naar mijn eigen land.
Maar ik liet niet los. ‘You make your apologies, nów!’ Dat heeft ze uiteindelijk niet gedaan, maar ze droop wel af met de staart tussen de benen, onder tal van blikken. De oude, zwarte man in kwestie stond er verbouwereerd bij – je zag gewoon hoe de geschiedenis voor zijn geestesoog voorbij trok.
Gelukkig maak je het hier niet veel mee, maar waar ie opsteekt, die raciale haat – gelijk aanpakken. Deed mijn moeder al toen ze in de jaren zestig van Aruba naar Nederland kwam en een keer als enige zwarte vrouw in een Haagse tram gesommeerd werd op te staan, voor een oudere blanke dame. Dat heeft die vrouw geweten: in een stampvolle tram werd die vrouw eens flink de waarheid gezegd.
Toen ik bij m’n auto kwam was mijn bloed nog steeds aan het koken. Ik had dat wijf bij haar vettige haren moeten grijpen en door het hele winkelcentrum moeten slepen. Op z’n minst. Maar gedwee laadde ik de boodschappen in, reed de parkeergarage uit en schoot langs zee terug naar huis. Ramen open – de winter is hier met elke dag zon en 24 graden extreem zacht – en de radio hard. ‘Ebony and Ivory’ van Stevie Wonder. Wat een timing, Stevie! Zijn muziek was hier trouwens verboden tijdens de tweede helft van de jaren tachtig, omdat hij zijn Oscar voor beste filmmuziek opdroeg aan Nelson Mandela. ‘Ebony and Ivory’; beetje soft nummer.
Maar toen kwam ‘Molalatladi’‘ van de Johannesburgse band BLK JKS voorbij op 5FM. Dat kon geen toeval zijn. Dus ging het volume omhoog. En wég vloog de woede.
White people are white people
White people are white people,
They are burning the world.
Black people are black people,
They are the fuel.
White people are white people,
They must learn to listen.
Black people are black people,
They must learn to talk.
(Mongane Wally Serote, Selected poems, 1975)
Een kleine vijftig studenten. Vorige week was winterschoolweek bij de vakgroep Afrikaans en Nederlands van Stellenbosch, elke dag van negen uur tot half zes. Marleen Coutuer zorgde voor het taalkundige gedeelte, ik voor het letterkundige en geschiedkundige/maatschappelijke deel. Bijna allemaal jonge vrouwen van begin twintig. Van universiteiten uit Johannesburg, Potchefstroom, Pretoria, Durban, Windhoek (Namibië).
Het is goed je nu en dan eens intensief met je geboorteland bezig te houden, zeker voor zo’n vreemd gezelschap. Zoals je je woonplaats anders bekijkt als je er met een buitenlandse bezoeker doorheen loopt, de plek frist er wat van op. De afsluitdijk, de watersnoodramp, provo, de treinkapingen, Pim Fortuyn, alles kwam in vogelvlucht voorbij. Veel beeldmateriaal, over Indonesië, de Antillen, veel beeldmateriaal van de schrijvers en dichters die ik behandelde. Reve in de kerk, Frank Martinus Arion op Curaçao, Hermans op bezoek in Zuid-Afrika. Harry Mulisch tijdens zijn laatste optreden bij De Wereld Draait Door.
Matthijs van Nieuwkerk. Op zo’n afstand valt zijn vakmanschap des te meer op, en ook die niet te volgen snelheid, iedereen begon bijna direct te steigeren – ‘Wát sê die man alles?’ ‘Sjoe, maar hy praat vinnig [snel]!’ Ik liet hem voorbij komen tijdens een sessie over de media, en vergeleek hem maar met Oprah Winfrey. Klopt niet helemáál, hij geeft geen auto’s weg, natuurlijk, dat niet.
Die andere ogen, dat is toch wel interessant. In de documentaireserie Het Verleden van Nederland is een fragment te zien waar toch wel behoorlijk jonge kinderen, ergens eind jaren zestig, gevraagd wordt hoe dat nou allemaal zit met het geslachtsverkeer, hoe het werkt, hoe alles heet. Mijn studenten, voornamelijk jonge dames dus, vonden het toch een beetje vreemd, ongemakkelijk ook. Nu is de gemiddelde student hier een stuk conservatiever en godsvruchtiger dan in Nederland, maar ik voelde dat ongemak ook. Ik denk ook niet dat het er in het Nederland van vandaag zó openhartig aan toe gaat. Maar ik kan het mis hebben.
Het fragment met Reve was dan weer een succes, had ik niet verwacht. De hele scène is zo vreemd voor de gemiddelde Zuid-Afrikaan.
‘Ik heb desgevraagd gewenst te kennen gegeven: zoek als het kan een schouwburg, een theater. Toen heb ik gezegd: het is misschien niet zo’n gek idee om te zoeken naar een theater dat een theater is, een schouwburg én een circus, dat de Divina Comedia is, dat de eeuwige schouwburg, de eeuwige komedie is: een Rooms-katholieke kerk.’
