Waarom is Erdogan kwaad op Macron en Wilders? Zijn de Turken dat ook? (III)

Biedt het binnenlandse krachtenveld in Turkije voldoende borg voor concentratie van macht? (1)

In mijn vorige blog heb ik geopperd dat het zeer assertieve buitenlandbeleid van Turkije niet alleen verklaard kon worden door de expansiedrift van Erdogan. Mijn these luidde dat Erdogan de ruimte benutte die het internationaal systeem bood door de opkomst van China als wereldmacht, en het uiteenvallen van de Sovjet Unie, evenals het Warschaupact.

Ook de binnenlandse politiek biedt hem een behoorlijke manoeuvreerruimte. Hij en zijn getrouwen, net als zijn voorgangers, putten uit een traditie. Een traditie die de staat onschendbaarheid verleentenvan patronage voorziet, leiderscultus in stand houdt en niet bevorderlijk is voor de democratische driehoek.

Om met het laatste te beginnen: deze door Anton Zijderveld geïntroduceerde term duidt op een driehoeksverhouding. Deze driehoek bestaat tussen de staat (de overheid), de markt (de economie) en de burgermaatschappij (het maatschappelijk middenveld). In de ideale situatie heeft elke speler een eigen domein, maar is tevens afhankelijk van de andere twee spelers om goed te kunnen functioneren.

De democratische driehoek functioneert dus optimaal als de spelers elkaar in evenwicht houden. Met andere woorden: geen van de drie mag oppergezag over de andere hebben. Dit is alleen mogelijk zolang de drie spelers een autonome positie hebben en die behouden. Na een lang en moeizaam proces heeft men in West-Europa een duurzaam evenwicht bereikt. De markteconomie heeft, met dank aan autonome steden en de rijker wordende burgerij, een zelfstandige positie weten te verwerven. De burgermaatschappij heeft, onder invloed van de Verlichting en de Franse Revolutie, de absolute staatsmacht van vorstenhuizen aan banden weten te leggen en heeft zich als een onafhankelijke speler in de bewuste driehoek gepositioneerd. Samen hebben ze de staat richting democratie gevormd.

Mijn stelling is dat de democratische driehoek in Turkije niet werkt omdat de staat nog altijd oppergezag heeft over de markt en de burgermaatschappij. In de Turkse geschiedenis slagen groepen die staatsmacht verwerven er van oudsher in om hun ruimte te verbreden, ten koste van de twee andere spelers.

In de traditie van Turkse staatsvorming sinds de 11e eeuw, gedurende de Seltsjoek- en Ottomaanse dynastieën, functioneerde de staat als volgt. De sultan – in overleg met zijn viziers – wees het gebruiksrecht van land voor een bepaalde tijd aan pachters toe (leenrecht) en verleende concessies aan handelaren. Met de inkomsten hieruit bouwde en onderhield de staat de infrastructuur, de armenzorg en het leger.

Het land behoorde tot het domein van de sultan, waarop privébezit niet was toegestaan. Concessies voor handel waren evenmin eeuwig en konden elk moment worden ingetrokken. Bezit noch voorrechten mochten overgeërfd worden.

Dit systeem functioneerde tot de 18e eeuw goed. Want, omwille van het behoud van de welvaart, hield de staat zich strak aan beperkingen. Dit gebeurde door allerlei interne controlemechanismen te ontwikkelen en een grote mate van zorgvuldigheid aan de dag te leggen bij het intrekken van leenrecht en concessies. Zij wilde immers het vertrouwen van de markt niet schaden, zodat de handel langs de Zijderoute en de Specerijenroute kon blijven opbloeien. Willekeur en nepotisme kregen geen kans.

Vanaf de 18e eeuw verloren de Zijde- en Specerijenroute hun glans; de inkomsten uit de handel voor de staat liepen terug. Om de uitgaven te financieren, verhoogde de staat (lees: de sultan) belastingen, maar hij ondermijnde het draagvlak in de samenleving. Voormalige gezanten die namens de sultan belastingen inden, eigenden zich de leengronden zelf toe of verdeelden die onder hun familieleden. Nepotisme won aan kracht, waardoor de economische groei stagneerde en de maatschappelijke vrede nog verder verstoord raakte.

