De nacht

Toen ik begon met schrijven deed ik dat altijd in de nacht. Een oude Toshiba van mijn vaders werk, oranje letters op een koolgrijs scherm: alsof je op het donker schreef.

Een lamp aan op mijn tafel, de andere verlichting uit. Roken, natuurlijk. De dubbele helix, opstijgend van de punt van mijn sigaret, veelal ongebruikt opbrandend in de glazen asbak naast me.

Wat is er met de nacht gebeurd? Ik werkte toen tot laat, had nog geen kinderen. Sloot het café af en fietste hard naar huis, woorden dringend in mijn hoofd en reikend naar mijn vingers, als noten bij een muzikant.

Hij zet koffie en gaat aan tafel zitten, klapt het scherm dicht en weer open, staat op, gaat zitten, schrijft en merkt dat de zinnen blijven komen. Met elke verschuiving van de cursor sterven lijnen af, mogelijkheden, krimpt een wereld tot zijn uiteindelijke vorm. De zinnen komen alsof ze aangeboren zijn; in aanleg altijd al aanwezig waren. Een amfibie, is hij, dat ontdekt dat het kan ademhalen onder water.

Ik citeer mezelf, Het Jasje van Luis Martín. Laat het hoogdravend zijn, zo voelde het. Mijn hoofdpersoon wendde zich tot die letters omdat ze hem zouden helpen, konden uitdrukken wat hij alleen niet zeggen kon.

Zo is het: je stort je in de armen van de taal. Je zet iets open, slaat een kleine brug die groeit, verbreedt. Je dicht een afstand.

De nachten zie ik nu alleen als een van de kinderen me wekt. Nooit wil ik dan schrijven. Ik sta kwaad op, bied hulp en probeer – nog kwader – vergeefs weer in te slapen.

Terwijl ik dit stukje tik, twee tijden overspringend in een superkort verhaal, hoor ik ze weer: die zware toetsen van de Toshiba.

Ze klikten dik van verlangen maar nuchter als Friezen. Dienstbaar, ergens. Present, zei de A. Present, de S. De spatiebalk klonk losjes. Er zat een rammel in.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Konya (I)

Konya (verbastering van Iconium, ten tijde van het Byzantijnse Rijk een belangrijk handelscentrum voor iconen) is een stad met twee gezichten. Vandaag de dag is het een van de meest conservatieve steden in Turkije. In de 13e eeuw was Konya het meest tolerante gezicht van de islam en een veilige thuishaven voor christenen die toen de helft van de bevolking van Anatolië uitmaakten, en moslims. Tevens heeft zij de Soefi meester Mevlana (in Europa beter bekend als Rumi) gehuisvest: de dichter-filosoof die tolerantie predikte. Konya dient zich aan als een interessante casus voor de toestand waarin de islam zich op dit moment wereldwijd verkeert.

Vanaf de 17e eeuw verviel de islam in oeverloze disputen waarbij niet langer de levensvragen en de essentie van het geloof maar de vormkwesties overheersten. Dat geldt nog steeds. Vandaag de dag zie je in Turkije tv-programma’s waarin aan geestelijken vragen worden gesteld, zoals: ‘Bezoedelt kauwen op kauwgom het vasten?’

In de 13e eeuw voerde men in madrassa’s (voormalige universiteiten) discussies over levensvragen zonder bang te zijn voor godslastering. De islam had toen namelijk zijn band met het verstand niet afgesneden.

Het was goed te merken dat de schoolvakantie was begonnen: de meeste reizigers in de bus waren kinderen met moeders die naar opa of oma afreisden om er de zomer door te brengen. Ze werden op  busstations uitgezwaaid door vaders die achterbleven; zij moesten voor de broodwinning zorgen.

