Weer

Met een warm brood onder mijn arm liet ik Otis de Hond uit op het eiland. Het regende zoals het deze dagen altijd regent, en bij gebrek aan paraplu stopte ik het brood maar in mijn jas.

Bij het veldje op de hoek stond Paul. Hij had de capuchon van zijn jas over zijn hoofd getrokken en volgde de bewegingen van zijn zwarte hond aandachtig. ‘Hé,’ zei hij toen hij me in het oog kreeg.

‘Hé,’ zei ik. We zeiden niet dat het kutweer was. Ik hoor dat eigenlijk niemand meer zeggen.

Paul leek bedrukt, ik vroeg hem wat er was en hij vertelde. Veel kan ik daarover niet melden, maar hij bleek in een conflict verwikkeld. Uit hoe iemand praat over een ruzie kun je veel afleiden over zijn persoon.

Uit Pauls verhaal leidde ik af dat hij een goeie is, maar mijn blik kan ook gekleurd zijn door de ervaring die ik al met hem heb opgedaan. Paul werkt op het water, draagt weerbestendige kleding en maakt steevast ruimte voor een gesprek, zonder je ooit aan te klampen. Als hij ziet dat je het nodig hebt, brengt hij je gereedschap. Een paar dagen later vraagt hij het dan op subtiele wijze terug, maar beslist zonder een onderhuids verwijt.

‘Is het nog gelukt met die bougies?’ kan hij dan zeggen. ‘Pasten mijn dopsleutels?’

Een buurman is comfortabeler dan een vriend omdat hij er altijd is, en je minder van het contact met hem verwacht. Omdat je een buurman spreekt als het zich aandient – terwijl je met iets anders bezig bent – duurt elk contact precies zo lang als je wilt. Ik vind Paul een getalenteerd buurman, omdat onze gesprekken nooit helemaal klaar voelen.

Leave them wanting more, om met Bobby Womack te spreken.

Met de knauw die onze actieradius krijgt als we aan kinderen beginnen, groeit het belang van contact met buren. Tel daar een pandemietje bij op, en we zien vrienden vooral op social media, wijn drinkend op het pleintje voor hun deur met mensen over wie we nog nooit gehoord hebben. Onze vrienden zien er ontspannen uit op Facebook, tevreden en misschien een pondje dikker.

Hoewel ik nog elk jaar nieuwe vrienden maak, heb ik bij lange na niet genoeg tijd om die contacten te onderhouden. Met nieuwe mensen afspreken voelt daarom vaak onverstandig: als het contact leuk is, kan ik het vervolg ervan dan waarmaken?

Toen Paul halverwege zijn verhaal was, kakte zijn hond in een bloemperkje. Paul raapte de drol op met een zakje, knoopte dat dicht en zuchtte terwijl hij weer naast me kwam staan. ‘Laat ook maar,’ zei hij, doelend op zijn lopende conflict. ‘Ik ga je er verder niet mee belasten.’

Als mensen zeggen dat ze je ergens niet mee willen belasten, denk ik altijd dat ze geen zin hebben om het hele verhaal uit de doeken te doen bij een nieuw persoon. Het zou ze meer moeite kosten dan dat het ze oplucht.

Omdat Paul en ik buren zijn, besloot ik niet aan te dringen. Ik ritste mijn jas open, trok het brood tevoorschijn dat ik die ochtend had gebakken en hield het voor zijn neus.

‘Wat is dit?’ zei hij.

‘Voor jou. Ik maak er elke dag een extra. Dat geef ik dan weg op straat.’

Paul keek van het brood in zijn handen naar mij en weer terug. Hij trok een mooi donker stuk van de korst en stak het in zijn mond; kauwde, slikte en glimlachte. ‘Dit is het keerpunt,’ zei hij. ‘Dit is het keerpunt in mijn dag.’

Natuurlijk was het maar een brood, en was het Pauls eigen beslissing het tot keerpunt te benoemen, maar terwijl ik mijn rondje met Otis vervolgde leek ook mijn dag er anders bij te liggen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Hoe doen ze het?

Rabih en Kirsten ontmoeten elkaar als ze 20 zijn. Hij is van Duits/Libanese afkomst, zij is een Britse. Ze gaan in Engeland wonen, krijgen twee kinderen en best veel problemen. Ze spelen een bijzondere hoofdrol in Alain de Bottons The Course of Love (vertaald als Weg van liefde).

