DE MENS ALS BIOPIC 8 Jorge Zorreguieta

Aan het eind van de film Der Untergang (2004) spreekt in de bunker onder de Rijkskanselarij Adolf Hitler zijn generaals toe. De Russen zijn al in Berlijn en Hitler perst er nog een paar bevelen uit. Hij houdt zijn handen op de rug en wij zien iets wat de generaals níet kunnen zien: de handen van der Führer trillen heftig, met moeite probeert hij de tremor te onderdrukken.

Iedereen die deze filmscène ziet zal een secondelang denken ‘Ach God, die arme man.’ Een flits van mededogen met Adolf Hitler.

Dat is waar literatuur, maar zeker ook film, toe in staat is: medelijden met een klootzak.

*

Ik schreef het scenario van de tv-serie De Kroon (2005, VPRO) over het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima. De vader van de bruid – Jorge Horacio Zorreguieta – mocht niet bij de huwelijksvoltrekking aanwezig zijn omdat hij deel had uitgemaakt van een misdadig regime in Argentinië 1976-1981.

Nederland werd geacht vader Zorreguieta te haten, maar ik was al snel van plan hem zijn tremormoment te gunnen. Maar eerst:

Premier Wim Kok heeft in het Torentje oud-minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel ontboden. (Alle volgende dialoogteksten zijn sterk ingekort.)

MAX: Waarom ben ik hier, Wim?

WIM: Jij gaat als Minister van Staat naar Buenos Aires en zegt tegen de vader van de bruid dat hij niet welkom is op de bruiloft van zijn dochter.

MAX: Ben je nou helemaal bedonderd! Je vraagt mij voor zo’n oudewijvenklus!?

WIM: Als de vader van Máxima toch komt, krijgen we gedonder. Volksoproer, ‘Dood aan de fascisten! Bloed aan de Paal!’ Dan kan jij je huis niet meer uit.

MAX: Verdomme wij… jij ook, we worden gegijzeld door een blonde juffrouw uit Argentinië.

WIM: Je laat papa Zorredinges een verklaring tekenen dat hij afziet van een bezoek aan Nederland ten tijde van… enzovoort, enzovoort. Beatrix wil dat ook.

Max gaat uiteindelijk, gesteund door hoogleraar Latijns-Amerikaanse studies Michiel Baud, naar New York. Daar zullen ze het echtpaar Zorreguieta ontmoeten. Dat loopt op niks uit.

JORGE: Holland is een arrogant landje, dat zich zelf met onderdrukking, slavernij en drugshandel heeft rijk gestolen. Ik teken niet.

Van der Stoel gaat een maand later nog eens. Nu ontmoeten de heren elkaar in São Paulo. En daar, in een benauwde hotelkamer, gun ik Zorreguieta een overtuigend weerwoord. Uit mijn naam mag hij zich rechtvaardigen.

JORGE: Ik weet heel goed dat Nederland de grootste leverancier was, aan heel Zuid-Amerika, van wapens. Héél veel wapens, want zo’n militaire regering in Argentinië heeft vast veel materiaal nodig. Hm? Zelf heb ik nooit een pistool aangeraakt!

MAX: U bent altijd bewapend. Ook nu waarschijnlijk.

JORGE: Niemand, geen mens op de hele wereld, vond het erg dat een groep verstandige militairen hier de macht over nam van Peróns bandeloze troep en zijn hoerenliefjes. ‘De meest juichend verwelkomde machtsovername sinds mensenheugenis.’ Dat stond in de New Yorkse kranten. Onze generaal Videla was de best ontvangen dictator ooit!

MAX: Er zijn democratische middelen om een regering naar huis te sturen.

JORGE: ‘Democratisch!’ Hoe durft u dat woord… Het meest ondemocratische politieke systeem is toch wel een monarchie!

MAX: Vrouwen die georganiseerd verkracht werden, bij wie ratten in… De nacht van de dassen, toen alle advocaten verdwenen. De nacht van de stokken, toen de journalisten verdwenen. De nacht van de potloden, toen studenten werden weggesleurd bij hun ouders. Levend werden ze ‘s nachts boven zee uit een vliegtuig gegooid.

