Proeven – de smaak van de diepte

Mijn liefde voor nootmuskaat is van betrekkelijk recente datum.  Het begon met soepen, de meest natuurlijke van alle gerechten is tevens de meest zuivere experimenteertuin. Nergens kun je zo goed nadenken over een smaak, als in een soep. Een soep is de poëzie van de keuken, helder, of hermetisch kun je nauwkeurig doseren hoe de smaak precies moet zijn. Soepen kokend muntte ik mijn persoonlijke  ’theorie van de volledigheid’ die een, ahum, poëtica op zich is (als ie niet zo eenvoudig was:) er moet voldoende van van alles inzitten om een brede smaak te bedienen. Dit zou je ook over het leven kunnen zeggen, over de liefde, over een uitgeverij, of over je boekenkast. Koken is een proefondervindelijke wetenschap. Matige koks proeven niet. Mensen die uitgesproken voor of tegen E-nummers zijn missen het punt.

In concreto – en we hebben het nu dus over soep –  kun je zeggen dat een soep nadat je haar elementair op smaak hebt gebracht bij het proeven iets te kort kan komen in het ‘warme’ spectrum, het ‘frisse’ spectrum, het ‘hete’, het ‘diepe’.

Dan begint te kok te repareren. Voor iets als fris ben je snel klaar: al is het verschil tussen bijvoorbeeld een matige azijn en een goede rode wijnazijn wel een fantastische ontdekking in je instrumentarium. Ook in heet is de diversiteit groot, maar er zijn niet erg raadselachtige nieuwkomers wat mij betreft. Anders is het met warm, voor mij waren de Spaans gerookte paprikapoeder, worcestershiresauce en de gembersiroop gouden vondsten.

De grootste verrassing is echter de nootmuskaat, het ultieme ingrediënt om je saus of soep te verlenen wat ik ‘diepte’ noem. Het internet leert me dat dat ook gewoon de drugswerking kan zijn, want het gaat om ‘omzetting in het lichaam van myristicine naar MMDA (3-methoxy-4,5-methylenedioxyamphetamine’ wat hallucinerend kan werken. Dat soort diepte. Maar ik heb het geloof ik toch over smaak.

Nootmuskaat is het geheime ingrediënt dat voor mij een schrijver als W.G. Sebald, een componist als Mahler, een jazzmuzicus als Coltrane, een kok als Ottolenghi heeft. Een dichter als Pessoa. Net iets beter, net iets dieper, net iets raker.

Mijn favoriete verjaarscadeau om weg te geven is – nadat een doos oesters en een bijbehorend mes met de mededeling ‘Open up!’als cadeau versleten was geraakt  –  nu een nootmuskaatje en bijbehorend raspje. Het geld dat ik overhoud doe ik er dan in het raspje wel bij, want je bent slechts zo’n €3, 20 verder.

Maar een duizelingwekkende werking!

—————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Kookte gisteren eendeborst met rode ui- en tomaatcurry en notenrijst, en schreef hier eerder over eten.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Mensen

IMG_3592Een paar weken terug schreef ik op deze plek over “mijn onuitgesproken wens om alleen te zijn en vooral niet alleen gelaten te worden.”

De woorden schreef ik zonder erbij na te denken, maar die zin bleef om me heen hangen als de lichtste ruis; als rook, misschien.

Er zijn ongelooflijk veel liedjes over afstand en nabijheid, onbeschrijfelijk veel boeken. Contact met andere mensen is het mooiste en moeilijkste wat er is. Misschien is het wel het enige wat telt.

Hoe dieper de band hoe verzengender de liefde hoe groter de angst.

Ik houd van duidelijkheid, van zwart en wit. Het is makkelijk anderen op afstand te houden wanneer ze het je moeilijk maken, maar hoe kun je onkwetsbaar en toch benaderbaar zijn?

Niet, voor de duidelijkheid. In een gebroken hart zit dezelfde materie als in dat van een verliefde jongen. De deur kan open of dicht.

De foto hiernaast is van Miguel. Omdat hij een vrij nieuwe vriend is heeft hij het me nog niet moeilijk kunnen maken. We aten bij kennissen en daarna sleepte hij me (op een woensdag) mee de voormalige Korsakoff in. De laatste keer dat ik in de Korsakoff was kon ik me niet herinneren, maar dat zal voor iedereen wel gelden.

