Eten maken

IMG_3018Gisterenavond kookte ik voor mijn oudste vrienden. Drie veertigers die ik sinds mijn elfde ken stonden voor de deur toen ik de kinderen naar bed had gebracht.

Misschien was ik te moe voor bezoek, maar een avond waarop we alle vier kunnen is zo’n zeldzaamheid geworden dat ik de afspraak niet had willen afzeggen.

We dronken bier dat Barry meegenomen had en praatten over het nieuwe huis dat Jop in Limmen kocht. Omdat de dag heel druk geweest was had ik maar een paar ingrediënten kunnen halen. Terwijl mijn vrienden verder kletsten deed ik een greep in de koelkast en zette wat pannen op het fornuis.

Hoewel ik de techniek ervan met de jaren heb moeten leren is het koken er altijd voor me geweest. Naast schrijven is er geen andere activiteit waarin ik zo sterk kan opgaan. Mijn beste gerechten maak ik als er een schijnbaar cruciaal ingrediënt ontbreekt en ik gedwongen word te blijven proeven, denken, voelen wat er nodig is om alle smaken en temperaturen tegelijkertijd op de juiste plek te krijgen.

Koken maakt het mogelijk midden in de gezelligheid te staan zonder dat er in sociale zin veel beroep op me wordt gedaan. Mijn liefde gaat dan in het eten.

Bij het op tafel zetten van je gerechten hoor je te zwijgen. Een bord eten neerzetten onder excuses en voorbehouden over de geslaagdheid ervan duidt op een onvermogen angst voor afwijzing te verdragen. En het helpt niet: niemand gaat je biefstuk lekkerder vinden na een waarschuwing voor de overdosis zout.

Angst voor afwijzing ben ik als wezenlijk gaan zien in het schrijven en het koken: het is een indicator voor het gewicht van je boodschap. Er moet iets te verliezen zijn, anders is de onderneming de moeite niet waard.

Dit ben ik, zeg je tegen je eter of lezer. Je kunt op me reageren zoals je wilt, maar ik hoop dat je van me zult houden.

Mijn oude vrienden vonden mijn gerechtjes lekker. Ik waste af en luisterde tevreden naar hun stemmen, die niet zo veel veranderd zijn, de afgelopen 30 jaar.

____________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Onzichtbaar (4)

 

 

 

 

 

“Is hij weg?” vraagt zoon van onder zijn dekbed. Het is acht uur ’s ochtends en ik kijk vanaf de drempel de schemerige jongenskamer in.

“Ik bedoel, echt weg?”

Ik haal mijn schouders op: ik denk het, maar weet het niet zeker.

Zoon duikt dieper onder zijn deken, alleen zijn ogen en een plukje haar zijn nog zichtbaar, en drie vingers van een hand.

Kom, gebaart hij naar de deuropening. Hij is klaar voor de zoektocht.

We laten de gordijnen dicht. Ik ga op het randje van zijn bed zitten en pak hem stevig vast – dat mag nog. Nee, geen felicitaties nog. Eerst laten we onze blik door de jongenskamer gaan. De voetbalposters, het overvolle bureau, de rommelige stapel brugklasboeken, de uitpuilende kledingkast. Alles lijkt hetzelfde als gisteren en toch…

Alles is anders.

“Spoorloos,” constateert hij tevreden.

Inderdaad.

“Waar zou hij nu zijn?” vraagt zoon.

Hij kruipt tegen me aan, een knuffel is genoeg. Samen kijken we de kamer in, waar die andere jongen toch nog ergens moet zijn, zo dichtbij nog, maar nu al zo onzichtbaar.

“Waar zou hij zijn?”

Hij vraagt het nog een keer maar hoeft geen antwoord. Hij weet toch al wat ik ga zeggen: bij al die andere jongens die je hebt uitgezwaaid. In jou, in mij, in papa, in opa en oma. Onzichtbaar en toch aanwezig, altijd – alle twaalf.

Maar nu denken we vooral aan die ene – gisteravond was hij er nog. Hij at twee borden pasta en een chocolade-ijsje. In pyjama heeft hij daarna afscheid genomen. Van ons en van de poes.