JORGE: Nederlandse Fokkervliegtuigen.

MAX: Leraren die tijdens een biologieles werden meegenomen en bij wie, een half uur later, de borsten of de penis werd afgesneden. Twintig-, dertigduizend moorden. Waar zijn hun lichamen, mijnheer Zorreguieta? U weet dat.

JORGE: Ik wás en ik bén een burger, die door hard werken is opgeklommen tot burgerminister.

MAX: Dat beeld van een hardwerkende functionaris met een grote verantwoordelijkheid doet me denken aan iemand die jarenlang in uw land in vrede heeft geleefd, ongeveer bij u om de hoek: Adolf Eichmann.

Jorge ontploft, stormt de hotelkamer uit.

JORGE: En ik ben óók váder! Jij hebt zelf vier dochters, Van der Stoel. Ik teken niet! Nooit!

*

Scenarioschrijver Marnie Blok schreef samen met Ilse Ott de televisieserie Máxima (2024) en ik vraag haar hoe zij en het team Zorreguieta’s verleden in hun scenario hebben verwerkt.

‘Alle scènes moesten vanuit point-of-view Máxima zijn.’

‘Dus haar vader bleef buiten schot in jullie serie?’

‘Máxima wist dat haar huwelijk met Willem-Alexander de ondergang van haar vader zou zijn. Daarom loog ze over haar vaders loyaliteit aan het Videla-regime.’

‘Zit die leugen in jullie serie?’

‘Nee, dat kon niet. Maar je voelt Máxima’s innerlijke strijd.’

*

In de slotscène van De Kroon verschijnt Máxima zelf in São Paulo. Ze zit daar met haar vader aan de bar.

JORGE: Als de hele wereld jullie huwelijk op de televisie ziet en ik ben daar niet bij… Dan wordt ik uitgelachen. Vernederd. Un Payaso!

MAXIMA: Dat zou kunnen. Maar nu gaat het over mij. Ik wil dit… Koningin worden met Alexander. Papa, kom maar niet.

En zo geschiedde.

*

  • De Kroon: VPRO, april 2005. Regie Peter de Baan. Producer Arry Voorsmit, met Eric van der Donk als Van der Stoel, Simon Andreu als Zorreguieta. Gouden Kalf voor beste tv-drama 2005.
"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

In de Oorshop

Kortsluiting

Vanochtend bracht ik Ada (8) naar school; het was nauwelijks licht en de hemel hing laag, gesloten.

Mijn dochter fietst nu elke dag zelf, gaat bijna nooit meer op het zitje op mijn stang. Dat is een vorm van winst, maar ook een groot verlies.

Ik laat haar voor me uit rijden omdat een jongen uit mijn buurt op deze route overleden is. Hij reed achter zijn moeder, die daardoor een vrachtwagen niet zag. Ook vind ik, dat een kind zelf moet leren kijken, zelf moet kiezen in plaats van dommelig achter een ander aan te gaan in het verkeer.

En in het leven. Maar goed, Ada heeft nog even tijd om aan het leven als geheel te wennen.

Ze deed het geweldig, zelfs bij het kruispunt waar ze in het midden moest wachten tot ze af kon slaan, het andere verkeer moest lezen. Ik glimlachte, maar voelde ook een steekje: heel binnenkort kon ze dit allemaal alleen.

‘Je doet het geweldig,’ riep ik.

Als je iemand goed genoeg kent dan kun je aan haar achterhoofd zien dat ze lacht.

Toen we de straat van haar school in reden werd mijn oog getrokken door een schitterende donkergroene plant. Nachtschade, dacht ik meteen. Maar dat kon eigenlijk niet, want nachtschade werd nooit zo hoog of recht. De stelen van paprika, tomaat en aubergine zijn slap, meer wingerd-achtig.

We reden verder en Aad parkeerde haar mooie blauwe fiets, verwijderde de lampjes zoals we dat geoefend hadden. Vanuit het perkje voor de school hield de nachtschade ons in de gaten.

Grote groene tomaten hingen aan haar krachtige steel; haar bladeren waren donkergroen, paars bij de nerven. De plant was razendsnel gegroeid, overeind gehouden door een bamboestok, had in de laatste warme dagen van het jaar nog vruchten aangemaakt en die gevoed tot een volwassen grootte.

