kort

De verkoudheid hoorde ik wat dagen terug op natte kleddervoetjes aansluipen. Die kan ik hebben, dacht ik, waardoor mijn intussen middels zelfmedelijden compleet geantropomorfiseerde virus dacht: dat zullen we nog wel eens zien, en me subiet opzadelde met náást koorts, een epische loopneus die ook verstopt zat en een rilruggengraat, ook een stevig robbertje projectielbraken.

Inmiddels kan ik hier heel trots over vertellen en als ik dat doe sta ik erbij als een ouwe piraat die langs de rand van de platte aarde gevaren is, zijn bemanning gestorven in het ruim en een papegaai die bezeten was door Satan zelf als gezelschap. Trots lacht hij een door het zuur en zout gehavend gebit bloot en als je ‘m een bakkie pleur aanbiedt zegt-ie ‘nou doe maar niet, proeven doe ik het niet en mijn maag is nog wat zwakjes, doe maar een geraspt appeltje met kaneel, hoogstens een halfje hoor, misschien wat ijsblokjes ernaast om op te sabbelen tegen de verhoging en de schrale keel, merci.’

Dan snuit hij zijn neus in een zakdoekje dat uit een pakje komt waar met Balsam opstaat, maar dat is niet erg, hij kan toch niet lezen, zijn contactlenzen zijn niet op tijd bezorgd.

U begrijpt. Ik houd het kort.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze schreef ook een roman: Onheilig (Querido).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

In de Oorshop

Het eindeloze huis (1)

1.

Een meisje werd geboren. Ze werd geboren in een klein huis in een dorp aan de woestijn. Net als de andere huizen in het dorp bestond dit huis maar uit één kamer, in ieder geval was dat zo aan het begin van dit verhaal. Na de eerste nacht van de baby was er namelijk een nieuwe deur in het huis verschenen, en achter die deur een nieuwe kamer. De nieuwe kamer was diep donkerrood met afgeronde hoeken en een laag plafond. Het was onmogelijk om de kamer binnen te gaan. Het was alsof er een onzichtbare muur in de deuropening zat.

Buiten verzamelden de mensen van het dorp zich om de uitbreiding van het huis te bekijken. De buitenmuren van de nieuwe kamer leken van een soort gespiegeld glas te zijn gemaakt, dat niet brak, hoe hard de dorpsbewoners er ook op ramden. De dorpsbewoners besloten de nieuwe kamer van het huis te negeren, want niemand snapte waarom en hoe het er gekomen was, en als je er lang over nadacht was het waarschijnlijker dat de kamer er eigenlijk helemaal niet was, dan dat het er wel was.

Maar zes maanden later, na een hete, droge zomernacht, gebeurde het weer. Een nieuwe kamer was aan het huis gegroeid. Deze nieuwe kamer zat op anderhalve meter boven de grond, en het was kleine, melkwitte ruimte. Toen de mensen uit het dorp de nieuwe kamer kwamen bekijken, nam een van de jongens de baby uit de wieg en hield haar voor de ruimte. De baby, Elvira genaamd, stak haar armpjes uit en raakte de binnenkant van de wanden van de kamer aan, wat geen van de dorpsbewoners gelukt was.

Terwijl de dorpsbewoners onder elkaar begonnen te fluisteren ‘de baby heeft er iets mee te maken’ begon de moeder te huilen. Ze trok de baby naar zich toe en joeg iedereen de deur uit. Na overleg op het tuinpad kwamen de dorpsbewoners tot een conclusie: de baby heeft de kamers de wereld in gedroomd. ‘De beste oplossing,’ schreeuwden ze door de voordeur naar de moeder, ‘is om de baby naar een ander dorp te brengen en hen er mee op te schepen.’

