Zuurzak

In de centrale markthal aan de oever van de Surinamerivier in Paramaribo stond één enkele dame die zuurzakken verkocht. Er is niet veel grootschalige landbouw in Suriname. De meeste verkopers voeren zelfverbouwde groenten en fruit van wat men kostgrondjes noemt. Een soort volkstuinen.

De zuurzak, ook wel bekend onder de naam guanabana, is een fenomenale vrucht. Donkergroen en nogal vijandig ogend, is het een van de dingen die mijn dag een paar tandjes verder de lucht in kunnen tillen, en tijdens mijn dagelijkse ritje naar de markt fantaseerde ik altijd al over wat er voor exemplaren zouden liggen.

Het uitzoeken van een goede zuurzak is een taak voor kenners. In het begin moet je blind varen op het advies van een vertrouwde verkoper – die krengen zijn hartstikke duur – en pas na een heleboel aanschaffen begin je zelf gevoel te krijgen voor wat nou een fantastische vrucht gaat zijn.

Ze zijn altijd groen, en bij de betere kramen mag je ze niet aanraken. Een zuurzak is alleen maar lekker als hij perfect gerijpt is, en dat rijpen begint pas na de pluk. Hoe je de vrucht behandelt terwijl een proces van nobele rotting een zuur en droog vruchtvlees langzaam omzet in iets hemels is van het grootste belang. Idealiter raak je ze niet aan en vervoer je ze niet. De minste buts of beschadiging kan zorgen voor een verschrikkelijk grijszwart soort rotting, die voor de liefhebber die dagenlang geduldig heeft gewacht op het perfecte moment het best te vergelijken is met een klap in het gezicht van een ijskoude, natte en eeltige bouwvakkershand.

Sinds ik lesgeef in de Pijp – waarover later zeker meer – maak ik op de terugweg naar huis altijd een slinger over de Cuyp, die verschrikkelijk veranderd is sinds ik er woonde, maar waar je goddank nog steeds ideale vis kunt vinden, en zo nu en dan een exotische schat. Deze week kocht ik oker bij de overmatig gedienstige man in het souterrain, en liet mijn oog vallen op een bordje dat zuurzakken adverteerde.

‘U heeft zuurzak?’ zei ik, opeens zes jaar oud en jarig.

‘Baas, ik heb zeker zuurzak voor u. Absoluut.’

Het ongemak dat me bekruipt wanneer een nazaat van een door mijn land uitgebuite me zo aanspreekt is als een mes tegen mijn keel: ik kan niet meer normaal bewegen. Mijn kindse geluk en de opgedrongen gêne vertroebelden mijn blik. Lang verhaal kort is dat ik een vrucht van vierentwintig euro kocht. Een schijntje, als je in koloniale restitutie denkt.

Thuis begon de onrust. Zou ik hem nog even laten liggen? Maar wat als Ada erin porde? Als Nadim er met zijn klamme tengels in kneep? Na het eten, na de afwas, na het uitlaten van de hond, besefte ik dat er geen rust zou zijn voordat de vrucht was doorgesneden, leeggehaald met een lepel en geportioneerd voor in de vriezer. Hoewel van invriezen nooit iets komt, dacht ik terwijl ik het juiste mes uitzocht, de zoete snijplank afspoelde.

Ik legde een vochtige doek op de werkbank, drukte de plank erop. Ik bevoelde het scherp van mijn mes en rilde een beetje, zoals dat hoort bij echt scherpe messen. Ik legde het mes terzijde en reikte met twee handen naar de vrucht, die sinds mijn thuiskomst op een bedje van bubbelplastic had gechambreerd.

Heer, sta me bij, ging het in mijn hoofd terwijl ik het lemmet op de groene huid zette. Ik rook de waterkant, hoorde de kooplui roepen in het sranangtongo. Zag de visvrouwen die hele baarzen schoonmaakten met hun bijltjes. Pezig, serieel werk: van een beest van acht kilo naar een hoopje trapoen met een prijsbordje ervoor in minder dan twee minuten.