Door de toe-eigening van leengronden nam het particulier bezit toe, maar de staat bleef, ook na de stichting van de Turkse Republiek (1923), met grote afstand de grootste landeigenaar. Staatsmacht bleef nog altijd een aantrekkelijk object van patronage. Patronage duidt een type relatie aan waarbij een patron (baas) gunsten aan zijn cliënt verleent in ruil voor diens loyaliteit, bijvoorbeeld in de vorm van een stem op een bepaalde kandidaat of partij. Wie de staatsmacht in handen kreeg, beschikte over een machtig instrument om de eigen aanhang aan zich te binden.

In het volgende blog zal ik ingaan op hoe de partij van Erdogan patronage aanwendde om de loyaliteit van kiezers – met name die in de grote steden – te winnen.

"Foto van Kerim Göçmen"
Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

In de Oorshop

De barsten

Gisteren maakte ik in Toscanini een pasta allo scoglio voor muzikant Mike Del Ferro. Er waren geen andere gasten, de tafels rustten opgestapeld langs de wanden en in het midden van de grote zaal – recht voor de keuken – lonkte een zwarte vleugel.

Mike speelde en ik kookte. We hadden het over dingen maken voor anderen, over smaken uit het verleden, over contact aan tafel en in de muziek. Buiten de blik van de camera praatten we zo mogelijk meer dan op de momenten dat cameraman Thomas een batterijtje moest vervangen of een opname wilde terugkijken.

Een vriend van Mike uit Zimbabwe kwam langs en speelde Neria, een even triest als hoopvol lied in het Shona over een jonge weduwe die alles kwijt zal raken aan haar schoonfamilie na het overlijden van haar man. Dat kan, in Zimbabwe. Zelfs je kinderen gaan dan naar de familie van de overledene. Het hoopvolle in Neria is dat de zanger of verteller – in dit geval Jeremy Olivier – de weduwe laat weten dat ze niet alleen is, dat god het allemaal heeft gezien en haar niet zal verlaten. De betekenis van het nummer was al voelbaar voordat het door Olivier werd uitgelegd.

Toen de pasta klaar was, aten we. Mike zei dat hij het heerlijk vond en schepte extra op. Het album dat hij met Jeremy heeft opgenomen gaat Where the light gets in heten. Pas toen ik onze borden naar de afwas bracht, ze op spiergeheugen schoonveegde en in een van de grijze rekken plaatste, besefte ik dat die titel op barsten duidt.

‘The cracks are where the light gets in,’ zei ik even later. ‘Toch?’

Del Ferro glimlachte. ‘Precies. Maar we vonden The cracks geen goede naam voor een album.’

Ik dacht over de barsten in mijn leven. Sommige waren er opeens geweest, heel onverwacht. Andere groeiden traag, even voorspelbaar als dodelijk. Ik vroeg me af of er zonder die barsten even veel licht zou zijn, en kwam er niet uit.

Zou een lied als Neria me zo sterk kunnen raken als ik geen barsten had? Ik dacht aan Nadim, die nog geen echte barst heeft opgelopen, maar wel enorm kan meeleven met de verhalen die ik voorlees.

Mike vertelde dat hij er op zijn reizen achter is gekomen dat een strijd om te overleven en de waardering voor muziek vaak samengaan. Hoe onzekerder het bestaan in een land, hoe groter de rol die de muziek in het leven van de burger speelt. Ik wilde weten of dat misschien met een behoefte om in de muziek te vluchten te maken kon hebben, maar Del Ferro leek dat niet zo te herkennen.

Als een zwaarder bestaan meer barsten oplevert, dacht ik pas gênant veel later, dan kan er dus meer licht naar binnen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Emotie bouwen

In 2018 bezocht ik een planning-congres in de Amerikaanse stad Buffalo. Dit soort congressen kenmerken zich meestal door vrij saaie presentaties, met slides vol cijfers die laten zien hoe demografische trends van de afgelopen 75 jaar in een specifieke regio zich verhouden tot de locaties van winkelcentra. Of over investeringen van 50.000 dollar in een paar struiken, die zichtbaar is in de stijgende prijzen van vastgoed in achterstandsbuurten.

Maar dit keer stond er meer op het spel. De polarisatie had ook in de planning toegeslagen. In een sessie over ‘emoties en planning’ werd ons opeens gevraagd om onze gevoelens te delen. Een van de organisatoren vertelde dat zij haar colleges sinds kort begon met het gedicht van Ross Gay, ‘A Small Needful Fact’, over de dood van Eric Garner. Ze vond het belangrijk dat studenten stilstonden bij het feit dat Garner had gewerkt voor de plantsoenendienst, en daarmee onderdeel uitmaakte van het ‘geplande groen’ in de stad. Als je er zo naar kijkt, staat er inderdaad veel op het spel in het gedicht: niet alleen de wrange ironie dat Garner, die de lucht schoner maakte met zijn werk, stierf omdat hij letterlijk geen lucht meer kreeg.  Het gedicht doet ook denken aan de bestuurlijke stadsprocessen die verschillen tussen bevolkingsgroepen zoals arm en rijk uitvergroten, en die de politie tegenover de mensen zetten die ze zou moeten beschermen.

