Tien

Op een ijzige nacht in februari raakte je te water, en meteen ook kwijt. We vierden je verjaardag zonder je, verzamelden ons, een man of honderd sterk. Ik hield een kleine toespraak en we hieven onze glazen.

Hoewel ik de afgelopen tien jaar vaak aan die toespraak ben herinnerd, weet ik er bijna niets meer van. Het enige wat ik me herinner te hebben gezegd is dat er nu een leegte in ons midden was, en dat de contouren van onze vriend – als we die leegte met zijn allen zo dicht mogelijk omgaven – vanzelf zichtbaar zouden worden.

Jouw omtrek was af te meten aan gedeelde leegte, en mijn contouren vervaagden zonder jou. Ik heb mezelf na je dood heruitgevonden, moest me daartoe afvragen wie ik was zonder jouw blik.

Elkaar is alles wat we hebben, en als er iemand wegvalt – iemand die niet weg mág vallen – dan wordt dat alles kleiner.

Misschien is dat óók ouder worden: dat je alles krimpt tot ook je laatste raakvlak met anderen verdwijnt, en je vormloos achterblijft. Niet langer begrensd en gedefinieerd door het contact met die geliefden, maar ook zonder identiteit.

Deze week mocht ik Het jasje van Luis Martín inspreken als luisterboek. Vijfentwintig jaar na dato las ik over het begin van een vriendschap tussen twee jonge mannen. Over jou en mij.

De eerste bladzijden waren moeilijk – ik maakte fout op fout, moest steeds opnieuw beginnen – maar daarna werd ik toch in ons verhaal gezogen. Ik las over barmannen die nachten sloopten, dagen sliepen, over leven zonder zicht op een eind. Natuurlijk kende ik onze afloop, maar zolang ik las was ik weer Issa en jij Gijs.

We smeten met de tijd alsof we die als fooi gekregen hadden.

Hoe vaak kan ik nog over je schrijven?

Heb je liever dat ik je laat gaan?

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Kleur is een taal (II): De kunde van het verschil

Vertalen is de kunde van het verschil. Taalverschil, tijdsverschil, cultuurverschil, genderverschil, verschillen in kennis en ervaring… Elke vertaler moet zich rekenschap geven van die verschillen en zich ertoe verhouden – om ze glad te strijken of ze aan te zetten, naar believen. Juist de bewuste omgang met verschillen, het lucide besef van de problemen die ermee gepaard kunnen gaan, zijn voorwaarden voor een goede vertaling, en ook, in een bredere context, voor het samenleven in een superdiverse maatschappij. De kunde van het verschil: techniek en ethiek in één.

Een vrouwelijke collega, wier naam ik uit kiesheid verzwijg, trok enigszins smalend mijn vermogen om de Franse schrijfster Annie Ernaux te vertalen in twijfel. Hoe zou een hanig type als ik ooit empathie kunnen opbrengen voor het leven en lijden van die vrouw?

Emancipatie, dat is als je geen genoegen neemt met het jou aangeboren keurslijf, met de voor jou bestemde kooi. Dat is als je je een vrijheid toe-eigent die je voorheen niet had. Precies dat doet Ernaux in De jaren. Ze overschrijdt het intieme en subjectieve, de huis-, tuin- en keukendrama’s waar vrouwelijke auteurs naar verluidt goed in zijn; en waagt zich op superieur ironische toon aan de grote greep van geschiedschrijving en collectief geheugen, wat naar verluidt juist een mannelijk prerogatief is. In één moeite door bewijst ze hoe twijfelachtig zulke categoriseringen zijn.

Ook een mannelijk vertaler kan zijn keurslijf afwerpen, aan zijn kooi ontsnappen en een stem geven aan het intieme en het subjectieve.

Het grootste voordeel van de overlappende identiteit tussen auteur en vertaler is technisch. Een gay vertaler die een gay auteur vertaalt, kent het gay vocabulaire.

Het bolwerk van de literaire vertalerij is van oudsher oorverdovend wit. Emancipatoire gebaren zijn daarbinnen allerminst misplaatst, al komt ook geduld van pas, want de molens van de geschiedenis malen traag. Maar als Hafid Bouazza Baudelaire kan vertalen en Jenny Mijnhijmer Audre Lorde en Richard Wright, dan is er misschien beweging in de goede richting.

Intussen zijn we een unieke kans op een meerstemmige Gormanvertaling misgelopen. Katelijne De Vuyst heeft ‘The Hill We Climb’ al vertaald. Hoe interessant zou het niet zijn geweest als we ook een versie hadden in het steenkolen-Nederlands van Rijneveld, en het spoken word-Nederlands van Babs Gons of Zaïre Krieger?