Maar goed. Rot als een broodje gier, die zuurzak. Deze baas gaat morgen verhaal halen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Stijl en stem

Soms is een enkele bladzijde genoeg om je een glasheldere indruk van een tot dan toe onbekende schrijver te geven. Een dergelijke schokkende kennismaking is een bijzonder, maar zeldzaam genoegen, waar je als lezer op teert of naar kunt verlangen. Op zo’n moment raak je weer doordrongen van het unieke vermogen van literatuur om twee vreemde individuen met elkaar in contact te brengen.

Ik denk daarbij zelf aan de gevleugelde woorden van Lodewijk van Deyssel (1864-1952) uit Over literatuur (1886), die gerust genderneutraal gelezen mogen worden:

‘Ik houd van het proza, dat als een man op mij toekomt, met schitterende oogen, met een luide stem, ademend, en met groote gebaren van handen. Ik wil den schrijver er in zien lachen en schreyen, hooren fluisteren en roepen, voelen zuchten en hijgen. Ik wil, dat zijn taal als een tastbaar en klinkend organisme voor mij opdoeme, ik wil dat, als ik hem lees op mijn kamer, hij mij, uit zijn voor mijn oog bevende letters, een geest doe gewaarworden, die mij nadert en van zijn blad zijden uit in mij op schijnt te varen.’

Een vergelijkbare ervaring had ik toen ik voor het eerst een verhaal van Sofie Lakmaker (1994) las. In 2018 kreeg ik als recensent toevallig de eerste Sampler van Das Mag in handen, waar haar debuut in stond. Ik was meteen getroffen door de aparte toon, de rauwe, persoonlijke inhoud en de wilde bravoure die van de vertelling afspatte. Dat heb ik maar zo direct mogelijk geprobeerd op te schrijven, en via die lofbetuiging raakten we aan de praat. Zo kwam het dat Sofie de afgelopen twaalf maanden tweemaal verhalen instuurde voor Tirade (te vinden in nummer 479 en 483), en dat ik het manuscript las van wat haar debuutroman zou worden: De geschiedenis van mijn seksualiteit (2021).

Het boek verscheen in februari, en dat zal veel lezers niet ontgaan zijn. De roman kreeg een paar lyrische besprekingen, de schrijver schoof aan bij een paar tv-programma’s, de Duitse vertaalrechten zijn al verkocht. Steeds werd – terecht – onderstreept hoe belangrijk en actueel het verhaal is. De geschiedenis van mijn seksualiteit gaat over Sofie Lakmaker, een jonge vrouw die niet goed weet hoevéél vrouw ze wil zijn, en die zich na een twijfelachtige periode van heteroseksualiteit op rommelige, vaak aandoenlijke wijze wereldwijs maakt in de wereld van lesbische seks en liefde.

De psychologische grondlaag van het boek raakt in dergelijke samenvattingen snel buiten beeld. Sofie Lakmaker schrijft namelijk ook om zichzelf te leren kennen en vorm te geven. De worstelingen met seksualiteit, en vooral intimiteit, hangen samen met de kwetsbaarheid van haar persoon. Ze komt naar voren als iemand die simultaan snakt naar erkenning en geteisterd wordt door de veroordelende blikken van anderen, en daarom voortdurend zelfbewust en gespannen is. Daarnaast wordt het verhaal getekend door familietrauma’s en rouw: ze beschrijft bijvoorbeeld hartverscheurend hoe haar moeder, wier Joodse vader blijkbaar in of na de Tweede Wereldoorlog zelfmoord beging, na jarenlange ziekte sterft aan kanker.

Ik wil het in het bijzonder hebben over de persoonlijke stem van de schrijver. Toon, stem, karakter – in literatuur moet het allemaal voortkomen uit de taal, waardoor het altijd het product van stijl is. Voor een recensent is het meestal verrekt lastig om te benoemen hoe dat in zijn werk gaat, waardoor het vaak achterwege blijft, maar als klein eerbetoon aan de stilist die Sofie Lakmaker ook is, wil ik hier toch een poging wagen.