Tijdens de sessie moesten we onze schoenen uitdoen, in een kring gaan zitten en met aandacht naar elkaar luisteren. Er was geen hiërarchie, geen podium, geen PowerPoint, alleen de tijd opereerde als moderator: anderhalf uur later begonnen de volgende sessies.

In deze ‘safe zone’ vertelde een van de deelnemers hoe de inspraakavonden in zijn stad verliepen. Als er een plan op de agenda stond wat de rechtse, anti-overheid-bewoners niet beviel, dan reden zij met vrachtwagens rondjes om het gemeentehuis. De zware brandstofdampen maakten het bijna onmogelijk voor de mensen in het gebouw om zich nog op de bijeenkomst te concentreren. Soms lieten de protesteerders de vrachtwagens staan en liepen ze de bijeenkomst binnen met revolvers aan hun riem, die ze bij binnenkomst voor zich op tafel te legden. Geef dan nog maar eens je mening over de aanleg van meer groen, of over een verandering van parkeerbeleid.

De bijeenkomst maakte veel indruk op me. Vooral omdat ze iets blootlegde wat hier vaak vergeten wordt, of beter gezegd, irrelevant wordt gevonden: planning is emotie. Ruimtelijke veranderingen raken mensen vaak veel dieper dan je denkt. Boeren huilen om verdwijnende landbouwgrond, volkstuinders huilen als hun complex plaatsmaakt voor een woonwijk, wijkbewoners huilen als de sfeer in hun wijk verandert door nieuwbouw of stijgende prijzen, winkeliers huilen om leegstand in hun straten.

‘Huilie huilie, NIMBY NIMBY’ is hier vaak de reactie op. Planners, politici en ontwikkelaars verschuilen zich achter woorden als ‘noodzaak’ of ‘beleidskeuzes’ en vergeten dat ook voor hen planning vaak emotie betekent. Wethouders willen hun erfenis veiligstellen door woningen te realiseren. Ontwikkelaars dromen van grote gebouwen, architecten van ontwerpen die steden veranderen. Trots en faalangst horen bij stedenbouw.

Toch kom je die woorden niet tegen als je de plannen leest van de grote coalitie van 34 bouworganisaties die beweert dat er binnen tien jaar één miljoen woningen kunnen worden gerealiseerd. Overheid: neem de juridische belemmeringen weg, investeer, werk een beetje mee, en dan kan het. Het antwoord in de plannen van de bouwcoalitie op de emoties van de omgeving: over tien jaar is iedereen blij dat de woningen er staan – mensen moeten een huis hebben.

Die plannen roepen dus al meteen weerstand op, nog voor er ook maar één bouwvergunning is aangevraagd. Een miljoen woningen realiseren binnen tien jaar kan alleen door de wijken in te duiken, naar mensen te luisteren, visies en gevoelens uit te wisselen. Je moet je schoenen uitdoen, in een kring gaan zitten, luisteren naar de emoties die de plannen oproepen en er je eigen emoties tegenover stellen.

Is dat een beetje naïef? Ja, waarschijnlijk wel. Het is moeilijk om je de voorzitter van bouwend Nederland, Maxime Verhagen, voor te stellen op een comfortabel zitkussen in een gezellige kring.

Het zou wel minder tijd kosten dan alle rechtszaken en protesten die ons met deze plannen te wachten staan.

"Foto van Menno van der Veen"
Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

Sommige dingen veranderen nooit

Er was een tijd waarin je door de stad slenterde, er vanuit een café gezelligheid klonk en je spontaan besloot binnen te gaan – een tijd waarin dat gewoon kon. Geen anderhalve meter, geen vragenlijsten over verkoudheidsklachten, geen zorgen over met wie je was en bij wie je aanschoof. De laatste tijd denk ik steeds vaker: was dit het dan, een virus dat even onze realiteit overhoop hoestte en wij, die achterbleven met de stukgewassen handen in het haar? Wie het weet mag het niet zeggen – de wens is de vader van de gedachte.  