Nog voor de eerste nachtvorst zou ze, tomaten en al, sterven door de schimmel, door de rot.

‘Pap,’ vroeg Aad. Met haar fietssleutels in de hand keek ze naar me op. ‘Ga je nog mee naar binnen?’

Binnen was het helverlicht en broeierig, de lucht trilde van de jeugdigheid. Ada liet me de tekening zien waar ze aan werkte, haar rekenboek en haar knutselwerkje boven de kapstok in de gang.

Mijn kind gedijt, op deze basisschool. Ze wordt elke ochtend zingend wakker.

Ik trok haar tegen me aan en rechtte mijn rug, waardoor haar voeten van de grond kwamen. Haar lijfje past nog altijd in het mijne zoals één puzzelstukje in het andere past; alsof we samen pas een plaatje zijn. Ik schoot vol, wat me de laatste tijd om bijna niets gebeuren kan.

‘Moet je nou huilen?’ vroeg Aad.

‘Dat heb jij nooit hè,’ zei ik, en zette haar weer neer. ‘Als je heel blij bent, dat je dan ook soortvan verdrietig bent, maar op een fijne manier? Dat je even kortsluiting hebt, vanbinnen?’

‘Als ik blij ben,’ zei Ada, ‘dan lach ik altijd.’

Terwijl ik mijn fiets losmaakte keek ik nog eens naar de plant. Haar tomaten zouden nooit rood kleuren, nooit zoet worden of zaad voor nieuwe planten gaan verspreiden, maar dat wist ze allemaal nog niet.

Ze was sterk. Ze groeide. Ze hing vol met schitterende vruchten.

Ze was geen volwassen mens als ik, die gek genoeg was om te huilen als hij blij moest zijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Normaalverdeling

Een jaar of wat geleden keek ik de Zomergastenaflevering van Paul Verhoeven terug. Het gaat op zeker moment over schoonheid. Naast de schoonheid in films, komt ook wiskundige schoonheid aan bod. Verhoeven vertelt dat er eens, toen hij lang geleden in Leiden wiskunde studeerde, een docent tijdens een mondeling in tranen was uitgebarsten: de beste man vond de wiskunde zó mooi. Ik vond het een intrigerende anekdote (en een prachtig beeld: een huilende docent in een lokaal en een student die niet zo goed raad weet met de situatie) en legde hem enige tijd later voor aan een vriend die wiskunde studeert.

‘Schoonheid,’ zei hij. ‘Ja, daar hebben we het ook veel over tijdens werkgroepen.’

Ik vroeg hem waar de schoonheid dan in school, want voor mij waren getallen of grafieken nog nooit mooi geweest. Ik associeerde ze eerder met mysterie en totale wanhoop dan met pracht: tijdens mijn middelbareschooltijd stak ik altijd vele uren in de voorbereiding van mijn wiskundeproefwerken (vaak met succes overigens, maar de angst voor getallen heeft mij om een of andere reden nimmer verlaten).

Mijn vriend zei dat er wat hem betrof vele vormen van wiskundige schoonheid waren. Het bewijs was daar bijvoorbeeld één van: dat een formule met behulp van andere formules en regels kon worden verklaard was schitterend, bijna te vergelijken met een symfonie van Gustav Mahler. Tegelijkertijd konden paradoxen en theorieën waarvoor verklaringen en bewijzen, vooralsnog, ontbraken volgens hem juist door die onverklaarbaarheid óók mooi zijn. In bepaalde gevallen waren ze misschien wel nóg mooier dan verklaarbare verschijnselen.

Helemaal begrijpen deed ik het niet. Het bleef wat te abstract, zelfs met de voorbeelden waar hij mee op de proppen kwam. Desalniettemin raakte ik geïntrigeerder. Ik wilde die schoonheid wel eens beleven. Maar hoe? Deze vorm van schoonheid is niet gemakkelijk op te zoeken: zij is geen muziekstuk dat je kunt opzetten of een gedicht dat je kunt lezen. Het kan je misschien alleen maar overkomen. In ieder geval overkwam het mij: laatst zat ik bij een college statistiek. De docent legde de normaalverdeling uit. Onder de hele curve zit honderd procent van je waarnemingen, zei ze. Tussen één standaarddeviatie naar rechts en één standaarddeviatie naar links 68 procent. Tussen twee standaarddeviaties naar links en rechts 95 procent. En tot mijn eigen verbazing dacht ik: dit is prachtig, dat die verdeling zó uitkomt is schitterend.