De toon van De geschiedenis van mijn seksualiteit is conversationeel, alsof de schrijver direct tegen je aan zit te praten. Dat komt volgens mij door het veelvuldig gebruik van de directe aanspreekvorm, ook wel de apostrof. Het boek wemelt van zinsneden als ‘Weet je wat het is?’, ‘Geloof mij maar’, ‘hè?’ en ‘snap je?’, waarmee de aandacht op het vertellen zelf wordt gevestigd. De schrijver zakt niet weg in haar verhaal, maar blijft erboven hangen om nadruk te leggen en te sturen.

Dit gebeurt op vergelijkbare wijze in The Catcher in the Rye (1951) van J.D. Salinger (1919-2010), waar Lakmaker mogelijk de mosterd vandaan heeft gehaald. Ze noemt het boek immers meermaals, evenals Blauwe maandagen (1994) van Arnon Grunberg (1971). Grunbergs onderkoelde, aforistische stijl heeft ze echter bepaald niet overgenomen. In De geschiedenis van mijn seksualiteit is er eerder sprake van een talig teveel, van zinnen die almaar over elkaar heen blijven buitelen.

Een belangrijk stijlkenmerk van Sofie Lakmaker is haar ritmische interpunctie. Waar de dubbele punt over het algemeen gebruikt wordt om een toelichting of een citaat in te luiden, wordt het teken hier vaak aangewend om zinnen op te breken en pauzes in te lassen. En hoewel de ronduit anarchistische benadering van leestekens en lettertypes uit het Sampler-verhaal hier enigszins lijkt te zijn ingedamd, worden streepjes, punten, komma’s en cursiveringen ook hier geheel vrijzinnig ingezet om de innerlijke stem van de schrijver zo nauwkeurig mogelijk na te bootsen:

‘En er komt een dag dat ze je inhalen: die spiegels. Ze halen je onvermijdelijk in, en dan zie je wat je eigenlijk bent: net iets te blond, net iets te dun, net iets te fragiel. En ik beloof het je – er is maar één ding dat je op zo’n moment tegen jezelf kunt zeggen en dat is: ‘It’s not your fault, it’s not your fault, it’s not your fault.’ Want het ís jouw schuld niet, maar van al die mensen die het nooit hardop zo hebben gezegd maar wel langzaam maar zeker door je strot hebben geduwd.’

Ritme is de stuwende kracht van dit proza: zoals de humor steunt op uitstekend geplaatste punchlines, zo worden de meest emotionele momenten geïntensiveerd door herhalingen, accenten en onverwachte wendingen:

‘Ik heb bijzonder weinig wijsheden voor jullie in petto, enkel deze: dat dat het ergste is. Niet de dood, die is er niet, er bestaat alleen leven. Het ergste is de eenzaamheid, dat is ook altijd het ergste geweest en er zal nooit iets ergers komen.’

Of dit het resultaat is van noeste oefening of natuurtalent maakt uiteindelijk niet zoveel uit. Het resultaat is een eigenzinnig, oorspronkelijk en energiek relaas, dat middels de taal een levend mens laat zien. Salinger, Grunberg, Wolkers (voeg maar toe: Reve, Meulenbelt, Lanoye, Mizee) – al die vergelijkingen gaan uiteindelijk mank: in dit boek, dat alle lof en aandacht verdient, is het in de eerste en de laatste plaats Sofie Lakmaker die zichzelf toont.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De poëzie op straat (Over Florence Tonk)

Poëzie vind je op straat. In slechte wijken sowieso, in goede wijken zit er een kaftje en een kastje omheen.

Dwalend door de stad kijk ik naar gevels, afval, mensenfronzen, dichte gordijnen en krokussen. Niets kan mij tot stilstand brengen, behalve dan de minibieb. Steeds weer moet ik mijn snuit in de bont geverfde kastjes steken.

Hier, aan deze kant van het water, staan ze niet. In deze wijk wordt weinig gelezen. Als je al naar binnen kunt kijken zie je enorme beeldschermen en porseleinen poezen, of gouden tijgers, klaar om te springen. Soms een obscene laaf, verkleurd. Walgelijk bloot in vaalroze op de vensterbank.

Nooit boeken.

Daar, aan de andere kant van het water, vind je ze. De eerste bij de brug is een overgangsminibieb, en bevat verbrokkelde DVD-hoesjes en schimmelige Bijbels in vreemde talen. Dieper in het woud van de Baboe-bakfietsen, bamboescheuten en plantenbakken begint het echte goudzoeken.