Laatst slenterde ik, sinds lange tijd, weer eens door mijn stad. De straten verzuchtten leegte en een bruisende ongeduldigheid. Na een omweg kwam ik in de straat van mijn stamcafé, Van Zanten. Waar voorheen altijd muziek en dronkenmanspraat klonk in de straat, was het nu bijna stil. Een grote vrachtwagen loste meubels tegenover het café, waarschijnlijk van een nieuwe bewoonster van het studentenhuis. Achter de vrachtwagen zou normaal een lange file zijn ontstaan, maar dat was vandaag niet het geval, integendeel. Eén behendige en onbevreesde fietser scheurde langszij, maar dat was alles. Twee kleerkasten van verhuizers sjouwden geroutineerd de meubeltjes naar binnen en een meisje met een plantenbak, met daarin wijlen een plant, volgde.  

Ruim een jaar geleden was er in deze straat wel een bescheiden file ontstaan: ik was met mijn dronkenmansbenen overgestoken en bijna gelanceerd door een uitgerangeerde Citroën, die een noodstop moest maken. Achter de wagen had zich snel een kleine opstopping gevormd van drie automobilisten die kennelijk nog ergens moesten zijn tegen middernacht. Iedereen moet ergens zijn, zoals Tjitske Jansen schreef, maar deze automobilisten vonden duidelijk dat zij nog méér ergens moesten zijn dan anderen, want ze claxonneerden alsof hun leven er vanaf hing.

In het snelle, vluchtige verleden had ik vaak het verlangen om even nergens te zijn: altijd waren we maar ergens haastig naar op weg, nooit naar nergens, zoals Klaas Delrue van de Vlaamse band Yevgueni zong. De laatste tijd heb ik steeds vaker het gevoel dat ik nergens ben – mijn huis, waar ik inmiddels iedere vierkante centimeter van het behang ken, is nergens geworden, een vacuüm van niets. Ik heb heimwee naar de haast, de chaos en de stress die ik vroeger zo graag wilde missen.

Na mijn bijna-doodervaring, waar ik overigens weinig van had meegekregen, stak een oude, kalende man zijn hoofd, dat sprekend op een bowlingbal leek, uit het raampje en toonde mij zijn bijzonder korte middelvinger. Ik verontschuldigde me met mijn eigen, nog kleinere middelvinger en zette in een allesbehalve rechte lijn mijn zoektocht naar mijn fiets weer voort. Het liep – los van mijn trouwe hoopje schroot op uitgerold rubber, dat ik nooit meer heb teruggevonden – goed af.

De ramen waardoor je vroeger mensen van de meest uiteenlopende pluimage zag discussiëren, en bovenal drinken, zijn omgetoverd tot prachtige kijkdozen. Voor de ingang van het café is een hokje geplaatst, dat me doet denken aan het hokje dat altijd voor de ingang van een circus stond en waar ik als kind gespannen mijn kaartje liet knippen. In plaats van anderhalf uur acrobaten, clowns en trapezeartiesten, geeft dit hokje toegang tot eten en drinken dat je af kan halen. De altijd charmante barman zingt een lied op gitaar, maakt een praatje en geeft de bestelling door.

De veerkracht, het enthousiasme en de innovatie van het cafépersoneel is bewonderenswaardig, maar toch klopt er voor mij iets niet. Ik mis het gedempte licht, de muren die bruin waren gekleurd van een ver, rokend verleden en de mensen die als levend behang bij het interieur waren gaan horen. Het café was een wereld apart, een veilige haven, een tweede thuis en ik zou niet meer weten hoe ik daar zou moeten geraken, laat staan hoe ik weer thuis zou moeten komen – en ik had niet eens gedronken. Het micro-universum dat Van Zanten heet is even nergens, opgeslokt door hetzelfde vacuüm van niets dat ook mijn huis al te grazen nam.   

Stiekem hoopte ik dat er nog een tweede werkelijkheid naast de huidige was en dat ik, net zoals in Harry Potter, maar hard genoeg tegen een muur hoefde aan te lopen en dat de ‘ergensheid’, die nu eigenlijk nergens is, me dan zou insluiten. Dat ik dan in een vol café zou staan tussen echte mensen, die niet uit pixels en haperende microfoons bestonden. De kans op een bloedneus, een hersenschudding en een krantenkop (‘Verwarde man raakt bewusteloos na kopstoot aan blinde muur’) leek me groter dan een kans van slagen, dus besloot ik alleen maar wat weemoedig te staren naar de gevel van het café. Ik stond midden op de weg en dacht aan alle mooie momenten die zich hadden afgespeeld in en rondom die ruimte – dat waren er veel, en waarschijnlijk heb ik de helft niet eens onthouden.

