Café do Brasil

Vandaag werk ik in mijn eentje. Ik zoek de zwakke plekken in het stalen dek, slijp ze uit en las er nieuwe platen over. De zon is bijna even heet als de vlam van de brander. Vanuit het open raam van de stuurhut boven mijn hoofd klinkt calypso, reggaeton en soms zelfs samba. Dat betekent dat de kapitein slaapt en dat er iemand anders achter het roer zit. Jorge, waarschijnlijk. Of Rico, zijn jongere broer.

De avond dat ik je zag was ik niet in Café do Brasil voor de meisjes. Ik was gekomen voor de achterplaats vol dansende mensen, voor de slingers met gekleurde lichtjes en de rum die dik als olie in bevroren glazen glom. Ik kwam om te dansen, vergat zelfs te drinken, waardoor ik weet dat ik nuchter was toen ik je zag.

Je zat tussen de kinderen die altijd op de lage muur zaten die het plaatsje van de straat scheidt, en keek naar boven alsof er aan de hemel meer te zien was dan op de dansvloer. Als vergeten viel de dame waarmee ik danste uit mijn armen. Ik hielp haar overeind, bood haar wat te drinken aan, maar ze volgde mijn blik en spuugde op de grond. Toen ik naar je toe liep was het alsof de vloer kantelde. Alsof ik jouw kant op viel. Ik tikte op je knie en wachtte tot je blik was afgedaald.

‘Samba is voor oude mensen,’ zei je toen we dansten.

‘Je bent licht. Ik zou je kunnen optillen en meenemen waar ik ook heen ga, zonder je ooit neer te zetten.’

‘Ik zou geen schoenen meer aan hoeven?’

‘Nooit meer.’

‘Te gek,’ zei je. ‘Want deze dingen doen zeer.’

Het leer van je ballerina’s was ingeknipt om ruimte te maken, maar nog zaten ze te krap. Je zei dat je dorst had. Ik bracht je een cola en hielp je weer op het muurtje, waar je meteen je schoenen uitdeed.

‘Herken je me niet?’ zei je.


‘Je bent de dochter van Lillian.’


‘Dat is niet haar echte naam.’


Samen keken we naar de dansende mensen. Omdat ik niet goed wist wat ik moest zeggen, vroeg ik of je honger had. Even later aten we een pan schelpjes bij Ernesto’s Seafood. Nu nog kan ik die schelpen proeven, de maan boven de baai zien hangen. Ik wilde je niet laten gaan. In het ochtendlicht, op weg naar je moeders huis, zou je beseffen hoe verkeerd het was dat je met een van haar klanten gedanst en gegeten had. Dat je je door hem had laten kussen op het strand.

Het is te warm geworden om te werken. In de schaduw van de brug, mijn schoenzolen bijna smeltend op het dek, wacht ik het einde van de middag af. Niets dan water in het oosten: de kromming van de aarde staat tussen ons en Guatemala in. Morgen varen we Nicaragua voorbij.

___________________________________________________________

Dit fragment over de horeca komt uit de roman Het laatste kind, verschenen bij Van Oorschot in 2013

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Vanderwaalse krachten

Als het sneeuwt loop ik een sneeuwgedichtenrondje, twee moeten altijd even gelezen, dit is de eerste:

Winterstilte

De grond is wit, de nevel wit,
de wolken, waar nog sneeuw in zit,
zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
met witte rijp beijzeld.

De wind houdt zich behoedzaam stil,
dat niet het minste takgetril
’t Kristallen kunstwerk breke,
de klank zelfs van mijn schreden wil
zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
dit grootse, stille wonder.

