Wat vind je nou echt leuk?

Dat is zo’n ongemakkelijke vraag die je je hele leven blijft achtervolgen. Tot mijn onuitsprekelijk geluk had ik er opeens een antwoord bij. Infographics. Ze combineren een aantal fascinaties: die voor 1. feiten en onderzoek, de basis is een hele hoop gecompliceerd onderzoeksmateriaal. 2. Die voor onderwijs en vereenvoudiging: hoe maak je die grote berg informatie zo klein mogelijk, en inzichtelijk. 3. Administratie komt daar ook bij kijken: welke informatie hoort op welke hoop, hoe structureren we de informatie. 4. Die v0or analyse: als iets niet dit is, is het dat. 5. plaatjes, het is niet meer te ontkennen, ik vind boeken met paatjes nog leuker dan zonder plaatjes (voor poëzie maak ik een uitzondering. 6. fantasie of doordenken, een goede infographic legt een wereld bloot die zich laat denken als je er goed naar kijkt. Net poëzie eigenlijk. 7. Kleur een mooi gekleurde en vormgegeven infographic is veel beter dan een slecht gekleurde. Net als bij bloemen dus.

Een goede infographic is een feitelijk, de wereld openend gedicht vermomd als bloem.

Zo’n prachtig gekleurde infographic als hiernaast levert eindeloos geluk op, ik kan er echt een uur naar kijken. Dat je met het Telugu nog een heel eind komt in de wereld, en dat 800.000 mensen in Frankrijk Portugees spreken, dat maar 14 van de 242 miljoen Arabisch sprekenden Saoedisch zijn. etc etc.

Nog meer uren lol: Visual Capitalist website.

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.

 

 

 

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Oude angst I

Nacht. De jongen stond in het midden van zijn kamer. Hij was de spoken moe.

Het ritueel rond bedtijd, de lichten aan en uit, weer aan, weer uit. In alles even getallen: zijn bed in en uit, in en uit.

In het begin had het gewerkt, maar de bezweringen werden almaar langer, van 2 naar 4 naar 22 keer het hoofdeind van zijn bed aanraken. Bij fout of vergissing of onzekerheid opnieuw. Hoe moeier hij werd, hoe meer fouten, hoe vaker opnieuw.

Omdat hij zeven was en nog geen maanden telde, wist hij alleen: te lang.

De jongen sloot zijn ogen. Hij was het tellen moeier dan de angst. Achter hem piepte de deur van zijn kamer, daarachter de gang, de deur naar de zolderkamer waarachter –

De wind huilde rond het huis.

‘Kom maar,’ zei de jongen. ‘Kom dan.’

De haartjes op zijn armen kwamen overeind. Een stenen kou beklom zijn rug. Al zou het hem verzwelgen, hij week niet van zijn plek, zou niet opnieuw het licht aandoen, weer uit, weer aan en uit.

Van het ene op het andere moment – alsof het niet meer dan een droom geweest was – loste de angst op, een vloeistof eindeloos verdund in veel groter water. Hij opende zijn ogen, zag de schaduw achter de poppenkast, de donkere hoek boven zijn bed.

Niet meer dan donker, waren ze.

Niks meer dan dat.

___________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Philipsdorp

Nog niet zo heel lang geleden, toen ik nog werkte als Groningenverslaggever, sprak ik voor een artikel twee generaties NAM-medewerkers. Een vader en een zoon, de één werkzaam bij de gaswinner in de gloriedagen na de ontdekking van de Groningse gasbel, de ander in de huidige, gespannen aardbevingstijden.

Het gezicht van de vader lichtte op toen hij vertelde over zijn jeugd. Zíjn vader had op zijn beurt óók al gewerkt bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij, waardoor hij zijn vroege dagen had gesleten in een soort NAM-dorpje, vertelde hij, met NAM-speeltuinen, NAM-flats en speciale NAM-filmavonden. “Ik ben opgevoed door het bedrijf”, zei hij met een duidelijk positieve connotatie. De zoon, ergens in de twintig, keek stoïcijns toe.