Of: ‘De vraag is dus: je kan je eigen ophangen, je kan je eigen niet ophangen. En ik heb het besluit genomen om me eigen niet op te hangen, ik moet nog wat werken, ik moet nog wat voort naar mijn eigen idee.’
Zo maakt men ze niet meer. Toen ik vertelde van Reve en de ezel, waren een paar studenten even uit het veld geslagen.
Het filmpje waarin Hafid Bouazza wordt geïnterviewd vond iedereen razend interessant en heel grappig, het hyperbolische karakter van Moussi el Kandoussi kon men wel degelijk plaatsen. Al lijkt het moslimdebat in Nederland en Europa hier, waar christenen en moslims relatief probleemloos met elkaar leven, wat buitenaards.
Tegen het eind van de week werd het steeds meer beeld en steeds minder tekst, m’n stem begon het van de vermoeidheid en verkoudheid te begeven. De animatie van ‘Vos’ van Ramsey Nasr, Bert en Ernie bij Mark Boogs Poetry in Motion, een handgeschreven gedicht bij Tonnus Oosterhoff, het reclamefilmpje van de PVV, opnames van het Boekenbal, Franca Treur bij EO-Netwerk – er was genoeg te zien.
Ik las Faverey’s ‘Man & dolphin / Mens & dolfijn’ – rustig, in z’n geheel, het gedicht was een hit. En er werd spontaan geklapt na de voordrachten van Mustafa Stitou (op cd) en Lucebert, vooral ‘visser van ma yuan’ kreeg veel bijval.
Een inspirerend weekje al met al, zo’n kleine vijftig Zuid-Afrikaanse geïnteresseerde studenten zijn een week lang volgepropt met Nederland en Nederlands. Wel behoorlijk vermoeiend: weinig slaap, negentig minuten les per sessie.
De zaterdagochtend, met de afsluiting van Frits van Oostrom, heb ik niet meer bijgewoond. En ik was er ook niet helemaal bij toen ik zaterdagmiddag weer uitstapte in Kaapstad. Ik had de krant bij me en twee recente Nederlandse dichtbundels, die ik als voorbeeld heb gebruikt van zeer recente, steengoede poëzie. Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman en Melktanden van Martijn den Ouden liggen hopelijk al niet meer in de trein, maar worden nu ergens in Kaapstad gespeld, ontcijferd en vertaald. Naar het Afrikaans, het Engels, het Xhosa. Hopelijk valt men dan ook van verbazing achterover.
Mooi hoor, heb ik weer.
een handvol herten
drijft af
in de snelle, lichtende rivier
naar groen gors ruikt de adem
die angstig uit hun muilen slaat
ik heb nooit een hert geslagen
ik wandel ook nooit door het bos
omdat de roze tong
van de vruchtbare nacht
likt
aan het natgeregend beton in de stad
wandel ik nu door het bos
keil
uit stomme verveling
wat in mijn zakken zit
in de lichtende rivier
waarin zo-even
een handvol herten dreef
(Martijn den Ouden, Melktanden, 2010)
Het is stil. Toch reizen elke dag miljoenen mensen tussen huis en werk, alleen, je merkt er niets van. Het is een gedweeë tocht, in de nog donkere uren, zowel ’s morgens als ’s avonds. De winter houdt de mensen bij elkaar weg, zo lijkt het. Is natuurlijk schijn. Waarschijnlijk begin ik gewoon te wennen aan het land, en vallen dagelijkse zaken niet meer zo op.
Ik heb De correcties van Jonathan Franzen uit. Op de een of andere manier had ik het idee dat dit een uitzonderlijk boek zou zijn, ik heb het iedereen aanbevolen nog vóór ik de roman zelf had gelezen. Wat kan een magistrale, aangrijpende roman toch verslavend zijn. Wat een enorme greep, wat een inlevingsvermogen. Een op het oog eenvoudige alinea als deze kan ik lezen en herlezen en weer herlezen:
In augustus had de Midland Pacific Alfred benoemd tot assistent-hoofdtechnicus voor sporen en bouwwerken, en nu was hij naar het oosten gestuurd om de Erie Belt Spoorweg kilometer voor kilometer te inspecteren. De districtmanagers van de Erie Belt reden hem heen en weer in piepkleine motorwagentjes op benzine, en schoten als kevers wisselsporen op als er Erie Belt-megalosaurussen langsdenderden. De Erie Belt was een regionaal netwerk waarvan het goederenvervoer te lijden had gehad van vrachtwagens en het reizigersvervoer dankzij personenauto’s in de rode cijfers was beland. Hoewel de hoofdlijnen in het algemeen nog goed mee konden, waren de aftakkingen en zijlijnen er onvoorstelbaar slecht aan toe. Treinen sukkelden met 15 km per uur voort over rails die niet rechter waren dan slap touw. Kilometer na kilometer hopeloos kromgetrokken Belt. Alfred zag bielzen die geschikter waren om compost van te maken dan om spoorspijkers op hun plaats te houden. Railstoelnagels waarvan de kop was weggeroest, de romp nutteloos achtergebleven in een korst van corrosie, als garnalen in een omhulsel van frituur. Ballast die zo weggespoeld was dat bielzen aan de rails hingen in plaats van ze te ondersteunen. Steunbalken schilferend en vermolmd, als Duitse chocoladecake, de donkere vlokken, het gemengde kruim.
