Izmir (I)

Wij landden op 26 mei in een afgeladen vliegtuig na middernacht op het vliegveld van Izmir.

Izmir ligt aan een U-vormige baai die omgeven is door bergen. De stad, de derde grootste na Istanbul en Ankara, telt nu 4,3 miljoen inwoners. In 1970, toen ik op de middelbare school zat, zag je nauwelijks huizen op de hellingen van deze bergen, behalve langs de uitvalswegen en rond de oude burcht. De 1.427.000 inwoners van toen hadden genoeg aan de smalle kuststrook.

In de loop der jaren zag ik dat, als gevolg van aanhoudende immigratie uit de minder ontwikkelde streken in midden en zuidoost Turkije, de bergen zuchtten onder het gewicht van honderdduizenden huizen, die het merendeel van de drie miljoen nieuwe inwoners moesten huisvesten.

Het verschil in welvaart tussen de kuststrook en de ‘nieuwe’ arme wijken die je tegenkomt naarmate je de berghellingen opgaat, is fors. Armoede en werkloosheid, met name onder de jeugdige bevolking (25%), zijn al jaren groot en nemen alleen maar toe. Wil het land genoeg werkgelegenheid bieden aan de gestaag toenemende (jonge) werkzoekenden, dan moet de economie minimaal met vijf procent per jaar groeien. Afgelopen decennium is dit percentage, enkele jaren uitgezonderd, niet gehaald.

Izmir staat bekend als de meest kosmopolitische, seculiere, vrijgevochten en vrouwvriendelijke stad van Turkije. Dit is ongetwijfeld te wijten aan het multiculturele karakter van de stad, wat ontstond in de Ottomaanse tijd, toen de handel een exclusieve aangelegenheid van niet-moslims was. In de 19e eeuw genoot Izmir de status van ‘grootste exporthaven’. Als je in de bovengrondse metro zit zie je entrepots uit die tijd. Sommige zijn nog in gebruik, andere die in vervallen staat verkeren, wachten erop gesloopt te worden om plaats te maken voor een residence of een kantoortoren.

De eerstvolgende zondag benutten we om het zakencentrum Alsancak en omgeving te verkennen. Geen uitlaatgassen in de lucht en geen verkeerslawaai; de stilte en de rust, vergeleken met de doordeweekse drukte, deden haast onwerkelijk aan. Op de verlaten wegen hing een troosteloze sfeer.

Onze blik viel op een gebouw in neo-gothische stijl, gelegen naast het Engelse consulaat. Het bleek een Anglicaanse kerk te zijn, gebouwd in 1899 voor de nazaten van de Anglicaanse priesters en handelaren. Al rond het jaar 1630 arriveerden ze in Izmir. In 1625 vestigde zich er ook een aantal Amsterdamse kooplieden onder de naam ‘Directie van de Levantse handel en de Navigatie op de Middellandse Zee’. Ik las op Wikipedia dat de eerste Nederlandse consul in het voormalige Smyrna in 1656 benoemd werd.

Toen we dichterbij kwamen hoorden we gezang. Binnen werd geoefend voor de mis. Een blonde man met een gitaar stond in gebroken Turks een lied te zingen, waarvan de tekst op een scherm te volgen was; hij werd begeleid door een andere man die trombone speelde. Wij gingen zitten.

Een vrouw van middelbare leeftijd met westers uiterlijk stapte op ons af en sprak ons in het Engels aan. Er ontspon zich een levendig gesprek. Ze was gezonden om het Evangelie onder de aandacht van een breder publiek te brengen en mocht de ruimte gebruiken voor de middagmis. Ze vertelde dat zij met haar man (de zanger) en hun twee kinderen tien jaar in Izmir woonde en uit Nederland kwam. Met haar kosmopolitische karakter bleek deze stad wat dat betreft een goede keus. Ze maakte zich zorgen over de toenemende armoede de laatste vijf jaar. Ze voegde eraan toe dat jongeren meer geïnteresseerd raakten in het christendom.

De sfeer was vrolijk en uitbundig en de aanwezigen zongen uit volle borst mee.