Je kunt een hekel aan De Botton hebben, maar ik behoor tot de categorie die hem mateloos bewondert. Een twintigtal boeken over velerlei onderwerpen en allemaal echt leerzaam: ook als je denkt dat je heus wel het een en ander weet. De Botton is een specialist in toegepaste filosofie: hij denkt over onderwerpen na en legt ze onwaarschijnlijk goed uit. Meesterbrein in onderwijzersgedaante. Dat kan over reizen gaan, over het nieuws, over architectuur, over werk, over status, over arbeid, over vliegverkeer. En over de liefde.

In dit boek gaat hij een stapje verder in zijn techniek. Het is het levensverhaal van deze twee mensen met hun hang-ups en problemen, steeds onderbroken door een uitleg over wat er aan de hand is. Dat kan ook na dertig jaar liefde nog handig zijn. Wat een soort van opluchting geeft in het boek is dat er van alles mis is met deze mensen, en dat De Botton heel duidelijk maakt dat dat de universele uitgangssituatie is: liefde is instabiel, de beide betrokkenen zijn instabiel en we maken er het beste van. Zo klinkt dat te plat: als je het boek leest voel je echter hoe precies en geaccidenteerd dat eigenlijk is.

Toen stuurde dichter LV mij haar ‘kunstenaar van de week’, Siân Davey. Bij deze Britse fotografe zie ik iets gelijkwaardigs gebeuren. Haar werk speelt zich grotendeels af binnen gezin, familie en gemeenschap en er hangt een heel wonderlijke zweem van fraaie verbondenheid en tegelijkertijd van kwetsbaarheid overheen: deze mensen zijn transparant in het geluk dat ze ervaren, en je ziet hoe dat ook kan omslaan: tegelijkertijd. En daarom kun je naar de hele reeksen op haar website wel blijven kijken. Want hoe doet ze het? Hoe speelt zij het voor elkaar, net als De Botton dat zo aanschouwelijk te doorzien? Hoe kan haar waarneming, haar lens, net als de wijze waarop De Botton kijkt, zoveel onthullen over de menselijke staat? En toen vond ik heel eenvoudig de sleutel tot haar werk in een uitspraak die het ook heel precies aan dat van De Botton lijkt te raken:

‘One of the biggest truths is to realise that we’re all suffering in some way. When we can acknowledge that, then we can start making sense of why that is and who we are.’

En verderop:

‘This series is an illustration of family life – all the tensions, joys and ups and downs that go with the territory of being in a family. My family is a microcosm for the dynamics occurring in many other families. We are no different. As a psychotherapist I have listened to many stories. It is interesting that what has been revealed to me after fifteen years of practice is not how different we are to one another but rather how alike we are. It is what we share that is significant. The stories vary but we all share the same emotions, we are all vulnerable to feelings of anger, grief, depression and so on.’

Dit voelt bij Davey en bij De Botton geenszins als een open deur, maar gek genoeg als een levensveranderend inzicht.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

DTES

Met de reputatie van de Downtown Eastside was ik al bekend voordat ik in het vliegtuig naar Vancouver stapte. Om alvast een idee hebben van de stad waar ik ging wonen, maar bovenal om mijn zenuwen te bedwingen, las ik in de maanden voor vertrek veel over Vancouver en haar problemen. Vooral de informatie over East Hastings Street intrigeerde me, op dezelfde manier als Christiane F dat deed. Dat boek had ik als tiener gelezen met een mengeling van afgrijzen en fascinatie. Ik wilde meer lezen en tegelijkertijd was het een leven dat me verontruste.

De kruising van East Hastings met Main Street is de afgelopen jaren uitgegroeid tot het epicentrum van de Canadese opiod epidemic. Het aantal overdoses was afgelopen jaar zo alarmerend hoog dat er door de hele stad posters van de gemeente in de bushokjes hangen, die adviseren om niet in je eentje drugs te gebruiken en informeren dat naloxone, een opioïde antagonist, gratis te verkrijgen is. Omdat een epidemie geen onderscheid maakt tussen klasse, ras en gender hangen de posters ook in de wijken waar blonde kinderen op het gazon spelen in een zogenaamde muddybuddy, een waterdichte overal voor peuters.

