Afloop

1.

Het was herfstvakantie. Een vader nam zijn twaalfjarige zoon mee naar het werk. In Harlingen stapten ze in een watertaxi naar Terschelling, waar de klus lag te wachten. Het was ’s ochtends vroeg, donker nog. Ze voeren hard, daar was al het Schuitengat.

   De kapiteins van de watertaxi en van de tegemoetkomende snelboot hadden nog contact met elkaar: ‘stuurboord-stuurboord’, maar tevergeefs. Ze klapten op elkaar, vermoedelijk omdat ze beiden te hard gingen. De opvarenden van de watertaxi waren het kwetsbaarst: twee personen kwamen om – waaronder de vader – en twee – waaronder de zoon – sloegen overboord, in het pikdonkere water.

   De vrouw, de moeder…, in welke afloop kon zij toen geloven? Ik stel me die eerste uren na het ongeluk voor. De moeder wordt op de hoogte gebracht, de reddingsteams zetten alles op alles. Haar man…, maar haar zóón! Ieder volgend uur zal de wanhoop zijn toegenomen. Ze bad, neem ik aan, de zee haar jongen terug te geven. Harder en harder zal ze gebeden hebben.

   Er zijn, nu ik dit schrijf, zes dagen verstreken. Naar de drenkelingen wordt nog steeds gezocht. Is er nog een verhaal waaraan de moeder zich kan vastklampen? Vastklampverhalen kunnen toch alleen verhalen met een goede afloop zijn?

2.

In de herfstvakantie gingen mijn vrouw en ik naar het filmhuis. Daar draaide Tori et Lokita, van de Waalse filmbroers Dardenne. Deze nieuwste Dardenne is in feite één grote afloop. Een slechte, wel te verstaan. Dat je dat vanaf de eerste scènes al voorvoelt, maakt dat je hoopt tegen beter weten in. Je maakt jezelf wijs dat alles nog goed komt, want wat kun je anders als je in de film zit.

   De Dardennes slepen je met deze film de tragische levens in van twee Afrikaanse vluchtelingenkinderen: Tori, een jongen van een jaar of twaalf, en Lokita, een meisje dat een paar jaar ouder is. Ze bevinden zich in een grote Belgische stad (Luik, de Dardennes kennende), waar ze geld moeten zien te verdienen en waar Lokita een verblijfsvergunning probeert te bemachtigen. Tori heeft er al een, want hij is een ‘tovenaarskind’. Wat dat is, wordt niet uitgelegd, maar het is duidelijk dat dat voor de immigratiedienst overtuigend erbarmelijk is geweest. De film legt sowieso niks uit, over de áánloop van de gebeurtenissen kom je gaandeweg slechts het nodigste te weten: de beide kinderen hebben elkaar op de boot naar Italië ontmoet, tijdens de overtocht is hun vriendschap of, zo je wil, de lifeline tussen hen ontstaan – Tori zegt dat Lokita hem gered heeft, je denkt: die zee, dat bootje… –, ze komen uit verschillende landen (om de nodige papieren te bemachtigen veinzen ze dat ze broer en zus zijn), en Lokita heeft in haar thuisland nog een moeder en twee broertjes.

   Welk verhaal vertellen deze twee schitterende (!) kinderen elkaar? Natuurlijk, een verhaal met een goede afloop. Daarin gaat Tori fijn naar school en krijgt Lokita de verblijfsvergunning. Dan gaat ze leren om huishoudhulp te worden, zodat ze geld verdient om naar haar moeder te sturen. Haar moeder, die de jongetjes dan naar school kan laten gaan…

   Met toenemende angst – mijn vrouw wendde soms haar hoofd af – zagen we echter hoe het lot zich in dit soort werelden nou eenmaal onafwendbaar richting de afgrond afwikkelt. In de donkerste zone van de stad leveren Tori en Lokita zich uit aan uitbuiters, voor wie zij niets betekenen dan eenvoudig te dumpen koeriers van drugs en bevredigers van lust. Het is nauwelijks een spoiler als ik verklap dat Lokita ten slotte in een bos wordt vermoord en je gaat denken: haar moeder…

Hoe houden we ons staande zonder goede aflopen? Wat hebben we in te brengen tegen een redding-loze werkelijkheid? We weten, naar Kellendonk, een redding te veinzen, in kunst en literatuur, te doen alsof we een goed verhaal hebben – zolang we maar ‘geen moment vergeten’ dat het slechts een verhaal is – om zo de werkelijkheid (‘een groot en pikkedonker bos’) voor ‘bewoning geschikt te maken’. Het is een manier om toevlucht te zoeken in een deel van de werkelijkheid dat buiten de greep van ‘het realisme’ blijft. Maar als in die realiteit een kínd ontbreekt, ontbreekt dan ook niet ieder mogelijk alsof?

