Zo alleen… Zo alleen 

(beeld: Don Duyns)

Uit de hengstebron gedronken hebben.  

Ik schrijf over gegeven paarden en ogen van naalden. 

Over brood op de keukenplank muizen die op tafel dansen en  

klokjes die tikken. 

Had het meisje geantwoord. 

Hij had haar rode kapje gevolgd en zijn besluit genomen. 

Ik ben een poëet, had ze piepend gezegd. 

Aan de greep van zijn bek zou ze niet meer ontkomen. 

Je bent een kind zonder moeder, zei de wolf. 

Liefde is niet blind  

Ik schrijf ook gedichten zei de prins:  

‘’Ik ben geboren met een kroon op m’n kop 

Een gouden lepel in mijn bek 

En een neus vol met boter 

Ik zit stevig in het zadel 

Mijn bloed is van adel 

Wil je met me trouwen? 

Ik blijf voor altijd de jouwe” 

De prinses boog zich voorover en fluisterde zacht:  

Er hangt een snotje uit je neus… 

Ruw laten stikken 

Maar er kwam niemand thuis, er kwam nooit iemand meer thuis.  

Er was geen oost west best meer, 

De kindjes, op blote voeten en kapotte kleding, uit het zoete huis ontsnapt. Verslagen stonden zij in de lege kille ruimte, beduusd starend naar wat ooit hun woonkamer was geweest. 

Maar er kwam niemand thuis, er kwam nooit iemand meer thuis.  

Er was geen west oost best meer, 

Een tante kwam langs, van horen zeggen.  

In de woonkamer twee kinderlijkjes, natte oogjes, handjes vast.  

Zij waren opgegeten door het leven. 

Heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog 

Ze had vogels die haar wekte, 

Muizen die haar hielpen. 

Taken te doen en ze miste één schoen. 

Wankel als een pasgeboren veulen, bood zij zich aan bij de prins. 

Ziet u? De prinses was ook maar een ongeliefd kind… 

Dus danste ze, 

naar zijn pijpen, verkocht ziel, zaligheid, zette zelfs de bramzeilen bij 

De prins was te druk met duivels op zijn kussen binden, 

vergat zijn kinderen en verachten zijn vrouw. 

Op hoge poten liep zij de ballroom binnen 

Sleurde de prins mee aan zijn haren, 

schold hem de huid vol, 

spuugde in zijn gezicht en 

zette haar nagels diep in zijn huid. 

En toen hij smeekte om vergeving, haar beloofde nu trouw te zijn 

Stak zij met haar hak, 

Recht door zijn hart. 

                                En ze leefde nog lang en gelukkig 

Foto van Dünya Calikci
Dünya Calikci

Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.

In de Oorshop

Geen weer

Omdat onze vriendengroep door aanvullende kinderen en huisdieren bijna alle vakantiehuizen ontgroeid is en de resterende vakantiehuizen hatelijk duur zijn geworden, bedacht ik een alternatief.

We zouden een tentenkamp opslaan bij S en L, die sinds kort een boerderij met flink wat grond in Wardoe bewonen. Fikkie stoken, buiten koken, disco met de kinderen, sterrenstaren in de nacht.

Ik kijk nooit naar weersvoorspellingen omdat ze je humeur beïnvloeden met onbetrouwbare wetenschappelijkheid, maar de anderen keken wél: een week tevoren werd duidelijk dat het hoogstwaarschijnlijk zou gaan gieren van de regen.

Als vrienden zijn wij niet voor één gat te vangen. Er was open vuur, er was een droge loods, er was een houtgestookte hottub. Er was veel meer wijn mee dan er ooit regen zou kunnen vallen.

Aan het einde van de eerste avond, toen onze mensensoep klaar was, de hottub weer leegliep en iedereen zich had afgedroogd, trok men zich voor de nacht terug in tenten en woonwagens.

De wind zette er nog een tandje bij en de woonwagen waar B en ik in lagen leek wel een bootje op woelige baren, maar al snel sliep iedereen.

In het holst van de nacht werd ik wakker van B’s onrust.

‘Moeten we niet naar buiten,’ zei ze. ‘Kijken hoe het met die jongens in de tent gaat?’

‘Maak je niet druk,’ zei ik. ‘Nadim en zijn maat vinden dat alleen maar spannend. Plus die tent staat achter de heg.’

Toen ik bijna weer in slaap gevallen was landde er een druppel op mijn schouder. Ik wachtte een klein uur tot de tweede zou vallen en ik een emmer voor deze lekkage zou moeten zoeken, maar een tweede druppel kwam heel lang niet – pas toen ik net weer droomde petste er eentje op mijn kin.

Na een gebroken nacht bleek dat de tent van de jongens was weggewaaid. S en L waren om vier uur ’s ochtends opgestaan om hen naar binnen te halen en in het bed van een van hun eigen kinderen te leggen.