De vraag is waarom ik die schoonheid nu pas zie: de normaalverdeling was immers ook onderdeel van de eindexamenstof. Wellicht is het een kwestie van begrip: op een bepaalde manier heb ik de indruk dat ik de normaalverdeling pas bij dit vak door heb. Op de middelbare volgde ik alleen de aanwijzingen in het boek. Misschien is begrip wel dé voorwaarde om schoonheid te kunnen ervaren.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

De oude leugen: Dulce et decorum est pro patria mori

Een paar weken geleden ben ik begonnen gedichten uit mijn hoofd te leren. Een directe aanleiding was er niet, maar het leek me leuk om – wanneer de gelegenheid zich voordoet – een gedicht te kunnen declameren, zoals ik vroeger altijd wel wat kon pingelen als er ergens een piano stond (tegenwoordig ken ik helaas geen hele composities meer uit mijn hoofd). Lang geleden had ik al eens op aandringen van mijn vader Rutger Koplands gedicht ‘Abe Lenstra’ van buiten geleerd. Nu begon ik met Wilfred Owens ‘Anthem for doomed youth’ en ‘Dulce et decorum est’. Het leken mij gedichten die bij deze tijd passen.

Op de dag dat Rusland Oekraïne was binnengevallen stond ik met een groepje studiegenoten na college te praten. Voor de verandering ging het gesprek over de wereldpolitiek, en niet over daten of drinken. De sfeer was ernstig. We maakten harde grappen, waarbij de punchline een variant was op ‘wat maakt het ook uit, over een jaar staan we misschien met een geweer in onze klauwen en een helm op ons hoofd bij Warschau’. Ik vroeg of zij het leger in zouden gaan als Nederland werd aangevallen. ‘En dan sneuvelen we bij de slag om Leiden!’ riep iemand. Niemand gaf een serieus antwoord. Dat had ik ook niet verwacht.

De situatie is er sinds die morgen niet veel beter op geworden. Weinig landen lijken zich nog te bekommeren om internationaal recht of mensenrechten. Oude bondgenootschappen verkruimelen. Op straat is er onvrede. Landen stellen zich expansionistischer op. Steeds vaker heb ik het gevoel dat we richting een oorlog rollen. Niet nu meteen, maar over een paar jaar: de wereldorde van vroeger met Amerika als vredesbewaarder en lichtend voorbeeld moet nog iets verder vergaan. De voortekenen zijn er: landen herbewapenen, op YouTube krijg ik vrijwel dagelijks advertenties van Defensie en er gaat geen week voorbij of er wordt op de radio of bij NOS gepraat over een nieuw plan van het leger waarmee ze jonge mensen willen werven. Een van de dingen die mij nog helder bij staat uit Oorlog en vrede is de stelling dat historische gebeurtenissen niet afhankelijk zijn van de beslissing van één persoon, maar het gevolg zijn van een collectieve beweging in een bepaalde richting. Tolstoj geeft, als ik het mij goed herinner, het voorbeeld van de plundering van Moskou. Die plundering had sowieso plaatsgevonden, stelt Tolstoj, of Napoleon hem had verboden of niet: de soldaten waren door een gedachte bevangen geraakt en zouden hoe dan ook zijn gaan plunderen. De inval leek naar dit moment te hebben opgebouwd. Er was ook niet één bepaalde soldaat geweest die dacht: nu ga ik plunderen en dat anderen hem volgden. Er waren op meerdere plekken in de stad vrijwel gelijktijdig soldaten geweest die waren begonnen. De herbewapening en de uitbreiding van de krijgsmacht kan eenzelfde beweging zijn, naar oorlog. Dat hoeft natuurlijk niet, zo heeft de Koude Oorlog laten zien, maar ik krijg de indruk dat de wereld van vandaag de dag instabieler is.