Hongerig schuif ik dan de kastdeurtjes open en vind bloemlezingen, losse nummers van letterkundige tijdschriften, een oude Tirade of een dichtbundel. Vandaag stond daar een afgedankte Anders komen de wolven, van Florence Tonk. ‘Aards. Gegrond. Echt,’ las ik op de achterflap, dus dat leek me wel wat.

Aan de waterkant snuffelde ik aan de gegronde poëzie. In ‘Trooststad’ staat gedicht:

[…] En alle zestien wegen
naar het hart
van dumpzaken, tabak
bedrukte zwarte mensen
afzien in de slagregen
donker van de bomen
overal.

Deze minibieb had iets magisch. Het leek alsof die aanreikte wat op dat moment nodig was, net als de knapzak van Douwe Dabbert. De minibieb geeft precies de woorden en zinnen die resoneren met de omgeving, het moment van de dag, de seizoenen, de melancholie van een zondagmiddag in maart.

In het gras op de grens van twee wijken viel mijn oog op het gedicht ‘Arm en rijk’. Over het hondenpoepveldje bij de waterkant klonk een stem, van Florence Tonk allicht – of nu ja, misschien verbeeldde ik het me maar:

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Met fietstassen en een zeven voor spelling
Jij hebt een moeder die leest, een vader
Die op tijd is met de belastingpapieren

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Een pyromane met een voorkeur voor schepen
Verjaagd door het kleine, gedreven door wraak
Met ooms die vechten en garen
Door hun handen kunnen naaien

Jij leert skiën, beweegt je op feestjes
Woont samen, krijgt kinderen met korte namen
Jullie bellen elkaar, boeken bungalows
Om in samen te zijn op jubilea en verjaardagen

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Die zich koest houdt, anders komen de wolven
Ik ben een vrouw
Die haar boodschappen kan dragen.

Prachtig. In deze gesegregeerde stad bevond ik me in een Drosteplaatje. ‘Jij hebt een moeder die leest, een vader / die op tijd is met de belastingpapieren.’ De woorden van Tonks gedichten in de bundel uit de kleurige minibieb in de goede wijk vertellen zwart-op-wit over wat poëzie betekent in de slechte wijk, aan de andere kant van het water, daar waar de minibieb exotisch is.

Ik adopteerde het verweesde bundeltje, en het las me de weg naar mijn boekenkast.

Roedel: Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië is vandaag verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot.

"Foto van Guido van Hengel"
Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Installatiekunst

Toen Nadim klein was, schikte hij graag dingen. Hij ordende zijn plastic beesten in rijtjes op de rand van het bad, in de vensterbank, op het kleed. Het kon lang duren voor hij tevreden was over zijn opstelling. Wie zo’n giraf of zebra ongevraagd verplaatste kreeg stront. Mijn broer voorspelde hem een toekomst als archivaris, en ik weet nog dat ik even schrok voordat ik lachte. Niet nóg een in mijn lijn, dacht ik, met een beroep dat gedurende zijn leven uit de tijd raakt.

Als er één moderne kunstvorm is die de Baudet in me bovenhaalt, dan is dat installatiekunst. En ja, misschien heb ik de goede voorbeelden ervan niet allemaal gezien, maar dat geldt vast ook voor Baudet.

Ik herinner me een expositie in Kopenhagen, waar de vloer van een klaslokaalachtige ruimte bestrooid was met groene piepschuimbollen, en geschakelde kleerhangers als guirlandes waren opgehangen. Uit een goudgespoten luidspreker in het irritant niet-exacte midden van het lokaal lekte platenspelerruis. Ik had geen idee waarom ik van die installatie zo ontzettend kwaad werd, de vriendin met wie ik op de expositie was vond het allemaal fantastisch.

Mijn Ada schikt graag dingen in de ruimte. Ze gebruikt hiervoor speelgoed, maar ook haardhout, mijn werkaantekeningen, B’s huissleutels en liefst ongekookte eieren; theedoeken lijken een centraal thema, in het bijzonder die schone geurige die op nette stapels in het kastje onder het aanrecht horen te liggen. Groot verschil met het vroege werk van haar broer is dat Aad zichzelf in haar installaties betrekt. The artist is present.

