Blijven geven

Hoewel ik mezelf nooit als een volhouder zou typeren, begint het er toch op te lijken dat ik er een ben. Mijn nieuwe boek komt uit in juni, en op dit moment verwerk ik de opmerkingen die tweede lezer Marko in het manuscript heeft gepend.

Vanwege de omstandigheden kreeg ik geen pak papier, maar een scan van zijn redactiewerk. Een geluk, omdat ik even bang was geweest een exemplaar te krijgen dat met review in Word zou zijn gedaan. Marko’s fijne steno-achtige symbooltjes zijn een genot op zich. Ik gebruik die zelf ook als ik werk van mijn studenten nakijk, en geniet er dan al zo van.

Marko is goed en dat wist ik natuurlijk, maar ik vind het leuk om het hier te melden. Al met al ben ik vijf jaar met dit boek bezig geweest, en het veranderde in die tijd van een gotisch epos in een beknopte roman. Dorp is er beter op geworden.

Na het verwerken van de suggesties en verbeteringen wil ik het begin nog eens aanpakken. De wijziging die ik voor ogen heb trekt alle lijnen ronder, maakt het verhaal van meet af aan dwingend. Die ingreep zal weer continuïteitsproblemen geven in de rest van de tekst die moeten worden aangepakt, waarna ik het geheel toch nog één keer zal willen lezen.

Elk boek hebben ze me bij Van Oorschot uit de handen moeten trekken. Nooit voelde het echt klaar. Als de laatste deadline straks nadert zal ik nog steeds voelen dat het beter kan. Na het doen van de correcties met die goeie Jaap, toch een beetje de bassist van de band, zal het luik opeens dichtvallen. De wereld die ik heb gemaakt, daar kan ik dan niet meer in terug. Zoals altijd zal het een bevrijding en een afscheid zijn.

Ik zal me een paar dagen doodmoe, maar aangenaam vrijzwevend voelen. Snel daarop volgt dan de spanning. Zal dit boek gezien worden voor wat ik voel dat het is? En daarna: zullen genoeg mensen dat zien?

Wat het antwoord daarop ook is, het zal tegenvallen. Alle lof over mijn werk voelt onbetrouwbaar. Als ik eerlijk ben voelt het vooral als te weinig lof.

Misschien komt dat door de prijs die we betalen. Ik houd van dit leven, begrijp me niet verkeerd. Ik zou niet anders willen, maar schrijven is zowel het mooiste als het moeilijkste wat ik ken.

Kan. Het mooiste wat ik kan, had ik moeten zeggen.

Zie je nou wel dat het goed is om er nog één keer doorheen te gaan?

Beeld: Lauren Mae Murphy

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

De dijk bleek afgegraven

Vlak bij mijn huis, langs de Waal, ten westen van Millingen en Ooij, ligt natuurgebied Millingerwaard. Millingerwaard is ongeveer 800 hectare groot en omvat bosreservaat, honderden schietwilgen, moerassen, oppervlaktewater en zandverstuivingen.

Het is het eerste natuurgebied in Nederland waarin ik ooit verdwaalde.

Het gebeurde de tweede keer dat ik er ging wandelen. De eerste keer was ik vanaf Kekerdom een korte wandeling gaan maken. Ik was alleen aan het begin van het gebied gebleven: de ijzeren poort door en over het verhoogde pad naar de Flevopost, een grijs vogelhuisje dat uitkijkt over het water. Toen begon het te regenen, dus ik kroop dieper mijn jas in en ging snel terug naar de auto.

De tweede keer stak ik het water over, dieper het gebied in. De grote schietwilgen maakten plaats voor moerassen met kleinere bomen, velden vol brandnetels en riviertjes waar ik sporen vond van Galloways en Konik-paarden. Ik had de tijd en liet me door het natuurgebied opslokken. Ik merkte dat ik steeds verder van de paden week, maar dat maakte me niet uit. De bomen riepen me, ergens in de verte hoorde ik de Waal ruizen, een paard hinniken. Ik rook grond, smeuïge klei, en mijn schoenen bleven hangen in de dikke laag drek. Het was een kille dag, er was geen zon te zien. De lucht was enkel een grijs vlak en ik raakte gedesoriënteerd, verloor mijn gevoel voor tijd en belandde in de kern van het gebied.