Begrijp me niet verkeerd: als er gevochten moet worden omdat mogendheden ons of onze bondgenoten aanvallen, dan moeten we dat zeker doen. Maar oorlog voeren is niet glorieus. Ten strijde trekken niet iets heroïsch. Dat moeten we niet vergeten. De heroïek duikt pas op in de verhalen van sommige overlevenden. Het is mythevorming, misschien een soort propaganda te noemen. Voor de anderen is de oorlog een hel. In de strijd sterven of gewond raken is niet mooi. Dat zag Owen: ‘If in some smothering dreams, you too could pace/ behind the wagon that we flung him in,/ and watch the white eyes writhing in his face,/ his hanging face, like a devil’s sick of sin,/ if you could hear, at every jolt, the blood/ come gargling from the froth-corrupted lungs’.

Toen ik laatst op een feestje Owens gedicht ‘Dulce et decorum est’ voordroeg (waar het fragment hierboven aan is ontleend), zei iemand: ‘Ik vond het wel grimmig. Ik heb liever Tennysons “The charge of the light brigade”. Dat is heroïscher.’

Ik heb meteen een tweede gedicht van Owen voorgedragen. Weg met de heroïek. Want als de heroïek postvat dan is de echte strijd niet ver weg meer. Dan heeft de beweging zijn definitieve richting ingeslagen.

Daarom zal ik morgen nóg een gedicht van Owen leren.

Foto: Australische soldaten bij Ieper, oktober 1917. Australian War Memorial. Publiek domein.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

DE MENS ALS BIOPIC 7 Govert Flinck vs Rembrandt

De schilder Govert Teunisz Flinck is opgenomen in het Amsterdamse Pesthuis en zegt: ‘Mijn hele leven heb ik gewacht tot al mijn critici aan de pest, cholera, of tyfus gestorven zijn. Wachten tot iedereen verdwenen en vergeten is, behalve ik. Ja, ik heb rottige gedachten gehad, mijn hele leven. En nu? Eén ding hamert, hámert door mijn kop! Wanneer sterft HIJ!’

De Evangelische Omroep had samen met producent Eyeworks het plan opgevat voor een dramaserie over het leven van Rembrandt. Mooi en ambitieus natuurlijk, maar theater en films over onze grootste schilder mislukken altijd, er komt te weinig publiek op af. Dat weet iedereen in filmland, dus werden en worden er omwegen gezocht om toch het woord REMBRANDT op een affiche te krijgen. Regisseur Anders T. Jensen maakte van zíjn Rembrandt een action-comedy. Peter Greenaway filmde Nightwatching uitgaande van een door hem geconstateerd schietincident op de Nachtwacht. De Nederlandse Jos Stelling maakte met Rembrandt Fecit 1669 wel een strikt biografische film, maar die werd door pers en publiek zuinig ontvangen. En dan was er Rembrandt de Musical uit 2006. Alle lof voor producent Henk van der Meijden, maar bepaald geen succes. Het merk Rembrandt is box-office-poison.

Hoe kan dat en wat moesten we met dat verzoek van de EO?

Eerder had ik in mijn tv-serie Langs de Kant van de Weg over Vincent van Gogh de truc van de toeschouwer toegepast. In elk deel van deze serie heeft een bystander de hoofdrol, acht mensen die tijdelijk een rol speelden in het leven van Vincent, zoals broer Theo, schoonzus Jo van Gogh-Bonger, Paul Gauguin, een medepatiënt in het krankzinnigengesticht.

We besloten het vertelprocedé van de toeschouwer ook toe te passen bij de EO-serie. De titel werd Rembrandt en Ik.

Die ikken warren jeugdvriend Jan Lievens, echtgenote Saskia van Uylenburgh, leerling én rivaal Govert Flinck en Rembrandts dochter Cornelia. Ik schreef deel drie over Govert Flinck. Oscarwinnaar Marleen Gorris regisseerde de serie.

Het is 1658, de galerijen van het nieuwe Amsterdamse stadhuis aan de Dam worden gedecoreerd met panelen die onze Bataafse geschiedenis, onze vrijheidsstrijd tegen de Romeinen, moeten afbeelden. Deze prachtopdracht werd door de stad Amsterdam gegund aan Ferdinand Bol, Govert Flinck, Rembrandt en anderen.