Wie kinderen of dieren heeft kent het aanspringen van de innerlijke radar, kleine signalen vanachter de bank die steeds meer je aandacht trekken. Of erger: een verdachte vorm van stilte, als het silhouet van een witte haai die opkomt onder lieflijk kabbelende golfjes. Je deadline dwingt je om nog één keer die laatste zinnen na te gaan, er maar op hopend dat je straks op tijd zult zijn om te voorkomen dat oma’s zijden kussentjes belegd worden met pindakaas.

Precies zo’n stilte trok mijn aandacht gisteren, bij het afronden van een stuk voor Het Parool. Het klokje bovenaan mijn scherm zei dat het 08:56 was. Ik verbeterde een zin en wilde alles voor verzending nalezen. Daar was tijd voor, mits ik niet ging kijken naar de witte haai achter de bank.

‘Aad?’ riep ik vanachter mijn bureau. ‘Ada?’

Niets dan helder water, de lichtste bries, de zon die op het snijvlak van de golfjes danste. Ik zuchtte, schoof mijn stoel naar achter en stond op om te gaan kijken.

Gelukzalig lag ze op de blauwe deken, haardblokken en stoelen als warme wallen om haar heen. Naast Ada wachtte een minutieus voorbereide picknick van viltgroenten en houten pizzapunten.

‘Papa,’ zei ze. ‘Ben je nou eindelijk klaar met werken?’

Ik liep terug naar de laptop, verzond mijn bestand en sloot met een rol koekjes aan bij Ada’s picknick. Terwijl ik me een multiplex punt marinara liet voeren, besloot ik dat niet alle installatiekunst zo kut hoefde te zijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Modder en gras

Er is denk ik maar één overheidswebsite waar je als burger bij kan wegdromen: die van de Natura 2000-gebieden. Hier vind je een overzicht van alle gebieden die onder de Europese natuurbeschermingswet vallen – ja, dat klinkt saai, maar dat is het niet. Elk terrein heeft een kort, samenvattend stukje beleidstekst van een paar regels waarin ecologen liefdevol hebben samengevat waarom we het moeten koesteren.

In de zomer van 2020, op zoek naar uitstapjes in Nederland, ontdekte ik de Natura 2000-site. De webpagina zelf bleek eigenlijk al goed tijdverdrijf. Scrollen door het register is een leunstoelreis die het toch tamelijk gangbare idee weerlegt dat Nederland geen échte natuur heeft. Na een kwartiertje heb je het idee dat we hier middenin de wildernis wonen – zoveel zure vennen, jeneverbesstruwelen en bronbossen komen er langs.

Nu weet ik weinig van flora en fauna: voor mij roepen de kleurrijke woorden vooral beelden op, een sfeer – hetzelfde effect dat poëzie heeft. Het Oost-Gelderlandse Stelkampsveld, bijvoorbeeld, ‘betreft één van de weinige binnenlandse groeiplaatsen van Grote muggenorchis en Parnassia en één van de weinige landelijke groeiplaatsen van Wolfsklauwmos.’ Of in het Limburgse Leudal: ‘Ten oosten van het klooster liggen veldrusschraallanden. De natte tot vochtige bossen behoren tot het elzenbos, vogelkers-essenbos en haagbeukenbos. Lokaal komen gagelstruwelen en berkenbroekbossen voor.’

Vóór de coronapandemie en de toeslagenaffaire zei Mark Rutte soms dat de stikstofcrisis, waarbij de vergunningsverlening van talloze projecten vastliep omdat deze te veel stikstof uitstootten en de natuur vernielden, de grootste crisis was uit zijn premierstijd. Met de gebiedsbeschrijvingen en natuurbezoekjes van afgelopen jaar in m’n hoofd, en de aanstaande verkiezingen, moet ik er soms weer aan denken. Van deze grote crisis hoor je nog maar weinig. Dat is begrijpelijk, maar ik ben eerder geneigd op basis van dit probleem een stembesluit te maken dan op basis van ideeën over vaccinatiepaspoorten. Hoe moet het land er nu eigenlijk uitzien? De stikstofcrisis dwingt glasheldere keuzes af, zo glashelder zelfs dat het bijna een versimpelde conflictsimulatie in een klaslokaal lijkt. Jij speelt de boer, je klasgenoot is boswachter. Los maar op.