Miguel heeft een uitstekende mengeling van afstand en nabijheid. Je kunt een serieus gesprek met hem voeren, maar omdat alles wat hij zegt een randje humor meekrijgt wordt het nooit te zwaar. Hij kan je zijdelings naderen, onder de radar vliegen.

Ik geloof dat het film-noirkenner Jochem Pinxteren was die stelde dat een overtuigende bar side manner niet te faken valt. Ondanks het feit dat Miguel en ik recente vrienden zijn, zie ik hem al mijn halve leven drank bestellen. De afgelopen twintig jaar kwamen we veel in dezelfde zaken, op dezelfde feestjes.

Hij neemt zijn plek in aan de bar en – hoe hij het doet weet ik niet – lijkt daardoor onmiddellijk de aandacht van het personeel naar zich toe te zuigen. Alsof hij een soort vacuum creëert. Miguel bestelt zonder zijn stem te verheffen, waardoor men naar hem toe moet leunen. Zo’n barman glimlacht dan terwijl hij knikt en schenkt een ruime maat. Soms kijken ze hem na voordat ze doorgaan met de volgende bestelling.

Zo hoort het, lijken ze te denken. Kijk nou eens hoe makkelijk het is. 

Een paar jaar terug heb ik Miguel om drie uur ’s nachts op straat een maffioso zien beledigen. Dit was het dan, dacht ik. Nu gaan we eraan. Maar de gigantische man in het glimmende kostuum keek een paar tellen met opgetrokken wenkbrauwen naar ons voor hij in lachen uitbarstte.

De barman van de voormalige Korsakoff grijnsde en gaf Miguel twee bier. Met onze drankjes kwam hij naast me zitten.

‘Zo,’ zei hij. ‘Moeten we het nog even over jouw leven hebben?’

Als ik om je lach dan heb je me. Laat de moeilijkheid maar komen.

____________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Onzichtbaar (2)

Mijn moeder vond dat ik spion had moeten worden. Maar het werd, na wat baantjes waar te veel en te fel licht op scheen, iets anders. Iets heerlijk onzichtbaars: toesprakenschrijver.

‘Potjandorie,’ zei ze toen ik haar vertelde over mijn nieuwste beroep, “zeg dan tenminste dat je speechwriter bent, dat klinkt al zoveel beter.”

‘Oké,’ zei ik, alsof het een onderhandeling betrof.

‘En zorg dat je naar conferenties gaat.’

Ik meende dat dergelijke samenkomsten bij mijn nieuwe beroepsgroep niet bestonden. Maar mijn moeder vouwde haar handen zo onverzettelijk in haar schoot – net als vroeger, wanneer ze van haar pianoleerlingen het gevreesde ‘da capo al fine’ eiste en nóg een keer en weer, tot het eindelijk helemaal goed klonk inclusief de pedalen – dat ik haar onmiddellijk beloofde dat ik natuurlijk zou gaan.

‘Zeker, mam.’

‘En na afloop kom je mij er alles over te vertellen’.

Toespraakschrijvers kiezen niet voor niets een afgelegen, onvindbare plek om samen te komen. Twee maal per jaar, in de week dat de klok verschuift, om precies te zijn op de maandag na de verwarrende zondag waarop het hele westelijke halfrond in een tijdelijke staat van jetlag verkeert, staan ze op van achter hun bureau. Ze duwen hun spreker nog een laatste tekstje in de hand en zwermen uit, op weg naar hun geheime, wisselende locatie – ergens op het vasteland van Europa.

Dit keer had het gilde niet voor het Continent, maar voor een eiland gekozen. Een heel toepasselijk eiland bovendien, eentje dat lang maar tevergeefs had geprobeerd ook echt ergens bij te horen, maar nu definitief een tijdje alleen onder de tafel wilde zitten. Een eiland, kortom, naar mijn hart. Een eiland dat zelf ook een prima toesprakenschrijver zou zijn en dat in ieder geval vele briljante had voortgebracht.

Na een korte vlucht en een lange busreis kwam ik laat in de avond aan. Het was koud en donker, ik was moe en hongerig. De naam van het middeleeuwse kasteel bleek anders uitgesproken te moeten worden dan ik dacht waardoor de buschauffeur me verkeerd had afgezet. Uren zwierf ik door het stadje. Toen ik eindelijk voor de juiste houten poort stond bleek de naam – mits juist uitgesproken – tevens een wachtwoord dat toegang verschafte tot een groot, donker, Harry Potter-achtig complex.