Gelukkig leken Nadim (13) en zijn vriend het allemaal als een avontuur te hebben ervaren. In de verwarring hadden ze hun tassen wél buiten laten staan, waardoor ze verder moesten met de kleren die ze aanhadden.

We ontbeten, keken vanonder een afdakje naar de regen. In de middag reden we met bakbrommers naar het strand; er werd geracet op een zanderige bouwplaats. Ik hield mijn hart vast toen Ada (8) voorop de opgevoerde bak van L tegenhing terwijl hij ermee driftte en donuts draaide.

Mijn broer P kwam – zoals te doen gebruikelijk – een dagje later aan met uitstekende zin en een blokkie hasj om te delen. In de middag maakte ik een gigapan curry op het houtvuur, bakte daar boternaan bij en grillde kip voor de kinderen.

Van lange reizen herinner je je de files meestal niet, van weekends weg verdwijnen met de jaren wind en regen.

Wat van ons pinksterweekend in Wardoe zal overblijven: al die kinderen, over het erf razend in een stoet van skelters en driewielers; B die huilend van het lachen over de rand van de hottub hangt; de lange tafel in de loods vol vrienden.

Hoe de kleinste kinderen mijn nog dampende brood met grote ogen vasthielden voor ze er een hap van namen.

De wind ging liggen en het regende iets minder hard. We zaten nog een tijdje in de hottub en gingen daarna vrij vroeg naar bed. Iedereen sliep diep, zelfs de kinderen met slaapproblemen.

Op de laatste ochtend was het zonnig. Ik bedacht dat in de zon zitten hetzelfde werkt als het inhalen van slaap: hoeveel dagen en nachten het ook geregend heeft, één warm uurtje en het lijkt allemaal best mee te zijn gevallen.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Tenta

(beeld: Don Duyns – naar Hokusai)

Het Spaanse strand is leeg, op wat lege flessen, de resten van een kampvuur, omgevallen plastic stoelen en Cleo na. Haar vingers prutsen met het wieltje van een aansteker terwijl ze haar 3e sigaret van de ochtend probeert op te steken. Blote voeten half begraven in het zand, gehaakte topje half afgezakt. 

Ze had zichzelf beloofd dat ze hier, in een willekeurig betaalbaar kustplaatsje, weer tot zichzelf zou komen. Dat wil zeggen, herontdekken wie ze is. Waarmee ze vooral wil bewijzen dat ze Omar niet nodig heeft. 

Omar. Omar, Omar, Omar. Cleo viel voor hem omdat hij niet dronk. Of, nouja, weinig. Minder dan zij. De eerste nacht dat ze hem had ontmoet liet hij haar zo hard lachen dat ze niet wist of hij haar nat maakte of ze in haar boek had gepist. Hij keek haar recht aan terwijl hij het zout van de rug van haar hand likte. Zijn tong een dikke, vochtige spier. Ze bleef shotjes nemen omdat ze daar maar niet genoeg van kon krijgen, die tong, daar, precies op dat plekje tussen haar wijsvinger en duim. Het was beter dan beffen. Hij smaakte naar verse peper en zoethout. 

De eerste keer dat ze seks met hem had deed hij haar denken aan een loopse Chihuahua hangend aan haar been. Het was op de bank van haar beste vriendin, het huis rook naar zweet, oude sla en luchtverfrisser. 

De avond is een mistige montage van schreeuwerige gesprekken met vrienden in de keuken, peuken op de veranda, iemand die van de trap viel en daar niets van voelde en iemand die moest kotsen in een plantenbak en daarom moest huilen. Maar het branden, het droge branden tussen haar benen en zijn korte, gespannen bewegingen zijn haarscherp. Ineens voelde ze hoe groot ze eigenlijk was, hoeveel ruimte ze in nam, hoeveel huid ze heeft. En hoe hij alleen maar haar tepels, haar mond, haar vulva, en heel af en toe haar nek aanraakte, greep of likte. Haar lichaam was gefragmenteerd. Een reflectie in een gebroken spiegel. Terwijl hij in haar kwam dacht ze aan de huid achter haar oren, haar knieholtes, de gigantische hoeveelheden huid tussen haar kin en voetzool en probeerde die allemaal tegelijk te voelen. Het lukte niet. Ze bleef een mens van tepels, mond en droge vulva. 

Daarna was elke vrijdag hetzelfde. Om een uur of tien stond ze voor zijn deur en hij, vettig haar, ongewassen lakens, drie bier en twee joints in, begon haar tijdens het zoenen te vingeren. Ze voelt het nog, het kleffe ritme van vieze nagels, stroever dan een tampon op de laatste dag. 

Als hij tussen haar benen lag, hijgend en sissend alsof je een beker heet water over zijn hand goot, bleef haar lichaam overbodig en incompleet, haar ledematen lang en ver weg. Ze kuste zijn oorschelp. Waar laat je je benen tijdens seks? Je schouderbladen, polsen, de kuiltjes in je onderrug? 