"Foto van Rokus Hofstede"
Rokus Hofstede

Rokus Hofstede (Hengelo, 1959) bracht het grootste deel van zijn leven in België door, woont in Ronse. Vertaalt Franse literatuur, vooral essayistisch proza (Barthes, Bourdieu, Ernaux, Latour, Michon, Perec). Werkt, na De grote angst in de bergen (Van Oorschot, 2019), aan een nieuwe Ramuz-vertaling: Schoonheid op aarde. Ontvangt in 2021 de Nijhoffprijs (zie www.hofhaan.nl).

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Met de verkiezingen voor de deur: de online stemwijzer

De naderende verkiezingen maken de online stemwijzer, waarvan er diverse varianten bestaan, opnieuw actueel. Deze is bedoeld voor kiezers die nog niet weten op welke partij ze zouden moeten stemmen.

De wijzer die ik uit nieuwsgierigheid heb geraadpleegd bestaat uit dertig standpunten die zijn overgenomen uit de programma’s van de politieke partijen. Dit keer komen er onder andere vragen in voor over gratis kinderopvang, rekeningrijden, de publieke omroep, vliegbelasting, mondkapjes… Je doorloopt ze alle dertig, waarbij je kiest uit eens, oneens, of geen van beide. Aan het eind word je gevraagd om aan minimaal drie standpunten extra gewicht toe te kennen. Daarna volgt de uitkomst: de partij die het dichtstbij je staat wat betreft de maatschappelijke kwesties van dit moment.

Bijna iedereen kent iemand die na een online stemwijzer te hebben geraadpleegd met verbazing vaststelt: ‘Dat had ik niet verwacht!’, of wordt bekropen door een onbevredigd gevoel, iets van teleurstelling. Het is niet zo verwonderlijk. De politieke arena heeft steeds meer weg van een restaurantwezen met diverse eetgelegenheden die op elkaar lijken, en de partijprogramma’s zien eruit als menukaarten met gerechten die onderling veel overlap vertonen. Wij, de kiezers, zijn onrustige, gejaagde klanten geworden die niet alleen switchen van het ene naar het andere gerecht, maar ook van het ene naar het andere restaurant.

In vroeger tijden selecteerden politieke partijen hun standpunten op basis van een visie op de samenleving. Die visie stoelde vaak op ideologieën. Sociaaldemocratisch, christendemocratisch of liberaal – dat waren de hoofdkeuzes die grofweg door drie partijen werden vertegenwoordigd. Partijprogramma’s hadden een vast menu. Je politieke voorkeur bepaalde niet alleen op welke partij je stemde, het was bovendien stabiel, zo ook je partijkeuze. Tegenwoordig zijn de drie ideologieën versplinterd over minstens tien partijen, om niet te spreken van 27 andere die aan de verkiezingen meedoen. In plaats van de vaste menu’s kwamen er meer partijen, meer programma’s en meer zwevende kiezers die in de ban raakten van een nieuwe, op het individu geschoeide ideologie: het neoliberalisme. Het maakt het er niet overzichtelijker op voor de kiezer die zijn heil bij de stemwijzer zoekt.

Wat we daar nu hopen te vinden is iets wat een vertrouwensband met politici kan helpen opbouwen. Want we maken ons zorgen over het klimaat, de toekomst van onze kinderen, over werkgelegenheid, integratie, migratie. Dit zijn allemaal kwesties waarover we onze mening vormen, hoofdzakelijk op basis van gewaarwordingen en gemoedsgesteldheid, en in mindere mate met ons verstand. Het verstand zegt ons wat de oplossing is, maar niet hoe urgent het probleem is dat we willen oplossen – daar hebben we onze gevoelens voor nodig. De mens zit zo in elkaar dat hij niet handelt zonder een gevoel van urgentie. En we willen zeker weten dat we op inclusieve leiders stemmen wier competentie en integriteit we vertrouwen. Per slot van rekening geven we de partij die we kiezen een mandaat voor vier jaar om namens ons beslissingen te nemen en maatregelen te treffen, om wat er in hun partijprogramma staat waar te maken.