3.

Er ligt een riviercruiseboot in het kanaal bij Franeker. In de herfstvakantie zijn de eerste zeventien van de mogelijk achtenzestig Oekraïners het schip komen bewonen. Er zijn tweepersoonskamers, er is een mooie eetzaal en er zal een kok komen koken. Het thuisfront zal zich aan hun berichten kunnen vastklampen. Voorlopig.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

In de Oorshop

Mijn carrière als literair criticus

Naast het Sieboldhuis in Leiden, op het Rapenburg, is er een boekwinkeltje dat alleen maar kinderboeken verkoopt: Silvester. Daar, in dat winkeltje, is mijn schrijverij ooit begonnen.

Het was namelijk zo dat ik als kind veel las, en wel zoveel dat ik de boeken in de bibliotheek in mijn leeftijdscategorie wel zo’n beetje uit had, in ieder geval de boeken die ik wilde lezen (er stond nog een hele trits Francine Oomen en Carry Slee, maar dat trok mij totaal niet; het ging mij om oorlogsboeken en historische romans, zoals van Beckman, Annejoke Smids en Simone van der Vlugt). Mijn ouders weigerden meer boeken voor mij te kopen omdat ik ze te snel uitlas (in die tijd deed ik zo’n dertig seconden over een pagina). Op een zeker moment verzuchtte mijn moeder in dat boekwinkeltje dat ze niet meer wist wat ze met mijn leeshonger aan moest. De vrouw achter de toonbank knikte begrijpend en zei dat ik bij hen wel recensent mocht worden. Er waren meer kinderen zoals ik. En zo geschiedde.

Silvester kreeg op gezette tijden boeken toegestuurd van uitgevers, zodat ze die konden proeflezen. De medewerkers daar lazen die boeken. En wij, de kinderrecensenten, ook. Een of twee keer per maand, ging ik naar die winkel, liep een krakend wenteltrapje op en kwam daar in een kantoortje, waar ik in een boekenkast boeken uit mocht zoeken. Daarna ging ik naar huis, las de boeken en schreef per boek een recensie op mijn vaders computer. Die recensie werd vervolgens op de website van de boekhandel geplaatst. In een paar jaar tijd heb ik zo’n negentig recensies geschreven; ik begon toen ik elf was en ik stopte op mijn zestiende. Maar tussen die laatste jaren recenseerde ik niet zoveel boeken meer.

Een enkele keer reageerde een schrijver met blijdschap op mijn recensies. Ik vond het een enorme eer dat de door mij zo bewonderde schrijvers mijn stukjes hadden gelezen. 

Daarnaast heb ik rond de kinderboekenweek een keer in de Volkskrant gestaan. Ieder jaar organiseerde Silvester voor de zomervakantie een samenkomen van de recensentenclub, waar ze ook een literaire gast voor uitnodigde. Een keer hadden ze Pjotr van Lenteren, kinderboekenrecensent voor de Volkskrant, gevraagd. En toen hij kinderen nodig had om het boekenweekgeschenk en de genomineerden voor de Gouden Griffel te bespreken, vroeg hij of hij ons mocht interviewen. Dit was voor mij een hoogtepunt.

Dan nu de recensies. De opdracht was om een samenvattinkje te schrijven en af te sluiten met de vraag of het boek een aanrader was of niet. 

Ik vond dat elk boek eigenlijk altijd ook een goed boek was. Dit betekende in de praktijk dat ik elke recensie afsloot met de vaststelling dat het een goed boek was. Zelfs als ik het geen goed boek vond, zag ik er altijd nog positieve elementen in. Zo schreef ik eens over het boek De jongen die het liet regenen van Brian Conaghan: 

‘Om eerlijk te zijn: het begin van dit boek is echt saai (dat vind ik dan), omdat je alleen maar verslagen hoort van mensen die in het boek een rol spelen. (…)  Dan komt het verhaal van Clem zelf dat in de ik-persoon is geschreven. Daar was ik echt in een ruk doorheen. Toen werd ik pas echt gegrepen. Dus het was een leuk boek, maar dan meer van het einde uit gezien. Ik raad het wel aan aan mensen die verslagen enzo [sic] heel spannend vinden.’ 