En daarna, alleen in bed, van zichzelf: een jongen van twaalf.

Door de gesloten deur hoorde ik zijn zachte stem, net als de voorgaande jaren. Drie jaar geleden, toen de deur van zijn kamer nog open stond, begon de toespraak plechtig: “Morgen, als ik tien ben, word ik nooit meer negen.” De volgende jaren ging de deur dicht en kon ik er steeds minder van verstaan, maar wel altijd de klank proeven: rustig, vertrouwenwekkend. Gisteravond sloot hij af met een opdracht: om alle anderen de groeten te doen.

“Ja, hij is echt weg,” zegt hij. “Dertien!”

We staren nog wat in de kamer, waar ruimte is voor nog zoveel meer onzichtbare jongens, volgend jaar, dan zal deze zich er bij voegen, en daarna en daarna…

“Gefeliciteerd,” zeg ik. Als hij voor me uit de trap af huppelt, wens ik hem stilletjes toe dat hij nooit te groot zal worden voor een zelfontworpen ‘rite de passage’.

——–

Pauline Genee (1968) debuteerde in 2014 met Duel met paard (Querido). In 2017 verschijnt haar tweede roman: Roadblock. Zij is daarnaast moeder van een keeper en speechschrijver bij Buitenlandse Zaken. 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

On Bunyah… de nieuwe Les Murray

Voor wie niet van kwezelige stukjes van een fan houdt: dit is er een, wendt u op tijd af. Deze foto staat achterop de nieuwe bundel van Les Murray, en is gemaakt door Amos Aikman. Waarom is deze foto zo goed? De dichter Les Murray woont op het platteland in Australië. Ik stel me zo voor dat de journalist Aikman Murray ging  interviewen, wellicht ergens een week voordat de Nobelprijzen bekend worden gemaakt – Murray figureert al jaren op de lijstjes.

De betrekkelijk zwaarlijvige Murray is even gaan zitten, gezicht gericht naar de warmtebron in het huis, de haard, maar de schuifdeur achter is helemaal open, de kachel staat dus niet aan, het is lente, waar kijkt de dichter dan naar? Misschien naar zijn weerspiegeling in de glimmende betegeling van de haard. We zien de dichter zichzelf zijn, iets wat je niet vaak ziet op een foto van een dichter. Bovendien in zijn huis op zijn grond, de grond in Oost-Australië, 300 km boven Sydney, ‘his home district, a rural valley, inland from the Pacific’. Het gaat in deze bundel juist om deze plek, Bunyah. En om deze haard, deze foto’s, deze boeken, deze man.

Wat nu het sterkste is aan de foto, hoogstwaarschijnlijk uit toeval geboren: (wellicht omdat Murray helemaal niet wilde dat de journalist een portret van hem maakt) de foto is van buitenaf, door een ruit heen genomen, en aan de randen zie je de arcadische weerspiegeling van de alomtegenwoordige natuur, de bomen, als een natuurlijke omlijsting. Vermoedelijk zien wij weerspiegeld de ‘Angophora floribunda, commonly known as the rough-barked apple, is a common woodland and forest tree of the family Myrtaceae native to Eastern Australia. Reaching 30 m high, it is a large tree with fibrous bark and cream-white flowers that appear over the Austral summer.’

Murray wijdt een gedicht aan deze bomen in deze bundel. De foto toont veel van de dichter: de poeta doctus, (een stuk of 12 talen vloeiend, maar leert nog bij)  introspectief, die iets ziet wat wij niet zien, door zijn boeken en zijn familieherinneringen omgeven, een man in huis door een ongelooflijke hoeveelheid ‘buiten’ omkranst, de bomen lijken binnen te groeien.

En dan slaan we pas de bundel open…

———-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Buitenlander

Omdat ik te laat dreigde te komen fietste ik verder dan gebruikelijk over de stoep voor Nadims school, die verlaten was op een gedrongen zestiger met een peuter na. Otis de hond draafde hijgend achter me.