Schuin voor ons zat een vrouw in boerenkleding. Ze ging naar een verloving – zo ving ik op uit het gesprek dat zij met de vrouw met een stads uiterlijk aan de andere kant van het gangpad voerde. Het gesprek volgde het vertrouwde patroon: vragen over wie zij ging bezoeken, of ze familie waren, hoeveel kinderen ze hadden, de gerechten die in hun streek werden bereid…

Zo’n verloop van een gesprek zou in Nederland ondenkbaar zijn. Een Nederlander denkt doorgaans: ik vermaak mezelf prima en bovendien gaan mijn privézaken een ander niet aan.

Welnu, Turken zijn meer gewend om hun vrije tijd met familie, vrienden en kennissen, medereizigers door te brengen. Deels uit gewoonte en deels uit gebrek aan vrijetijdsbesteding. Praten is bij uitstek een middel om de tijd te doden. En het besef van ‘privacy’ wordt in Turkije heel anders ingevuld dan in Nederland.

In Konya aangekomen zochten we een restaurant. Men kan geen groter verschil tussen de regionale keukens in Turkije bedenken dan tussen die van Antakya en Konya: olijfolie maakt plaats voor boter, vis wordt vervangen door vlees, deeggerechten nemen het over van het lichte en gezonde mediterrane dieet. Wij kozen voor plat brood met gehakt uit de oven, kebab, bereid in een onderaardse, afgesloten oven en als toetje höşmerim ( een half uur lang al roerend bakt men bloem in boter tot het een bruine kleur krijgt en voegt er melk en suiker aan toe).

Vanwege haar ligging aan de Zijderoute is Konya altijd al van groot belang geweest voor Anatolië, maar haar exclusieve status heeft ze aan het feit te danken dat ze gedurende de 12de en 13de eeuw de hoofdstad was van het sultanaat Rum, een van de vazalstaten van het Grote Seltsjoekenrijk. Vele kunstenaars en wetenschappers vonden een warme ontvangst aan het hof van de sultan Kayqubad I, en leverden een essentiële bijdrage aan het tolerante klimaat.

In die tijd nam de tegelambacht een hoge vlucht. Geglazuurde tegels in geometrische vormen met afbeeldingen van zittende mensen of van dieren, en ook met zon en maan als mensgezichten versierden de muren van madrassa’s en publieke gebouwen. Opvallend is dat de figuren en technieken gelijkenissen vertonen met die in Iran en Irak, hetgeen het vermoeden versterkt dat ze door rondreizende ambachtslieden werden vervaardigd. Enkele exemplaren uit het zomerpaleis van Kayqubad I zijn in het Karatay Museum, een voormalig madrassa, te zien.

"Foto van Kerim Göçmen"
Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Oceaanzwijgen

Geen Azoren voor ons dit jaar. Geen Horta, mijn tweede thuis, maar door, door naar jou. We zijn nu al vijf weken op de oceaan, we hebben in die tijd drie keer een ander schip gezien, aan de horizon in de verte, en verder alleen maar golven, prachtige luchten en zo nu en dan een zeevogel.

Vorige week nam ik het besluit om niet Horta in te zeilen voor water en voedsel. We konden sowieso niet op de kant en ze konden ons niet naar binnen slepen vanwege het virus.  Ik heb nu de hoop dat we met de heersende winden snel in het Kanaal kunnen raken.

Vijf jaar geleden brak ik een kies onderweg op zee naar de Caribbean. Op de eilanden daar werden op de meest vreemde plekken noodvullingen ingezet, in sloppenwijken zat ik in provisorische tandartsstoelen. Maar de vullingen vielen er allemaal binnen een paar dagen weer uit. Totdat ik op de Azoren kwam en ik een tandarts vond die ook nog groot fan van de Beatles bleek te zijn. Hij liet mij tijdens de operatie al zijn collectors items zien. Nadat hij klaar was met zijn vullingen dronken we zijn in de achtertuin gemaakte wijn. Ik was nog half verdoofd maar liggend in zijn tandartsstoel prees ik de smaak van zijn grote flessen zonder etiket. Omdat ik al zeilend toch elk jaar Horta aan doe besloten we ergens tijdens de tweede fles dat hij mijn vaste tandarts moest worden. Na een operatie van tweeënhalf uur kreeg ik de rekening van tweeëndertig euro. Eenmaal buiten ging ik op een van de mooie stille pleintjes van Horta zitten en schreef het volgende gedicht.