Dit schreef ik toen ik 12 was. Wat een nuance! Ik word helemaal trots op mezelf: ik hield er rekening mee dat anderen het boek misschien beter vonden dan ik. Wat een volwassenheid!

In het begin, toen ik elf was, begon ik de alinea waarin ik mijn mening over het boek uiteenzette steevast met de woorden: ‘het was een leuk boek omdat’. (Ik meen mij te herinneren dat ik altijd eerst die woorden typte en daarna pas redenen ging verzinnen om de woorden kracht bij te zetten). Dan krijg je dus zinnen als:

‘Ik vind het een leuk boek omdat het vol actie en oude levenstijl [sic] zit.’ (Over: Hylas en de roep van de dolfijn van Michelle Paver) Of: ‘Ik vind het een heel leuk boek want het zit vol met hele leuke en grappige dingen, maar ook wel stukken die helemaal niet om te lachen zijn.’ (Over Superhelden.nl 2 van Marcel van Driel) Of: ‘Ik vind het een leuk boek want het zit vol actie en spanning en dierenliefde. Het is ook voor meisjes hoor.’ (Over: Spinder van Simon van der Geest)

Bij dat laatste citaat is natuurlijk de laatste zin (waarmee de recensie eindigt) erg aandoenlijk. Vooral het ‘hoor’ is hilarisch. Ik wilde kennelijk nog even duidelijk maken dat meisjes het ook best konden lezen. Dat is overigens wel iets wat ik vaker noem, want ook in andere stukken probeer ik steeds ook nog te benoemen dat een boek niet alleen voor meisjes of alleen voor jongens is.

Heel soms is de toon anders, zoals bij Wonder van R. J. Palacio: 

‘Ik vind dat iedereen dit boek moet lezen, het is een ontroerend boek, het laat je nadenken over wat anders is en hoe mensen erover denken. Het boek is zo goed geschreven, ik heb er echt geen woorden voor.’ (Ik was 12)

Dat boek had een snaar geraakt. En eerlijk gezegd, scrollend door de tientallen recensies, is dat ook een van de weinige boeken waarvan ik me de inhoud nog herinner…

Naarmate ik ouder word, beginnen de zinnen beter te lopen en wordt mijn mening steeds genuanceerder. Soms is hij zelfs zo genuanceerd dat ik me afvraag of ik wel iets van het boek had begrepen…

Ik schrijf nu al enige jaren geen recensies meer. Misschien moet ik het weer eens oppakken. En wie weet word ik dan eens wakker met een reactie van Grunberg, Verhulst of Wieringa in mijn mailbox…

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Bijgelovig

In het voorjaar kreeg ik een mail van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina: of ik een van de twee auteurs wilde zijn die in het speciale najaarsnummer, getiteld ‘DEMarrage’, in de schijnwerpers werd gezet. Natuurlijk zei ik ja – ik vond het een grote eer. Een paar maanden eerder stond ik al in hetzelfde tijdschrift met vijf gedichten, dus ik vond het een bijzonder vervolg.

Omdat ik nog geen officieel debuut heb, zou het mijn grootste publicatie tot nu toe worden: zeventien nieuwe gedichten in een boekje, dat ik zou delen met Sofie Verraest. In de periode waarin ik benaderd werd, was ik productiever dan ooit: ik schreef heel regelmatig, publiceerde bijna elke maand in een literair tijdschrift en het stadsdichterschap leverde ook veel nieuw werk op. Die zeventien gedichten zouden er zo zijn, dacht ik overmoedig.

Een paar weken na mijn toezegging gebeurde het: er kwam geen fatsoenlijke regel meer uit mijn handen. Ik voelde me leeggeschreven, had voor mijn gevoel niets nieuws meer te melden en was haast vergeten hoe het moest, het schrijven van een gedicht. Mijn vingers versmolten vruchteloos met mijn toetsenbord, mijn blikken sloegen kapot op mijn cursor als hopeloze golven op de branding en ik vroeg me af of het nummer er ooit zou komen. De omhelzing van mijn huis werd eerder beklemmend, dan aanmoedigend. Uren had ik achter mijn bureau gezeten en geschreven, maar ineens werd het de ruimte waar ik tot niets kwam.  