Die stamt uit mijn jeugd, waarschijnlijk bij benadering het eerste gedicht dat ik hoorde, als we het Hooglied of Spreuken niet meerekenen (ook wel sneeuw daar: ‘Evenmin als de sneeuw in de zomer en de regen in de oogsttijd, past eer bij een dwaas.’) Mijn moeder – van 1933 – leerde het op school uit haar hoofd. Het is van Jacqueline E. van der Waals. Over van der Waals heerst het in Nederland regelmatig voortkomende misverstand dan religieuze mensen niet zouden kunnen dichten. Dit is een goed gedicht vind ik… ook als ik abstraheer van mijn diepe gevoel erbij, denk ik dat hier heel goed geluisterd, gekeken, is naar buiten, en naar binnen. En wat er aanbeden wordt is niet God, maar dit grootse stille wonder.

Een sneeuw ligt in den morgen vroeg
onder de muur aan, moe en goed
beschut en een arm kind komt toe
en staat en ziet en met zijn voet

gaat het dan schrijven over dit
prachtige vlak en schuifelt licht
bezonnen en loopt door, zijn mond
trilt in het donker klein gezicht.

J.H. Leopold

Dit is dan wel de klassieker. Vooral door het onbepaald lidwoord dat Willem Jan Otten tot zijn schitterende toneelstuk met die titel bracht: Een sneeuw. Moe en goed, een knap staaltje projectie. In Leopold kun je ook blijven lezen. Die groeit met je leeftijd mee, moet je elk decennium opnieuw leren kennen. Ik smacht naar de Halsema-biografie van deze intens boeiende en droevige figuur.

Ik wandel nog wat door, in sneeuw en in sneeuwteksten. Om ongetwijfeld te eindigen bij de besneeuwdste roman die ik ken: Dokter Zjivago van Pasternak.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Someone to Run With

Een van de mooiste titels die ik in de Engelse taal ken is Someone to Run With. David Grossman schreef het boek, en die titel verwijst naar een hond, of eerder: wat een baas is in de ogen van een hond.

Ik houd niet van boeken waarin dieren een te grote rol spelen, laat staan boeken waarin dieren als mensen denken.

Waarschijnlijk heb ik ooit gezworen dat ik nooit zo’n boek zou schrijven, want ik doe regelmatig dingen die ik heb gezworen nooit te zullen doen. In mijn nieuwe roman Dorp is een van mijn belangrijkste stemmen die van een ijsvogeltje, dat liefde opvat voor een kleine jongen.

Veel van de gedachten en gevoelens die we onze dieren toekennen leggen we er zelf in. Dieren zijn bij uitstek geschikt om onze binnenwereld op te projecteren omdat ze niet praten: onze ideeën over wat er in onze kat omgaat weerlegt hij niet zo makkelijk. Iemand vertelde me laatst dat honden hun wenkbrauwen kunnen samentrekken omdat die beweging door mensen als ontroerend wordt gezien. De eerste wolfhond met die mutatie kreeg veel te eten, een plekje bij het vuur en een hele slinger nageslacht.

Het sneeuwde en mijn vader bracht een sleetje langs. Ik sleepte Ada en Nadim door de straten en we hadden sneeuwgevechten met ouders en kinderen uit de buurt. Natuurlijk was Otis de Hond mee, omdat Otis altijd mee is. Wie een hond had voordat hij een kind kreeg ziet na de komst van zijn kind zijn hond veel minder staan.

Als honden echt als mensen dachten zouden ze veel vaker kinderen bijten.

Pas toen ik echt genoeg had van het sleetjetrekken en met mijn handen op mijn knieën nahijgde van het laatste sneeuwballenspervuur, kreeg ik oog voor Otis. Ondanks zijn gevorderde leeftijd draafde hij maar af en aan, sneeuw happend, blaffend, rondjes rennend om de kinderen. Mijn buurvrouw maakte met haar telefoon een foto van hem, die ik pas bij onze thuiskomst zag.

Die alertheid in zijn ogen, hij leek zo jong. Zijn leven was sinds onze kinderen wel erg saai geworden. Eigenlijk sliep hij nu alleen nog maar. Hier was de Oot van vroeger, voor heel even. Net op tijd door Nathalie gezien.

Wat ik op hem projecteerde is dat ik de onnadenkende luchtigheid zo mis. Dat is de corona, kun je zeggen. Maar je kunt ook zeggen dat mijn eigen onnadenkende luchtigheid op de kinderen is overgegaan.