Tweede Kerstdag was geen goed tijdstip om kennis te maken met waar ik, in afwachting van mijn visum, veel over had gelezen. Mijn vriend en ik waren naar Gastown, het oudste deel van de stad, gelopen en de snelste weg terug was door East Hastings. Hoe dichter we bij de kruising met Main Street kwamen, hoe meer het straatbeeld overeenkwam met de foto’s bij krantenberichten over slechte huisvesting, louche huisbazen en vermissingen van sekswerkers. Er stonden koepeltenten op het trottoir en mensen zaten in groepjes op de grond of hingen tegen de muur.

Ik keek naar de grond omdat ik eerder die week in het centrum een vrouw had gezien die zichzelf op straat had geïnjecteerd. Ik was misselijk geworden van het routineuze karakter van de handeling. Kijken naar de grond stelde me niet gerust. Op de stoep en in de goot lagen gebruikte naalden. Ik was opgelucht toen we thuiskwamen, maar voelde me ook schuldig omdat ik de mogelijkheid had terug te keren naar ons nieuwe appartement met uitzicht over de baai.

Een paar weken geleden maakte ik met een vriendin een wandeling in de stad en liepen we richting Gastown. Waar de panden op East Hastings erg slecht zijn onderhouden, worden in Gastown de bakstenen gebouwen uit 1900 door de gemeente grondig gerenoveerd om het toerisme naar Vancouver aan te wakkeren. Tussen deze twee wijken liggen slechts twee straten als bufferzone. Hier zijn de stoepen schoner en voelt het minder bedrukkend, maar zijn er ook mensen in een portiek bezig met een aansteker en aluminiumfolie. Iets verderop in de straat stond een jonge moeder met haar baby in een draagdoek te wachten om een koffiezaak binnen te gaan. De pijpen van haar spijkerbroek waren opgerold en aan haar voeten droeg ze designersandalen. Ze ging naar binnen nadat er twee mannen met spijkerjasjes en Blundstones – de enkellaarzen van hip Vancouver – naar buiten kwamen.

Ik keek omhoog, naar Hotel Europe, het flatiron building van Vancouver. Gebouwd in 1909 en in de jaren ‘90 verbouwd tot sociale huisvesting, waar huurders voor randstedelijke prijzen een kamer met eigen wasbak kunnen krijgen. De keuken, badkamer en bedwantsen worden gedeeld met de rest van de verdieping. In de straat ernaast, dichterbij East Hastings, manoeuvreerde een ober op een terras met volle borden in zijn handen om een zwalkende, verwarde man heen, alsof hij een pion op een hindernisbaan was.

De door de gemeente gesubsidieerde gentrificatie van Gastown staat in scherp contrast met de straten van East Hastings, waar non-profitorganisaties proberen te helpen met overdosis-preventie, safe walks voor sekswerkers en huisvestingcomités. In de twee straten ertussen vroeg ik me af of de vrouw met de baby en de ober hieraan gewend zijn geraakt, of dat ze zich ervan hebben afgesloten. Wat was er nodig om zonder scrupules je Range Rover SUV naast een koepeltent te parkeren?

"Foto van Mira Aluç"
Mira Aluç

Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

Deegwaar

Ik heb wel eens gehoord dat je iets 10.000 uur moet doen om er een meester in te worden. Dat lijkt me onzin, omdat ik mijn veters als kleuter binnen een week perfect kon strikken, en ik als veertiger nog steeds niet kan rekenen.

Toch merk ik dat ik deeg begin te snappen, en hoewel het door mijn rekenproblemen niet exact te zeggen is, moet ik wel rond de 10.000 uur kneden zitten.

Door mijn nieuwe rubriek voor Het Parool, waarin ik gerechten uit herkomstlanden van nieuwe Amsterdammers maak, heb ik de afgelopen weken vrij vaak deegjes moeten zetten afgaande op vage beschrijvingen van oma’s uit den vreemde. Hoeveelheden gaan daarin per hand of beetje, nooit per gewicht.

Vandaag leerde de Oekraïense Alla me vareniki maken, een soort ravioli. Het recept was van haar moeder en gebruikte geen gewichten of inhoudsmaten, maar Alla wist wél dat het deeg dikker moest zijn dan dat van ravioli, zachter en broodachtiger ook. Meer sturing kreeg ik niet.

Ik mengde meel en water in een kom totdat de veerkracht van het deeg me leek te kloppen. Ik liet het rusten en rolde het uit, stak er rondjes van.

‘Ziet dit eruit als het deeg van je moeder?’ vroeg ik. ‘Voel eens, lijkt dit te kloppen?’