De moeder wilde hier niet van horen en weigerde iedereen toegang tot haar huis. Vanaf dat moment leefden de moeder en de baby samen, buitengesloten door de mensen in het dorp. De enige die nog op bezoek kwam was de oma van de kleine Elvira, die in de hoek van de kamer op een stoel met haar breinaalden zat te tikken, sjaals en dekentjes voor de kleine te maken. Weken en maanden en jaren gingen voorbij en er ontstond steeds vaker een kamer, op een gegeven moment kwam er elke week wel een nieuwe kamer bij. De mensen in het dorp probeerden het te negeren, maar het huis groeide steeds dichter naar hun huizen toe, en toen één van de nieuwe kamers een kippenren verpletterde kwamen ze met een grote hijskraan en tilden het huis op met de moeder en het kind er in en reden het vier dagen de woestijn in, waar ze het achterlieten.

2.

De moeder bleef in het huis met het kind Elvira. Dicht bij het huis was een oase, een beschut stuk vruchtbare grond aan een riviertje, waar ze een groentetuintje aanlegde, en waar rondtrekkende handelaars vaak hun kamp opsloegen. Van de handelaars kreeg de moeder meel en vlees, in ruil daarvoor mochten ze het huis zien, en wees ze hen de wonderlijke kamers aan. Zo ging het een tijd goed. Het meisje groeide op tot een lief kind, die veel kletste, uren naar balletshows op de kleine zwart-wit televisie in de woonkamer keek (ze hadden een schotel) en haar moeder hielp met het maken van deeg. Ze kwam alleen niet graag het huis uit, en toen ze te groot werd om op te pakken weigerde ze het huis nog te verlaten. Toen het kind begon te lopen gebeurde het vaak dat ze in de nieuwe gangen en kamers van het huis verdween, waar haar moeder haar niet kon volgen, en pas na lange tijd weer tevoorschijn kwam.

Intussen werd het huis alleen maar groter. Het was moeilijk om van buiten de omtrek te zien, omdat de muren van hetzelfde glas gemaakt waren als die van de eerste kamer, en de omgeving weerspiegelden. Van de buitenkant was alleen nog de voordeur van het oorspronkelijke huis zichtbaar. Er waren eindeloze gangen, verdiepingen, en hele nieuwe vleugels aan het huis gegroeid. De moeder kon zweren dat ze soms geluiden uit de kamers hoorde komen, en af en toe stond er een deur open en dacht de moeder dat ze een schim door de gangen zag bewegen. Het meisje vertelde vreemde verhalen als ze terug kwam van een tocht door de nieuwe kamers. Ze beschreef mensen die de moeder nooit ontmoet had, en gebeurtenissen die onmogelijk zouden moeten zijn.

Op een nacht, toen het meisje weer dagenlang vermist was geweest in één van de vleugels van het huis en de moeder wanhopig haar naam door de deuren schreeuwde, zag ze in de gang een oude vrouw lopen. De vrouw keek opzij, en de moeder herkende de oma die ze hadden achtergelaten in het dorp. Ze hield breipennen vast, die ze ritmisch tegen elkaar liet tikken. Toen de oma de moeder zag, stak ze haar armen naar haar uit en liep ze naar haar toe. Gillend gooide de moeder de deur dicht en schreeuwde dat ze weg wilde uit dit helse huis.

Die nacht werd de moeder wakker van een geluid. Toen ze haar ogen opende zag ze bij de voordeur een nieuwe vloer uit de grond schuiven. Ze sprong op uit het bed en rende door de deur naar buiten. Een nieuwe kamer groeide uit de voorkant van het huis, die de voordeur voor altijd afsloot.

(volgende week zondag deel 2)

bettephoto-largefileBette Adriaanse (Amsterdam, 1984) is schrijver en kunstenaar. Ze heeft Beeld en Taal gestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en een Master in Creative Writing aan de Universiteit van Oxford behaald. Ze werkt in verschillende media; ze schrijft verhalen en romans en maakt tekeningen en installaties.
Bette’s eerste roman Rus Like Everyone Else is in Amerika en Engeland gepubliceerd door Unnamed Press. De roman verschijnt in het Nederlands bij Uitgeverij Cossee.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Maar dan zonder gezicht

IMG_2033 (1)Afgelopen zaterdag zat ik met vriend Mattijs op een pleintje in de Watergraafsmeer. We dronken koud bier terwijl onze kinderen speelden. Hiernaast staat de perfecte foto van die dag. Helaas heb ik de kinderen onherkenbaar moeten maken.