Stilletjes verlieten we de kerk na de eerste gezangen. Het was een onverwachte ontmoeting, die ik mezelf zou hebben onthouden als ik die dag niet als een argeloze toerist had rondgelopen.

Toen we buiten stonden schoot me een recent rapport van de Turkse overheid te binnen, dat wees op toenemende belangstelling onder de jongeren voor het Deïsme. Het rapport bracht veel beroering teweeg in de gelederen van Erdogans AKP en gaf op social media aanleiding tot een discussie over de oorzaken. Een verklaring die mij opviel was dat jongeren kennelijk willen blijven geloven dat het universum een schepper heeft maar dat die schepper niet per se Allah hoeft te zijn. Ze willen kennelijk liever zelf bepalen hoe zij met het geloof omgaan.

We liepen naar de kade. In de oudheid lag de kustlijn een kleine kilometer landinwaarts. Slib, dat de talrijke beken en riviertjes naar de zee meevoerden, maakte de oude haven onbruikbaar.

Zo liepen we een eind op de kade, langs groepjes jongeren op het grasveld met muziek aan, flanerende gezinnen op hun zondags gekleed en amateurvissers die tuurden naar hun dobber.

We namen vervolgens de veerboot en keerden huiswaarts.

"Foto van Kerim Göçmen"
Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

In de Oorshop

Het vertalen van racisme

Maxim du Camp en Gustave Flaubert vermaken zich heel goed als ze in 1849 met een boot de Nijl afreizen naar het binnenland. Gustav is 28, ze lopen graag blootsvoets maar dat lukt wegens de intense hitte niet altijd. De brieven die hij naar huis schrijft zijn prachtig, winden er geen doekjes om: de twee zijn ook sekstoerist. Dit bijvoorbeeld over de courtisane Kuchuk-Hanem: ‘Het is een keizerlijk wijf, forse tieten, goed in het vlees, met gekloofde neusgaten, enorme ogen en schitterende knieën en bij het dansen kreeg zij dekselse plooien in het buikvlees.’ ‘Ik heb haar als een razende afgezogen; haar lichaam baadde in het zweet, ze was moe van het dansen en had het koud. Ik heb mijn bontjas over haar heen gelegd en ze is in slaap gevallen, haar vingers verstrengeld met de mijne.’

Vanuit het perspectief van hedendaags postkolonialisme bezien maken de mannen toch een betere indruk dan heel wat tijdgenoten. Ik lees meer liefde en bewondering dan het stijve soort superioriteit dat je ook wel tegenkomt. Flaubert neemt naast een stel fascinerende herinneringen ook mooie spullen mee naar huis overigens…

Op 14 oktober schreef Marcia Luyten in nrc-Handelsblad een column over de maskers die ze van een Congolees kocht in Kigali, kunst van de Songye, de Luba en de Lega. Met dollars betaald, maar je moet je afvragen of het correct gegaan is. Ze liggen, schrijft Luyten, in de kelder in kisten, maar is het haar ‘roofkunst.’ Later komt ze er achter dat het vermoedelijk nep is en dat ze daarmee zicht heeft op een zeer internationale gewoonte in de kunst: replica en bedotterij.

Ik heb eens toen ik 20 was een maand door Kenia gelopen met een Masai pijl en boog in een koelederen foedraal, waarvan me door een Kwavi man verteld werd dat mijn onnozelheid me gered had, omdat een wat volgroeidere kerel die zijn dorp binnenliep met zo’n boog geen drie meter had afgelegd. Wat kunnen we ons toch stompzinnig gedragen.

Maar wat een schrijver die Flaubert! Hoe zou een Egytische Ghawazi deze episode vertalen? Heel anders dan Edu Borger? Een prangende vraag voor mij nu, omdat ik een ijzersterke roman van een Afro-Amerikaan over een rassenkwestie wil laten vertalen. Maar waarom zou je daar een witte vertaler voor nemen? En krijg je met een vertalervankleur een andere vertaling? En waar vind ik ze?