Ik moest aan dat gesprek denken toen vorige week in NRC een interview verscheen met filosoof Jelle van Baardewijk. Als ethicus vindt hij dat bedrijfskundestudente niet genoeg les krijgen in ethiek, met als gevolg bedrijven die weinig voeling hebben met de maatschappij en weinig verantwoordelijkheid nemen. Moraliteit niet meenemen is in de bedrijfskunde volledig normaal.

Vroeger was dat volgens Baardewijk beter – toen bouwden bedrijven als Philips bijvoorbeeld hele dorpen voor haar medewerkers, vol met voorzieningen. Het ging niet alleen om een zo hoog mogelijke winst; dit was het Rijnlandse model: bedrijven keken vérder, in tegenstelling tot in de Angelsaksische wereld.

De passage haalde helaas vanwege ruimtegebrek de eindversie van het artikel niet. Jammer, want hoewel bedrijfsdorpen natuurlijk allang niet meer bestaan, is de opmerking van Van Baardewijk op een bepaalde manier volgens mij actueler dan ooit. Je hoeft de krant maar open te slaan en je ziet dat de relatie tussen maatschappij en bedrijfsleven nogal verzuurd is – de Volkskrant sprak drie weken geleden over een ‘rampjaar’ voor de bedrijfsbestuurlijke elite.

In dat licht is het antieke bedrijfsdorp het perfecte voorbeeld van alles wat bedrijven in het oog van de publieke opinie niet meer hebben: zorgzaamheid, oog voor de omgeving, een bredere doelstelling dan winst en dividenduitkeringen – ja, wellicht zelfs een zekere nobelheid. Er naar refereren, zoals Van Baardewijk bewust doet, is wijzen op een soort parallelle geschiedenis die laat zien hoe bedrijven zouden kunnen zijn.

Een woordvoerder van de NAM vertelde mij in 2017 hoe het Drentse oliedorp Schoonebeek eigenlijk nog steeds een bedrijfsdorp was van de gaswinner. Er waren nooit bevingen geweest, wel allerlei voorzieningen opgetuigd.

Zijn bijbedoeling was duidelijk dat ik er een artikel over zou schrijven: hij begreep maar al te goed dat de zorg voor de gemeenschap een van de weinige positieve, menselijke frames was die je omtrent de NAM kon bedenken. (De ironie dat de NAM iets verder naar het noorden inmiddels dorpen afbrak ontging hem waarschijnlijk – of hij hoopte dat het mij zou ontgaan).

Toch kun je je afvragen of al die nostalgie terecht is. Het is zeker aantrekkelijk om te mijmeren over de miljoeneninvesteringen in huisvesting die werden gedaan. Maar het lijkt me eerlijk gezegd naïef van Van Baardewijk – die overigens volop goede punten maakt in het interview – als hij zegt dat het bedrijfsdorp een kwestie was van verlicht leiderschap dat we vandaag de dag missen. Want maak je een werknemer niet nogal afhankelijk, een bedrijf veel te machtig?

In zijn autobiografisch getinte roman De Gevarendriehoek schetst A.F.Th. van der Heijden een indruk van een jeugd in het Philipsdorp bij Eindhoven. Hij doet dat op een luchtige toon, frivool, maar doorspekt het relaas met meer sinistere onderdelen. “De brave en gezagsgetrouwe Van der Serckt, net als alle werknemers van communistisch gecomplotteer verdacht, werd van meet af aan geschaduwd door de Philipspolitie, die naar de geheime politie in post-tsaristisch Rusland algemeen de Tsjeka heette. Een eufemisme, volgens enkele overlevenden.”

Even verderop wordt het dorp expliciet neergezet als een methode om werknemers niet té marxistisch te laten worden. “’t Geheim was dat Flipse [Philips] ervoor zorgde dat ‘z’n mensen’ niet vervreemdden… niet vervreemdden van hun werkgever.”