Het klimrek op het Mariotteplein deed me denken aan de roestige speeltoestellen in de Palmentuin van Paramaribo, waar Nadim door mijn schuld op zijn gezicht viel, met een lelijke schaafwond als gevolg. Terwijl Mattijs een nieuw biertje voor ons opentrok, besefte ik dat mijn jongen sindsdien geen schram meer had opgelopen.

De kinderen reden rondjes op zo’n loodzwaar trapkarretje. Mattijs – een massieve kale man die streng kan ogen maar zacht van aard is – vertelde dat hij nu ouder is dan zijn vader was toen hij overleed; dat dit hem aan het denken heeft gezet over hoe hij de komende jaren zijn shit wil regelen.

Dit was het derde gesprek van deze strekking (niet de overleden vader, maar het regelen van shit) dat ik in één week meemaakte. Ik ben 43 en weet nog steeds niet hoe mijn toekomst eruit zal zien. Het is me nooit gelukt om langer dan drie maanden vooruit te denken, en hoewel dit me ongekende vrijheid heeft gegeven, heeft het er ook voor gezorgd dat ik tot dusver 6300 euro aan pensioen heb opgebouwd.

Ik was blij te zien dat de kinderen genoeg hadden van het trapkarretje. Nu renden ze elkaar achterna over de rubbertegels, wat er een stuk minder gevaarlijk uitzag. Toen ik ging verzitten zodat de zon niet in mijn ogen scheen, hoorde ik achter me een klap. Wonderlijk hoe een afgeleide ouder met drie bier in zijn mik temidden van honderden omgevingsgeluiden onmiddellijk weet dat dit de schedel van zijn kind tegen de rand van een picknicktafel was. Dertig seconden later fietste ik als een gek met mijn bloedende jongen naar het OLVG, waar ik hoopte dat mijn kegel geen vragen zou oproepen bij de dienstdoende arts. Hechten bleek niet nodig, en na een uurtje kwamen we met een dot wondlijm weg. Ik kocht een perenijsje voor Nadim en reed hem naar huis, waar hij zijn verhaal in horten en stoten aan zijn moeder deed.

B had de middag gebruikt om keihard te studeren. Zij heeft namelijk wél een toekomstplan, en ondanks ons grote leeftijdsverschil (ze is jonger) meer pensioen opgebouwd dan ik. Bij de frisheid van de open koelkast tuurde ik een tijdje naar een fles Riesling voor ik een alcoholvrij biertje koos en ging koken voor mijn hardwerkende vrouw en beschadigde kind. Nadim wilde weten of hij een litteken zou houden, zoals Scar van The Lion King. Hij vroeg of hij slecht zou worden, omdat iedereen met een litteken slecht was.

Ik zei dat zijn moeder ook een litteken had, wat hem gerust leek te stellen. B was niet boos omdat ik ons kind met een snee boven zijn wenkbrauw terug had gebracht, maar ik kon me niet aan het gevoel onttrekken dat dit onder haar hoede nooit zou zijn gebeurd, en terwijl ik nasi maakte met de rijst van zaterdag besefte ik dat het tijd werd om mijn shit te regelen.

