Het kabinet mag dan een vuurwerkverbod hebben
uitgevaardigd, hier in de Haagse Molenwijk knalt november als vanouds. De
oorlog van december wordt met explosies aangekondigd.
Een nachtelijke wandeling noopt me mee te huilen met
de honden. Het gevaar loert overal. De ontplofte afvalbakken, de rondgestrooide
kapsalonresten, yoghurtpakken en salamiplakken: het vuurwerk trekt een
slijmspoor.
Daar ratelt een rode mat. Ik zie hoe kruitdampen omhoog
kruipen, en sla – met de staart tussen de benen – een zijweg in. De hond trekt
aan de riem in angst, en ik grom.
Het mooiste verhaal over de hond en het vuurwerk
staat in Kaputt, de iconische oorlogsroman van Curzio Malaparte. De
geniale Italiaanse reporter en fantast vertelt over het Duitse bombardement van
1941 op de Joegoslavische hoofdstad Belgrado en kiest voor een
hondenperspectief. Zo maakt de lezer kennis met Grif, een volgens Malaparte
edelmoedige jachthond van het ‘zuiverste ras.’
Als jachthond is Grif gewend aan het knallen van het
geweer, maar het donderend geraas van de bombardementen associeert hij niet met
de nobele jacht, maar met een ‘afschuwelijk monster, een woeste, vreemde god’.
Grif begrijpt de oorlog, als een jacht. Maar het bombardement? Dat is geen
jacht meer. Dat is destructie.
Terwijl Grif samen met de Italiaanse gezant in de
schuilkelder verblijft, leggen Duitse vliegtuigen de stad in de as. Malaparte observeert
de ravage: ‘Het Terazije was uitgestorven. Voor “Hotel Balkan” , op de rand van
een bomkrater, stond een bus vol doden. Op het Spomenikplein stond de
Koninklijke Schouwburg nog in brand. Het was een avond van mat glas, een
melkachtig licht omhulde de vervallen huizen, de lege straten, de verlaten
auto’s, de stilstaande trams op de rails. Hier en daar gierden scherpe,
kwaadaardige geweerschoten door de doodse stad.’
Na het bombardement komt Grif de schuilkelder niet
meer uit; hij heeft het monster gehoord, het monster van de destructie.
Malaparte en de Italiaanse gezant proberen het beest nog op te beuren, maar
niets lijkt te helpen. Het verhaal eindigt niettemin met een genezing, wanneer
Grif het knallen van het jachtgeweer hoort. Die knal brengt het geweld terug
tot die van jager en prooi, zoals in de natuur.
Hier in Molenwijk is de natuur schaars, en de
destructie nabij. Mijn eigen Grif spendeert uren onder de bank, terwijl buiten
rotjes poppen, pijlen flitsen en dit en dat ontploft. Vanavond zie ik nochtans
maar één geëxplodeerde gesmolten plastic afvalbak. Een bruine, ondefinieerbare
brij ligt ervoor.
Malaparte leefde na de Tweede Wereldoorlog als een soort balling in Frankrijk. Het was zijn genoegen om ’s nachts op zijn balkon mee te blaffen met de honden. In het Dagboek van een vreemdeling in Parijs vertelt hij over hoe de politie in Zwitserland hem verbiedt te blaffen: ‘In Zwitserland doet men deze dingen niet, mijnheer, dat is tegen de regels.’
Met weemoed denkt Malaparte aan Italië, waar hij
mocht blaffen. In Capri blafte hij nachtenlang en zelfs de admiraal van de daar
gelegen Engelse zeevloot liet hem begaan: ‘U hebt het recht om te blaffen, als
u dat prettig vindt, want Italië is nu vrij. Er is geen Mussolini meer. U mag
blaffen.’
Thuis open ik het raam en kijk uit over Den Haag.
Ergens schiet een gillende keukenmeid omhoog en ik beantwoord met drie blaffen.
ARF, ARF, ARF.
Hoe mooi zou het zijn als de honden in de wijde
omtrek mijn blaffen zouden beantwoorden, en we samen, heroïsch als in een Mel
Gibson-veldslagscène, ten strijde zouden trekken tegen de miezerige vijand, de
kwaadaardige gnoom-achtige, pokdalige en geestelijk beschimmelde liefhebbers
van het vuurwerk.
De respons blijft echter uit. Ik sluit het raam, en
denk aan de oorlog.