Tot nu toe heeft Spanje haar geleerd hoe ze danst met Chinese expats op hits uit 2010, hoe ze krab eet met haar handen en elke ochtend opnieuw alleen wakker kan worden om de dag voorbij te laten kruipen als een kever in het zand. Een vrouw buiten de supermarkt met gouden oorringen vertelde haar hoe je om een sigaret vraagt – “Cariño, ¿me puedes dar un cigarrillo por favor?” – en complimenteerde haar op haar zomerjurk. Cleo probeerde uit te leggen dat het niets was, een H&M’etje uit de Coachella Collectie drie jaar geleden, maar de vrouw wist niet wat Coachella was. 

Er kraait een meeuw. Waarom luisteren mensen naar de zee om rustig te worden? Als je er echt voor gaat zitten klinkt het niet anders dan een snelweg, viaduct of vaatwasmachine. 

Ongeveer 10 meter bij haar vandaan, op de grens tussen water en land, ligt een donkergrijs glimmende bol. Oh gatver. Het stikt hier van de kwallen. Gisteren avond liet een van de jongens in het licht van het kampvuur een litteken van een kwallenbeet zien dat over zijn hele dij spande. Trots hield hij zijn short omhoog, tot een van zijn vrienden hem corrigeerde. Het bleek een brandwond van frituurvet te zijn. 

Cleo staat op, slaat het zand van haar korte denim broekje en loopt, terwijl het water tegen haar enkels slaat, naar het gladde dier. Hoe dichterbij ze komt, hoe groter hij blijkt.

Pas als ze ongeveer een meter bij de grijze bol vandaan is ziet ze dat het geen kwal is. Het dier heeft twee kleine, zwarte, glimmende, wimperloze ogen. Op de plek waar een snotterige kluwen aan draden zou moeten zitten heeft het acht dikke, grijs witte tentakels die als de voelsprieten van een insect traag door het zand bewegen. Een octopus. Fack. 

Cleo gooit het laatste stompje van haar peuk weg en trapt er wat zand overheen. Het beest knippert traag als een panter. Voorzichtig trekt hij zichzelf iets verder het strand op, zijn armen verdwijnend in het natte zand. 

Cleo kijkt om zich heen; niemand. Met de vriendelijke voorzichtigheid van een oude hond en de zelfverzekerdheid van een kat tast hij het strand af, de golven van de branding opvangend door zijn ogen te sluiten en tentakels aan te spannen. 

Cleo’s mond is een stukje open gevallen. Ze ademt zwaar door haar droge lippen en blijft naar het beest aan haar voeten staren. Op foto’s leek een octopus slijmerig en loch, maar hier, zo, op een donderdag ochtend heeft het eerder iets buitenaards. Als een kleine zoutwater alien. Iets wat eigenlijk niet kan bestaan, zo vreemd. Een van zijn tentakels glijdt koud en glad over haar tenen, dan langs de rug van haar voet, om haar enkel. Het dier trekt zich langzaam naar haar toe, wikkelt een tentakel om haar kuit, haar knie en nog een om haar enkel.  

Hij is teder maar brutaal. Als Cleo hem voorzichtig optilt uit het zand slaat hij meteen zijn tentakels om haar arm. Met zijn kop losjes in haar handpalm tegen haar borstbeen gedrukt draait ze om en loopt in de richting van de trap die uitkomt op de parkeerplaats van het hotel. 

In de badkamer legt ze het dier op de koude gietijzeren bodem van het bad. Even wil het dier haar niet los laten maar als Cleo de kraan open draait en hij het water voelt wikkelt hij zijn armen los. Terwijl hij voorzichtig de grenzen van de badkuip af tast, zijn tentakels over de rand laat hangen trekt Cleo de kastjes open. Pas nu ziet ze de kleine cirkels die hij heeft achtergelaten op haar hand, pols en onderarm. Precieze, paars rode kringen die zich in lijnen over haar huid uittrekken. Naast de badmuts en shampoo- en conditionerflesjes vind ze een klein plastic potje badzout; mandarijn en bergamot. Het dier zal het er mee moeten doen. 

Als de badkuip ongeveer half vol is en de badkamer naar mild chemische citrus ruikt trekt Cleo haar kleren uit en gaat naast het bad op de nep-marmeren tegels zitten. Haar hielen schurend van het zand tegen haar billen. Het dier drijft en zwemt alsof het vliegt. Langzaam, gewichtloos en gecontroleerd tast het de badranden af, reikt naar de kraan, wikkelt een tentakel om de warme knop, kijkt Cleo aan. Knippert. Knippert nog eens. 