In die periode vroeg vriend en blogcollega Gilles me of ik op zijn huis in Amsterdam, maar vooral op de katten Mus en Mary wilde passen. In de heetste week van het jaar, ik kocht zelfs een korte broek en deed de moeite niet meer om mijn overhemd dicht te knopen, vond ik mezelf terug op een dakterras in de hoofdstad, met Mus en Mary die als vodjes op de vlonder lagen.

Na een paar dagen werd ik wakker met een idee voor een gedicht. Het duurde nog twee dagen voordat ik aan dat gedicht durfde te beginnen. Mus en Mary lagen op het bureau van Gilles als ik schreef, als twee donzige cipiers. Anderhalve week lang heb ik bijna onafgebroken geschreven. Ik deed wat hazenslaapjes, ging soms de stad in en zag wat mensen, maar het grootste deel van de tijd schreef ik. Het voelde alsof ik alles in kon halen wat ik had laten liggen, en ergens was ik bang dat die heerlijke schrijfzin ook weer verdwijnen zou, dus werkte ik uren achter elkaar door.

Ik keerde weer terug naar Amersfoort met drie gedichten die af waren en tien opzetjes, maar zonder Mus en Mary. Twee weken later vertrok ik weer, om op een villa in Hoevelaken te passen, maar vooral om voor de katten Toullie en Brownie te zorgen, en daar schreef ik de tien gedichten af, en vier nieuwe gedichten bij. Toullie, een mollige, eigenzinnige, zwart-witte kater, lag tegen mijn laptop aan als ik schreef en Brownie bekeek me aandachtig, zittend op het bureau als een sfinx.  

Toen ik weer thuiskwam, zond ik alles naar de fijne redacteur die me begeleidde. Mijn eigen kat, Madame Bovary, lag op de bank te slapen toen ik de laptop dichtklapte. Het huis was stil. Het is maar goed dat ik niet bijgelovig ben, dacht ik – dan was ik de volgende dag verhuisd naar een andere stad en had ik een tweede kat in huis gehaald.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In it to Guinness

De afgelopen dagen was ik met mijn goede vriend Colin op pad. We slenterden door zijn geboortestad Dublin, en gingen langs het huis waar Bram Stoker gewoond heeft.

Ik wilde al lang meer over de schrijver van Dracula weten, en daarom deden we ook Marsh’s library aan, een instituut uit 1707 met een indrukwekkende collectie. Vuistdikke eikenhouten planken hingen door van de leergebonden standaardwerken en ik dacht aan mijn Nadim (11), die hier in alles Harry Potterheid zou zien.

Sue, vice-hoofd van het instituut, leidde ons licht blozend rond en toonde een logboek waarin te zien was welke boeken over Transsylvanië Bram op welke data inzag. Gedurende het weekend – Colin had een aantal werkafspraken zonder mij – herlas ik Dracula en verbaasde me meer dan ooit over de kracht van Stokers beelden nu ik wist dat hij al zijn informatie over de streek uit boeken had.

‘Dracula is een schoolvoorbeeld van gesublimeerde seksualiteit,’ zei ik toen we op maandagmiddag achter een Guinness zaten in Cols favoriete Slattery’s. Hij was de hele ochtend onderweg geweest en met de nodige vaart binnengekomen, maar na zijn eerste slok leek al die drukte van hem af te glijden.

Het blijft me verbazen hoe de mensen hem – Colin is acteur en nogal herkenbaar – met rust laten. Hij hoeft daar geen moeite voor te doen, gaat overal zonder begeleiding heen en oogt heel open.

Misschien, dacht ik, herkennen ze hem niet omdat zijn haar wat langer is. Maar zo’n beetje elke tweede gast die binnenkwam knikte naar mijn vriend, die teruggroette alsof hij deze drinkers dagelijks zag. Niemand wilde met Col op de foto en niemand staarde. Het tweede rondje Guinness werd ons aangeboden door een paar mannen op de hoek van de bar, waarvan er eentje Colins oude buurman uit de wijk Castleknock bleek.