Bomberos voluntarios do Faial

Ik zal je vertellen dat de mieren
weer rond mijn blote voeten lopen
schijnbaar zonder richting lopen ze
Dat de vliegen zitten te zonnen
op de kleine witte steentjes
van de straten van Horta

En hoor je dat?
Vogels in de bomen
die heb ik lang niet gehoord
Vrouwen zitten op rode bankjes
auto’s rijden rond met dezelfde
schijnbare richtingloosheid
als de mieren

Weer land onder mijn voeten
mannen lopen met ladders
er is hier ook te klussen
midden op de oceaan
Horta wordt opgeknapt
wordt steeds minder verlopen

Tegenover me een brandweerkazerne
de deuren wagenwijd open
de glimmende wagens
mogen best gezien worden
Daarboven wonen ze
kijken ze soms tussen de gordijnen door:
de brandweermannen van Horta

Lente in Horta
elk jaar denk ik weer
Hier zou ik willen overwinteren
Overwinteren als vrijwillige brandweerman op Faial

Maar dit jaar geen tandarts, geen mieren en geen land onder onze voeten hier midden op de oceaan. We hebben oostelijke wind en koersen noord naar de Zuidkust van Ierland. Het wordt elke dag kouder en de gespreksstof raakt op. Waar ik normaal vanuit de kapiteinshut alle nachtelijke gesprekken en het gelach rond het roer kan verstaan, is het steeds stiller aan het worden. Het oceaanzwijgen, er valt niet zo veel meer te vertellen. Jullie hebben in Europa al wekenlang mooi weer: een steady hogedrukgebied hangt boven Engeland. Voor ons betekent dat oostenwinden: het zal nog een hele klus worden om daar tegenin te kruisen naar huis toe. Het voedselpatroon wordt steeds eentoniger. Nog een week en er is alleen nog maar rijst en pap te eten. Water hebben we nog genoeg, maar ik vrees dat we binnenkort te weinig gas over hebben. Ik maakte de fout om het gasverbruik te berekenen in de Caribische temperaturen. Nu het buiten kouder wordt gebruiken we bijna de dubbele hoeveelheden en we hebben nog maar een paar flessen over. Laat de wind draaien en we zijn zo thuis, anders moeten we misschien wel Ierland of Engeland in om te paaien. Alle liefs van jouw eenzame kapitein, nu zelfs ’s nachts slapende in een wollen trui.  

"Foto van Wiebe Radstake"
Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Momenteel is Wiebe onderweg vanuit Europa met een driemaster richting Suriname en de Caribbean. Als hij niet aan boord is op dwarsgetuigde zeeschepen woont hij op een zeeuwse klipper in Middelburg samen met vrouw en twee kinderen.

Zelfinzicht

Het moet maar eens afgelopen zijn met vieze oude mannetjes zoals ik. Als je een lied zingt, of een tekst voordraagt, kun je beter je buik wat intrekken, en goed staan. Laag in je buik, lager. Mag ik even met mijn handen laten zien waar precies, bij een vrouwelijke schrijver?

Er is een oud maar wel fascinerend cliché dat schrijven over film net zoiets zou zijn als dansen over schilderkunst. Of toneelspelen over muziek. En dat zou dan moeten betekenen dat het niet kan. Zal ik doorgaan met iets schrijven over een heel goede documentaire? Maar ik heb wel boeiende boeken over architectuur (schrijven over bouwen: Ayn Rand, the Fountainhead) gelezen, en muziek over schilderkunst (Moessorgski) gehoord, of poëzie over muziek gelezen (Erik Menkveld) Boeken over film (Vorig jaar in marienbad van Alain Robbe-Grillet.)