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Reizen in Turkije voordat Corona toesloeg

In de maanden mei-juni van vorig jaar brachten mijn vrouw en ik vijf weken door in Turkije, deels met familiebezoek (mijn moeder, zus en broer) en deels met reizen. Ik ben het aantal keren vergeten dat we gedurende ons samenzijn van bijna veertig jaar in Turkije zijn geweest. Maar elke keer is het een combinatie geweest van familiebezoek en op reis gaan.

De verloving van mijn zus, begin jaren tachtig in Istanbul, hebben we vooraf laten gaan door een lange reis naar het zuidoosten van het land. De nieuwsgierigheid naar mijn schoolvrienden heeft me gedreven naar het zuidwesten van het land, waar ik de middelbare school heb afgemaakt. Weerzien met mijn moeder hebben we vaak gecombineerd met een vakantie aan zee in haar zomerappartement.

Bij elk bezoek in Turkije voel ik me een zoon die terugkeert naar zijn oude nest en tegelijk een onnozele, argeloze toerist. Het is alsof ik door twee brillen naar het land kijk waar ik geboren ben en negentien jaar gewoond heb tot ik in 1977 mijn heil kwam zoeken in Nederland, waar ik nog steeds woon.

Twee brillen dragen in plaats van een heeft een aantal voordelen: het verruimt je blik, boort nieuwe interesses aan, biedt een tweede invalshoek en draagt aanzienlijk bij aan het reisgenot.

Het geeft tevens spanning omdat een stem in me voortdurend zegt dat ik niet onbeperkt de argeloze toerist kan uithangen. Ik weet wat hoort en niet hoort; zaken die men een toerist niet kwalijk zou nemen kunnen mij zwaarder aangerekend worden. Bovendien, braaf als ik ben, wil ik niet dat men denkt dat ik mijn roots ontrouw ben geworden. Daar komt bij dat men door het Europese uiterlijk van mijn vrouw aan me ziet dat ik een Almancı (letterlijk: Duitslandganger, een verzamelnaam uit de jaren zeventig voor de Turkse gastarbeiders die in Europa werkten) ben. Dat wil ik liever niet omdat dan de kans aanwezig is dat ik, bijvoorbeeld door een taxichauffeur, afgezet word.

De tientallen jaren die ik achter me heb liggen hebben mij rust en vrede met mezelf gebracht. Sinds een aantal jaren ervaar ik minder spanning. Ik vind het minder erg als ik toch afgezet word en ik maal minder om wat men van me vindt. Dat was vorig jaar ook het geval.

Wij begonnen in Izmir, waar mijn moeder woonde (ze is twee maanden na onze vakantie overleden). Daarvandaan namen we de bus naar het 950 kilometer zuidoostelijk gelegen Mersin, waar mijn zus woont. We zijn daar acht dagen gebleven en hebben met haar en haar man Antakya (Antiochië) bezocht, de eerste stad waar het Christendom voet aan de grond in Anatolië kreeg. Konya, de hoofdstad van de Seldjoekdynastie in de 13e eeuw, was onze volgende bestemming waar we twee dagen doorbrachten. Onze reis eindigde in het zomerappartement van mijn moeder.

De keuze voor deze steden werd deels ingegeven door mijn nieuwsgierigheid naar de historische wortels van het land tijdens de Romeinse, Byzantijnse en de Turkse periode. Turkije mag sinds een millennium het vaderland van Turken zijn, haar geschiedenis gaat veel verder terug in de tijd. Dat gaat mij net zoveel ter harte als de recente geschiedenis.

Corona heeft dit jaar een stokje gestoken voor onze vakantieplannen maar heeft mij ook de tijd gegeven om de aantekeningen van deze reis uit te werken. In de nu wekelijks op zaterdag verschijnende blogs breng ik verslag uit van de steden die we hebben bezocht, te beginnen met Izmir.