Maar de stemwijzer verschaft ons het vertrouwen niet waarnaar we op zoek zijn, en neemt daarom onze twijfel niet weg. Daar komt de teleurstelling uit voort die sommigen van ons bekruipt. Met de stemwijzer kom je hooguit te weten wat de politieke partijen beloven, maar het vertrouwen dat we zoeken moet op een andere manier tot stand komen. Op een persoonlijkere manier, waarbij direct contact met en empathie voor kiezers een veel belangrijkere rol spelen. Niet alleen worden standpunten uitgewisseld of wensen kenbaar gemaakt, maar er wordt dan ook stilgestaan bij de zorgen en gevoelens van kiezers. In plaats daarvan geven politici voorkeur aan indirect contact: ze verschuilen zich achter hun partijprogramma’s of complottheorieën, en houden de afstand met de burgers groot of voeden hun onbehagen. Wie weet, wellicht kampen zij met hetzelfde probleem – dat van gebrek aan vertrouwen?

Maar ook ons, de burgers, de kiezers, treft blaam. In de eerste plaats moeten wij stoppen de mythe in stand te houden dat wij onze beslissingen nemen op rationele gronden, dat wil zeggen door voor- en nadelen tegen elkaar af te wegen. Wij beslissen op gevoel en zoeken achteraf naar rechtvaardiging of een motivering. Zolang we dit feit niet accepteren of onze gevoelens niet beter kunnen verwoorden blijft de vertrouwensband tussen politici en de burgers problematisch.

In de tweede plaats moeten we van het idee afkomen dat we ons hebben uitgesproken als we onze stem hebben uitgebracht. Wij zijn niet alleen kiezer, maar vervullen ook diverse rollen (werknemer, werkgever, moeder, vader en beoefenaars van talrijke beroepen) en maken deel uit van verschillende netwerken die elkaar overlappen. Wij zouden deze netwerken actiever kunnen benutten om uiting te geven aan onze gevoelens – niet aan onze meningen! Dan zou het eens kunnen blijken dat we dezelfde zorgen delen en dezelfde behoeften hebben die partijstandpunten overstijgen. Zo kunnen we politici laten zien waar het op staat en ze aansporen om ons vertrouwen te winnen.

Wat moet de kiezer doen die toch zijn heil zoekt bij de stemwijzer? Hij kan het best even terugkijken hoe hij bij de laatste verkiezingen zijn keus heeft gemaakt. Was dat vanwege dat ene speerpunt dat hem heeft aangesproken, de lijsttrekker die goed op een tv-debat heeft gescoord, zijn partij voor interne verdeeldheid heeft weten te behoeden…? Of was het een strategische beslissing, omdat zijn favoriete partij toch geen kans zou maken mee te regeren en hij daarom op een andere partij heeft gestemd – en was het misschien ook een proteststem? Wellicht was het een laatste ingeving die hem in het stemhokje overviel. Zo zal het uiteindelijk ook bij deze verkiezingen gaan.

Ikzelf zal afblijven van welke stemwijzer ook en zal me vooral richten op de omgangsstijl van de politici met de medemens. Wie bereid is zich bloot te stellen aan zijn of haar eigen gevoelens en die van de kiezers, heeft mijn zege.

"Foto van Kerim Göçmen"
Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Kleur is een taal

Jamal Ouariachi suggereerde op Twitter dat hij zijn roman weg moet gooien: het gaat over een Nederlandse man, en wat weet hij daar als halve Marokkaan nou van af?

Vorig jaar las ik Native Son van Richard Wright. Een felle aanklacht tegen racisme, een pittig boek waarin woorden worden gegeven aan keihard wit racisme uit de jaren ’40 in Amerika. Het boek is zo sterk dat we er een vertaling van gaan uitgeven. Dan ga je dus op zoek naar een vertaler. Bij Van Oorschot vinden we het – zoals bij de meeste uitgeverijen – logisch goed na te denken over wie een boek vertaalt. We kochten onlangs een boek dat begint met de woorden: This is a female text. We hebben niet per se zo’n directe suggestie nodig om ons te realiseren dat het wellicht een idee is een vrouw voor zo’n klus te zoeken.

Ik ken veel hele goede vertalers. Toch heeft niet iedereen overal een gevoeligheid voor: sommige prachtvertalers vind ik niet zo handig met poëzie. Soms zijn mensen zo keurig opgevoed dat hun slang altijd een tikje geaffecteerd klinkt. Ik heb vertalers gehad die zeer kundig waren maar geen Bijbelcitaten herkennen als er geen aanhalingstekentjes omheen staan. Er zijn zelfs vertalers die denken dat ze alles kunnen: een sympathieke afwijking die om extra oplettendheid van de redacteur vraagt. Niemand snapt alles.