________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

De konijnenplaag

De tuinman werd bij de koning geroepen.
‘Tuinman,’ zei de koning, ‘de hoftuin is getroffen door een plaag. Zie je dit?’
Voor de koning lag een worteltje op een zilveren dienblad.
‘Er is aan geknaagd,’ zei de koning, ‘maar niet door mij.’
De koning sloeg het dienblad met een klap door de troonzaal.
‘Dat zijn de konijnen,’ zei de tuinman. ‘Ze hebben nogal veel babies gekregen dit jaar, dus ze zitten overal.’ Zijn stem piepte een beetje want hij was zenuwachtig. Dit was zijn eerste overleg met de koning. Zijn vader was jarenlang hoftuinman geweest, maar zijn rug had het eindelijk begeven en hij lag kromgegroeid op bed. De jonge tuinman had alles wat er te weten viel over de tuin van zijn vader geleerd, die dat weer van zijn vader geleerd had, en die weer van zijn vader, enzovoort. Vanaf de eerste dag van zijn leven had de tuinman in de aarde rondgewroet. De laatste jaren had hij gemerkt dat hij vaak sneller en beter werkte dan zijn vader, en hij begon een eigen mening over het vak te vormen. Hoewel hij tegen zijn vader opkeek was hij vaak geïrriteerd door zijn vaders zachte aanpak. ‘Ongedierte kan je de tuin niet uitkletsen,’ zei hij wel eens tegen zijn vader als die zachtjes mompelend de jaarlijkse sprinkhanenplaag onderging.
‘We moeten gif sproeien.’
‘Ongedierte bestaat niet!’ riep zijn vader dan vastbesloten en elk jaar opnieuw gooiden ze zwijgend de gehele slaoogst op de composthoop. Maar nu was zijn vader afgeschreven en stond de jonge tuinman voor de koning.
‘De konijnen moeten weg,’ zei de koning. ‘Hoor je me?’
De tuinman schuifelde met zijn voeten.
‘Tja,’ zei hij voorzichtig. ‘Ik zou de konijnen wel kunnen vertellen dat ze weg moeten gaan, maar ik denk eigenlijk niet dat ze het zullen doen.’
‘Vertellen?’ zei de koning. ‘Je hoeft ze helemaal niets te vertellen. Maak ze maar af.’
De tuinman keek naar de grond.
‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Mijn vader-’
‘Je vader!’ riep de koning. ‘Jij bent nu toch de tuinman of niet soms? Het is van het grootste belang dat we van die beesten afkomen!’ Hij keek over zijn schouder naar zijn woordvoerder en knikte. ‘Vertel het hem maar.’
De woordvoerder van de Koning schoot uit de hoek van de zaal naar voren en legde zijn hand op de schouder van de tuinman. Met gedempte stem zei hij: ‘We hebben ontdekt dat de konijnen een ziekte verspreiden. Ik kan je er niet veel over vertellen, we kunnen niet hebben dat het bekend wordt, maar het treft voornamelijk de kinderen.’
De tuinman keek uit het raam. Hij zag de konijnen samenkomen in een hoek van de tuin en zich daarna verspreiden. Ze gingen bij de kinderen zitten.
De keel van de tuinman werd droog. ‘De konijnen klimmen bij de kinderen op schoot,’ zei hij. ‘Ze knabbelen aan hun oortjes en kruipen onder hun truien.’
‘Precies,’ zei de woordvoerder. ‘Het is verschrikkelijk. Ik begrijp het als je dit niet wil doen. Het vereist moed. Je zal boven je vader moeten uitstijgen, je zal een ridderorde krijgen en een standbeeld, iedereen zal je kennen en bedanken. Je zal nooit meer een doorsnee tuinman kunnen zijn, je zal een held zijn, en daar moet je tegen kunnen.’
Die nacht sloop de jonge tuinman langs zijn vader het bed uit, het veld in. Hij maakte alle konijnen af. Een voor een sneed hij hun nek door, de eerste was moeilijk, de tweede ging beter en na een tijdje kreeg hij er handigheid in. Het was een gigantisch werk dat de hele nacht duurde. De tuinman voelde geen moeheid. Hij voelde zich goed, hij scheurde de konijnen kapot, hij schreeuwde tegen ze, vuile konijnen, hij stak hun geniepige oogjes er uit en gooide hun kopjes in de lucht. Met zonsopgang was hij klaar en liep hij naar het paleis om zijn ridderorde op te halen.
De woordvoerder blokkeerde de deur. ‘Nog even over die konijnen,’ zei hij.
De woordvoerder kuchte.
‘Uiteindelijk is het onduidelijk of er wel of geen ziekte was die de konijnen wilden verspreiden. Er was een klein misverstand. En de koning was enigszins overstuur vanwege zijn wortel. Hij is nogal gehecht aan zijn wortels.’
‘Maar,’ zei de woordvoerder, ‘ik moet van hem zeggen dat hij je ontzettend dankbaar is. Ziekte of niet, je hebt fantastisch werk geleverd. Nu zijn we voor altijd van dat ongedierte af. Je bent nog steeds een held, je hoeft je in ieder geval niet te schamen. Maar het is beter om het er nooit meer over hebben. De koning wil het er nooit meer over hebben.’
De woordvoerder wenkte de wachters die de tuinman naar het tuinpad begeleiden.
‘Nogmaals ontzettend bedankt,’ riep de woordvoerder de tuinman na, die over het tuinpad naar zijn huis liep, in zijn laarzen die met elke stap aan de met bloed en dons besmeurde tegels bleven kleven.