Het ritme, de kennis, het beeldende vermogen. Uitstekend vertaald ook. Het origineel zal er waarschijnlijk nog een schepje bovenop doen. In één alinea wordt een heel tijdperk tot leven gewekt, het verhaal wordt op prachtige wijze geïllustreerd aan de hand van woorden als ‘sukkelden’, of formuleringen als ‘schoten als kevers wisselsporen op’ of ‘een korst van corrosie, als garnalen in een omhulsel van frituur’. Met als kers op de taart natuurlijk die Duitse chocoladecake. Hier wordt niet stilgestaan bij en oeverloos voortgeborduurd op mooie vondsten, zoals je vaak ziet in zwak proza – taal en verhaal gaan hand in hand.
Ik was zozeer in De correcties verdiept – ik zat acht pagina’s voor het einde – dat ik niet in de gaten had dat de trein terug naar Kaapstad al geruime tijd stil stond, net buiten Lynedoch. Het buitengewoon ontroerende en knappe slot van de roman, waar Chip tegen zijn vader Alfred, die inmiddels aan alzheimer lijdt, moet zeggen dat hij hem niet van het leven kan ‘verlossen’, is zó accuraat, behendig, zo zonder franje neergezet, dat je bijna precies kunt nagaan hoe en door welke wendingen en woorden je ontroerd raakt, terwijl je tegelijkertijd ook daadwerkelijk ontroerd raakt.
Maar goed, we reden dus niet meer. Ik legde het boek weg. Een paar passagiers schoven de schuifdeuren open en zagen een optocht van reizigers die langs het spoor trok richting het volgende station, minstens dertig minuten verderop.
‘No need to wait, the train is broken!’ riep iemand. De stoet was opvallend stil en gedisciplineerd. De gewone treinen hebben hier geen intercom – er was dus niets omgeroepen, er was geen spoorwegteam of iets dergelijks te bekennen, iedereen was gewoon uitgestapt en begonnen met lopen.
Wat staat zo’n trein eigenlijk hoog, merk je als je eruit moet springen. Een paar passagiers uit ons compartiment hielpen elkaar de trein uit, en zo voegden we ons bij de lange schare reizigers, op weg naar station Eersterivier.
Het was gelukkig zonnig, niet al te koud. En het was nog licht. Dat scheelt. Maar toch, de kalmte en de vanzelfsprekendheid waarmee alles gepaard ging, de hele gebeurtenis leek iets wezenlijks te zeggen over dit land en zijn mensen. Zo’n vriendelijke mars, geen gezeur, zo’n praktische ingesteldheid. Het was een prachtig en dramatisch gezicht, die mini-exodus langs de spoorbaan.
Ik mis mijn oude vrienden, kennissen, ex-collega’s. Maar wat mis ik aan Nederland? Misschien het fietsen door Amsterdam met mijn dochter voorop, Paradiso, paprika chips – dat soort dingen. Ik ben vorig jaar op een warme dag in mei per ongeluk een keer naar Volendam gefietst. Lang verhaal, doet er niet toe – maar die stilte, die vlakte, het is een dierbare herinnering. Maar verder, merk ik, mis ik nog weinig. Af en toe lees ik iets over Nederland en dan ken ik het land al bijna niet meer terug. Misschien, bij een eerstvolgend bezoek, hoor ik de stilte niet meer omdat iedereen op klompen loopt.
Terwijl ik deel werd van die Zuid-Afrikaanse mars door het hoge gras en de plassen naast de spoorbaan richting het eerstvolgende station, waar hopelijk de trein uit de richting Somerset West al klaar zou staan, bedacht ik: vreemd, maar ik zou me hier nog wel eens heel erg thuis kunnen gaan voelen.
ik ben een paard
ik reis in een trein
die stampvol is.
in mijn coupé
is iedere plaats bezet door een vrouw
die een man op haar schoot heeft.
de lucht is ondraaglijk tropisch.
alle reizigers
hebben vreselijke honger
en eten onophoudelijk.
plotseling beginnen de mannen
te kermen
en verlangen de moederborst.
ze knopen de damesblouses open
en zuigen verse melk naar hartelust op.
alleen ik zuig niet
en wordt niet gezoogd.
er zit niemand op mijn schoot
en ook ik zit op niemands schoot.
want ik ben een paard.
ik zit rechtop en groot
met mijn achterpoten op de treinbank.
en steun comfortabel
op mijn voorpoten.
ik hinnik luid hiii hiii hiii.
aan mijn borst glinsteren
de seksknopjes van mijn sex-appeal
in mooie rijen
als de glinsterende knopen van een uniform.
o zomertijd.
o wijde wereld.
(Hans Arp, Onze dagelijkse droom. Vertaald door Peter Nijmeijer, 1986)