De zestiger droeg een zwartleren jack en rookte zware tabak door een van die vaporizers waarvan de burger mag geloven dat ze veel gezonder zijn. Ondanks mijn geringe vaart en de meter afstand die ik tot hen hield sprak de man me aan op mijn gedrag.

‘Jij hoort hier niet te fietsen,’ zei hij op een toon die zo autoritair was dat ik even dacht in een sketch beland te zijn. ‘Dit is een stoep en op de stoep fiets je niet. Daar loop je met de fiets aan de hand.’

Tegen hem in gaan was zinloos omdat hij gelijk had. Ter verzachting voerde ik aan dat ik mijn kind kwam halen.

‘Dan moet je het al helemaal weten.’ De dreiging in zijn stem was even ondubbelzinnig als verbazend. ‘De stoep is voor voetgangers. Fietsen doe je op het fietspad!

Omdat de bel al gegaan was liet ik het er verder bij en haastte me naar de poort om te voorkomen dat Nadim me niet zou zien tussen de wachtende ouders. Zijn klasje was al buiten; mijn jongen oogde bleek, maar fleurde op toen hij me in de gaten kreeg.

Met Nadim en Otis liep ik terug naar mijn fiets, die ik net van het slot wilde halen toen de zestiger weer aan kwam lopen. Een van de twee kinderen die hem nu volgden waggelde naar Otis toe en probeerde hem te aaien.

‘Nee schat,’ zei ik. ‘Doe dat maar niet. Het hondje houdt daar niet zo van.’

De peuter leek me niet te horen. Ongestoord schuifelde ze achter Otis aan, die zich klein maakte achter mijn benen.

‘Ga maar met opa mee,’ zei ik tegen het kind, en legde mijn hand op haar hoofd om haar tegen te houden.

‘Ik weet niet waarom je me nou zit te beledigen,’ zei de man. Toen ik hem aankeek vlamden zijn ogen.

‘O,’ zei ik. ‘Heb ik het verkeerd? Sorry.’

‘Buitenlander,’ siste hij en mompelde daarna nog een paar dingen die ik niet helemaal goed verstond en daarom ook maar niet zal melden.

Met mijn mond vol tanden sta ik zelden. Nooit, eigenlijk.

Ik kon niet zeggen dat ik geen buitenlander ben omdat het als verraad zou voelen. Ik wilde horen wat dat woord voor hem betekende, maar wist al dat zijn antwoord niets zou verzachten.

Als ik hem uitschold – wat ik het liefst had gedaan – zou een slaande ruzie volgen met drie kleine kinderen erbij. Dus wachtte ik af, hopend dat de man zonder verdere narigheid zijn weg zou vervolgen. Wat hij goddank deed.

Door een blanke autochtone Nederlander gediscrimineerd worden was nieuw voor me en kwam hard binnen. Wanneer een autochtoon je discrimineert wordt je recht om hier te zijn in twijfel getrokken. Je gaat je afvragen hoe breed zijn mening in de buurt gedeeld wordt.

De rest van de middag dacht ik na over hoe ik beter op zijn woorden had kunnen reageren, en over wie van de andere ogenschijnlijk sympathieke ouders op Nadims school nog meer een clandestiene nazi was. Degenen met een immigratieachtergrond schaarde ik in het teleurstellend kleine groepje Veilig.

Ik besefte dat ikzelf een waardeloze immigrant zou zijn. Na één slechte ervaring zou ik in elk gefluisterd woord een aanval zien. Zoals altijd wanneer het over afwijzing gaat dacht ik aan Bill Withers, en aan de uitdrukking prepared forgiveness waarvoor de wereld hem dank verschuldigd is.

Bill besefte op jonge leeftijd dat zijn stotteren voortkwam uit de verwachting dat men hem af zou wijzen. Zijn oplossing was de ander tegemoet te treden met voorgenomen vergiffenis. Ik zou het niet kunnen: de volgende schijnbaar boze kaaskop in openheid begroeten.

En dit, denk ik bij het online zetten van dit blog, is alleen nog maar hoe het voelt als je één keer in je leven – ten onrechte – voor buitenlander wordt aangezien.