"Foto van Kerim Göçmen"
Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Uitgave Querido, Amsterdam 1947

Joseph Roth – Leviathan

In het kleine stadje Progrody woonde ooit een koralenhandelaar die wijd en zijd bekend stond om zijn eerlijkheid en om zijn goede, betrouwbare waar. De boerinnen kwamen uit dorpen uit de wijde omtrek naar hem toe als ze bij speciale gelegenheden sieraden nodig hadden. Ze hadden gemakkelijk andere koralenkoopmannen in hun omgeving kunnen vinden, maar ze wisten dat ze daar alleen alledaagse snuisterijen en goedkoop klatergoud konden krijgen. Daarom reden ze in hun kleine ratelende wagentjes regelmatig vele werst extra om bij Progrody te komen, bij de beroemde koralenhandelaar Nissen Piczenik.

               Ze kwamen meestal op de dagen dat er jaarmarkt was. Maandag was er een paardenmarkt en donderdag een varkensmarkt. De mannen keken naar de dieren en onderzochten ze, de vrouwen liepen in groepen van ongelijke grootte het huis van Nissen Piczenik binnen, blootsvoets en met hun laarzen over hun schouders geslagen, met de felgekleurde hoofddoeken, zelfs op grijze dagen. De harde voetzolen trommelden gedempt en vrolijk op de holle planken van het houten trottoir en in de brede, koele hal van het oude huis waar de koopman woonde. Vanuit de gewelfde hal kwam men op een rustige binnenplaats, waar zacht mos groeide tussen de onregelmatige kasseien en losse grasjes ontsproten in het warme seizoen. Hier al vond een vriendelijke ontmoeting plaats tussen de boerinnen en Piczeniks kippen, met vooraan de hanen met hun trotse kammen die zo rood waren als het roodst koraal.

      Je moest drie keer kloppen op de ijzeren deur waaraan een ijzeren klepel hing. Dan opende Piczenik een luikje in de deur, bekeek de mensen die binnen wilden komen, duwde de grendel terug en liet de boerinnen binnen. Hij gaf altijd aalmoezen door het luik aan bedelaars, zwervende zangers, zigeuners en de mannen met hun dansende beren. Hij moest heel voorzichtig zijn, want op alle tafels in zijn ruime keuken en in de woonkamer lagen de kostbare koralen in grote, kleine, middelgrote stapeltjes, verschillende soorten en families van koralen door elkaar of al gesorteerd naar hun aard en kleur. Je had geen tien ogen in je hoofd om naar elke bedelaar te kijken, en Piczenik wist dat armoede onweerstaanbaar tot zonde verleidt. Het is waar dat soms ook rijke boerinnen stalen; want vrouwen bezwijken gemakkelijk voor de wens om stiekem en met risico de sieraden te pikken die ze gemakkelijk zouden kunnen kopen. Maar de winkelier sloot een van zijn waakzame ogen voor de klanten en calculeerde een paar gestolen stukken in ​​bij de prijzen die hij voor zijn goederen rekende.

               Hij had niet minder dan tien rijgsters in dienst, mooie jonge meisjes met goede, scherpe ogen en fijne handen. De meisjes zaten in twee rijen aan een lange tafel en visten met fijne naalden naar het koraal. Zo ontstonden de prachtige regelmatige kettingen, aan de uiteinden waarvan de kleinste koralen, in het midden waarvan de grootste en meest schitterende geschikt waren. Tijdens dit werk zongen de meisjes als in koor. En in de zomer, op hete, blauwe en zonnige dagen, stond de lange tafel op de binnenplaats, waar de rijgende vrouwen zaten, en hun zomers gezang was overal in de stad te horen, en het overstemde de kwinkelerende leeuweriken aan de hemel en de tjilpende krekels in de tuinen.

               Er zijn veel meer soorten koraal dan de meeste mensen die ze alleen kennen uit de etalages of winkels weten. Er zijn gepolijste en ongepolijste; plat aan de randen of kogelrond geslepen; doornachtige- en met staafjes die eruit zien als prikkeldraad; geelachtig oplichtende, bijna wit-rode koralen met de kleur zoals soms het randje van een theeroosblad heeft, geelachtig-roze, roze, steenrood, biet-rood, vermiljoen en tenslotte de koralen die eruit zien als massieve ronde bloeddruppels. Er zijn hele en halfronde; koralen die eruitzien als kleine wijnvaatjes, andere cilindervormig; er zijn rechte, kromme en zelfs gebochelde koralen. Er zijn sterren, stekels, tanden, bloemen. Koralen zijn de mooiste planten van de oceanische onderwereld, rozen voor de grillige godinnen van de zeeën, even rijk van vorm en kleur als de grillen van die godinnen zelf zijn.