Wat misschien nog wel interessanter is, zijn kunstvormen die over zichzelf aan. Poëzie over poëzie is weliswaar een niche, maar een waar ik zeer gevoelig voor ben. En ook muziek over muziek kan geweldig zijn, kan ‘Sound the trumpet’ van Purcell daarvoor doorgaan?

Sound, sound, sound the trumpet, sound the trumpet,
sound the trumpet till around,
You make the list’ning shores rebound.
On the sprightly hautboy play
All the instruments of joy
That skillful numbers can employ,
To celebrate the glories of this day.

Wat is aan die transparantie nou zou mooi? Als Shakespeare in zijn sonnetten verwijst naar de gedichten zelf krijg je als lezer haast een spiegel voor gehouden ‘So long as men can breathe, or eyes can see, So long lives this, and this gives life to thee.’ Door deze kunstgreep van dat ’this’, het gedicht zelf, aan het einde van het beroemde achttiende sonnet, ben ik nu aan het bijdragen aan het voortleven van de daar aangesprokene, ik ben deel ervan. Het gedicht schijnt door mij heen.

In zeker zin is dat ook wat er gebeurt in de geweldige documentaire De Hoofdpersoon van Judith de Leeuw. Transparanter kan het bijna niet: we volgen een regisseur en een actrice die samen een stuk instuderen dat over machtsmisbruik en ongewenste intimiteiten gaat. De regisseur is Ruut Weissman, de actrice Harriët Stroet. De eerste is beschuldigd van juist deze zaken, de tweede maakte als slachtoffer iets dergelijks mee. Het is werkelijk een geniale gedachte Van Leeuwen geweest: hoe kun je begrijpen wat er in dergelijke #metoo achtige situaties precies gebeurt? Door een regisseur een tekst te laten regisseren die gaat over machtsmisbruik en ongewenste intimiteit. Dan kunnen we het zien, maar we zien heel veel meer.

Als kijker kijk je naar een duizelingwekkende hoeveelheid kwesties tegelijkertijd: hoe brengt een documentairemaker het maakproces van een monoloog in beeld, de kwesties die spelen bij regie, hoe regisseer je, heeft macht daarmee te maken? Realiseert Weissman zich steeds dat het ook over hem gaat? Ja, hij is bepaald niet gek, dus dat realiseert hij zich. Maar niet steeds. Van Leeuwen heeft een constructie bedacht waarin Weissman zichzelf laag voor laag afpelt. Je gaat heel diep in de ziel van deze aardige, rottige, sympathieke, hufterige, knappe, lelijke, getalenteerde, gemakzuchtige man kijken. Je denkt dingen te zien die hij niet snapt, maar zeker weten kun je dat niet. Ook hij is transparant: je kijkt door hem heen naar jezelf.

Voor mij zijn er twee hoogtepunten in dit procedé, al is de grote kracht vooral dat je er dagen mee blijft rondlopen. Aan het einde weet Weissman dat hij nog iets moet zeggen, dat heeft de regisseuse die hem regisseert met hem afgesproken: hij moet zeggen dat het maar afgelopen moet zijn met mannetjes als hij. Maar het feit dat hij dat gewillig tot drie keer toe, steeds iets anders zegt maakt zo duidelijk dat waar hij oprecht lijkt, hij toch steeds geregisseerd is. Er is een gebied dat niet transparant is, wordt hiermee getoond: letterlijk dat wij niet weten wat ze onderling precies afspraken. Uiteindelijk kunnen we deze man niet helemaal kennen, maar we zijn heel veel verder gekomen dan met alleen beschuldigingen. En we hebben ook ondervonden hoe het kan zijn te werken met zo’n man, en zijn gevaarlijke combinatie van charme en diepe kwetsuren, zijn onontwarbare behoefte zowel goede kunst te maken als aan zijn dierlijke instincten tegemoet te komen.