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Onzichtbaar (3)

 

 

Hoewel schrijven het best gaat achter een gesloten deur aan een rustig bureau, klapte ik onlangs mijn laptop weer eens uit op een hoofdstedelijk terras. Al snel raakte ik ingeklemd tussen hippe baarden, de een leek nog meer op Jezus dan de ander, en ik dacht al dat het iets met Pasen te maken had: het feest van de ultieme verdwijntruc, met een lijkwade als onzichtbaarheidsmantel, toen tegenover mij het geanimeerde gesprek tussen twee donkerblonde baarden plotseling stokte.

‘O jee,’ zei de linker. Hij stond half op en staarde verontrust naar een plek achter mij.

‘Dit gaat niet goeoeoed.’

Ergens achter mijn rug klonk een gil, gevolgd door een doffe klap en geschraap. Het hele terras draaide zich om – al die baarden en ik.

Vlak bij de deur van het café lag een vrouw, languit op de grond. De kroegbaas boog zich al bezorgd over haar heen, maakte sussende geluidjes en reikte haar de hand, maar zij duwde hem woest opzij, met haar blindengeleidestok op een nep gouden paaltje meppend dat naast haar lag.

‘Hebben jullie dit hier neergezet? Dit is verdomme levensgevaarlijk!’

De kroegbaas zette bedremmeld het glimmende paaltje weer overeind. Een dik zwart touw verbond het met zeven andere: samen vormden ze een koninklijke terrasafscheiding die ziende klanten het gevoel moest geven: ja, het is echt heel bijzonder dat ik hier mag zijn.

‘Het valt mee,’ zei een van de baarden tegenover mij en ging weer zitten.

Maar de vrouw was nog lang niet klaar. ‘Is dit soms alleen jullie stoep?’ foeterde ze tegen de kroegbaas. ‘En de voetgangers dan? De blinden, zoals ik?’ Het was van haar rug af te lezen: deze woede was niet zomaar bekoeld.

Pas als ze zwijgt herken ik haar stem.

Het zal toch niet? Ik kijk nog eens goed naar de vrouw die nu weer rechtop staat en boos haar jas rechttrekt terwijl ze langzaam mijn kant op draait.

Ze is het. Ik duik achter mijn menu.

Meer dan twintig jaar heb haar niet gezien: onze vroegere overbuurvrouw Aaf. Destijds een van mijn moeders beste pianoleerlingen. Ja, ze is het echt. Wat ouder misschien, maar verder niks veranderd. Dezelfde elegante verschijning… grijswit haar, nog net zo parmantig als hoe ik me haar herinner: met bruine knot, gewapend met hond en stok op hoge hakken door onze straat schrijdend – naar haar werk, naar de winkels, naar het park, en naar ons huis, voor de pianoles.

Waarom spring ik niet op om haar te helpen, gedag te zeggen?

In plaats daarvan duik ik achter de menukaart en houd me stil.

‘Bij mij hebben mensen de keuze,’ had ze me vroeger wel eens uitgelegd. ‘Wil je gezien worden, of niet? Mijn blindheid biedt mensen de mogelijkheid van onzichtbaarheid. Ik gun ze die.’

Blijf ik daarom zitten?

Als zij naast mijn moeder pianospeelde, verstopte ik me niet op mijn gebruikelijke plek onder de vleugel. Ik zat stil op een stoel in de hoek, gefascineerd door dat idee: dat ik voor haar pas aanwezig zou zijn als ik gerucht maakte. Of wanneer mijn moeder eindelijk eens iets tegen me zeggen zou: ‘Polleke, we zijn klaar, ga jij nu even met mevrouw Takema wandelen?’

Ik deed niets liever dan met Aaf Takema wandelen, samen met de blindengeleidehond Tip.

Altijd hetzelfde rondje, ze liep het ook vaak alleen. ‘Maar het is leuker met jou,’ zei ze tegen mij. ‘Want dan groeten de mensen mij opeens; door jouw ogen zien ze mij wel, vind je dat nou toch niet gek?’

Op de helft van onze wandeling gingen we altijd even op een bankje zitten. Steeds hetzelfde bankje, naast het talud vol graffiti. Een bankje zonder uitzicht.