Na een tijdje schrok ik wakker van een schelle, agressieve claxon. Een oude, kalende man in een uitgerangeerde Citroën – of het dezelfde man was, weet ik niet, maar het kan bijna niet anders – hing uit het zijraampje en toonde mij zijn middelvinger, die nu wat meer op een dik, klein worstje leek. Het bleek dat ik nog steeds midden op de weg stond. Er had zich zelfs een kleine file van Thuisbezorgd-scooters achter hem gevormd.

Ik lachte vriendelijk, bijna dankbaar terug en knikte. Met een souplesse die ik alleen heb als ik nuchter ben sprong ik op het trottoir en stak ik mijn hand op naar de vijftigplusser in zijn uitstootmonster. Mijn pacifistische reactie leek hem niet te deren, want hij reed in een rotgang langs me heen, zijn braadworstvinger fier tentoonstellend uit het raampje. Zo verdween hij uit het straatbeeld.

Sommige dingen veranderen nooit, dacht ik. En daar klamp ik me maar aan vast.

Foto: Kafé Van Zanten.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Driemaal dood op de Dam

Op een winderige dag stond ik op de Dam met een groot achtkantig bord. Daar stond op: ‘Zolang er systemisch racisme is, staat hier iemand’. Er liep winkelend publiek voorbij – het was juni 2020, toen moest de ‘tweede golf’ nog komen.

Ik stond daar om mij uit te spreken, om de strijd tegen racisme te steunen. Daar ging nog heel wat twijfel aan vooraf. Welke openbare ruimte zoek ik voor mijn steunbetuiging? Ik twijfelde vooral ook over het internet. Luisteren we in de online meningenmachine wel echt naar elkaar? Is de discussie daar niet regelmatig veel te verhit? Ik stuitte op het initiatief #zolanghetnodigis. En dus stond ik met dat bord op de Dam.

Een stel liep langs en stak de duim op. Een vader duwde zijn kortgeschoren zoontje tegen zich aan, alsof ik met dat bord een mep zou uitdelen. Nee hoor, ik stond even stil als het levende standbeeld van de Dood een eindje verderop. Uit zijn mond hing een gigantische joint. Aan de overkant was inmiddels een Palestijnse éénpersoons-demonstratie gestart, gadegeslagen door een man met een Israëlische vlag. De politie arriveerde, evenals een tweede Magere Hein. Verdienen levende standbeelden eigenlijk nog wel wat tijdens een wereldwijde pandemie?

Een man koerste dwars over het plein op mij af. Of ik hem kon uitleggen wat ik met ‘systemisch’ bedoelde. Ik wilde zeggen dat het wat mij betreft gaat over systematische discriminatie vanuit instanties, maar ook over gedragspatronen van mensen in het algemeen, maar de man was al begonnen aan een lang betoog. De kern was dat er op mijn bord ‘endemisch’ had moeten staan. Ik vroeg me hardop af of we de kwestie wel moeten terugbrengen tot een semantisch vraagstuk. Hij riep dat ik closed-minded was en beende weg.

De man met vlag kwam op me af en zei dat hij beter wist dan wie dan ook wat racisme is. En dat we vandaag de dag alles maar op een grote hoop gooien. Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde; hij antwoordde niet en hernam met wapperende vlag zijn ronde. Een stel met kinderzitjes achter op de fiets stopte met piepende remmen voor mijn neus.

Ik was voorbereid op ongemakkelijke gesprekken, maar niet op deze woede. Het stel schreeuwde mij in het gezicht dat ik een cultuurmarxist was die blanke boeren in Zuid-Afrika aan de boom wilde opknopen. Ik zei dat ik in elk geval anderhalve meter afstand wilde houden. Op luide toon werd mij verweten lid te zijn van de racismegestapo die alles dwangmatig met bruine verf wil overgieten en zelfs koffiedrinken slavernij noemt. Deze twee mensen kwamen niet voor een dialoog.

Aan de overkant werd de man met de vlag weggestuurd door de agenten, en een derde Dood betrad het strijdtoneel. Gemoedelijk knoopte hij een praatje aan met zijn confrères. De man met het kinderzitje op zijn fiets schreeuwde dat de tractorboeren mij, als feministenhoer, maar eens moesten trakteren op een bezoekje. Dan zou ik wel anders piepen. Of helemaal niet meer. Nog beter.