Col vroeg of de mannen bij ons wilden komen staan en ik ontdekte waar zijn gevoel voor humor vandaan komt. Meer dan een uur lang werd mijn maat liefdevol afgezeken op zo’n hilarische manier dat ik meermaals een slok Guinness over de vloer sproeide. Toen de mannen doorkregen dat ik een stootje kan hebben, namen ze mij ook te grazen, en al snel had ik pijn in mijn zij van het lachen.

Het leek ze te verbazen dat de Nederlander kon incasseren én uitdelen; er werd op mijn rug geklopt en ik kreeg een Jameson naast mijn Guinness. Mijn Iers-Engels schoot vooruit toen ik doorkreeg dat je bij het praten je tanden opeen moet houden, zoals een buikspreker dat doet.

We besloten een kebab te halen op de hoek en wachtten op onze broodjes aan een barretje met lage krukjes. Buiten liepen heksen voorbij, superhelden, trollen en tovenaars. Vanavond zou Samhain – het Ierse Halloween – feestelijk eindigen.

‘Wat zei je nou over Dracula en seks?’ vroeg mijn vriend, en trok zijn donkere wenkbrauwen op. Als Colin dat doet dan vormen ze een soort harig dakje boven zijn ogen en moet ik altijd denken aan zijn rol als onnozele hitman in die film in Brugge. Ik kreeg de slappe lach, maar legde niet uit waarom. Col was daar prima mee.

Onze broodjes kwamen. In stilte aten we, turend naar de gekostumeerde Dubliners. Omdat we al lang vrienden zijn, kunnen we even goed samen zwijgen als lachen en lullen.

We gingen naar een pub waarvan ik me de naam niet herinner, en daarna nog naar twee andere. Steeds als mijn glas bijna leeg was, kwam Col met een nieuwe emmer Guinness aan. We stonden buiten voor The Palace Bar toen een witte Vauxhall met sportstrepen voor ons stopte. De bestuurder leunde over de bijrijdersstoel heen en draaide het raampje handmatig naar beneden.

‘Youse lads want to come with?’ vroeg een breed grijnzende twintiger in samoeraikostuum. Vanaf de achterbank werd hij gepord door twee meiden met rode koppen. Ze gierden van het lachen.

Col stapte naar voren en zette zijn pint op het dak van de Vauxhall. ‘And where’d we be going?’

‘Puca festival,’ zei de twintiger, die me een beetje aan die onnozele van Trainspotting deed denken. Spud, bedacht ik toen ik naast hem zat, zoekend naar een veiligheidsgordel die afgesneden bleek. Col zat tussen de meiden op de achterbank en probeerde ze op hun gemak te stellen, maar hun giechelen had plaatsgemaakt voor een bijna snijdbare verlegenheid.

Na een kwartierje of een halfuur of een ruim uur rijden parkeerde Spud op de afgesloten toegangsweg van een lintdorpje. We stapten uit en volgden de dorpsstraat naar een ruïne van grijs steen die me net teveel aan Playmobil deed denken. Verkleed volk stond in groten getale om laaiende vuren heen. We werkten ons naar voren, keken een tijdje naar jongleurs en vuurspuwers en waadden daarna verder door de menigte.

Toen ik dacht dat ik de rest was kwijtgeraakt in een smal straatje greep iemand mijn pols en werd ik een steeg in getrokken. Het was Col, die gebaarde dat ik me naast hem op moest stellen, met mijn rug tegen de muur. Toen hij er zeker van was dat de anderen voorbij gekomen waren, volgden we de steeg verder. Er bleek een pub op de hoek te zitten, waar Colin zonder overleg naar binnen stapte. Ook hier lieten de mensen hem met rust.

We vonden twee lege barkrukken en bestelden biertjes temidden van elven, eenhoorns, orks en ridders. Een mollige vrouw in een zuurstokroze japon deejayde met één platenspeler. Edge of Heaven, Living on a Prayer, Paradise by the Dashboard Light. De geïmproviseerde dansvloer liep vol kinderen en vijftigplussers.

‘Dus wat je zegt,’ schreeuwde Col in mijn oor, ‘is dat die Stoker eigenlijk een geilneef was, maar dat verpakte als bloeddorst?’

Ik knikte en merkte dat ik dat te hevig deed, als een echte dronkeman. ‘Incoming,’ zei ik. ‘Elf uur.’