‘Beschrijf wat we zien,’ droeg ze me op een keer op.

‘Een blinde muur…’ begon ik, maar ze pakte me meteen bij mijn hand.

‘Denk goed na. Je hebt één kans. Zoals je het me nu vertelt, zo zal het zijn. Jij bent de baas. Toe maar.’

Ik keek nog een keer. Toen vertelde ik wat ik zag: ‘Een landschap van hoge bergen die in een blauwe zee verdwijnen, met een heel klein strandje vol roze flamingo’s.’

‘En wat nog meer?’

‘Een moeder en een kind, die in de zee zwemmen met een dolfijn.’

‘Dat is het. Dat is nou het cadeau van mijn blindheid aan de zienden.’ zei Aaf dan. ‘Van mij aan jou.’

Nooit nam ze er genoegen mee dat ik haar simpelweg de werkelijkheid beschreef, maar eiste dat ik zag hoe het zou kunnen zijn.

Ze heeft haar weg al weer vervolgd. Ik duw een baard opzij en spring over het zwarte touw. Het is hoog tijd haar eindelijk eens te bedanken.

Proeven – de smaak van de diepte

Mijn liefde voor nootmuskaat is van betrekkelijk recente datum.  Het begon met soepen, de meest natuurlijke van alle gerechten is tevens de meest zuivere experimenteertuin. Nergens kun je zo goed nadenken over een smaak, als in een soep. Een soep is de poëzie van de keuken, helder, of hermetisch kun je nauwkeurig doseren hoe de smaak precies moet zijn. Soepen kokend muntte ik mijn persoonlijke  ’theorie van de volledigheid’ die een, ahum, poëtica op zich is (als ie niet zo eenvoudig was:) er moet voldoende van van alles inzitten om een brede smaak te bedienen. Dit zou je ook over het leven kunnen zeggen, over de liefde, over een uitgeverij, of over je boekenkast. Koken is een proefondervindelijke wetenschap. Matige koks proeven niet. Mensen die uitgesproken voor of tegen E-nummers zijn missen het punt.

In concreto – en we hebben het nu dus over soep –  kun je zeggen dat een soep nadat je haar elementair op smaak hebt gebracht bij het proeven iets te kort kan komen in het ‘warme’ spectrum, het ‘frisse’ spectrum, het ‘hete’, het ‘diepe’.

Dan begint te kok te repareren. Voor iets als fris ben je snel klaar: al is het verschil tussen bijvoorbeeld een matige azijn en een goede rode wijnazijn wel een fantastische ontdekking in je instrumentarium. Ook in heet is de diversiteit groot, maar er zijn niet erg raadselachtige nieuwkomers wat mij betreft. Anders is het met warm, voor mij waren de Spaans gerookte paprikapoeder, worcestershiresauce en de gembersiroop gouden vondsten.

De grootste verrassing is echter de nootmuskaat, het ultieme ingrediënt om je saus of soep te verlenen wat ik ‘diepte’ noem. Het internet leert me dat dat ook gewoon de drugswerking kan zijn, want het gaat om ‘omzetting in het lichaam van myristicine naar MMDA (3-methoxy-4,5-methylenedioxyamphetamine’ wat hallucinerend kan werken. Dat soort diepte. Maar ik heb het geloof ik toch over smaak.

Nootmuskaat is het geheime ingrediënt dat voor mij een schrijver als W.G. Sebald, een componist als Mahler, een jazzmuzicus als Coltrane, een kok als Ottolenghi heeft. Een dichter als Pessoa. Net iets beter, net iets dieper, net iets raker.

Mijn favoriete verjaarscadeau om weg te geven is – nadat een doos oesters en een bijbehorend mes met de mededeling ‘Open up!’als cadeau versleten was geraakt  –  nu een nootmuskaatje en bijbehorend raspje. Het geld dat ik overhoud doe ik er dan in het raspje wel bij, want je bent slechts zo’n €3, 20 verder.

Maar een duizelingwekkende werking!

—————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Kookte gisteren eendeborst met rode ui- en tomaatcurry en notenrijst, en schreef hier eerder over eten.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.