Werd mij hier nu serieus de dood aangezegd? Mijn twijfel en verwarring namen in dat uur op de Dam alleen maar toe. Waarom liepen de emoties zo hoog op? Waarom waren deze mensen zo boos terwijl ze tegelijkertijd leken te ontkennen dat racisme bestaat? Niet alleen online, maar ook in het echt hebben we blijkbaar grote moeite te luisteren naar andere meningen. Hoe voeren we een gesprek over racisme? Ondertussen staat er nog steeds iemand met dit bord op de Dam.

(De foto toont de Engelstalige versie van het protestbord: op de andere kant staat de tekst in het Nederlands. Toen de derde Dood zich aandiende was de sfeer helaas niet meer zo geschikt om nog een foto te nemen.)

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Revolusi – Een belangrijk boek

In 1999 heb ik een nacht op een boot doorgebracht die de ‘binnenzee’ van Sulawesi in Indonesië overstak. Ik denk dat de boot van Gorontalo naar Poso voer. Ik had een leuk gesprek met een heel oude man, Alex, die er blijkbaar plezier in had om met een jonge onwetende gozer Nederlands te spreken. Een heel mooi Nederlands vol ‘vermitsen’, ‘mitsgaders’, ‘edochs’ etc. De man zal toen eind tachtig, begin negentig zijn geweest.

In Indonesië heb ik me, de paar keer dat ik er rondgereisd heb, intens thuis gevoeld. Ik heb geen familiale geschiedenis daar maar las altijd graag alles wat los en vast zat over dat land en haar geschiedenis. Nu heb ik Revolusi van David van Reybrouck gelezen en voel ik een lichte afkeer jegens mijn opleiding: dat ik nooit heb geweten wat ik had moeten weten om met die meneer een fatsoenlijk gesprek te voeren. Waarom ben ik in godsnaam een halve specialist geworden in de Hollandse Opstand, het Humanisme, de 17e eeuw, de ‘moedige’ Nederlanders in verzet in de Tweede Wereldoorlog, alleen op mijn middelbare school al… maar ken ik pas heel recent de naam Sjahrir, weet ik maar sinds kort wat er precies gebeurde tussen pakweg 1930 en 1949 in Indonesië?

Ik begon Van Reybroucks boek met zekere reserve, die ik kort samenvat als een angst voor mooischrijverij. En inderdaad: in de uiterste marges van het boek — de eerste en de laatste vijf bladzijden — is het naar mijn smaak iets te mooi. Maar laat ik mij haasten te melden dat die reserve volstrekt verdampte in de overige 98% van het boek. Het is een wonder van gedegen onderzoek. Eindeloos veel gesprekken met oude mannen en vrouwen in verpleeghuizen — in Velzen, in Tokio, op de Molukken, op Java.

Als uitgever vraag ik me af hoe je een dergelijk project hebt kunnen financieren! Dus ik buig heel diep voor Van Reybrouck en voor De Bezige Bij. Ik vind dat we verplicht zijn, aan wat er over is van onze eer, het boek een groter succes te maken dan Congo.

Van Reybrouck heeft zijn geweldige onderzoek ook geweldig neergeschreven. Een paar narratieve trucjes zijn interessant. Je verdwaalt nooit in de getuigenissen, omdat Van Reybrouck bij de eerste verschijning van een getuige hem of haar aan iets koppelt wat we kunnen onthouden, zoals ‘de man die met zijn Japanse buurman had gezwommen’. En steeds wanneer we die getuige weer aan het woord horen herhaalt hij die kleine herinneringseigenschap. Zo weten we van die tientallen getuigen, die tientallen malen aangehaald worden, toch steeds wie wie is. Dat is knap gedaan.

In het begin van het boek vergelijkt Van Reybrouck de standenmaatschapij in Nederlands-Indië met een passagiersschip, waar je eerste, tweede of derde deck bent. Hij blijft hier naar verwijzen door het boek heen, en het werkt heel goed.

Het zijn maar twee technische zaken in een verhaal, over onze geschiedenis, dat zijn weerga niet kent, dat ieder van ons decennia eerder had moeten weten. Maar dat we nu tenminste kunnen weten. Wij zijn thuis een driegenerationele leesclub gestart over het boek. Zo’n boek is het.

Een diepe buiging dus, voor Van Reybrouck en De Bezige Bij!

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Twan Vet"
    Twan Vet

    Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

    Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

    De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

    Foto: Roderique Arisiaman

  • "Foto van Julien Ignacio"
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.