Schuin voor ons, op een paar meter afstand, stond een kleine bejaarde dame met een zwart-witte pruik en een lijkbleek gezicht. Knalrode lipstick was wat onhandig aangebracht op en over haar lippen, en het duurde een paar tellen eer ik snapte dat het hier om Cruella de Vil-verkleding ging.

De dame had een vol glas cider vast, die bij haar a-ritmische heupwiegen over de rand klotste. Ze sloot haar ogen even en opende ze weer, leek moed te verzamelen. Toen ze onze kant op kwam dronk ik mijn glas snel leeg; ik wilde Col weer mee naar buiten trekken, maar hij hield me tegen.

‘Het is oké, man,’ zei hij. ‘Misschien wil ze gewoon even kletsen. We hoeven toch niet onaardig te zijn?’

En dat, dacht ik terwijl Cruella naderde, is dus waarom deze gozer mijn vriend is.

Zonder Col maar één keer aan te kijken kwam ze voor me staan en hield stralend een handje naar me op. Een niet mis te verstane uitnodiging – een vriendelijke opdracht, eigenlijk – om met haar te dansen op Chris Isaaks Wicked Game.

‘I asked her to play this one,’ riepfluisterde Cruella in mijn oor. ‘Been looking at you ever since you stepped in with that fella with the eyebrows.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Als ze hier maar geen stuk over schrijft

Columnist Em schreef deze week een stuk over de avond waarop ze voor het eerst voor me stond, in een schemerige kleedkamer in Amsterdam. Ik had het fantoomgevoel dat we elkaar al kenden: ik lees haar columns en gedichten, en zij die van mij. Soms reageren we complimenteus op elkaars digitale manifestaties. Met enige regelmaat is ze nog wakker om drie uur ’s nachts, en dan vuren we berichten op elkaar af. We praten over het schrijven, sturen elkaar polemieken en jeremiëren wat over ons bestaan – allemaal via de buizen van de digitale wereld.

Nu zag ik haar voor het eerst in levende lijve. We twijfelden ongemakkelijk tussen een hand of een omhelzing en kozen voor de houterige omhelzing. De muzikanten voerden een geanimeerd gesprek, en na wat wilde handbewegingen besloot ik buiten een sigaret te gaan roken. Em ging mee.

We klommen door een raam, streken neer op een picknickbankje en praatten over haar aanstaande debuutroman, mijn nog allesbehalve aanstaande debuutbundel, over het opvoeren van mensen in je columns, en wat voor monopolie op de herinnering je daarmee hebt, over de liefde, over haar boot en over mijn kat, over mijn brakke voordracht eerder die dag en het brulgesprek in een pannenkoekenhuis dat haar middag in beslag had genomen.

Even later dwaalden er mensen met dierenkoppen (van papier-maché) en een viool (niet van papier-maché) over het podium, zweefden muzikanten (van vlees en bloed) in hun liedjes, waren er filmpjes. Em las mooi haar proza voor. Daarna moest ik wat doen – dat ging redelijk. Ik zat in over het feit dat ik struikelde over een woord en twee te lange stiltes liet vallen, maar de volle zaal, de jonge mensen en het compliment van columnist Em poetsten dat weer weg.

Het werd een avond van de laatste trein: ik wilde nog even napraten met Em, om haar wat beter te leren kennen. Terwijl we buiten stonden, dronken en een gesprek voerden dat als een losgeslagen vuurpijl alle kanten op schoot, hoorde ik hoe haar stem langzaam afbrokkelde. Het brulgesprek begon zijn tol te eisen. Eerder hadden we het al gehad over onze satirische polemiek, en de vraag of schrijven over een ander eigenlijk die ander monddood maken is. En toen raakte ze haar stem kwijt.

Wellicht had ik op dat moment moeten vertrekken. Ik had Em gedag kunnen zeggen, de overige aanwezigen kunnen groeten, mijn kraag op kunnen zetten en naar de tramhalte kunnen slenteren. In de trein naar Amersfoort had ik haar kunnen appen met het voorstel om ons gesprek later voort te zetten, als ze weer kon praten, in een kroeg, bijvoorbeeld. Dat deed ik niet. Columnist Em intrigeerde me.