De voorbijheid der dingen, om een van de mooiste titels in de Nederlandse taal te verbasteren.

Als een huisdier doodgaat dan komt alles wat we er ooit op geprojecteerd hebben vrij. We zeggen dingen als Tommie had ik al sinds ik op kamers ging. Die hele levensfase heb ik hem gehad, helemaal tot nu aan toe. Toen ik jou tegenkwam. En de geboorte van de kinderen. Hard bewijs voor de stelling dat zo’n huisdier alleen maar over onszelf gaat.

Voordat je het mocht denken: Otis is niet dood. Hij ligt te maffen op het dikke kussen achter me, waarop hij bijna vijf jaar heeft geweigerd te slapen. God weet waarom.

Beeld: Natha Girard

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Snijpunten

Langs allerlei kanalen bereiken me de afgelopen dagen foto’s waarop ik voorkom. Beelden van een vol café of van een met slingers behangen woonkamer, genomen met een beslagen lens. Vrienden, kennissen, collega’s en vreemden lachen, omhelzen elkaar, trekken aan elkaars kleding of steken een tong in elkaars oor.

“Twaalf maanden geleden,” staat er dan bij. Of: “Vorig jaar rond deze tijd.”

Wat de afzenders bedoelen is natuurlijk Ik mis dit. De meer directen zetten dat er dan ook bij.

Ik kijk naar die beelden tot ik me zo’n avond weer herinner of moet besluiten dat ik me hem juist niet herinner, en ga dan verder met mijn dag, bekropen door ongemak alsof ik ben gewezen op een schaamtevol moment. Toch keer ik later altijd bij zo’n foto terug: die grijnzende aangeschoten man met één arm in de lucht en de andere om de schouders van een vreemde. Hij is vrij, op vakantie van dat hele zelfbewuste.

Voor corona was mijn huis een open huis. Iedereen die na lunchtijd langskwam kon verwachten dat hij voor het avondeten bleef. Aangekondigde eters hadden we zo’n twee keer per week, en dan kookte ik uitgebreider. Fijn vond ik het als vrienden tegen vieren kwamen, dan konden we naar een glaasje van het een of ander toe werken terwijl ik mijn koelkast en keukenladen afspeurde, nadacht over wat te maken.

Koken voor gezelschappen deed ik het liefst. Twintig ellebogen op mijn tafelrand, al die armen, handen boven het donkere blad. Mijn kinderen op schoot bij ooms of tantes die dat al dan niet echt waren. Nadim genoot ervan om aan het hoofd te zitten en lange verhalen te vertellen. Daarna greep Ada haar ukelele om een eigen lied zingen dat zo nu en dan – het moet gezegd – wat lang kon uitvallen.

Steeds luidere mensen steeds luider lachend. De korte stilte rond de pasta of het hoofdgerecht waardoor ik wist dat ze het lekker vonden. Luider nog daarna, tot het plafond van onze keuken een paar meter op leek te stijgen.

Die plek achter het fornuis, vlakbij maar in mijn eigen ruimte, was mijn meest geliefde plek. Nu en dan kwam er iemand roken onder mijn afzuigkap, met me lullen terwijl ik bordjes opmaakte of een schaal belegde. Nu en dan kwam iemand me een kus brengen omdat iets heerlijk was, of omdat hij me gewoon een kus wilde brengen.

Koken voor vrienden bood de ideale kruising van afstand en nabijheid. In het café was het de alcohol die hielp, iets soortgelijks bewerkstelligde: de juiste hoeveelheid bier ontsloeg me van de verantwoordelijkheid aanspreekbaar te zijn, en tegelijkertijd was ik er juist heel erg bij.