Er ontstond al snel gedonder over geld en natuurlijk over de aard van de verplichte heroïek op de schilderijen: hoezo Bataven? Claudius Civilis? En wie was Hollands grootste schilder op dat moment? Kwaadsprekerij alom. De opdrachtgevers wakkerden de afgunst tussen de schilders ook nog ’s aan.

Govert Flinck probeerde zoete broodjes te bakken met zijn vroegere leermeester Rembrandt, maar hij gebruikt een bezoek aan diens atelier om te spioneren.

Flinck kijkt er rond en is… Verbijsterd! Begrijpelijk, want Rembrandt had een vijf meter breed doek opgespannen en over die totale lengte en in één streek een lichtgevend, goudgeel tafelblad geschilderd.

‘Dit wordt mijn Samenzwering van de Batavieren onder Claudius Civilis.’ zei Rembrandt.

Govert wist ‘t meteen: Rembrandt gaat hiermee het Stadhuis niet halen, maar ik zal voor altijd zijn leerling zijn.

Als Govert iets zegt over de ongebruikelijke afmeting van het doek, haalt Rembrandt uit met: ‘Govert Flinck, je kunt de pést krijgen.’

En dat is precies wat er gebeurde. Govert ontkent aanvankelijk de donkere vlekken op zijn rug en armen. Die symptomen verdwijnen ook, maar komen terug in zijn mond.

Govert Flinck wordt ziek, doodziek en schreeuwt in een koortsdroom: ‘Al die zelfportretten van Hem! Vol minachting staren ze me aan, tot in volgende eeuwen Daarom ook maakt hij ze. O Heer, waarom heeft u mij in zijn schaduw geboren laten worden?’

Ik was al enige tijd bezig met dit scenario toen ik bedacht dat het verhaal van Govert en Rembrandt eenzelfde structuur heeft als dat van de componistenoorlog tussen Antonio Salieri en Wolfgang Amadeus Mozart. De oudere Salieri kon niet anders dan Mozart bewonderen, maar stikte tegelijkertijd in woede, afgunst en in zijn onvermogen om die nieuwkomer met een partituur te verslaan.

De competitie tussen de harde werker Salieri en het genie Mozart werd prachtig verfilmd naar Peter Shaffers toneelstuk Amadeus, en voor mij was die film zeer inspirerend, niet omdat Salieri of Mozart als karakters op zich zo boeiend zijn, maar wel hun confrontatie: een gevecht als op leven en dood.

Govert Flinck en Antonio Salieri, ze gaan ten onder aan zelfvergiftiging.

Govert schilderde toch twee boogstukken die nu nog in het Paleis op de Dam te zien zijn. Rembrandts Samenzwering van de Bataven onder Claudius Civilis echter was te groot en te woest, de randen werden weggezaagd en het doek verdween in de kelder van het Stadhuis. In 2014 was het even terug in Amsterdam. Nu hangt het doek weer in het Nationalmuseum in Stockholm.

Govert Flinck overleed aan de pest op 2 februari 1660. Rembrandt leefde nog negen jaar door. Hij kreeg spijt van de verwensing die hij Govert naar het hoofd slingerde.

‘Hm, Dat eh… Dat had ik niet moeten zeggen… dat ie de pest… Flinck was net zo’n duitendief, zo’n viespeuk en eh… ploeteraar als ik. Hm… Net zo. Maar ik schilderde beter.’

*

  • De televisieserie Rembrandt en Ik werd in januari en februari 2011 uitgezonden. René van Zinnicq Bergmann als Govert Flinck, Michiel Romeyn als Rembrandt.     
"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Glittertand

Voorheen vervloekte ik de studiedagen van mijn dochters basisschool. Dat kwam deels doordat ik ze niet (als een georganiseerde ouder) aan het begin van elk jaar in mijn agenda zette. Gênant vaak heb ik balend voor die poort gestaan, opkijkend naar donkere lokalen.

Sinds dit jaar staan alle studiedagen in mijn agenda en mijn hekel is omgeslagen. Afgelopen vrijdag had Ada (8) vrij en ik had een paar verrassingen in petto.