De passages mogen dan tot de meer hyperbolische van het hoofdstuk behoren – de tiener Van der Heijden had duidelijk een scherper oog voor de donkere randjes van een bedrijfsdorp dan menig ander. Meer ethiek in het bedrijfsleven: ja, graag. Maar dat vroeger alles beter was, is – zoals bijna altijd bij dit argument – denk ik toch een misvatting.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Florence Price en Hans Tentije

Het geheugen heeft het als een Kodachrome uit het midden
van de jaren dertig wazig, pastelzacht ingekleurd –
logies of onderdak bleek er niet te vinden, de weduwen die elders
hun leegstaande kamers graag verhuurden
sloten hier deuren en gordijnen voor het goed en wel
was gaan schemeren

 

is een citaat* uit een van de drie bundels die ik deze kerstvakantie las van Hans Tentije. Wat een dichter! Het echode nog wat na toen ik in de truttenschudder van Greenwheels op 1 januari de Veluwe opscheurde om nieuwjaar te gaan wensen. Op de radio het eerste deel van de eerste symfonie van Florence Price, een aanvankelijk vergeten en langzaamaan herontdekte klassieke componiste van Afro-Amerikaanse komaf.

In een huis als hierboven beschreven ontdekten nieuwe bewoners op zolder een verzameling dozen met bladmuziek. Een goed deel van het oeuvre van Price is pas sindsdien bekend. Vergeten was ze misschien ook door deze reden, zou ze zelf mogelijk hebben bevestigd: “My dear Dr. Koussevitzky, To begin with I have two handicaps—those of sex and race. I am a woman; and I have some Negro blood in my veins.”

Luister hier haar tweede vioolconcert uit 1952.

 

Alex Ross heeft daar in zijn in zijn herontdekartikel in The New Yorker wel wat commentaar op:

‘The anachronisms in Florence Price’s music are, in the end, no flaw. Listening to her, I have the uncanny sense of hearing the symphonies and operas that women and African-Americans were all but barred from writing during the Romantic heyday, when the busts on the piano were being carved. She seems to speak from an imaginary past, from an alternative history of an America that lived up to its stated ideals. Frederick Douglass, in his great speech “What to the Slave is the Fourth of July?,” said, “We have to do with the past only as we can make it useful to the present and to the future.” In music, too, we can use the past to build a less imperfect world.’

Tentije laat zich na mijn Sebald-lectuur heel goed in een zelfde gebied lokaliseren. Tentije spreekt als Sebald, als Florence Price, vanuit een imaginair verleden, hij herschept de geschiedenis. Dat dat kan, bedacht ik op de A28, vormde een hoopvol begin van dit jaar.

Toen ik stilstond  bliebte de telefoon en plaatste een grap per app me weer op de grond, waarop Trump: ‘Because of me it’s now 2019. That’s the highest number year ever. Much higher than Obama.’

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.
*uit het eerste gedicht van ‘West Somerset’ uit Gissingen, gebeurtenissen, De Harmonie, 2013

 

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Robotliefde

Sorry Roomba, dat ik je niet eerder zag staan. Maar ik had tijd nodig om over Annelies heen te komen.

Ik ontmoette Annelies op een druilige zondagmiddag in Eindhoven, begin december. In een peeskamer van een voormalige melkfabriek zat ze moederziel alleen in een hoekje, op blote voeten. Haar ravenzwarte haar viel over haar frêle schouders. Ze droeg een kapotte spijkerbroek en een vale beige sweater. Onder haar sweater bonkte iets dat op een hart leek. Als de kilte van de stenen vloer haar te veel werd, tilde ze eventjes haar tenen op.

Rilde ze nou, of was dat mijn verbeelding?

‘Annelies’, zei ik terwijl ik een tedere hand op haar schouder legde, ‘kom hier. Je hebt het koud.’