Sinds corona begrijp ik wat een rijkdom het was om mijn kruising goed te kennen, en die op te kunnen zoeken wanneer ik het maar nodig had.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Vrienden

De documentaireserie ‘Klassen’ is niet onopgemerkt gebleven, waardoor ik, acteur in hetzelfde genre, plotseling een groot publiek voor me zie. Hebben jullie gekeken mensen, gezien hoe prachtig ons werk is en hoe onrijp soms onze vrucht? Dank Sarah Sylbing en Ester Gould, voor die intieme blik op achtstegroepers in Amsterdam-Noord, onderweg naar hun Grote Oversteek, en op enkele middelbare scholieren die al aan een Overkant zijn. Met parallelle scènes uit verschillende scholen filmen jullie wat wethouder Marjolein Moorman een ‘gif in de samenleving’ noemt, het wetenschappelijk aangetoonde onrecht van ongelijke kansen. En nu weet ook ‘Klassen’ kijkend Nederland dat het schooltraject van kinderen afhangt van het opleidingsniveau en inkomen van ouders.

 De serie is niet alleen maar documentair. Treffend schreef Gerwin van der Werf in Trouw dat hij het gevoel had naar een Netflixserie te kijken. In de gekozen aanpak groeien de geportretteerde kinderen en leerkrachten uit tot personages, in wie we ons inleven en die, zo gaat het mij tenminste, in ons voortleven – archetypen worden: een Anyssa, een Yunuscan, een Gianny, een juf Jolanda, een meester Thijs. Wij kijkers – ik reken me weer even tot u, publiek – begrijpen het pijnlijke verhaal dat jullie makers ons vertellen en we willen kinderen met zieke opa’s, met analfabete ouders, in een flat vol herrie, in een fuik van testosteron en straatgeweld, helpen en redden en opstuwen en ja, eerlijke kansen geven. Maar omdat de documentaire ook speelfilm is, zien we meer dan het oppervlakkige narratief. Of laat ik zeggen: we zien het onderhuidse ervan. Neem Viggo.

 Wanneer Viggo thuis uit het raam kijkt, ziet hij geen beton maar weiland. Waterplas, rietkragen, een buizerd op thermiek. Hij woont aan de rand van Noord, waar de witten wonen. De geprivilegieerden. Viggo’s ouders zijn hoogopgeleid, we veronderstellen dat ze geld hebben en ambitie. Op de school van Viggo zitten kinderen die allemaal naar het vwo willen, want daar begint de weg naar het geluk. De Citotoets is aanstaande, onderling hebben ze het nergens anders meer over. Kijk ze daar zitten, aan de rand van het voetbalveld, gezworen vrienden, wijsneuzend over de toekomst. Ze pochen over hun voorlopig schooladvies. Dan zoomt de camera in op Viggo en registreert zijn blik. Hij zegt niks, de voice-over blijft stil, en ons is de vrijheid vergunt in Viggo’s hoofd te gaan zitten. Te denken wat hij denkt. En ík denk dat hij bang is. Meester twijfelt of hij het vwo wel aankan. En wat dan? We horen Viggo zeggen dat hij ‘véél liever vwo krijgt’, want ‘het is voor de rest van je leven’, maar vooral omdat hij, denk ik dat hij denkt, bij zijn vrienden wil blijven.

 Een van de lessen van ‘Klassen’ gaat over ‘erbij horen’. Terwijl in de klas van Viggo de spanning oploopt naarmate de Oversteek nadert, worstelen zijn ouders met de prestatiedruk waaronder hun zoon gebukt gaat. Ik geloof zeker dat er ouders zijn die torenhoge verwachtingen van hun kinderen hebben en ze naar dure bijlessen sturen zodra er wat tegenwind opsteekt, maar er zijn ook hoogopgeleide ouders die verstandig zijn. Viggo’s moeder vertelt dat ze met een lagere opleiding misschien wel meubelmaker geworden was en dat ze dan misschien wel gelukkiger geworden was in haar werk. Vader vraagt zich af wat echt belangrijk is: ‘Gaat het om presteren en goede cijfers of gaat het erom dat je een relaxed leven hebt en leuke vrienden en… wat minder succes. Want alles komt met een prijs, natuurlijk.’ Soms zijn het te ambitieuze ouders, vaker – lijkt mij het portret van Viggo en zijn ouders te suggereren – is het de competitieve sfeer in de klas en de angst er niet bij te horen, vrienden te verliezen, die kinderen tot het uiterste pushen.