De tweede is aan het einde de voorstelling zelf, waar Harriët Stroet gloedvol speelt en Weissman onder de indruk naar ‘zijn’ creatie kijkt: Je ziet aan hoe hij kijkt dat hij geniet, van de kunst die hij ziet en daarmee is hij blind geraakt voor de inhoud ervan. Maar hij lijkt ook blind voor de kwaliteiten van de actrice, hij ziet alleen zichzelf. Dergelijke subtiliteiten maken deze documentaire een meesterwerk, van alle kanten. Ik heb in tijden niet zo’n geweldig doordachte documentaire gezien.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Poeder

Het regende natuurlijk. Fotograaf Eva zou iets eerder komen dan mijn gast, met wie ik een Moskovische tulband wilde bakken voor de krant. Omdat ik nog nooit een Moskovische tulband had gebakken, maakte ik er vast een. Een kleine.

Ik sloeg eiwit tot pieken met suiker, sloeg eigelen wit. Tegen mijn voorkeur in had ik rozijnen geweld in witte wijn, gekonfijt fruit gekocht. De tulband is tenslotte de prostituee onder de cakes. Ik zou niet stoppen bij die toevoegingen, wilde ook een sabayon tikken om die er overheen te gutsen.

Wie veel bakt weet dat je snel moet werken, er moet lucht worden bewaard, en tijd is de vijand van de luchtigheid.

De parallellen met het leven vliegen je om de oren, hier.

Je haast je bij het mengen van je beslag, bij het aanbrengen van lagen. Het moet koud blijven, allemaal. Dan gaat je kind na al dat werk – die stress – de oven in. Ik kan het nooit laten mijn handen op te houden voor die gesloten ovendeur. Loslaten, is het. Vertrouwen. Een vorm van overgave die gedragen wordt door hoop.

Eva kwam binnen. Natuurlijk kon ze dat omdat ik open had gedaan, maar dat snap je. Ze heeft de sleutel niet.

Eva had sobrasada en een stuk manchego meegenomen. Ik zou haar zo een sleutel geven.

Toen mijn oventijd erop zat opende ik de deur en prikte in het buikzachte, opgeschrokken deeg. Mijn mesje kwam er brandschoon uit. Ik zuchtte, trok de vorm met wat onvaste handen naar me toe en plaatste hem op de werkbank. Nu moest ik wachten, en toonde zich de tweede manier waarop de tijd in de patisserie de vijand is.

Het storten van gebak kun je zien als een poging een domino-record te breken. Maanden werk, een dikke stapel facturen, stagiaires met beurse vingers van het steentjeszetten en dan, opeens en veel te snel, dat duwtje tegen die eerste domino.

Mijn cake hield zich geweldig, en ik onderdrukte ternauwernood een even kinderlijk als oubollig Joechei! Een man moet zijn successen ownen.

Loom als dons viel het poeder op de geribde zijden van mijn cake, en zó betoverend, zó hallucinatoir was dit dalen, dat de kijker na verloop van tijd ervoer dat de suikerdeeltjes als zoete rook opstegen.

Beeld: Eva Plevier voor Het Parool

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Bombardement van Belgrado in 1941.

Blaffen met de honden (Over Curzio Malaparte)

Het kabinet mag dan een vuurwerkverbod hebben uitgevaardigd, hier in de Haagse Molenwijk knalt november als vanouds. De oorlog van december wordt met explosies aangekondigd.

Een nachtelijke wandeling noopt me mee te huilen met de honden. Het gevaar loert overal. De ontplofte afvalbakken, de rondgestrooide kapsalonresten, yoghurtpakken en salamiplakken: het vuurwerk trekt een slijmspoor.