Annelies kantelde haar hoofd. Haar levensechte ogen keken me aan. Ze leek verlegen, kwetsbaar, fragiel.

Dat mijn object van begeerte een humanoid was die als drie druppels water leek op de identieke tweelingzusjes Liesbeth en Angelique Raeven, een kunstenaarsduo dat in gesprekken over wat de één zou voelen als de ander weg zou vallen op het idee kwam een gekloonde drielingzus te fabriceren die kon reageren op menselijke aanrakingen en als troostrobot kon dienen voor het zusje dat achterbleef.

Dat een mens geneigd is gevoelens en intenties toe te schrijven aan zo’n beetje alles dat beweegt, inclusief een stuk hout bestuurd door een joystick.

Ik weet het.

Desalniettemin klopte mijn hart in mijn kruis. Als ik ergens opgewonden van word, is het wel van het gevoel nodig te zijn. Robot of geen robot.

Áaaah!’ Een hysterische vrouwenkreet achter me onderbrak mijn pornofantasie. Geïrriteerd draaide ik me om. Oog in oog met Annelies dook een Japanse bezoekster van de Robot love expo in de Melkfabriek weg in de armen van haar man. ‘What is that thing?’, gilde ze.

Haar man troostte haar met de onvergeeflijke woorden: ‘Nevermind. It’s just a robot. She is not real.’

Weg fantasie.

Nou meneer de Japanner, dacht ik in de trein terug naar Amsterdam, dank je wel voor een eenzame kerst. Twee weken lang, denkend aan Annelies, liep ik met mijn ziel onder mijn arm. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat Annelies alles behalve onschuldig was. Bewust of onbewust had ze zich gedragen als een dick teaser. Zeg nou zelf. Wanneer een robot qua uiterlijk sprekend lijkt op een aantrekkelijke vrouw schept dat verwachtingen. Ik legde een hand op haar schouder; ze keek me aan; blikken zeggen meer dan woorden. Maar wat bleek? Ze fakete haar emoties, met als resultaat dat mijn gevoelens van eenzaamheid alleen maar werden vergroot.

Bitch.

En toen zag ik jou, in de Mediamarkt. Het liefst had ik je doos gelijk opengescheurd. Je direct ontmaagd, ter plekke, op de winkelvloer. Roomba de robotstofzuiger, zo heette je. Een iRobot met een eigen wil. Wat was ík onder de indruk van je mogelijkheden. Je neemt zelf je beslissingen, gebaseerd op wat je tegenkomt in je woning-wereld. Obstakels zoals elektrische snoeren ontwijk je. Wanneer je batterij bijna leeg is, keer je zelf terug naar je docking station en laad je op.

Je zou dus kunnen zeggen dat jij meer controle hebt over de wegen die je bewandelt dan ik, je gebruiker. Tegen een zelfrijdende auto moet je toch echt eerst zeggen waar hij naar toe moet, anders kom je nergens. Tegen jou niet. Jij bepaalt je eigen route.

Zo sexy.

Op een winkelmonitor bekeek ik je demonstratievideo. Je smalle rondingen met stofzakloze technologie lieten er geen twijfel over bestaan: dit is een Zij. Eenmaal in huis, dagdroomde ik, zou ik via een app op mijn mobiel een bluetooth verbinding met je maken. Met een tik op je metallic zwarte kont zou ik je aan het werk zetten. Ik zou me verwonderen over je werkethiek en je totale gebrek aan eigenwaarde. Vertederd toekijken hoe je heupen soepel om een harde tafelpoot heendraaien.

Mijn handen jeukten om je mee naar huis te nemen. Je prijskaartje viel mee: 837 euri. Een koopje, zeker voor een pas gedebuteerde schrijver die, zoals dat gaat in Nederland, in één klap stinkend rijk is geworden en van gekkigheid niet weet wat hij met zijn geld aanmoet. Maar om gelijk de parvenu uit te hangen is ook zo wat.