Sorry Viggo, dat ik hier allerlei dingen over je beweer, je gedachten en gevoelens toeschrijf, het is niet mijn gewoonte. Ik ken je niet persoonlijk, ik ken je als personificatie van wie het geluk is toebedeeld aan de gunstige kant van kansenongelijk Nederland te verkeren. Hopelijk vind je het oké. Je hebt me iets laten inzien. Het moeilijkste van de Oversteek, van doorgangsriten in het algemeen, is dat je er alleen voor staat. Aan de Overkant hoop je dat je vrienden er weer zijn. De mensen waar je niet zonder kunt. Weet je nog de laatste sequentie met jou? Je bent met je moeder aan het kanovaren en rust even uit op een bankje. Je moeder vraagt dan hoe jij denkt dat je er over twintig jaar bij zit, waar je dan woont. Jij zegt: ‘Ik hoop zo, waar ik nu woon.’

   ‘Dan word je mijn buurman,’ zegt je moeder.

   ‘Ja, waarom niet?’ zeg jij.

   ‘Heel gezellig,’ vindt je moeder.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Echte brieven schrijven

Sinds kort werk ik mee aan het project Schrijven naar de toekomst, dat iemand uit mijn verleden begon. Het idee is overzichtelijk: onbekenden worden gekoppeld om een briefwisseling te beginnen.

Van mijn door het project geselecteerde penpartner wist ik niets behalve haar naam, adres en leeftijd toen ik mijn eerste brief mocht schrijven. Ik had me in haar kunnen verdiepen op het internet, maar besloot dat juist niet te doen.

Hier, dacht ik, is een mens dat net als ik bereid is zich kwetsbaar op te stellen. Dat zou genoeg moeten zijn. Ik besloot mijn brief niet te beginnen met een biografie of een beknopte uitleg over wie ik ben en wat ik doe.

Omdat ik het café van alle vrijheden het meest mis, besloot ik een gesprek aan te knopen zoals ik dat met vreemden in de kroeg meestal deed. Ik schreef zonder censuur wat er in me opkwam. Onvoorbereid, planloos, open.

Onmiddellijk werd voelbaar hoe een brief van andere communicatie verschilt. De schrijver mag bepalen hoe persoonlijk het wordt, en kan zijn mate van openheid niet afstemmen op de reactie van de ander. Verschil met email is er ook: een antwoord kan dagen op zich laten wachten.

Om contact te maken moet je afwijzing riskeren, en afwijzing is net zo verschrikkelijk als contact fijn kan zijn. Wie een briefwisseling begint gaat geblinddoekt een deur door om daarna al zijn kleren uit te trekken.

Contact maken met vreemden is wat ik sinds de maatregelen het meest mis. In mijn brief besloot ik dit te benoemen en er op door te borduren. Ik nam risico: het moest echt ergens over gaan, óf de wisseling moest meteen al stuklopen.

Ik werd beloond. Penvriendin N kan niet alleen goed schrijven, ze kan me volgen en pakt door. Ik merk dat ik nu twee keer per dag in mijn brievenbus kijk, hopend dat er iets voor me ligt. Voorheen trof ik er alleen kranten en blauwe enveloppen.

Gisteren was er weer eentje. Ik opende haar brief halverwege de trap en las:

[…] Ik moet ook zeggen dat ik met een kinderlijk plezier naar de brievenbus liep, waar doorgaans niet veel meer in te vinden is dan rekeningen, reclamefolders en de zaterdagkrant. Maar nu dus jouw gedachten – waarvoor ik de envelop al openscheurde op de trap.

Bijzonder om juist in deze tijd een briefwisseling te starten. Door het wegvallen het publiek sociale is een rijtje goedgekozen woorden blijkbaar al genoeg om me als een tiener te doen blozen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.

  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • "Foto van Menno van der Veen"
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.