Voorzichtig laat ze haar hand in het lauwe water zakken. De ogen van het dier blijven open terwijl hij langzaam twee armen om haar hand wikkelt en in haar huid plant. Met kracht deze keer. De zuignappen voelen als tientallen kleine monden. Ze aait met haar vingers over de kop van het beest en het laat haar langzaam los. 

Oké. denkt ze. Wakker, glad en nat. Oké.

Het water golft licht als ze eerst haar tenen, dan haar dijen en torso, schouders, kin en mond in het bad laat zakken. Haar ogen net boven de waterrand. Ze rilt. De octopus, stil en half boven water, drijft rustig aan de andere kant van de kuip. Cleo laat haar knie tegen de badranden vallen. Haar haar zwevend om haar schouders als een anemoon. 

Geluidloos trekt de octopus zichzelf van haar heup, op naar haar borstbeen, over haar schouder weer het badwater in. Overal kleine cirkels achterlatend, overal even stil en sterk en koud.

Nieuwsgierig tast hij haar af, zijn tentakels langzaam om haar polsen en bovenbenen wikkelend. Hij is traag, kruipt over haar enkels, bovenbenen, knieën, dijen, onderbuik. Het heeft iets teders, dat koude lichaam met drie harten en negen breinen. Die armen die zich om haar pols wikkelen. Zijn zuignappen klemmen zich vast op haar armen, ellebogen en knieën, wikkelen zich zachtjes om haar borsten heen maar blijven bij haar tepels weg. 

Cleo’s adem hapert. Haar mond valt open. Als ze haar ogen sluit voelt ze hoe een tentakel langzaam haar keel in glijdt. 

Foto van Anna op de Weegh
Anna op de Weegh

Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

Vaart

Precies een jaar na haar dood reden we met mijn moeders as naar Hilversum. Ada (8) zat naast me op de bijrijdersstoel, onder haar voeten lag de asdoos, met naam en datum op een sticker op de voorkant.

Mijn moeders as heeft na de crematie een week op de kast in onze woonkamer gestaan, daarna is hij naar een plank boven de wasmachine verhuisd – die dozen lijken erg op waspoederdozen. Toch vergat ik nooit dat ze er was.

Alsof ik steeds kon voelen dat mijn moeder het prettig vond om bij ons thuis te hangen.

Voor haar dood was ze nergens meer tevreden geweest dan in onze woonkamer op de bank: de kinderen om naar te kijken, gesprekken om op te reageren, al dat leven om haar heen zonder dat er van haar iets gevraagd werd.

Ik had het daar vaak moeilijk mee.

Die arme vrouw, zou je zeggen. Kanker overal, haar man net overleden – fijn toch, dat ze even helemaal niks hoeft.

En je zou gelijk hebben, maar daarbij overslaan dat mijn moeder de laatste veertig jaar van haar leven tot heel weinig gekomen is. Dat ze haar wereld steeds verder liet krimpen wegens fysiek ongemak, maar ook door faalangst, een hang naar afhankelijkheid waartegen ze zich niet verzette, een verzet tegen het leven als geheel waarvan ze zich niet bewust was en een neerwaartse spiraal van inertie.

Waar haar asdoos in de eerste weken vaak herinneringen bovenhaalde aan hoe graag ze zich had laten verzorgen en hoe prettig ze zich voelde bij ledigheid – dat ding dat stond daar maar – ging ik haar die tijd bij ons in huis steeds makkelijker gunnen. Ze had weinig nodig, vond het heerlijk om niet alleen te zijn, al dat leven om haar heen te voelen.

De wasmachine staat in de werkkamer van ons huis, en als ik zat te schrijven stond die as vlak achter me. Ik ben bezig met een roman over een liefde in het Brabant van de late jaren ’60 – de relatie die mijn ouders hadden staat daarvoor model. De hele periode die ik nodig had om van de kindertijd van die twee personages tot hun ontmoeting te komen, las mijn moeder over mijn schouder mee.

Betere herinneringen aan haar namen langzaamaan de overhand; de ellendige laatste jaren werden overschreven door gedachten aan de periode waarin ze een ook sterke moeder voor me was.

Niet ver van het huis in Hilversum waar mijn ouders woonden loopt een bospad met een stokoud bankje eraan. Wie daar gaat zitten kijkt uit over weilanden van Natuurmonumenten met meer bos aan de horizon. Er lopen paarden rond; de zon gaat onder aan het einde van een lange vaart. Omdat het allemaal beschermd gebied is, zal er nooit gebouwd worden, nooit meer iets veranderen.

Toen mijn ouders nog goed ter been waren, liepen ze vaak naar dat bankje om er bij zonsondergang te zijn. Na mijn vaders dood zat ik er regelmatig met mijn moeder en nu was ik terug met B en de kinderen; met mijn moeders as.

Het miezerde en het was daardoor erg rustig. We zaten even, turend over het veld. Verderop scholen de paarden onder een stokoude eik, geleidelijk hun interesse in ons verliezend.