Alla – klein van stuk, kort donker haar – vond het moeilijk te zeggen. We dronken witte wijn en bakten uitjes.

Toen de zuurkool was afgekoeld, vulden we het deeg ermee. Het ging verrassend goed. We kookten de vareniki en legden ze op een bord met de uitjes en gehakte dille, crème fraîche ook. Als recensent heb ik gemerkt dat je een keuken niet hoeft te kennen om te weten of een gerecht klopt.

Terwijl we proefden keek ik naar Alla, en Alla glimlachte.

Het moment waarop je iets écht denkt te snappen wordt meestal snel gevolgd door het inzicht dat je er eigenlijk – op een dieper niveau – nog geen reet van begrijpt. Je besef van wat er kan loopt voor op wat je kunt.

Je echt ergens op toeleggen betekent een leven lang achterlopen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Mijn Indonesische jaren: Pramoedya Ananta Toer

In juli 1982 werd ik door het Ministerie van Onderwijs & Wetenschappen uitgezonden als docent in de Nederlandse taal, literatuur en geschiedenis aan de Universitas Indonesia in Jakarta. Kort na mijn aankomst in Indonesië belde ik Pramoedya Ananta Toer (1925-2006), de belangrijkste schrijver van Indonesië wiens naam figureerde op kandidatenlijstjes voor de Nobelprijs. Tegelijkertijd was hij in eigen land omstreden. In oktober 1965 was hij gearresteerd wegens zijn betrokkenheid bij de schrijversbond Lekra – het Instituut voor Volkscultuur – die banden had met de PKI, de Indonesische communistische partij.

Pramoedya had Lekra’s opvatting uitgedragen dat schrijvers moeten strijden tegen sociaal onrecht en machtsmisbruik. Tegelijkertijd had hij zich tegen schrijvers van zijn eigen generatie gekeerd die in hun Cultureel Manifest (17 augustus 1963) hadden gepleit voor een universeel humanisme in de nationale opbouw, en voor de eenheid en diversiteit die de basis vormde van de Pantjasila. Deze staatsfilosofie was in 1945 in de grondwet opgenomen. Dit Cultureel Manifest werd op 8 mei 1964 door president Soekarno bij de wet verboden. Hierop volgde een periode van politieke agitatie, en een mislukte coup op 30 september 1965, waarvan generaal Soeharto profiteerde door de macht naar zich toe te trekken.

Kort hierna werd Pramoedya opgepakt en naar een gevangenis in Jakarta gebracht. Na vier jaar werd hij naar een strafkamp op het eiland Buru gestuurd. Daar schreef hij op velletjes papier die het kamp werden uitgesmokkeld de vier delen van Aarde der mensen, ook bekend als de Buru-tetralogie: een reeks historische romans over het verzet van Indonesiërs tegen het koloniale machtsapparaat. In december 1979 werd hij vrijgelaten, maar hij had nog stadsarrest en zijn boeken waren verboden.

Ik had een honorarium bij me van zijn Nederlandse uitgever, dat mij was meegegeven door zijn vertaler Henk Maier. Op 7 augustus 1982 ging ik met een taxi, via een kronkelige weg in de wijk Utan Kayu, naar zijn huis in het wooncomplex van de rechterlijke macht. De informant van justitie woonde pal tegenover hem. Pramoedya’s huis werd door een hoog hekwerk aan het zicht onttrokken. Ik belde aan en hij opende de buitenpoort. Ik volgde hem naar binnen, waar ik hem het envelopje met geld overhandigde. Vervolgens hadden we een gesprek dat ten dele in het Nederlands werd gevoerd en ten dele in mijn nog aarzelende Indonesisch.

Pramoedya zag er goed uit, maar hij vertelde me dat hij sinds januari aan suikerziekte leed. Hij had drie maanden niet kunnen lezen, omdat alle lijnen ineen vloeiden. Aan het schrijven van brieven kwam hij niet toe: dat was zo persoonlijk, het kostte hem grote moeite. Ook had hij geen roman onder handen, maar wel werkte hij aan een geografisch woordenboek van Indonesië. Ik vroeg hem of hij dat met meer rust kon doen dan het schrijven van brieven of romans. Hij antwoordde: ‘Rust heb ik nooit. Ik heb al sinds mijn jonge jaren geen rust.’