Toen het probleem net was losgebarsten, opperde de VVD het aantal natuurgebieden terug te dringen. Soms probeer ik die gedachtegang te volgen – en als je het hard probeert kun je af en toe een eind komen. Het Aamsveen, een drassig moerasgebied aan de Duitse grens ten zuidoosten van Enschede, wekt bij de argeloze bezoeker nu niet echt het gevoel op een bijzondere plek te zijn. Het hoogveen mag dan extreem waardevol en zeldzaam zijn – je moet het wel weten. De ongeoefende kijker ziet modder en gras. Hier komen gezinnen in het weekend niet per se graag wandelen. Ik ben er de afgelopen maanden twee keer geweest, beide keren met natuurminnende reispartners, die er ook echt niet al te veel aan vonden. Moet zo’n plek dan tot stapels bureaucreatie leiden bij het aanleggen van een nieuwe weg om de hoek?

Ik vind uiteindelijk van wel. Maar waarom dan precies? Tsja, daar kan ik eerlijk gezegd nog altijd niet helemaal de vinger op leggen. Je kunt geijkte argumenten noemen als respect voor andere levensvormen, het idee dat de mens niet de maat der dingen is, het belang van biodiversiteit. Dat zijn legitieme punten en in principe genoeg redenen om de gebieden te beschermen. Maar de emotie zit voor mij, denk ik, in iets heel anders. In iets veel platters, zou je kunnen zeggen, iets minder verhevens: een museumgevoel.

Een natuurterreintje instappen – soms zijn het echt niet meer dan een paar voetbalvelden – geeft mij altijd het idee dat ik terug in de tijd ga. De Dinkeloever laat zien hoe alle beekjes stroomden voordat ze gekanaliseerd werden. De Bruuk toont je hoe het hele dalgebied rondom Groesbeek eruitzag voordat het dorp er verrees. Het Springendal en het Buurserzand zijn Twente voordat de houtwal plaatsmaakte voor het gifgroene turbogras. Op de machtige Veluwe kun je nog voelen hoe het is om op een echt gróót stuk natuur te staan.

Het Aamsveen biedt een inkijkje op hoe het halve oostelijke grensgebied van Nederland er ooit uitzag, voordat de duizenden hectares aan moerassen werden ontgonnen voor turfwinning en landbouwgebruik. Het gebied is nu aangetast door stikstof: beheerders proberen het te restaureren, zoals we dat ook met schilderijen doen. Om te zien wat Nederlanders eeuwenlang zagen; om te zien wat we nu precies naar onze eigen hand hebben gezet.

Het landschap is een levende geschiedenisles, voor wie ervoor openstaat. Van een historicus als Mark Rutte zou je toch hopen dat dat het geval is.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Golem

Dit is de volgorde: ik keek naar ‘Klassen’, ik herlas een boek van Bruce Chatwin, ik dacht aan een jongen die jaren geleden bij mij in de klas zat. Aan Mick met zijn spreekbeurten. De eerste die hij hield ging over vrachtwagens. Mick begreep van de schoolse vakken bijna niets, de kinderen liepen over hem heen, ’s nachts plaste hij in zijn bed, maar met de plaatjes van de vrachtwagens had hij succes. Twee weken later hield hij een spreekbeurt over trekkers, daarna over zijn speelgoedautootjes. Hij had er een grote uitstalling van gemaakt en ze een voor een omhoog gehouden. Jongens hadden het een goede spreekbeurt gevonden.

Het zal kort daarna geweest zijn dat we weer in een halve kring zaten. Mick zat aan de open kant achter een tafeltje, waarop hij twee dozen had neergezet. ‘Mijn spreekbeurt gaat over modder,’ zei hij. Nerveus schoof hij zijn bril over zijn neusbrug omhoog. De kinderen keken hem onbewogen aan, een enkeling peilde met een vlugge blik wat ik ervan vond. Ik vond er voorlopig nog niks van en zei: ‘We zijn benieuwd, Mick!’