Toen ik voelde dat het tijd was, groef ik een bescheiden kuil met het schepje dat B altijd voor de plantenbakken op ons Amsterdamse dakterras gebruikt. Uit de non-descripte tas die ik voor dit doel had meegenomen tilde ik de doos met Ines as en een stijfbevroren sluierstaartgoudvis in een plasticbakje.

Goldie was tot zijn overlijden een huisdier van onze kinderen, en had daarna meer dan een jaar in onze vriezer doorgebracht terwijl we wachtten op een goed moment om hem te begraven.

Door de wat meer heftige overlijdens in onze omgeving (mijn ouders, onze hond, B’s oma) was die plechtigheid steeds uitgesteld. Twee vliegen in één klap: omdat mijn moeder heel haar leven huisdieren had, vond ik het gepast om haar er eentje mee te geven in de dood.

Ik legde Goldie in de kuil en schudde de doos daarboven leeg – mijn moeders as leek sterk op zeezand, de bodem van een tropisch aquarium. Ik bedacht dat het alleen maar kon helpen dat we Ine en Goldie begroeven op hemelvaart, en stelde me voor hoe ze straks rond zou lopen in de dodenwereld, met een hondgrote goudvis zwemmend aan haar zij.

‘Het was goed om je in huis te hebben,’ zei ik, ‘maar nu is het tijd dat je verder gaat. Goldie gaat met je mee.’

Ik dichtte de kuil en de kinderen verzamelden bloemetjes voor oma, legden die op het nu ontstane minigraf. Daarna zaten we nog een paar minuten op het bankje van mijn ouders.

Ik stond als eerste op en merkte dat ik het niet moeilijk vond om weg te lopen, dat de plek die ik voor Ine bedacht had helemaal de juiste was en dat je met een hondgrote sluierstaartgoudvis nooit alleen kon zijn.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

DE MENS ALS BIOPIC 4 Robert Oppenheimer cs

Speelfilms over de levens van wetenschappers zijn zeldzaam. Zulke mensen zijn alleen verhaalwaardig als hun werk omstreden is, als ze struikelen of zich catastrofaal vergissen. Successen, Nobelprijzen en eeuwige roem leveren geen spannende scenes op. Grote namen op wetenschappelijk gebied zijn alleen geschikt voor een biopic als er gedoe ontstaat over de waarde of de morele impact – wapens – van hun vindingen.

Watson en Crick kregen in 1962 de Nobelprijs voor hun ontrafeling van de DNA-structuur. Dat was een fenomenale prestatie. Een essentiële bijdrage leverde collega natuurkundige Rosalind Franklin. Haar aandeel werd door de heren verzwegen, kwam toch aan het licht en zal de triomf van Watson en Crick voor altijd overschaduwen.

Wiskundig genie Alan Turing decodeerde tijdens de Tweede Wereldoorlog transcripties van Duitse aanvalsplannen. Engeland was Turing dankbaar, maar hij werd chemisch gecastreerd, want homoseksueel. Zijn treurig leven verscheen zowel in film als op toneel.

Naar film ‘Oppenheimer’ van regisseur Christopher Nolan was ik buitengewoon nieuwsgierig. Ik zag ‘m op het grootst mogelijke bioscoopscherm en vond dat een gebeurtenis. Onlangs bekeek ik ‘m nog eens via Netflix.

‘Oppenheimer’ is nog steeds indrukwekkend qua tijd en onderwerp maar wordt als geheel slecht verteld. Het probleem is dat er aan de uitvinding zelf – de bom – niets te beleven valt. Van de eerste proefexplosie in de woestijn van Los Alamos zien we een lichtflits, een opstijgende paddenstoel en we horen een grote boem.

De makers van ‘Oppenheimer’ begrepen natuurlijk ook wel dat een film lang kijken naar denkende en calculerende mannen saai is. Ze bedachten vier oplossingen voor dit probleem

1.Een raamvertelling. We zien hoe Robert Oppenheimer – Oppie voor intimi – ondervraagd wordt door de Atomic Energy Commisison over spionage tijdens het maken van de bom. Maar belangrijker: Oppenheimers vermeende politieke voorkeur. Zijn broer was communist en zijn vrouw Kitty Vissering-Puening vertoefde in ‘bepaalde kringen’. Zo’n raamvertelling werkt meestal goed, maar deze AEC-hoorzittingen blijven ondanks indringende close-ups oninteressant en verwarrend. Who is who?

2.In de film zien we beroemde wetenschappers voorbijkomen: Albert Einstein natuurlijk, Enrico Fermi, Edward Teller, Werner Heisenberg en Niels Bohr. Ook is er een scene tussen Oppenheimer en Henry Truman. De president van Amerika noemt na dat gesprek zijn gast – vrij vertaald – een oetlul. Oppenheimer had namelijk geëist dat de atoombommen op Japan de enige en allerlaatste zouden zijn.