Deze kern was een plek zonder menselijke sporen, zonder tekens van het menselijke leven. Het was het natuurgebied en ik, de schietwilgen en ik, het zompige moeras en ik – verder niemand. Ik ging tussen de bomen liggen, voelde grondwater mijn kleren in trekken en greep met mijn vingers in het gras.

Hoe lang het duurde weet ik niet meer, maar op een gegeven moment raakte ik in paniek. Ik stond vlug op en vroeg me af waar ik was, hoe ik ooit nog thuis moest komen. Ik begreep niet goed hoe ik in deze grillige kern was beland en begon te lopen.

Er wonen een stuk of twintig mensen in het gebied en ik dacht te weten dat hun huizen zich aan de kant van de Waal bevonden. Ik wist dat er een pad liep van de rivier naar de uitgang. Dus ik ging op zoek naar die huizen.

Ik zweette en probeerde me steeds sneller voort te bewegen, omdat ik de kern voelde trekken als een magneet. Het was alsof het gebied me aan mijn capuchon terug wilde slepen naar het midden, naar die plaats zonder mensen, om me opnieuw te laten voelen hoe onbelangrijk ik eigenlijk ben.


Uiteindelijk vond ik de weg terug. Op Google Maps zag ik een dijk die me terug naar de bewoonde wereld zou brengen, maar toen ik aankwam op de plek waar de dijk zou zijn, bleek die afgegraven. Ik moest een omweg nemen van een uur om terug te komen waar ik was begonnen. Op mijn terugtocht viel het me pas op dat er een gigantische machine midden in het water stond. Een soort hijskraan met uiers eronder. Opeens zag ik ook hekken, en borden met ‘pas op drijfzand’ erop.

Eenmaal thuis zocht ik informatie op over Millingerwaard: ik probeerde vanachter mijn laptop te begrijpen wat er die middag was gebeurd.

Ik las dat Millingerwaard een natuurontwikkelingsgebied is. Uitgekozen door de mens om te ‘verwilderen’. Ik voelde me in de maling genomen. Mijn authentieke natuurervaring was bewust gecreëerd.

Er zijn mensen die hebben besloten dat ik me in dit gebied één met de natuur mag voelen. Dezelfde mensen hebben in 2013 besloten dat Millingerwaard heringericht wordt, dat er een dijk weggegraven mag worden – dat de natuur iets is om te cultiveren. Daar zijn ze tenslotte al jaren mee bezig.

"Foto van Willemijn Kranendonk"
Willemijn Kranendonk

Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Ik kwam hier vroeger nooit

Ik ben een brave jongvolwassene. Ik feest niet, ik shop niet, ik groepssport niet. Nauwelijks ga ik meer bij vrienden langs, en elke keer als ik dan toch thuiskom van zo’n bezoek voel ik een placebo-vernauwing in mijn ribbenkast.

Wat is er dan nog? Wandelen. Dus dat doe ik. Ik woon op de NDSM-werf in Noord – daar is zonder horeca weinig meer van over. Mijn meest frequente rondje loop ik langs de werkzaamheden bij de pont, via het graffititerrein langs het water, voorbij coffeeshop Funny People, de Klaprozen-brug over, en dan langzaam het mooie nieuwe huizenblok door. Dat is stiekem mijn eindbestemming, mijn doel. Zo subtiel mogelijk spiek ik de luxe keukens en eetkamers in. Moeilijk is dat niet: de meeste zijn een en al goedgewassen raam. Ik snap het. Ik zou ook al die minimalistische pracht met elke langsloper willen delen. Het wakkert iets in me aan: een huisje-, boompje-, beestjesinstinct. Een verlangen naar comfort en een gebrek aan financiële zorgen. Het haute-Ikea pretpark duurt echter maar vijf minuten: daarna loop ik terug naar mijn studentenflat, over een kleurrijk maar verlaten industrieterrein.

Een week of twee geleden las ik Jij hebt ons niet ontdekt, wij waren hier altijd al, van oer-Noorderling Massih Hutak. Hij beschrijft er de gentrificatie van Amsterdam Noord, en vergelijkt dit met bijna elke andere grote Westerse stad. Overal gebeurt hetzelfde. Ik woonde voor mijn studie een jaar in Williamsburg, Brooklyn, waar de helft van de bewoners bestond uit jonge hipsters in Balenciaga-sneakers, en de andere helft uit Latijns-Amerikaanse vrouwtjes met rolkarretjes. Om en om liep ik er langs drukbezette wasserettes en $6-espressozaken.