Daar stond ik dan met mijn rolkoffer. De binnenplaats was doodstil en verlaten, er was geen toespraakschrijver en ook geen concierge te bekennen. Wel een uil. En een envelop met een sleutel die paste op de deur van kamertje 403 waar nog spullen stonden van een onzichtbare, elders vertoevende student.

De volgende ochtend nuttigde ik mijn ontbijt in het intimiderende gezelschap van driemeterhoge lambrizeringen. De andere speechschrijvers sliepen nog – ik had mijn horloge vergeten naar de nieuwe tijdszone te verzetten.

En toen begon het. In een auditorium waar het licht niet aan mocht gingen de onzichtbaarheidsmantels af en luisterde ik naar de perikelen van mijn vakgenoten. Geletterde mannen en vrouwen die in de pauze anekdotes fluisterden over ‘hun spreker’ en visitekaartjes uitdeelden waar iets anders op stond dan hun echte beroep. Het moest tenslotte wel in de lucht blijven hangen, hoeveel zo’n ‘spreker’ nou zelf deed en wat er van diens ‘special assistant’ kwam – net als bij een soepje van Maggi.

Bij de koffie citeerde een vakbroeder Paul Auster: ‘Stories only happen to people who can tell them.’

‘Maar met een beetje hulp heeft iedereen een verhaal,’ voegde een ander grijnzend toe.

Het is jammer voor mijn moeder, maar wat er verder gebeurt als je de leden van dit gilde in een middeleeuwse burcht bij elkaar zet – het zal onzichtbaar moeten blijven. Hoezeer ze na afloop ook dramde en zeurde: toe, Polleke, heb je ze gezien, die van Obama, die van Trudeau, Merkel, Rutte, Hollande? Kom op, Polleke, kijk niet zo raar, doe niet zo kinderachtig, zeg het, toe!

Helaas.

Zeker ook de gebeurtenissen tijdens het diner en daarna, ik kan er niets over loslaten.

‘Vertel dan tenminste wat je hebt geleerd. Dát kan toch wel?’ Mijn moeder keek weer zo pianojuffig dat ik zei: oké dan, een tip.

Eentje.

Ik gaf haar meteen de geheimste.

Als je vast zit met je tekst: voer je moeder sprekend op. Het werkt altijd, ook als je er geen hebt.

 

Pauline Genee (1968) debuteerde in 2014 met Duel met paard (Querido). In 2017 verschijnt haar tweede roman: Roadblock. Zij is daarnaast moeder van een keeper en speechschrijver bij Buitenlandse Zaken. 

 

De dood in je achtertuin

DSC_0640Vanochtend scheen de zon. Toen ik Ada naar de crèche en Nadim naar school gebracht had haalde ik thuis Otis de Hond op voor een rondje Westerpark. Het rennen wil niet zo de laatste tijd, en dus gaf ik er na een aantal kilometer de brui aan om verder te wandelen.

Ik liep langs Sloterdijk (het voormalige dorp) en dacht aan het boek dat ik ga schrijven; ging onder de spoorlijn door en volgde het pad terug in de richting van het centrum. Zoals altijd werd mijn oog getrokken door het opzichtershuis van begraafplaats Sint Barbara. Sinds B en ik naar huizen kijken fantaseer ik vaak over de toekomst.

Ik stelde me een zomeravond voor in de tuin van het huis naast Sint Barbara. Een barbecue met vrienden. Misschien zouden ze niets zeggen over hoe het was om naast al die zerken worst te eten. Misschien zouden ze zeggen dat het best meeviel.

De dood in je achtertuin. Ik vroeg me af of ik er zelf last van zou hebben: het besef dat je kropsla tiert op lijkvocht.

Ontkenning leek geen optie. Het zou hem meer zitten in welke draai je eraan gaf, welk verhaal je ervan maakte. Op de Assistens Kirkegård in Kopenhagen is men picknicks gaan verbieden omdat het op zomerse dagen de spuigaten uitliep. Nabestaanden werd het rouwen onmogelijk gemaakt door baklucht en housemuziek.