Mick stak zijn hand in een doos en haalde een kluit te voorschijn. ‘Dit is een stekelbarchje,’ zei hij en hij hield het goed omhoog, zoals ik het hem geleerd had. ‘En dit is een aal.’ Sommigen zeiden dat ze het niet goed konden zien. ‘Ik geef het wel door,’ zei Mick. ‘Dit is ook een stekelbarchje.’ ‘Mooie spreekbeurt!’ riep er een. De aal lag inmiddels in drie brokken op de grond. ‘Hoe kom je hieraan?’ wilde iemand weten. ‘Gewoon,’ zei Mick, ‘uit ons tuin.’ ‘Heb je die dingen gemaakt?’ vroeg een ander. ‘Nee, gewoon zo gevonden,’ zei Mick. Zoals je in wolken schapen en zwanen kunt zien, zo had Mick van alles in de kluiten ontdekt. Hij had het spreekbeurtwaardig gevonden.

Chatwins roman, Utz (1988), draait om een ontmoeting van de schrijver met de verzamelaar van meer dan duizend stuks Meissenporselein. Als hij niet de aandrang voelt om ze te strelen, bewaart baron Kasper Joachim Utz zijn zoete rococobeeldjes thuis, in Praag, in vitrinekasten. Van oudsher bezit porselein grote aantrekkingskracht. De geheimzinnige alchemistische receptuur ervan zou leiden naar de Steen der Wijzen, en daarmee naar het eeuwige leven. Ook het aardewerk zelf werd onvergankelijkheid toegedicht. Dat Utz zich als kwart-jood met zijn verzameling in de jaren veertig uit de klauwen van de Duitse bezetter weet te houden, en daarna uit die van stalinistisch Tsjecho-Slowakije, lijkt die claim te bevestigen.

Niettemin beseft hij dat er uiteindelijk geen redden aan is. Wanneer hij sterft zijn de beeldjes verdwenen: kapotgemaakt of weggegooid – Chatwin komt er niet achter. Utz had hem al voorbereid met een verhaal over rabbi Löw en diens golem, gekneed uit de vette modder van de Vltava-rivier volgens richtlijnen van de kabbala en het Boek der Schepping. Dit robotachtige kleibeeld was een bediende en een figuur die hem beschermen moest tegen gevaarlijke lieden. Toen de rabbi hem, kortgezegd, vergat of verwaarloosde, sloeg de golem de boel zelf kort en klein en restte de rabbi niets anders dan het schepsel te vernietigen. Het geklei met de esoterie van de kabbala en de alchemie blijft, hoe godgelijk ook, mensenhandenwerk en is daardoor, waarschuwt Utz, blasfemisch en tot verbrijzeld-worden gedoemd.

Er zijn sociaal wetenschappers geweest die aan deze golem een psychologisch fenomeen hebben opgehangen, tegenovergesteld aan het Pygmalion-effect. De documentaireserie ‘Klassen’ bracht dit Golem-effect – de relatie tussen lage verwachtingen van leerkrachten en slechte prestaties van leerlingen, onder meer zichtbaar bij onderadvisering – opnieuw voor het voetlicht.

Ik word altijd onzeker als ik over deze effecten lees of hoor. Als meester ben ik ook een mensenkneder. Ik blijf verre van esoterie, maar breekbaar zijn mijn schepsels regelmatig. En als ik ze met mijn mensenbrein dan ook nog vergeet, verwaarloos of niet op waarde schat – of ik nu golems maak of porseleinen Galatea’s, ik ben gewaarschuwd. 

Mick keek in zijn doos of er nog een mooie kluit in zat. Ondertussen vertelde ik dat Mick heel goed had aangetoond op wat voor grondsoort wij hier wonen, want kijk jongens, de kluiten van Mick zijn niet van modder, maar van klei! Ik noemde nog een aantal andere grondsoorten, waar die in Nederland voorkwamen en wat er zoal op groeit, en bedankte Mick voor zijn leerzame spreekbeurt.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Ida Blom"
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.