Native Son is een boek dat zo sterk over racisme gaat dat het (hoogst)waarschijnlijk helpt als je er enige ervaring mee hebt. Daarnaast is het gewoon niet vanzelfsprekend het verhaal van keihard racisme, zoals verteld door een Afro-Amerikaanse man, door een witte Nederlander te laten vertellen, als je de keuze hebt. Dit boek moet het tenslotte al stellen met een witte redacteur. Volgens sommige witte mensen bestaat racisme niet. Thierry Baudet noemt zichzelf de minst racistische mens in Nederland. Maar Baudet zweet rasdenken uit zijn poriën. Ik geloof dat het zinniger is jezelf als een latent racist te zien die er goed over nadenkt hoe dat komt en wat je eraan kunt doen. Misschien is kleur wel een taal die sommigen beter beheersen dan anderen?

Een vertaler van kleur vinden is nog niet zo makkelijk in Nederland. De directeur van de vertalersvakschool meldde me desgevraagd tot zijn teleurstelling: ‘Weet je dat we geen enkele alumnus/-na van kleur hebben?’

Vrienden wezen me op Neske Beks, die zich beijvert hier verandering in te brengen met het gilde Alphabet Street. Zij bracht ons op het spoor van Jenny Mijnhijmer, die voor Dipsaus en Pluim het prachtige Sister Outsider vertaalde, van Audre Lorde. Ik was heel blij met de bemiddeling van Neske: ze weet waar ze het over heeft, en, opvallend, ze was de eerste die ik over het boek sprak die het ook kende en goed gelezen had.

Jamal Ouariachi weet vermoedelijk voldoende over de Nederlandse man om zijn roman te kunnen schrijven. En anders hoeft hij alleen maar op Twitter rond te kijken als field study. Amerikaans racisme rond 1940 behoeft wat intensere betrokkenheid. Een schrijver mag zijn eigen blinde vlek hebben, een vertaler moet niet de blinde vlek voor een auteur gaan vormen in een nieuwe taal.

De kwestie is denk ik niet dat een boek over een houthakker door een houthakker vertaald moet worden. De kwestie is dat je ook in deze beroepsgroep een redelijk evenwichtige verdeling zou moeten hebben. En als het sociaal of cultureel gezien voor de hand liggend is dat je een boek laat vertalen door een vertaler van kleur, dan moet je dat doen. Dan moeten ze er zijn, en daar helpt Alphabet Street mee. Ik geloof dat de fondsen en uitgevers daar zeker aan kunnen bijdragen.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Mannendingen

De meneer met de gele auto hielp me de tank van het frame te tillen, en checkte de bobines. De luchtfilters hadden we al gecontroleerd, de benzineleiding ook. Toen alles stroom bleek te krijgen en mijn oude Kawa nog steeds niet wilde starten, krabde hij zich driftig op zijn goeie kop.

De bougies bleken vervuild, het motorblok verzopen. ‘Je moet nieuwe bougies bestellen,’ zei de wegenwachter. ‘Dat is het enige wat het nu nog kan zijn.’

Ik keek hem na toen hij de wagen met de stalen laatjes van het eiland reed; nu was ik weer alleen, en de ontspanning die ik had ervaren sinds zijn aankomst verliet me zoals droge bonen een lekgeschaafde tas uit lopen.

Omdat ik praat als iemand die alles kan, denken de mensen vaak dat ik alles kan. Nu moest ik dus bougies vervangen.

Ik leende gereedschap bij Paul, speelde even op een van zijn gitaren en praatte met hem over Sade en Maxwell. Paul – toch een redelijk serieus muzikant – luisterde aandachtig en zonder oordeel. Ik was buitengewoon open over mijn muzieksmaak.

Met de doppenset in mijn naar olie meurende klauw zette ik weer koers naar huis. Onderweg passeerde ik de Kawa, waarnaar ik hard probeerde niet te kijken. Eenmaal boven dook ik het internet op, om na een klein halfuur aankoopstress uit de komen op de bestelling van acht bougies van NGK (de CR9E voor wie echt even mee in de materie wil). Het wachten was nu op dat platte pakketje uit Duitsland.

Kloten aan een voertuig is eng. Ik heb het nu niet over mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid, maar over de waarschijnlijkheid van dure rampjes. Soms denk ik dat garagehouders alleen echt geld verdienen aan ongevallen en mannen zoals ik, die wel eens even zelf hun carburateurs zullen afstellen. Kloten aan carburateurs is zo’n beetje de duurste fout die ik ooit met een voertuig gemaakt heb.

Maar bougies, hoor ik je zeggen. Draadje eraf, bougie eruit, nieuwe bougie erin, draadje er weer op.

Toen ik Nadim uit school gehaald had en we onze fietsen tegen de boom voor ons huis zetten, vroeg ik of hij zaterdag al plannen had. Mijn jongen schudde zijn hoofd en keek me vragend aan.