3.Liefde en erotiek. Daar was Robert Oppenheimer, althans in de film, niet goed in. Naast echtgenote Kitty is er vriendin Jean Tattlock die zelfmoord zal plegen. De intieme scenes tussen hen lijken slechts gedraaid omwille van een vette trailer in de publiciteitscampagne. Oppie en Jean zitten naakt bij een open haard.

4.Onbenullige meningsverschillen uitvergroten tot nietsontziende ruzies is een bekende verteltruc, want met een opgeklopt conflict schep je ruimte voor verzoening in komende scenes. De film zit dus vol slaande deuren en dreigementen die later worden bijgelegd, zoals de kwestie over Oppenheimers uraniumbom of Edward Tellers waterstofbom.

Op 12 april 1990 werd bekend dat er eindelijk een medicijn tegen Aids was gevonden en wel door de Nederlandse professor organische chemie Henk Buck en diens medewerkers van de Technische Universiteit Eindhoven. Het betrof gemethyleerd DNA, een product dat in staat zou zijn om de ‘moderne pest’ uit te bannen. De Nobelprijs lonkte.

Zou je over dit succes een film kunnen maken, een film vol reageerbuizen, microscopen en zuurkasten? Nee.

Gelukkig verstomde het applaus al gauw. Collega’s en medewerkers van Buck begonnen te twijfelen of tikten op hun voorhoofd. Droevig nieuws voor aids-patiënten, maar een dramatisering lag voor ’t oprapen. Ik schreef over de val van Henk Buck.

Op 10 december 1991 werd ‘De Dagen van Josephine’ uitgezonden. Ik bedacht die titel omdat de dagen van het aidsmedicijn geteld waren en ‘Josephine’ omdat wetenschappers vaak hun onderzoeksobject een troetelnaam geven. Spreek Josephine dus uit als Aspirine of Insuline.

Henk Buck noemde ik Wienand en ook plaatsen van handeling werden veranderd, alles in een hotel. De rel rond het aidsmedicijn bleef natuurlijk overeind.

Ik gaf in mijn scenario professor Wienand een eigen Rosalind Franklin. Dat werd Irma, een hoogleraar virologie die zich, net als Rosalind, opzij geschoven voelt. Live voor draaiende camera’s zegt zij over de werking van Josephine:

‘Mijn collega heeft een troebele soep geleverd in plaats een messcherpe virus-doder. Hij schoot met een kanon op een mug. Jazeker hij vond een nieuwe virus-killer, maar dat is een druppel wc-reiniger ook.’

Met die woorden van viroloog Irma valt de bijl, loopt de ballon leeg, vervliegt de hoop. En dat allemaal in de lobby van het hotel waar tegelijkertijd het glas wordt geheven op het levensreddend wetenschappelijk succes van de TU Eindhoven. De catastrofe is compleet. Mooi dramatisch materiaal.

De affaire Buck werd behandeld in het programma Andere Tijden van 29 november 2005.

Foto van Ger Beukenkamp
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

De Sneeuwkoningin

(beeld: Don Duyns)

‘Het is vrijdag al, hé,’ herhaal ik. Kay kijkt me verward aan. ‘Wat?’ ‘Het schoolfeest.’ ‘Oh, ja’ Ik ben niet overtuigd. ‘Weet je al op wie je gaat stemmen?’ Kay haalt haar schouders op. Voordat ik door kan vragen klinkt de bel. ‘In de pauze straks…?’ Kay knikt en loopt de trap op, richting het scheikundelokaal. Ik kijk haar na. Waarom praat ze niet met me? We zijn toch nog gewoon vrienden?

‘Grace?’

Ik kijk op. Mevrouw Evers kijkt me vragend aan. ‘Uhm…’ Yuna en Alex fluisteren. Ze hebben het over mij. Het zal ook eens niet. In één plotselinge beweging sta ik op. ‘Sorry. Ik moet naar het toilet. Sorry.’

Ik probeer mezelf bijeen te rapen en plens wat water in mijn gezicht. Ik kijk in de gloednieuwe spiegel terwijl het water langzaam van mijn gezicht afdruppelt. Ze hebben wél budget voor nieuwe spiegels, maar niet voor normale docenten die niet constant met ons proberen te ‘levelen’ door zogenaamde memes te quoten die letterlijk niemand kent. Om de spiegel heen staan allerlei teksten geschreven: ‘Kut Timo’, R + J’, ‘stem op Tatiana!’ en ga zo maar door. In een hoekje staat: ‘Grace…’ Ernaast staat een kat met een hartje eromheen getekend. Is dat grappig bedoeld? Ik kijk om me heen. Hier zal toch nog wel ergens een- hebbes. Met een zwarte marker streep ik mijn naam door. Ze probeerden het eerst nog tegen te gaan, maar na vijf keer opnieuw verven hebben ze toegegeven. Nu kan je zelfs op een speciaal stukje muur lieve berichtjes voor de docenten achterlaten. Behalve een paar keer ‘bedankt! X’ van de lievelingetjes is dat stukje muur opvallend leeg. Een wc wordt doorgetrokken. Fuck. Ik haast me een wc-hokje in en voel mijn ademhaling versnellen. Oké. Eén hand op mijn hart, de andere op mijn buik. Ogen dicht en een paar keer diep in en uit ademen. Langzaam kalmeer ik.