Wat me het meest is bijgebleven uit Hutak’s boek is het volgende feit: die jongens op straat met speakers en sigaretten, die witte mensen zo verdacht vinden, zijn bang voor blonde bakfietsmoeders. In de eerste instantie deed dit me denken aan de semi-geruststellende opmerking, ‘Muizen zijn veel banger voor jou dan jij voor hen.’

Maar Hutak legt het uit: de aanwezigheid van deze bakfietsmoeders betekent dat de wijk verandert, zonder dat de originele bewoners betrokken worden bij de veranderingen. En dat terwijl zij die wijk gebouwd hebben, voorzien hebben van cultuur en winkels en een gemeenschap. Bovendien werd deze wijk tot voor kort nog bestempeld als buitenwijk – gevaarlijk, ontoegankelijk, of, bijna net zo erg: onbelangrijk. Verwaarloosbaar. En verwaarloosd werd alles daar, tot de kunstenaars er kwamen, en toen de pop-up stores, en toen… de bakfietsen.

Iedereen kent dit fenomeen wel. Voor Noord was het de Indische Buurt, daarvoor de Pijp, daarvoor de Jordaan, en in elke andere stad gebeurt het. Maar waar ik niet zeker over ben, is mijn eigen positie hierin. Ik kom uit Amsterdam Zuid, ik ben werkzaam in de cultuursector, en mijn (groot)ouders zijn hun land niet ontvlucht. Ik ben de middenklasse… denk ik. Maar ik ben ook een student zonder stufi en met huurtoeslag, ik heb één immigrantenouder van kleur, en ik denk niet dat ik ooit zo’n huis aan de Klaprozenweg zou kunnen betalen.

Aan de andere kant (pun intended): ik kwam hier vroeger nooit. Ik kan me één keer herinneren dat ik in Noord was, voor ik er als student ging wonen. Onze geschiedenisdocent nam ons mee op een excursie op de fiets, helemaal van Zuid naar Noord. We kwamen uit bij een boerderij en leerden daar over terpen en veengrond, geloof ik. Dat bevestigde wat ik dacht te weten over Noord: boerenland. Hoe kon dat nou Amsterdam zijn?

Ik kwam hier niet omdat het hip was, maar omdat er studentenkamers beschikbaar waren. Eerst vond ik het niks, zo ver weg. Het is pijnlijk om toe te geven dat het steeds leuker werd om in Noord te wonen. Van de zomer ‘ontdekte’ ik het Twiske, waar het natuurlijk al bomvol was. Dat was wanneer ik me realiseerde dat ik toch echt wel deel van het probleem uitmaak.

Misschien ben ik het bangst voor mezelf. Ik wil niemand wegjagen. Ik weet dat de originele bewoners me aanzien voor wit, dus ben ik dat ook. En tegelijkertijd ook weer niet. Maar goed, ik beoordeel ook iedereen die ik tegenkom op hun uiterlijke kenmerken, en ik weet dat die van mij op de schaal van immigrant tot bakfiets dichterbij het laatste staan.

Voor nu is alles wat ik weet te doen: vriendelijk glimlachen naar iedereen. Evenveel afstand houden van elke voorbijganger. Doen alsof ik niet teveel nadenk over mijn eigen positie in een multiculturele, maar toch wel gesegregeerde wijk. Er bakfietst een moeder met een afro langs. Ik ben niet de enige op het midden van de weegschaal. Mijn enkellange zwarte winterjas – van een Salvation Army in Brooklyn: plaats die maar eens ergens – wappert achter me aan in de strenge Noorderwind.

"Foto van Fannah Palmer"
Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Harmon, Karpov en Kasparov

In de kerstvakantie doken ze opeens op in huize V, de schaakspelen: een groot bord met officiële Staunton-stukken, een magnetisch miniatuurexemplaar van Sovjet-fabricaat, digitale op phones en tablets. De eerste twee hadden al decennia het levenslicht niet gezien, maar waren dankzij de avonturen van Beth Harmon in de Netflix-serie The Queen’s Gambit afgestoft en opeens het middelpunt van de aandacht van de kinderen en mijzelf, die in wisselende combinaties tegen elkaar speelden. Mijn jongste deed prompt haar spreekbeurt over schaken.