Zoals u ziet, had Nissen Piczenik geen winkel om naar binnen te lopen. Hij runde de zaak in zijn huis, dat wil zeggen: hij woonde te midden van het koraal, dag en nacht, zomer en winter, en aangezien de ramen van zijn kamer en keuken uitkwamen op de binnenplaats en afgeschermd werden door dikke ijzeren tralies, hing er in dit huis meestentijds een prachtige, mysterieuze schemer die deed denken aan de diepzee, en het was alsof de koralen er niet verkocht werden, maar alsof ze er groeiden. Ja, dankzij een speciale, bijna overdadige gril van de natuur, was Nissen Piczenik, de koraalkoopman, een roodharige Jood wiens koperkleurige sikje deed denken aan een soort roodachtige wier en vertoonde de man in zijn geheel een opvallende gelijkenis met een zeegod. Het was als schiep, plantte en plukte hij de koralen die hij verhandelde zelf. En het verband tussen zijn waren en zijn uiterlijk was zo sterk dat hij in het stadje Progrody niet bij zijn naam werd genoemd, die na verloop van tijd zelfs vergeten werd, maar alleen onder zijn beroep bekend was. Mensen zeiden bijvoorbeeld: Hier komt de koralenhandelaar – alsof hij de enige was.

               Nissen Piczenik had inderdaad een haast familiaire tederheid ten aanzien van koralen. Onbekend met de biologie, zonder te kunnen lezen en schrijven – want hij was nooit naar school geweest en kon alleen maar onhandig zijn naam krassen – leefde hij in de overtuiging dat koralen geen planten waren maar levende dieren, een soort kleine, rode zeedieren – en geen professor in de oceanografie had hem dat uit het hoofd kunnen praten. Ja, voor Nissen Piczenik leefden de koralen nog nadat ze waren geoogst, opgedeeld, gepolijst, gesorteerd en geregen. En misschien had hij gelijk. Want hij zag met eigen ogen hoe zijn roodachtige koraalkettingen geleidelijk begonnen te vervagen op de boezem van zieke of ziekelijke vrouwen, maar hun glans behielden op de boezem van gezonde vrouwen. Gedurende zijn jarenlange ervaring als koralenhandelaar had hij vaak opgemerkt dat koralen, die er bleek uitzagen – ondanks hun roodheid – en steeds bleker naarmate ze langer in zijn kasten hadden gelegen, plotseling begonnen te stralen wanneer ze om de hals van een mooie jonge en gezonde boerin werden gehangen. Alsof ze zich voedden met het bloed van deze vrouwen. Soms bracht men koraalkettingen naar hem toe om ze terug te kopen, en dan herkende hij ze, de juwelen die hij zelf ooit had geregen en gekoesterd – en hij herkende meteen of ze door gezonde of ziekelijke vrouwen waren gedragen.

 *

(Deze hobbyvertaling van de Joseph Roth novelle Leviathan wordt in feuilleton vervolgd, dit is 1 van 10) Ik kocht een uitgave (die hiernaast) van Querido Verlag, Amsterdam, 1947 en ik ken geen vertaling van het werk, al zal die er zijn. Ik wil me niet meten met de grote Roth vertalers Wilfred Oranje of Els Snick, van wie wij het prachtige Radetzkymars uitgaven, met tekeningen van Jan Vanriet.)

Hier doorlezen voor meer…

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De pupillen van boeddha

‘De eerste voorwaarde om een heilige te worden is dat je van lastige mensen houdt, dat je bezoek kunt verdragen.’