Goudzand – een wereldboek

Ik heb mijn collega’s op de uitgeverij al een poos lastiggevallen met het voor mij veelbetekenende verhaal dat ik in 1990 op bezoek ging bij mijn broer die toen al enige tijd in Nicaragua woonde. Het was mijn eerste intercontinentale reis en vanuit het vliegveld (er lagen veel bemoedigende wrakken naast de landingsbaan) reden we in Grote Broers pick up naar zijn huis.

In de patio een hangmat, aan één zijde bevestigd aan een mangoboom. Mijn broer – die een groot lezer is en zijn volledige bibliotheek had laten verschepen voor de emigratie – duwde me het eerste deel van de memoires van Paustovski in handen, Verre jaren: ‘Ga jij dat maar even lezen, daar in de hangmat, dan kun je rustig een beetje wennen aan het klimaat.’

De volgende zes dagen bracht ik in die hangmat door, ik las de  zes delen memoires achter elkaar uit, een afdruk van het weefsel van de hangmat stond in mijn rug.

Nu zijn wij bij Van Oorschot in de gelukkige positie geraakt dat we die memoires opnieuw uit gaan geven, maar eerst nog even een kloek werk van een kleine 700 pagina’s met nieuw door Wim Hartog vertaald werk in de boekhandel konden brengen. Goudzand. Verhalen, dagboeken, brieven. Hoe was mijn leeservaring in vergelijking tot de eerste, van 26 jaar terug?

Paustovski’s werk beweegt met je leeftijd mee. Ik vind het precies even geniaal als toen, maar om andere redenen. Deze verzameling teksten is ook vooral zo bijzonder omdat verschillende genres door elkaar geplaatst zijn. Je leest dagboeken, soms bijna staccato, die op een rechterdij tijdens een vuurgevecht geschreven zijn, dan die ervaring verpakt in een brief aan een geliefde, dan net iets anders maar herkenbaar in een journalistiek stuk, en vervolgens in een verhaal.

Dit boek is voor iedereen die nog nooit van Paustovski hoorde. En voor wie alles al dacht te kennen. Maar bovenal is dit boek voor schrijvers, of wie schrijver worden wil. Want een technischer kijkje in de keuken zul je niet vinden.

Twee keer per dag viel er een mango in de hangmat, daar in Managua, die smaak zal wel voor eeuwig met deze lectuur verbonden blijven voor mij. Lees dit boek!

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Bedankt, Anne Eekhout – Welkom, Bette Adriaanse

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op regenachtige junizondagen kon u genieten van de verhalen van Anne Eekhout, die schreef over dertien jaar zijn. Namens Tirade – ook wij zijn dertien geweest – veel dank, Anne Eekhout! Meer Anne hier.

bettephoto-largefile

 

 

 

 

 

 

 

In juli kunt u iedere zondag proza lezen van Bette Adriaanse. Bette Adriaanse (Amsterdam, 1984) is schrijver en kunstenaar. Ze heeft Beeld en Taal gestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en een Master in Creative Writing aan de Universiteit van Oxford behaald. Ze werkt in verschillende media; ze schrijft verhalen en romans en maakt tekeningen en installaties.
Bette’s eerste roman Rus Like Everyone Else is in Amerika en Engeland gepubliceerd door Unnamed Press. De roman verschijnt in het Nederlands bij Uitgeverij Cossee.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)