Na twee vragen, waar Em logischerwijs alleen maar met mompelende geluiden op kon antwoorden, raakte ze haar stem helemaal kwijt. We zaten zwijgend in dezelfde ruimte. En dát kon ik niet. Natuurlijk: als ik alleen thuis ben, zwijg ik. Als ik op de fiets zit, zwijg ik. Als ik slaap, zwijg ik doorgaans. Maar zwijgen in gezelschap heb ik nooit gekund. Iedere stilte moet ik neurotisch opvullen met een veel te diepe vraag, omdat ik niet met small talk om kan gaan, of een volslagen nutteloze opmerking. Stilte maakt me bang.

Em had net verteld over haar verloren hoop op een geliefde, toen haar stem ook de benen nam. Door het stuk dat ze schreef over de avond, kon ik teruglezen wat ik precies had gezegd. Ik zei iets doms over psychologen, keek met een ‘licht sardonische twinkeling’ in mijn ogen en probeerde haar moed in te praten:      

‘Zelfs mensen die écht anders bedraad zijn, vinden iemand’, heb ik gezegd.      

Nog erger: ‘Over dat liefdesverdriet van je: je bent nog jong.’

En het allerergste: ‘Het komt allemaal, op z’n tijd.’

Het leek of een ander die woorden had gezegd. Een man van middelbare leeftijd, met een half leven in de achteruitkijkspiegel. Maar toch: ik had het gezegd. Als ik eerlijk was geweest, had ik gezegd:

‘Je hebt, vrees ik, gelijk. Ik ben ook bang dat ik nooit meer iemand vind. Ik denk dat sommige mensen nooit liefde vinden – het is lang zoeken naar iets wat niet te vinden is. Dan zal je vrede sluiten met het feit dat je niet gemaakt bent voor het geluk. Het leven is een wrede tombola en er zijn mensen die niets winnen, niet eens de lulligste troostprijs. Ze blijven een leven lang in een tweekamerappartement wonen met een kat en de krant, omringd door meer boeken die ze niet hebben gelezen dan wel, en ze staan elke dag voor het raam, kijkend naar de gelukkigen die zich door de straat bewegen, hun handen aan elkaar gelijmd als twee klimaatactivisten. En dan gaan ze dood.’

Die dingen zei ik niet. Ik trachtte columnist Em gerust te stellen met uitspraken van iemand die in zijn jeugd in een pot met optimisme was gevallen, terwijl ik beter niets meer had kunnen zeggen – zij kon immers niets terugzeggen. En waarom? Misschien omdat ik zelf iemand wil die tegen me zegt dat het wel goedkomt. Dat iemand mij, al is het niet zo, zegt dat alle gestrande relaties in het niet vallen bij die ene die wel slaagt. Iemand die je injecteert met loze woorden, met een hoopvol roesje als gevolg. Iemand die je voorliegt, omdat leugens nog altijd mooier zijn dan de waarheid, terwijl Em de enige was die op dat moment helemaal niets kon zeggen – monddood was ze, en ik had maar doorgerateld.

Tegen de nacht moest ik naar huis. Em was al buiten, haar fiets aan de hand. Ze zette de fiets op de standaard en ik gaf haar een iets minder houterige afscheidsknuffel. Ze hing als een slappe tussenjas aan een haakje in mijn omarming. Ik zag dat ze van alles dacht, maar besloot te doen wat ik veel eerder had moeten doen: zwijgen. Daarna trapte ze stemloos de straat uit, haar eigen leven in. Het voelde ineens alsof ik de hele avond eigenlijk tegen mezelf had gepraat.

Als ze hier maar geen stuk over schrijft, dacht ik, toen ik bij de tramhalte stond. Als ík hier maar geen stuk over schrijf.  

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Het debacle van de bacove – Anton de Kom als economisch analist

In zijn intelligente meesterwerk Wij slaven van Suriname neemt Anton de Kom moedig en eloquent de handschoen op tegen een imperialistische overheid die de koloniën ziet als wingewest, uitsluitend aan geld denkt, niet aan mensen, en zo toont De Kom een moreel failliet aan. Wat een onuitstaanbare hufters zijn we toch geweest! Nadat de Nederlandse overheid eeuwenlang heeft toegestaan dat mensen bezit waren en ze niet in 1833, zoals de Britten, of in 1848 zoals de Fransen, maar in 1861 pas stopten met mensen gedwongen gratis voor je laten werken, stapelden we alsnog fout op fout. De eigenaars werden bijvoorbeeld gecompenseerd met 300 gulden per slaaf, (zodat sommigen alsnog op gevluchte slaven gingen jagen) maar de slaven kregen niets, zodat zij, zonder bezit, zonder opleiding, met een minderwaardigheidscomplex, onmiddellijk uitsluitend voor een hongerloon hetzelfde werk konden gaan doen.