‘Wat zeg je dan?!’ roept Dion met een brede glimlach. Eikel. Met zijn vieze schaamhaarbaardje. Tatiana glimlacht verleidelijk naar hem. ‘Alsjeblieft….?’ Ugh. Hoe trapt hij daarin? ‘Jezus, kijk dan.’ Ik stoot Kay aan. Afwezig staart ze voor zich uit. ‘Hmhm.’ Ik analyseer Kay haar gezicht. Ik traceer de rimpels op voorhoofd naar haar wenkbrauwen. Ze fronst lichtjes. Zo lichtjes dat je het bijna net niet kan zien. Maar ik zie het. ‘Kay,’ zeg ik. ‘Hm?’ Ze kijkt me niet aan. ‘Wil je ook wat? Ik heb wat geld van thuis meegekregen.’ Kay schudt haar hoofd. ‘Nee, nee, dank je.’ ‘Oké, zo terug’. Ik loop richting de kantinekeuken. Ik had het moeten vragen. Waarom heb ik het niet gewoon gevraagd? Idioot.

In de rij voor mij staan Tatiana, Yuna en Alex. Super. Het heilige trio. Ik blijf – op gepaste afstand – staan en kijk naar alles behalve naar hen. Alex merkt me op en stoot Yuna en Tatiana aan. Even voeren ze met z’n drieën een soort telepatisch gesprek. Alsof ik dat niet doorheb. Kan ik nog weglopen? Of is dat raar? Ik kijk om me heen. ‘Grace?’ Tatiana. Natuurlijk is het Tatiana. Met tegenzin zet ik een forceerde glimlach op. ‘Hey. Hoe uhm…hoe gaat het?’ Tatiana kijkt me aan alsof ik een gewond dier ben. ‘Ga je met Kay naar het

schoolfeest?’ vraagt ze. Huh? ‘Ja…jawel…we gaan altijd samen.’ Een ongemakkelijk lachje ontglipt me. Tatiana kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘Veel plezier,’ zegt ze met een sluwe glimlach. Ze wendt zich weer tot Alex en Yuna. Zou dit iets te maken hebben met wat er tussen mij en Kay gebeurd is? Hebben ze iets tegen haar gezegd? Hebben ze iets gedaan? Hebben ze- De verschrikkelijke schaterlach van Tatiana doorboort mijn trommelvlies. Stelletje hyena’s zijn het ook. Met een warme tosti in mijn handen loop ik terug. Ik had eigenlijk een panini besteld, maar om te ruilen moet ik terug. No way dus. Ik kijk om me heen, maar Kay is weg. Ze heeft haar tas meegenomen. Op het grijze bankje staat alleen nog haar broodtrommel.

Tinker Bell staart me aan. Wat er van haar over is althans. Een weggevaagde tekening van wat haar voor zou moeten stellen staat gedrukt op de deksel van de broodtrommel. Ze kan toch wel iets reageren. Al is het een sticker. Zelfs zo een vage boomeremoij zou ik accepteren. ‘Je gaat te laat komen, lieverd. Ze zal vast gewoon ziek zijn, na school kan je langsgaan.’ Met lood in mijn schoenen stap ik op de fiets. Na school. Lekker is dat. Ik heb de eerste twee uur gym. Gadver. We gaan vast weer bunkertrefbal spelen. Als dat zo is wikkel ik mezelf in een mat en blijf ik daar gewoon liggen. Mij pakken ze niet. Ik fiets steeds harder en nader Kay’s huis. In een stinkende gymzaal opgerold in een matje liggen of langs Kay gaan? Die keuze is snel gemaakt. Ik sla af.

Ik sta al een paar minuten te wachten en begin het koud te krijgen. Het is midden januari en ik draag een dun nepleren jasje van de Zara. Ik bel nog één laatste keer aan en kijk omhoog, richting Kay’s raam. Even denk ik beweging te zien. ‘Kay!’ roep ik. Niks. Ze is thuis. Ik weet het zeker. Ik ruk mijn rugtas open en scheur een lege pagina uit mijn wiskundeschrift.

Ik schrijf mijn laatste zin op en doe het briefje door de brievenbus. Dan stap ik op mijn fiets. Toch maar naar bunkertrefbal dan.