Ik was vergeten hoe fascinerend het spel is, hoe het je helemaal kan opslokken en obsessie op de loer ligt. Mijn eigen schaakgeschiedenis begon in 1978 ten tijde van de match om de wereldtitel tussen Karpov en Kortsnoj, een door Koude Oorlog-intriges omgeven, maandenlang uitgerekte nagelbijter, waarvan ik de partijen naspeelde uit de krant zonder er veel van te begrijpen. Ik had bij gebrek aan schakende ouders en vriendjes mezelf het spel geleerd en werd kortstondig lid van een club, waar ik het pionnen- en toren diploma haalde (voor het koningsdiploma ben ik nooit gegaan, al herinner ik me het theoretisch eindspel van ‘paard en loper tegen koning’ wel te hebben bestudeerd). Helaas speelde ik er nooit tegen de blindspeler, van wie werd beweerd dat hij tot de wereldtop behoorde en wiens vingers krioelden over een miniatuurspelletje dat naast het wedstrijdbord stond, terwijl zijn geleidehond aan zijn voeten lag. In dezelfde tijd nam mijn vader na een reis naar de Sovjet-Unie behalve een magnetisch spelletje ook een door wereldkampioen Anatoli Karpov gesigneerd schaakboek mee (prachtige hard linnen omslag, papier van krantenkwaliteit aan de binnenkant). Het was mijn eerste schaakperiode, die naar ik schat een jaar of twee duurde. Hierna volgden incidenteel potjes op de middelbare school, tot ik in mijn studententijd weer veel met een vriend speelde en voor een studentenvereniging een simultaan organiseerde met een sterke Utrechtse speler. Daarna verdween het spel decennialang weer uit mijn leven. Ik kon blijkbaar heel goed zonder schaken.

Tot afgelopen kerst. Voor schaken heb je inmiddels niemand meer nodig aan de andere kant van het bord of boek om partijen na te spelen. Apps laten je op ieder moment van de dag spelen tegen spelers van eigen niveau, van Azerbeidzjan tot Argentinië. Instagram geeft je iedere dag nieuwe schaakproblemen en tientallen YouTube-kanalen verzorgen lessen en analyseren toppartijen. Op chess.com is het mogelijk de partijen van je (op één na) favoriete The Office-acteur na te spelen met analyse en hem uit te dagen voor een partij (hier legt hij het na een blunder in de opening snel af tegen wereldkampioen Magnus Carlsen). Deze mer à boire maakt schaken tot de ultieme lockdown-bezigheid. Ik had na enkele dagen tientallen vluggertjes gespeeld en zit inmiddels op zowat 300, zweef zo’n beetje rond ELO 1200 en vraag me af hoeveel verbetering er nog inzit. Paradox: ik heb het gevoel dat ik tactisch en strategisch sterker speel dan vroeger maar tegelijkertijd met mijn ageing brain meer blunders maak.

Maar wat ik vooral heb gemerkt is dat dit schaken tegen de klok heel iets anders is dan caféschaak. Het brengt een gevoelservaring met zich mee die ik nergens anders heb: je brein gaat in overdrive, je hartslag verhoogt zich en je maakt stresshormonen aan. Sport kan je in die staat van fysieke opwinding brengen, schrijven in die van opperste concentratie, maar de twee gaan nergens anders samen dan in het schaken. Het is een gevoel dat misschien niet zozeer prettig te noemen is maar wel verslavend is. Schaken werd zo weer een obsessie. Net als Luzhin in Nabokovs roman en Beth in de serie begon ik op zeker moment overal schaakpatronen te zien: in badkamer- en stoeptegels, ’s nachts op mijn netvlies. Winstpartijen zorgden voor hoogmoed en incorrecte stukoffers, verliespartijen voor een koppigheid die slechts leidde tot meer verliespartijen. Vooral ging schaken ten koste van schrijven en lezen. Ik verwijderde de app van mijn telefoon, zette hem er enkele dagen later weer op, hopend dat schaken dan godbetert misschien nog een gunstig effect zou hebben op de plotontwikkeling van mijn tweede roman.