Wat een stuitend nieuw inzicht in dit boek is, is dat wreedheid, hoewel economisch helemaal niet handig, toch de meest vigerende omgangsvorm tussen eigenaars en hun slaven was: met andere woorden: efficiënt was geweest ze goed te verzorgen, maar men verloor liever wat geld dan fatsoenlijk te zijn.

Een werkelijk prachtige wrange episode in het boek handelt over het debacle van de bacove, wat vooral De Koms superieure economisch inzicht goed toont.

Omdat Suriname door de Nederlandse onwil echt goed na te denken over de toekomst van het land na 1861 van het ene mislukkende project in het andere was gesukkeld (een treinverbinding met een goudmijn die precies leeg was toen de verbinding klaar was – hout voor dwarsleggers werd in een bos met zeven keer het oppervlak van Nederland, vanuit het buitenland ingevoerd-; een avontuur met een koffiesoort die niet gelijktijdig rijpt maar door het jaar heen, zodat je heel veel mensen nodig hebt, die je dus niet meer hebt…) bedacht men dat de succesrijke Jamaicaanse banaan, de bacove, een oplossing zou kunnen zijn. Maar, zoals De Kom niet moe wordt te benadrukken: nooit werd een plaatselijk boertje gevraagd hoe zoiets moest, ze stuurde er een commissie op af, met ‘wijze’ witte mannen die nooit een dag in hun leven gewerkt hadden en zeker nooit een voet in de zompige aarde hadden geplant. Laat staan een bananenplant.

Er werden hypotheken verstrekt voor plantages die met de bacove aan het werk wilden, leningen voor eerste kosten. Er werd een contract afgesloten met de United Fruit Company, een monopolist, die geheel Noord- en Zuid-Amerika bediende. De Nederlandse regering trachtte niet dat monopolie te doorbreken door bijvoorbeeld zelf de Caraïben te bedienen, maar legde zijn nek in de strop door een leveringsgarantie aan te gaan, met boetes bij in gebreke blijven. (Er was nog geen banaan gekweekt. Zalig zijn de armen van geest.) Een Amerikaanse adviseur van de United Fruit Company ‘hielp’ met het optimaliseren van de bodemgesteldheid, maar de Company had vanaf dag 1 meer baat bij niet leveren dan wel, dus veel verbazing wekte het achteraf niet dat de suggesties die de adviseur deed betrekkelijk desastreus bleken te zijn geweest.

De bananen kwamen er niet, De UFC ontving zijn boetes, de plantage-eigenaren bedongen nieuwe leningen. Toen ze voelden dat het mis zou gaan zetten ze hun plantages om in Naamloze Vennootschappen, zodat ze voor de schulden niet langer zelf aansprakelijk waren. Nieuwe leningen werden meteen in de vorm van dividend op winst, gehaald uit zogenaamd wonderlijk goed verkopende strookjes koffie en cacao, uitgekeerd, terwijl de boedel zo goed als failliet was. Nederland ging voor miljoenen de boot in, de Amerikaanse fruitgigant lachte in zijn vuistje, Suriname kreeg de schuld, de suffende gouverneurs trachtten de schade te verhalen op straatarme ex-slaven die belasting moesten betalen voor elke plank waar hun schamele behuizing uit bestond. Dit is 1908.

Ja, het klinkt authentiek Nederlands op een bepaalde manier. Het is niet de eerste en niet de laatste keer dat de Nederlandse overheid de gevolgen van slecht beleid afwentelt op ruggen van mensen die het niet makkelijk hebben.

Het is geen vrolijke lectuur dit Wij slaven van Suriname maar een prachtige gedegen studie, met een sterke persoonlijke noot over hoe het mis ging in Suriname door de Nederlandse kortzichtigheid en geldlust en een totaal gebrek aan menselijkheid. De Kom bewijst dat we voldoende verprutst hebben om nog eeuwen wat beter ons best te moeten doen.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Jos Versteegen"
    Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.