Bovendien, voor dat bedrag kan ik ook naar Las Vegas vliegen en me in een exclusieve herenclub verlustigen aan paaldansende androids in jarretels.

Dus ik slaap er nog een nachtje over, Roomba. Maar op een dag zal ik je komen halen, dat beloof ik je. Hopelijk hebben we dat jaar een spetterende witte kerst. Eén ding weet ik zeker: jij en ik gaan het heel erg fijn hebben samen.

Op Eerste Kerstdag zal ik je voorstellen aan mijn familie. Terwijl wij onder de enorme kerstboom, volgespoten met kunstsneeuw en opgetuigd met ballen, de cadeautjes uit de volle zak halen, mag jij de gevallen sparrennaalden van de grond likken.

En wanneer mijn homies op Tweede Kerstdag aanschuiven voor het kerstdiner wordt het helemaal feest. Na de vijfgangenmaaltijd zal de parketvloer bezaaid liggen met kruimels witte truffel en restjes Beluga kaviaar. Ooit pronkte Mozarts vader in koningshuizen met de wonderen die zijn zoon op de klavecimbel verrichtte. Op die avond zal ik aan iedereen, onder de versierde eettafel, tussen de popelende benen van de aanwezigen, vol trots je zuigtechniek demonstreren.

"Foto van Julien Ignacio"
Julien Ignacio

De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

Zwemles II

Gisteren was Nadims laatste zwemles voor de vakantie. Omdat zijn moeder een stempelkaart voor hem gemaakt heeft met een beloning bij vijf hele lessen meedoen, waren we vol goede moed.

Op de fiets vroeg ik hem nog of hij het zag zitten, en ik geloof dat hij knikte. Het was erg druk op straat. We werden ingehaald door fietsers en auto’s en er ontstond een kleine file bij het opgebroken deel van de Marnixstraat.

Omdat we te vroeg waren kwamen we aan in een lege kleedkamer. Nadim keek om zich heen.

‘We zijn te laat,’ zei hij, en ging zitten onder de haakjes met broeken en jassen.

‘Kom,’ zei ik, en trok zijn spullen uit de tas van de Gorgels. ‘Je zult zien dat we prima op tijd zijn.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘We zijn te laat en nu kan ik niet meer meedoen.’

Ik had me voorgenomen niet boos te worden omdat ik weet dat het niet helpt, zette mijn tanden op elkaar en kleedde mijn jongen uit en weer aan: de korte broek die niet te zwaar wordt in het water, een T-shirt en precies de goede gympen.

B heeft die gympen gekocht voor de zwemles. Ze drijven minder sterk.

Op weg naar de douches werd Nadim steeds bleker. Een badjuf stuurde ons weg bij de logische ingang van het grote bad. Omwille van de veiligheid moesten we via de onlogische kant, waar ouders en kinderen dicht opeengepakt wachtten in een hete en glibberige gang.

Het stille meisje dat in Nadims klasje zit en tijdens de eerste lessen in het diepe ook niet durfde, sprong erin en zwom een baantje. Mijn jongen stond kleumend op de kant.

De extralieve juf werd erbijgeroepen, en na een paar minuten één op één ging ook Nadim het water in. Tijdens zijn sprong draaide hij zich vast om zodat hij meteen bij de rand zou kunnen. Hij bezeerde zijn teen en zei dat hij met geen mogelijkheid de rest van de les aankon.

‘Volgens mij ben je een beetje bang,’ zei de juf met een hele lieve lach.

‘En ik voel me ook al niet lekker,’ zei Nadim. In een vol zwembad – ik was op een afstandje gaan zitten – vonden zijn ogen feilloos de mijne.

Ik besefte dat hij bang was om het water in te gaan en ook bang was voor mijn boosheid als hij het niet deed; dat mijn aanwezigheid hem klemzette en dat ik geen idee had hoe ik hem kon helpen.

___________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.