Toch vermoed ik dat ook deze schaakobsessie geen stand zal houden. Ik heb me afgevraagd waarom. Het schaakspel is een prachtig, maar ook steriel universum. Het is een wereld die niet zintuiglijk, niet talig is, die mist wat John Updike ‘the fuzzy texture of everyday life’ noemt. Ik liet het schaken steeds weer achter me om dezelfde reden dat ik wiskunde liet vallen zo gauw het kon. Ook was de schaakwereld een mannenbolwerk met een hoger dan gemiddeld nerd-gehalte. Dat wordt gelukkig steeds minder. Ik voorspel dat er binnen vijfentwintig jaar een vrouw tot de wereldtop zal doordringen en zij de naam Beth zal dragen.

Ik was reeds in het bezit van de handtekening van Anatoli Karpov, met zijn grote nemesis Gary Kasparov kwam het tot een soort ontmoeting rond 2000 toen ik tijdens mijn pauzewandeling van mijn werk op de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels aan het Koningsplein midden in een toernooi belandde waar de wereldtop verzameld was. Welk toernooi? Waar precies? Het staat me in ieder geval bij dat het een bankgebouw was. De Britten Nigel Short en John Nunn waren er; Vassily Ivantsjoek, die nu en dan gepijnigd, alsof hij last had van obstipatie, van zijn bord de zaal inkeek; Jan Timman, ooit ‘Best of the West’, die het podium opkwam met een tas van boekhandel het Martyrium, en ik dacht: wat een heerlijk bohémienachtig leven hebben die schakers toch met hun reizen en vrije ochtenden, museumbezoek en wat couleur locale proeven voor je het openingsrepertoire van je tegenstander al dan niet samen met je secondanten bestudeert (Timman heeft eens gezegd dat het ontsnappen aan een burgerlijk bestaan een van de redenen was dat hij voor een schaakcarrière koos). Ook acte de présence gaf Gary Kasparov, de GOAT, het alfamannetje. Ik herinner me een overdaad aan energie en een haast tastbare denkkracht: opstaan van zijn bord om te ijsberen, diep gepeins afgewisseld met zeer snelle zetten. De toegang was gratis, de zaal maar halfvol, en als ik het had gewild had ik op de eerste rij kunnen gaan zitten op enkele meters afstand van de wereldtop. Ik nam het allemaal tot me, proefde van de sfeer en probeerde de partijen op de grote borden te doorgronden, maar moest op zeker moment gaan en bezocht op weg naar buiten nog even het toilet. Ik stond aan het urinoir toen er iemand naast me plaatsnam. Ik hoorde een soort snuiven, proefde een overdaad aan energie, maar omdat opzij kijken in zo’n situatie not done is wachtte ik tot mijn buurman klaar was en stond vervolgens achter hem terwijl hij zijn handen waste. Het was inderdaad de GOAT, Gary Kasparov. Ook dat deed hij snel.

Op de foto rechtsboven: de stand na Beths dameoffer in de laatste partij tegen Borgov.

"Foto van Gregor Verwijmeren"
Gregor Verwijmeren

Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

De ernst

Een nog nauwelijks beschreven gevolg van de pandemie waar ik de laatste dagen met mijn neus op gedrukt word is toch wel de geleidelijk toegenomen ernst. Alsof er elke dag dat deze ellende voortduurde een klein gewicht in mijn zakken is gestopt, een invers-zakenrollen dat je – zoals bij een echt bedreven zakkenroller – pas bemerkt als je thuiskomt en je feestmuts opeens niet meer past.

Vriend Rob Waumans stuurde me de foto hiernaast, genomen tijdens een van onze buitenborreltjes die me de afgelopen maanden feitelijk op de been gehouden hebben. Ik werd mijn toegenomen ernst pas echt gewaar toen ik mezelf zo zag schateren. Alles van waarde is weerloos, staat er op mijn armen, en wie me ernaar vraagt vertel ik dat die zin vooral een memo voor mezelf is: houd je ogen open, de echt waardevolle dingen verdwijnen het makkelijkst onder de voet.

In het licht van de grote problemen – leven en dood, je weet wel – lijkt het geen noodzakelijk iets, zo’n middag hangen met de mensen die je vanuit je tenen kunnen laten lachen; een paar uurtjes boven de shit uit stijgen. Als zo’n dag een tijdje niet gebeurt ga je het normaal vinden. Je zegt vrienden die ernaar vragen dat je oké bent, terwijl dat al heel lang niet meer zo is.