Zijn vrouw serveerde sinaasappellimonade. Pramoedya draaide de ene sigaret na de andere, diagonaal in een tuitje, zijn vingers bruingeel van de nicotine. Op een gegeven moment vroeg hij mijn toestemming om het envelopje met geld aan zijn vrouw te geven. ‘Natuurlijk, het is voor u.’ Zij was er heel blij mee en kwam me later bij het afscheid achterna om me nogmaals te bedanken.

Aan de muur hing een ets die de Duitse schrijver en beeldend kunstenaar Günter Grass aan Pramoedya had geschonken: de afbeelding van een haan, rebels en triomfantelijk ten hemel kraaiend. Bij een volgend bezoek liet Pram me een brief van de cineast Joris Ivens zien, die zijn bewondering uitsprak voor Aarde der mensen en zich afvroeg of hij ooit iets had geschreven over Indonesia calling (1946), Ivens’ documentaire over de staking van Australische havenarbeiders uit protest tegen de Nederlandse rekolonisatie van Indonesië. Ivens’ Nederlandse paspoort was toentertijd ingetrokken en hijzelf was tot persona non grata verklaard, een status die pas in 1985 zou worden opgeheven.

Pramoedya heeft niet over Indonesia calling geschreven, maar wel speelt zijn vroege proza uit de jaren veertig en vijftig zich veelal af in de tijd van de Indonesische Revolutie. Hij had daar zelf actief aan deelgenomen, als lid van een paramilitaire organisatie, totdat hij in juli 1947 in Jakarta werd gearresteerd. Hij werd vervolgens door de Nederlandse autoriteiten in de gevangenis Bukit Duri geïnterneerd, waar hij kans zag door te werken aan zijn verhalen en novellen. Pas na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 werd hij vrijgelaten.    

Aan het einde van mijn eerste bezoek zei Pramoedya me: ‘U bent altijd welkom hoor.’ Hij liep met me mee om me een kortere weg te wijzen, die via allerlei steegjes en achtertuintjes naar een hoofdweg leidde waar ik al snel een taxi kon aanhouden. Ik ben hierna nog vele malen bij Pramoedya langs geweest, en we spraken alleen nog Indonesisch met elkaar. Soms bracht ik schrijvers, journalisten of wetenschappers bij hem en diende dan als tolk.

In maart 1987 ging ik met de latere Multatuli-biograaf Dik van der Meulen naar Pramoedya. Dik stelde een vraag over de bewondering van generaal Van Heutsz voor Multatuli, zoals die naar voren komt in Voetsporen, de derde roman van de Buru-tetralogie. Hij was verbaasd toen Pramoedya verklaarde dat ook híj grote bewondering had voor Van Heutsz. Van Heutsz! De man die in Nederland werd gezien als de koloniale schoft die Atjeh op bloedige wijze heeft onderworpen – de man wiens monument in Amsterdam herhaaldelijk werd beklad (en in 2004 omgedoopt tot het Monument Indië-Nederland).

Pram argumenteerde dat Van Heutsz toch de man was die de Ethische Politiek had ingevoerd, geheel in de lijn van Multatuli; en ook, in 1906, de persvrijheid. Bovendien had hij met zijn Pax Neerlandica Nederlands-Indië tot eenheid gesmeed, waarna het werd bestuurd als een unitaire staat. Dat Pramoedya wars was van in Indonesië vigerende clichéopvattingen bewees hij met zijn statement dat ‘overheersing van autochtonen door autochtonen wordt genegeerd’, en dat genocide was bedreven door zowel Nederlanders als Indonesiërs.

Op de foto, van links naar rechts: Kees Snoek, Pramoedya Ananta Toer en diens vrouw Maemunah Thamrin.

"Foto van Kees Snoek"
Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Voorbij het binaire (Bericht vanuit een toekomst)

Een community zit rond het vulkanische vuur. Het zijn warme tijden. Hoeveel graden meer ten opzichte van wat jij nog steeds ‘jouw tijd’ noemt, weet ik niet. Het doet er ook niet toe. Vandaag is het mijn beurt om een verhaal aan iemand op te dragen. Dit verhaal is voor jou.

Ik reik je metaforen aan, maar misschien begrijp je ze niet. Niet écht. Pas na ‘jouw tijd’ ontdekten we hoe krachtig metaforen zijn. Jij zegt: ‘jouw tijd’, alsof je tijd werkelijk kunt bezitten. Alsof je ooit een prime had en het daarna is afgelopen. Natuurlijk, we zijn nog steeds sterfelijk. We zijn mensen. Maar jij bent zo geobsedeerd door tijd, door dood. Tijd is geen rottingsproces. Tijd iszijn.