Daar ratelt een rode mat. Ik zie hoe kruitdampen omhoog kruipen, en sla – met de staart tussen de benen – een zijweg in. De hond trekt aan de riem in angst, en ik grom.

Het mooiste verhaal over de hond en het vuurwerk staat in Kaputt, de iconische oorlogsroman van Curzio Malaparte. De geniale Italiaanse reporter en fantast vertelt over het Duitse bombardement van 1941 op de Joegoslavische hoofdstad Belgrado en kiest voor een hondenperspectief. Zo maakt de lezer kennis met Grif, een volgens Malaparte edelmoedige jachthond van het ‘zuiverste ras.’

Als jachthond is Grif gewend aan het knallen van het geweer, maar het donderend geraas van de bombardementen associeert hij niet met de nobele jacht, maar met een ‘afschuwelijk monster, een woeste, vreemde god’. Grif begrijpt de oorlog, als een jacht. Maar het bombardement? Dat is geen jacht meer. Dat is destructie.

Terwijl Grif samen met de Italiaanse gezant in de schuilkelder verblijft, leggen Duitse vliegtuigen de stad in de as. Malaparte observeert de ravage: ‘Het Terazije was uitgestorven. Voor “Hotel Balkan” , op de rand van een bomkrater, stond een bus vol doden. Op het Spomenikplein stond de Koninklijke Schouwburg nog in brand. Het was een avond van mat glas, een melkachtig licht omhulde de vervallen huizen, de lege straten, de verlaten auto’s, de stilstaande trams op de rails. Hier en daar gierden scherpe, kwaadaardige geweerschoten door de doodse stad.’

Na het bombardement komt Grif de schuilkelder niet meer uit; hij heeft het monster gehoord, het monster van de destructie. Malaparte en de Italiaanse gezant proberen het beest nog op te beuren, maar niets lijkt te helpen. Het verhaal eindigt niettemin met een genezing, wanneer Grif het knallen van het jachtgeweer hoort. Die knal brengt het geweld terug tot die van jager en prooi, zoals in de natuur.

Hier in Molenwijk is de natuur schaars, en de destructie nabij. Mijn eigen Grif spendeert uren onder de bank, terwijl buiten rotjes poppen, pijlen flitsen en dit en dat ontploft. Vanavond zie ik nochtans maar één geëxplodeerde gesmolten plastic afvalbak. Een bruine, ondefinieerbare brij ligt ervoor.

Malaparte leefde na de Tweede Wereldoorlog als een soort balling in Frankrijk. Het was zijn genoegen om ’s nachts op zijn balkon mee te blaffen met de honden. In het Dagboek van een vreemdeling in Parijs vertelt hij over hoe de politie in Zwitserland hem verbiedt te blaffen: ‘In Zwitserland doet men deze dingen niet, mijnheer, dat is tegen de regels.’

Met weemoed denkt Malaparte aan Italië, waar hij mocht blaffen. In Capri blafte hij nachtenlang en zelfs de admiraal van de daar gelegen Engelse zeevloot liet hem begaan: ‘U hebt het recht om te blaffen, als u dat prettig vindt, want Italië is nu vrij. Er is geen Mussolini meer. U mag blaffen.’

Thuis open ik het raam en kijk uit over Den Haag. Ergens schiet een gillende keukenmeid omhoog en ik beantwoord met drie blaffen.

ARF, ARF, ARF.

Hoe mooi zou het zijn als de honden in de wijde omtrek mijn blaffen zouden beantwoorden, en we samen, heroïsch als in een Mel Gibson-veldslagscène, ten strijde zouden trekken tegen de miezerige vijand, de kwaadaardige gnoom-achtige, pokdalige en geestelijk beschimmelde liefhebbers van het vuurwerk.

De respons blijft echter uit. Ik sluit het raam, en denk aan de oorlog.

"Foto van Guido van Hengel"
Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.