Ik zie haar wegfietsen vanuit mijn slaapkamerraam. Zou ze me gezien hebben net? Waarschijnlijk wel. Anders had ze me niet geroepen. Ik zak met mijn rug tegen de muur naar de grond. Mijn kamer is één grote bende. Maar daar kan ik nu niet over nadenken. Ik leg mijn hoofd tussen mijn knieën.

En ik begin oncontroleerbaar te huilen.

De volgende ochtend dwing ik mezelf om op te staan. Ik stap de douche in en sluit mijn ogen. Het warme water stroomt over mijn nek en rug. Tot het plotseling stopt.

Ik open mijn ogen en ben terug op school. Ik zit samen met Grace op een bankje op het schoolplein. Ze vertelt me een verhaal over voetbal. Het is grappig. Niet per se omdat het verhaal zo grappig is, maar om hoe zij het vertelt. Met uitgebreide handgebaren en ogen die alle kanten op schieten. Ik moet lachen. ‘Lach je me nou uit?’ vraagt ze. Ik schud mijn hoofd en sta op.

Ik loop het toilethokje uit en was mijn handen. De zeep is op. Natuurlijk is de zeep op. Ik kijk in de spiegel. Er zit een klein, haast onzichtbaar barstje in de spiegel. Ik laat mijn vinger eroverheen glijden. Het is bijna onzichtbaar, maar het is er. Dan komt Tatiana het andere toilethokje uitgelopen. Ik draai me om en sta op het punt de deur uit te lopen wanneer ze mijn naam zegt. ‘Hey.’ Ze loopt naar me toe en komt dichterbij me staan. ‘Uhm…ik weet dat we niet echt meer vriendinnen zijn. Maar uhm…Grace…je weet dat Grace….’ Ik kruis mijn armen. ‘Ik weet dat Grace…wat?’ Tatiana zucht. ‘Je weet dat Grace lesbi is, toch?’ Ik zeg niks terug. ‘Het is meer dat, omdat jij met Grace omgaat, gewoon, dan denken mensen al snel dat jij ook lesbi bent, snap je. Ik wilde je gewoon waarschuwen.’ Ik kijk naar de grond. ‘Oké nou, uhm, doei.’ Ze loopt de toiletten uit. De deur valt hard dicht. De spiegel – met het voorheen nog onzichtbare barstje – barst door de dreun van de deur in duizenden stukjes uiteen. ‘Shit’ fluister ik. Ik probeer de scherven op te rapen terwijl ik het brok in mijn keel wegslik. Ik voel een scherpe steek. De wasbak kleurt rood.

Wanneer ik de douche uit stap voel ik een rilling over mijn lijf. Ik kijk naar mijn hand. Dat gaat een litteken worden. In mijn badjas loop ik de trap af, de hal in. Op de grond ligt een briefje.

‘Hi Kay ik hoop dat je oké bent. Sorry als het door vorige week komt. We hoeven het er nooit meer over te hebben als je dat fijner vindt. Ik zou het wel willen proberen maar ik snap ook als jij dat niet wil dat kan je gewoon zeggen tegen me ik ga niet verdrietig doen ofzo. Kom je snel weer naar school? Ik heb nu niemand om Dion mee uit te lachen Liefs, Grace.’

Ik verfrommel het briefje en laat het op de grond vallen. De wond op mijn hand begint weer te bloeden.

Foto van Jasmijn Kenselaar
Jasmijn Kenselaar

Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

Meer blogs

  • Afbeelding bij DE MENS ALS BIOPIC 9 Mama Wilders

    DE MENS ALS BIOPIC 9 Mama Wilders

    Op 6 september is Geert Wilders jarig. Dat is altijd een sacraal gebeuren, want op die dag komt hij langs bij zijn moeder Maria Ording Wilders in Grubbenvorst. Maar vandaag niet. Vandaag moet hij in verband met een kabinetsformatie – alweer – op bezoek bij koningin Beatrix. Dat vindt zijn moeder onbegrijpelijk, verdrietig en schandalig....
    Lees verder
  • Afbeelding bij Hoe ik een paardenmeisje werd

    Hoe ik een paardenmeisje werd

    Larousse 21 Er verbergen zich veel verschillende mensen in onze inborst. Je zult er op zeker moment achter komen dat je iemand geworden bent die je niet wist dat je in je had. Ik ben de afgelopen jaren veel mensen geweest, en de afgelopen maanden weer heel veel anderen. Maar nu ben ik een paardenmeisje...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Gouden Bergen

    Gouden Bergen

    Deze week ben ik in Bergen aan Zee; een lief huis in de duinen, waar ik samen met vier schrijversvrienden van ’s ochtends vroeg tot vlak voor het avondeten werk aan onze komende romans. Mijn tijd hier wil ik altijd optimaal gebruiken, ik maak dan grote stappen. De concentratie die in de woonkamer van ons...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Anna op de Weegh
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • Foto van Menno Hartman
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • Foto van Julia Buijs
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.