Ja, besloot ik, ik zou prima aan de rand van een kerkhof kunnen wonen. B, die zonder een vorm van hiernamaals is opgegroeid, zou er meer problemen mee hebben. Toen we een huis bezichtigden dat door nazaten van de bewoonster werd verkocht leek ze wat stilletjes; weer op de stoep vroeg ze in welke kamer ik dacht dat die mevrouw overleden was.

Als je om Sint Barbara heen loopt kun je aan de achterkant van het terrein zien waar men de geruimde graven laat. Ik dacht na over wat je kinderen moet vertellen over de dood. Omdat mijn vriend Gijs acht maanden voor de geboorte van Nadim overleed had mijn zoon er al heel vroeg weet van. Het leek me goed hem niets te onthouden wat hij toch wel aan zou voelen. Nu ben ik daar niet zo zeker meer van.

Gezien een kind uiteindelijk toch alles te weten komt is het misschien genadiger het een tijdje de waan van onsterfelijkheid te laten.

Terwijl ik terugliep naar huis vroeg ik me af waarom Nadims momenten van grote vreugde me altijd het meest ontroeren. Waarom ik huil als hij extatisch door hoog gras rent of zich gillend van een heuveltje laat rollen.

Er is een afstand tussen waar hij op die momenten is en waar ik me bevind. Alsof ik op een andere oever sta en besef dat er geen weg terug is.

 

____________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Op avontuur

Mijn broertje is al een paar weken op reis, wanneer hij terugkomt weet niemand, ook hij niet. Hij hoopt op jaren. Toen we hem en zijn vriendin op Schiphol uitzwaaiden heb ik gehuild als een baby en eenmaal buiten – mijn moeder en ik rookten een sigaret, zaten op de rand van een stenen plantenbak – probeerde mijn kleverige kop weer op gang te komen.

‘Ik kan me er zo weinig bij voorstellen,’ zei mijn moeder.

‘Het is heel normaal, nu, reizen,’ zei ik maar kon me er ook heel weinig bij voorstellen.

Ver weg ben ik weleens geweest; een keer in Mexico, twee keer in Amerika. Maar altijd onder de vleugels van iemand die alles regelde en een broertje dood had aan reizen – mijn broertje slaapt op stranden, of in een hangmat met een klamboe eroverheen, mijn vakantiegezelschap gaf de voorkeur aan schone hotels en bungalows met tv-verbinding. Ik vond alles best. Het feit alleen al dat ik buiten Europa was, was sensationeel genoeg.

Als ik denk aan ‘reizen’ staat het zweet me gelijk onder de oksels. Wat regel je eerst, je vlucht of je slaapplaats? Hoe régel je die dingen überhaupt? Hoe ongemakkelijk zijn welvaartsverschillen in het land van aankomst (alleen al het feit dat ik me deze vraag stel doet me ineenkrimpen, vreselijk wezen dat ik ben)? Een maand langer wegblijven, maar wel in stinkhostels pitten, of korter weggaan en in hotels slapen? Waarom heb ik toch zo’n grafhekel aan kamperen?

Heimwee heb ik nooit, bang ben ik zelden, wel lijd ik aan organisatiezeer; ik overzie het allemaal niet, waardoor ik al snel denk: laat ook maar. Bovendien maak je me al straalgelukkig als je me in een vreemde stad neerzet en daar rondjes laat wandelen om naar gebouwen te kijken die ik niet ken, en om in mijn eentje een maaltijd te bestellen in een onbekend eetcafé. Die vreemde stad ligt bij voorkeur in Europa, zodat de overgang niet te groot is maar vermoedelijk toch groter dan bevroed. Ik zeg altijd dat ik niet wil reizen maar eigenlijk is dat niet waar – heel, heel graag zou ik een paar maanden, of misschien wel een jaar lang per trein door dit werelddeel reizen. Als ik eenmaal in een trein zit is alles oké: hij gaat vooruit, ik kan er niet uit en niet verkeerd rijden, kan gewoon rustig naar buiten kijken. En als ik eenmaal in de stad of het dorp van aankomst mijn slaapplaats heb gelokaliseerd ben ik dagen zoet met het in steeds grotere cirkels door mijn omgeving wandelen. Je leert vanzelf de leuke mensen en mooie plekken kennen, op die manier, en je weet altijd de weg naar ‘huis’. Mijn grand tour zou beginnen in Nederland, want ook hier zijn zat plekken waar ik hoogstens een halve voet heb gezet.