Sinds Quantum- en Kosmosbit vormt ons bestaan zich niet langer vanuit 0 of 1. Dood of leven. Uit of aan. Er is een derde keuze: uit én aan. Tegelijkertijd. 0 en 1 gewoon bovenop elkaar geplakt. Een vorm van zijn die in ‘jouw tijd’ slechts aarzelend bestond. Het was afwijkend, vreemd. Maar stel je voor hoe eindeloos veel mogelijkheden er bijgekomen zijn. Dit is een wereld van én én én.  

In ‘jouw tijd’ was dit nog regelrechte ketterij. Zelfs Einstein was geschokt door de verstrekkende consequenties van het quantumwereldbeeld waar hij zelf aan had bijgedragen; een heelal wordt geregeerd door waarschijnlijkheden en omstandigheden. Nu weten we: alle materie wordt beïnvloed door context. En dus dragen wij zorg voor onze omstandigheden en omgeving.

Alles is fluïde geworden, zoals tijd en al het andere. IJs is water geworden en steen spuwt als vuurfontein uit het binnenste van onze aarde omhoog.  De werkelijkheid bleek anders dan eeuwenlang aangenomen. Nu zijn lichtsnelheid noch menselijke maat leidend.

In onze quantumtijd zijn wij voorbij het binaire. We zijn gestopt met denken in ‘wij’ en ‘zij’. Er bestaat alleen ‘dit’ (geen ‘dat’). We spreken over ‘het’ en ‘een’ (niet ‘de’). Ik klapper zacht met mijn droogvriesvleugels van suikerspin en lach. Ondanks snelwegen van grafeen kunnen we niet op twee verschillende plekken tegelijk zijn, maar ‘hier’ is niet dichterbij of verder weg dan ‘daar’. Het is gewoon iets anders. We zijn gestopt met denken in ‘man’ en ‘vrouw’. Natuurlijk zijn er nog wel geslachtsdelen – we geven er alleen minder betekenis aan.

Niets is heilig en daardoor is niets hoger of lager dan iets anders. En met hiërarchie verdween ook schaarste. Geld, eten, spullen worden naar behoefte verdeeld. 

Een lachje verraadt je gedachten, ik zie ongeloof op je gezicht. Jij houdt dit alles niet voor mogelijk. Jij denkt: verhalen zijn slechts metaforen en woorden kunnen niet verwonden. Seksisme bestaat, denk jij, omdat er nu eenmaal mannen en vrouwen zijn. Racisme bestaat, denk jij, omdat mensen zich nu eenmaal onderscheiden van elkaar. Maar wat jij chaos noemt is ook een schitterende reeks mogelijkheden.

Natuurlijk is het eng jouw harde grenzen, jouw zekerheden te zien veranderen in onzekerheden. Ik benijd mensen in ‘jouw tijd’ niet. Want het leven blijkt zo veel makkelijker. Besteed je energie niet langer aan het onderwerpen van anderen. Stel je een wereld voor waar meervoudigheid in gelijkwaardigheid mogelijk is. 

Ja, we worden geteisterd door hitte, door kou en gebergten van tsunami’s. Het water neemt zoals het water geeft. Maar onze wereld wordt ondersteund door een lichte vrolijkheid, zoals aerokracht waarop onze huizen hubben. We hebben zwaartekracht overwonnen, dus waarom niet onszelf? Omniversiteit is niet moeilijk. Het is licht en vrij.

Wil je proberen het je voor te stellen? Dit is het vermogen van metaforen: als voldoende wezens het zich werkelijk voorstellen, wordt het waar. Omarm een inherente vreemdheid van een mogelijke quantumwereld. Eis niet langer antwoorden, maar vragen. Want zo lang er een vraag kan volgen op ieder antwoord, is het einde van ons verhaal nog niet bereikt. Ik leg mijn vleugels af en neem een hapje. Morgen zal ik nieuwe spinnen.

(Met dank aan Floor Houwink ten Cate, Benjamin Moen en Fannah Palmer. Geïnspireerd op ‘The Ones Who Stay and Fight’ van N.K. Jemisin, uit de bundel How Long ‘til Black Future Month, 2018.)

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.