Dat zijn dus die kleine gewichten, maar het is evengoed het wegvallen van een opwaartse druk.

We vallen al een jaar en hebben het veelal niet door.

Ik mis jullie. Ik mis ons. Waar ís iedereen toch?

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Flophuis

Vancouver kampt net als Nederland met een huizencrisis. Als student is het bijna onmogelijk een betaalbare kamer te vinden, en de huurprijzen voor een appartement met één slaapkamer zijn gelijk aan die voor een appartement in Amsterdam-West of het Haagse Zeeheldenkwartier. De koopprijs voor eenzelfde appartement start vanaf een half miljoen Canadese dollar – ongeveer €350.000.

Iets zuidelijker, in San Francisco, is het tekort aan betaalbare woningen, zelfs voor goedverdienende tech bro’s, al zo schrijnend dat pods hun opmars maken. Dit zijn gedeelde slaapzalen voor ongeveer acht tot tien mensen, waar ieder een bed huurt. Voor $1200 per maand ben je lid van de app PodShare waar je een bed voor één nacht of langer kan reserveren. Het wordt vooral gebruikt door mensen die buiten de stad wonen en werken in de tech-industrie, en door studenten die net zijn geëmigreerd.

Pods zijn niet nieuw, maar gemodelleerd naar flophouses. Deze schaars ingerichte slaapgelegenheden waren vanaf de late 19e eeuw tot de Tweede Wereldoorlog het goedkoopste alternatief voor buiten op straat slapen. In Noord-Amerika waren flophouses te vinden in de grote steden waar pas-aangekomen immigranten en seizoenarbeiders tijdens de wintermaanden verbleven. In Vancouver, dat gesticht is rond een aantal houtzaagmolens en het eindstation van de transcontinentale Canadian Pacific Railway, waren flophouses onderdeel van de stadsdynamiek en nodig om de vele seizoenarbeiders te huisvesten.  

In de loop van de 20e eeuw vervingen de zogenaamde single room occupancy-kamers (SRO’s) de flophouse slaapzalen. In plaats van een bed op zaal huurde je een kleine kamer in een residential hotel met gedeelde sanitaire voorzieningen. Ondanks de woonhervormingen en welvaartstijging vanaf 1950 zijn SRO’s niet uitgestorven: er waren in 2019 nog 146 SRO’s in Vancouver.

Een SRO is vaak de enige mogelijkheid voor mensen die kampen met lage inkomens, verslavingsproblemen, mentale gezondheidsklachten of een combinatie daarvan. Terwijl in andere stadsdelen van Vancouver meer miljoenenappartementen uit de grond worden gestampt, verkeren de meeste SRO’s in erbarmelijke staat met vochtproblemen, instortingsgevaar en een hoog risico op brand. De gemeente probeert de SRO’s te sluiten, maar kan door de aanhoudende huizencrisis geen alternatief bieden aan de huurders. Hierdoor belanden de meesten na verplichte evacuaties op straat.

De pods lijken met hun vers opgemaakte bedden en moderne uitvoeringen van Scandinavische vintagemeubels in eerste instantie niet op flophouses of SRO’s. De stapelbedden van steigerhout en betonnen gietvloeren geven ze eerder de uitstraling van een hip hostel.

Naast het uiterlijke onderscheid komt de belangrijkste tegenstelling naar voren in de doelgroep van PodShare. Het bedrijf richt zich op jonge hoogopgeleiden, zogenaamde global citizens, met reclameteksten als ‘niet vast zitten aan een huurcontract’ en ‘elke dag nieuwe vriendschappen sluiten met wisselende huisgenoten’. Deze marketingstrategie legt de nadruk op het avontuurlijke en sociale van minimaal wonen. Het doet denken aan backpacken, maar dan in je eigen stad. Het is een keuze in levensstijl. Daarentegen is wonen in een SRO geen keuze, maar een laatste redmiddel om te schuilen voor de buitenwereld. Het is één traptrede verwijderd van dakloos zijn, dat cynisch zou kunnen worden omschreven als permanent backpacken.

"Foto van Mira Aluç"
Mira Aluç

Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Anja Sicking"
    Anja Sicking

    Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
    hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

  • "Foto van Twan Vet"
    Twan Vet

    Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

    Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

    De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

    Foto: Roderique Arisiaman

  • "Foto van Jos Versteegen"
    Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.