Maar ja. Voor een Eurotrip heb je geloof ik best veel geld nodig, als je tenminste vakkundig de kampeerterreinen wilt vermijden en van treinen houdt.

Afgelopen vrijdag zei ik mijn moeder gedag. Halfsentimenteel gaven we elkaar een aangeschoten knuffel.

‘Zet ’m op,’ zei ze.

Vanaf vandaag woon ik drie maanden in Maastricht. Een avontuur zo groot en leuk dat ik al een week raar droom, terwijl ik mezelf ook een beetje pathetisch vind. Vooral omdat ik via Instagram foto’s van mijn reislustige broertje zie, met apen erop en oerwouden, stranden, zijn bruine kop.

Het cirkelen moet ergens beginnen.

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Onzichtbaar (1)

Mijn verlangen naar onzichtbaarheid is zo oud als ikzelf. Ik was de jongste thuis, een nakomertje, het enige meisje bovendien, het was voor iedereen het prettigst als ik af en toe gewoon even werd vergeten. Ik werd een meester in me verstoppen zonder te worden gezocht, op plekken waar niemand keek.

In het weekend, als iedereen thuis was, zat ik het liefst onder de eettafel. Op het zachte tapijt en met mijn rug tegen de radiator genoot ik van de veilige geluiden van ons overvolle huis: het gebral van mijn jongste broer over slam dunks en home runs; de onbegrijpelijke teksten van mijn middelste broers over sinussen, co-sinussen en priemgetallen; het drumstel van de oudste. En dan mijn vaders voortdurende gemopper. Dat het huis alweer een vreselijke bende was, nog erger dan het vorige weekend en daarvoor en daarvoor en sinds mensenheugenis, en waarom moest hij nou juist weer een vrouw treffen die zonodig elk weekend concertpianiste moest zijn?

Doordeweeks, als het huis licht, leeg en rustig was, ontving mijn moeder haar leerlingen. Dan kroop ik onder de vleugel, waar de muziek me uit de zangbodem tegemoet golfde, waar ik zicht had op de pedalen, die door bedachtzame voeten op en neer werden geduwd – ritmisch, pompend, alsof ze een grote waterfiets voort trapten. Ik was de verstekeling in het ruim, gewiegd door klotsende tonen, en ik hoopte maar een ding: dat de laatste noot voorlopig niet komen zou, de noot die betekende: kruk naar achter, opstaan en afrekenen. Tot volgende week, en trouwens, waar is Polleke? Polleke? Ach Polleke toch! Kom jij eens gauw tevoorschijn, Polleke?

De overbuurman met het zwarte haar en de donkere stem kwam ook op les. Maar als zijn laatste noot wegstierf, schoof de kruk niet naar achter. In de stilte bleven mama en hij stilletjes zitten. Er volgde wat gemompel, gefriemel met handen op bovenbenen, hun voeten gleden van de pedalen. De punten van hun schoenen keerden zich lichtjes naar elkaar en als daarna de zolen een tijdlang rusteloos over het parket schoven hield ik mijn adem in. Tot mijn moeder zich met lichte paniek in haar stem en hijgend als een drenkeling, herinnerde dat ze behalve pianojuf ook moeder was: Polleke? Polleke, waar zit je, kom eens tevoorschijn, Polleke!

Ik denk dat ze echt niet wist waar ik al die tijd gezeten had.

Onder die vleugel werd ik ingewijd in de geheimen der onzichtbaren: hun overkomen de meeste en de mooiste verhalen.

Pas later – veel later – begreep ik dat die verhalen alleen echt gebeurden, als je wist hoe je ze vertellen moest.

En dat de briefjes die ik die avond onder haar hoofdkussen had gelegd, door mijn vader gevonden moesten zijn. Waarom had ze mijn vragen over de overbuurman anders nooit beantwoord?

—————————

Pauline Genee (1968) debuteerde in 2014 met Duel met paard (Querido). In 2017 verschijnt haar tweede roman: Roadblock. Zij is daarnaast moeder van een keeper en speechschrijver bij Buitenlandse Zaken.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Jos Versteegen"
    Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • "Foto van Ida Blom"
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.