Ik schuifelde in deze gedachte gevangen zeer stil de zaal binnen van het Stedelijk museum waar Nam June Paik’s ’tv boeddha’ al decennia lang de onmogelijke opgave aan het vervullen is naar zichzelf te kijken en daar stoïcijns onder te blijven. In de zaal was coronatechnisch maar ruimte voor vier, dus dit hielp boeddha’s contemplatie wellicht een beetje. Ik moet deze boeddha in dit museum voor het eerst gezien hebben in 1990, want ze hebben het al heel lang in bezit, wat zeer pleit voor het aankoopbeleid. In deze tentoonstelling ervoer ik een soort verbijstering hoe een betrekkelijk waanzinnig soort kunstenaarschap door de tijd gesanctioneerd is tot verregaand visionair. Alles van Nam June Paik is de laatste jaren veel meer gaan betekenen. En ik zag het niet aankomen, maar Paik kennelijk wel.

‘Alles doorzien hebben, en toch nog in leven blijven – een onmogelijker positie bestaat niet.’

Ik stel me voor dat er in het kortgesloten circuit van de zichzelf waarnemende boeddha onder de zware oogleden een spiegelende verdubbeling optreedt van zijn verschijning reflecterend op zijn eigen pupillen en dat hij zich schrap zet steeds dieper af te dalen in oneindige vragen van persoonlijkheid en tijdsduur, ontologie en wezen. Zoiets. Aan mij is nooit een denker verloren gegaan, maar ik mag er graag naar kijken. Sinds deze Guatama in 1974 begonnen is zijn beeltenis te aanschouwen heeft hij het langzaamaan moeten afleggen tegen de hegemonie van het scherm; de media hebben alles wat stil denken is overgenomen en het gekwetter overstemt het denken ever since. Maar intussen, namens ons allen houdt 1 wengéhouten boeddha manmoedig stand…

‘ Ik zal tot het eind toe leven met het gevoel dat ik niet op mijn eigenlijke pek zit. Als de woorden ‘metafysische ballingschap’ geen enkele betekenis hadden, zouden zij er alleen al door mijn leven een krijgen.’

(Paiks manhaftige boeddha wordt hier geconfronteerd met citaten uit E.M. Ciorans Geboren zijn is ongemak, vertaling Edu Borger.)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Thee drinken

Toen ik de uitgeverij uit kwam stond Roos een paar deuren verder. Op haar na was de gracht verlaten. Even dacht ik dat ze net als ik een afspraak bij Van Oorschot had. Het regende een beetje, dreigde harder los te gaan.

‘Roos,’ zei ik. Ze leek me niet meteen te kunnen plaatsen. ‘Wat doe jij hier?’

‘Hé,’ zei Roos. Ze kantelde haar hoofd, nam geen trek van een sigaret. Misschien herinnerde ik me dat ze gestopt is met roken. Ik ken Roos uit de kroeg, en wat je me na vier bier vertelt wordt in een gammel schuurtje opgeslagen. ‘Ik heb mezelf de middag vrij gegeven.’

Ik wilde zeggen dat ze een lelijke dag gekozen had, maar Roos kwam niet over alsof ze met de regen zat. Ik dacht aan de middagen vrijaf van vroeger, aan lopen door de stad totdat ik dorst of honger kreeg, aan boeken cruisen bij de Book Exchange, muziek inslaan bij Concerto toen een cd nog twintig euro deed.

We liepen samen op over de Herengracht en besloten thee te drinken, kwamen bij een zaakje dat in haar goeiige slijtage aan de late jaren ’90 deed denken. Dankzij de corona was het rustig binnen, en ook dat klopte met die tijd.

We mochten een tafeltje achterin dat naast een open tuindeur stond. Het tochtte er een beetje, maar ik had mijn jas aan en de thee was warm. Roos vertelde over een avond die ze in Perdu verzorgt, over de fysieke gevolgen van armoede. We praatten over racisme en over angst. Zware onderwerpen, maar het werd geen zwaar gesprek.

Toen het tijd werd om te gaan zag ik W, die zich in hetzelfde zaakje een middag vrij gegeven had. Ik praatte kort met haar en daarna stapten Roos en ik naar buiten. We namen corona-afscheid en ik besefte dat ik haar in betere tijden omhelsd zou hebben. Dat leek opeens zo vreselijk intiem.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.