‘Wat zeg je ervan,’ vroeg ik, ‘als we dan samen in de loods de motor uit elkaar halen, schoonmaken en weer laten lopen?’

Hij knikte kort, opeens zoveel wijzer dan zijn negen jaren. ‘Dat lijkt me goed.’

Normaal gesproken is hij ’s zaterdags het huis niet uit te branden, dus hier was iets bijzonders aan de hand. Terwijl ik Nadim de trap op volgde, dacht ik aan hoe hij me heeft gesmeekt om samen aan een brakke boot te werken, die in de werf op het eiland lag. Klassieke mannendingen wil hij altijd graag doen. Kennelijk voelt hij zich dan meer lid van de club.

Echt opgroeien betekent dat je oud genoeg wordt om te zien dat ook volwassenen niet alles kunnen, en hoe transparant ik daarin ook probeer te zijn: mijn zoon is nu nog niet zo ver. Wat me verrast heeft is dat ik me een stuk geruster voel sinds ik weet dat hij me zaterdag komt helpen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Een introductie

Beste lezers,

Mijn naam is Fannah Palmer, ik ben 26 jaar, en ik ga van maart tot en met mei aan de slag als stagiaire bij Van Oorschot. Ik volg momenteel online een schrijf- en redactiemaster aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zelf schrijf ik al zo lang als ik me kan herinneren, en ik ben er een paar jaar geleden achter gekomen dat ik het redigeren van andermans werk ook ontzettend leuk vind. Ik ben blij dat ik tijdens deze stage beide zal kunnen doen. Naast het verschaffen van redactie-hulp zal ik ook meewerken aan de Tirade-blog. Hier mag ik stukken gaan plaatsen die relevant en actueel zijn, en die ook mijn eigen interesses reflecteren.

Voor iedereen die dit leest, zelf schrijft, en zich kan vinden in de onderwerpen die ik hieronder aankaart – of een ander idee heeft dat gehoord moet worden: twijfel niet om een stuk in te sturen naar stage@vanoorschot.nl. Ik lees natuurlijk, vanzelfsprekend, graag.

Ik kom uit een kunstzinnige familie, met twee ouders en een zusje die allemaal aan de kunstacademie hebben gestudeerd. Zelf heb ik, nog voor mijn bachelor Engels – ik hou ook van studeren – een hbo muziek gevolgd in Tilburg. Ik hou van veel verschillende vormen van kunst, cultuur en literatuur. Een handjevol favoriete makers zijn: Matisse, O’Keeffe, en Jacques Lartigue; Baldwin, Salinger, en Ali Smith; Bon Iver, Khruangbin, en Lana Del Rey. Dit is echter slechts waar ik nu op kom. Het idee van ‘iets maken’ staat mij eigenlijk bijna altijd aan, en ik ontdek heel graag nieuwe dingen. Tijdens deze pandemie zijn kunst en cultuur een beetje naar de achtergrond verschoven, terwijl ze juist zoveel rust en verlichting kunnen bieden.

De laatste paar jaren heb ik ook meer aandacht besteed aan de natuur. Of het nou komt door coronawandelingen, een jaar in New York – waar natuurgebieden moeilijk bereikbaar waren en ik ze daarom meer miste – of de gesprekken rondom klimaatverandering: ik voel me meer en meer betrokken met de aarde. Ik wil dus graag ook wat stukken delen over het klimaat, en over natuurbescherming en -behoud.

Verder ben ik met twee talen en culturen opgevoed, waardoor ik kwesties altijd van twee kanten heb kunnen bekijken. Zwart en wit zijn helemaal niet zo wederzijds exclusief als ze lijken. Ik ben daarom groot voorstander van alles wat twee kanten dichterbij elkaar brengt, om te laten zien dat overeenkomsten altijd groter zijn dan verschillen. Ik hoop in gesprek te kunnen gaan met, en mooi werk te kunnen delen van, schrijvers die zich bezighouden met kwesties van gelijkheid, zoals onder andere antiracisme, feminisme, en LHBTI-gelijkheid.

Misschien ben ik gewoon een product van millennial Amsterdam-Zuid, dat kan ook. (Al stem ik waarschijnlijk op Bij1, niet op GroenLinks.) Mocht dit het geval zijn, dan zijn er in ieder geval genoeg mensen, zowel schrijvers als lezers, die zich eveneens interesseren in wat ik hier hoop te publiceren. Ik kijk ernaar uit.

"Foto van Fannah Palmer"
Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Julien Ignacio"
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)