Toen we haar moeder en broer hadden uitgezwaaid en ik kort had geschreven tilde ik haar op mijn fiets. Samen zoefden we door het centrum, mijn dochter zingend tussen mijn armen. Aad vocht overduidelijk tegen de aandrang te vragen wat de eerste verrassing van de dag zou zijn.

Als je een verrassing wacht dan voelt het alsof iets van binnen je middenrif op druk houdt, alsof je een visje met een zwemblaas bent. Ik denk dan ook dat mensen die op een verrassing wachten beter blijven drijven.

Na vijf minuten hield ze het niet meer. Kwamen we langs een winkeltje of een fijn café, dan vroeg ze of dat haar verrassing misschien was. Ik kuste haar bovenop haar hoofd en stak de Dam over, fietste de Damstraat in, koersend naar de Zuiderkerk.

Tegen die stokoude gevel parkeerde ik mijn fiets, luisterend naar het rondgaan van de radertjes in Ada’s hoofd. Bij een nieuwbouwpand drukte ik op een belletje met een glittersteen ernaast.

‘Kijk,’ zei ik, en wees haar op de steen. ‘Dat is een hint.’

Aads radertjes knarsten terwijl we de trap op liepen. Ze pakte mijn hand en we stapten door een openstaande deur op drie hoog, waar Louke op ons wachtte.

‘Dit,’ zei ik. ‘Is de Tandenfee.’

Louke liet Aad kiezen uit een bak glitters en drie tellen later lag mijn dochter op de behandelstoel, met grote ogen naar haar eigen tanden kijkend in een zakspiegel. Ze had een roze steentje gekozen, dat met beugellijm op haar tand geplakt zou worden. De operatie verliep succesvol en de vieze smaak van de lijm leek snel vergeten.

Terwijl we op weg gingen naar de volgende verrassing – Ada met een bijna manische glimlach zodat de hele stad haar glittertand kon zien – vroeg ik me af wat mijn probleem met die studiedagen toch altijd was geweest; waarom ik zo’n dag nooit simpelweg had afgeschreven om te genieten van mijn kind.

Ik hoorde me nog zeuren dat je als thuiswerkende nooit helemaal aan je werk toekwam en nooit echt aan je kinderen; dat je je werk daarom ging haten en ongeduldig tegen je kinderen werd omdat ze je van dat werk hielden – waarover je je dan weer schuldig voelde.

Wat een onzin, dacht ik. Dat zat allemaal maar in mijn hoofd.

De tweede verrassing van de dag was appeltaart bij Café de Druif, de derde werd een Turkse pizza bij Effendi op de Rozengracht. Tegen iedereen begon Aad over haar tand.

Ze mocht een badeendje uitzoeken bij een toeristenwinkel en koos het kleinste, goedkoopste roze dobberaartje dat er was, hield het veilig in haar handen op het stuur terwijl we weer naar huis toe zeilden.

Toen B thuiskwam vertelde Ada honderduit over haar dag terwijl ik er nog wat mailtjes uit deed en het begin van deze column tikte. Al mijn werk was gedaan en ik had een droomtijd met mijn kind gehad.

In mijn agenda checkte ik vast wanneer de volgende studiedag zou zijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
  • Afbeelding bij DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

    DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

    ‘Een koe laat elke 90 seconden een scheet, een mens 18 keer per dag. Het aantal scheten van een walvis kan alleen maar geschat worden.’ Zo ongeveer begint het toneelstuk Emily, of het geheim van Huis ten Bosch. De drie zonen van koningin Beatrix en prins Claus von Amsberg zitten in de centrale salon van...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Ida Hondelink"
    Ida Hondelink

    Ida Hondelink is schrijver en performer. Ze studeert momenteel af aan de studie Writing For Performance aan de HKU. Reeds is ze actief als dichter en essayist op verschillende platforms en podia, waaronder Notulen van het Onzichtbare, Hard//hoofd, Dichters in de Prinsentuin, de U-Slam en de Nacht van de Literatuur. Haar werk is fantasierijk, maatschappijkritisch en heeft doorgaans een poëtische ondertoon.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.