Urban swimming

Philip Snijders, chroniqueur van de Westelijke Eilanden in Amsterdam heeft het in een van zijn boeken over een ‘dempie’ de naam van Amsterdammers daar woonachtig, voor kleine, van aaneengeslipt vuil samengestelde drijvende eilandjes. De grachten zijn in de loop van de geschiedenis idioot smerig geweest. Bijna alle Amsterdammers hebben nog meegemaakt dat de meeste woonboten loosden op de gracht. In de 17e en 18e eeuw was er betrekkelijk ontluisterend vieze industrie aan de gracht. Op huiselijke tafereeltjes uit de betoverende 17e eeuwse schilderkunst zie je bij lunchgerechten steevast een pul bier staan, heel wat beter dan water! In de 19e eeuw ontstond het idee vuil op te halen en zo de stad te ontlasten, Sarphati had dat lumineuze plan en verdiende dus wel dat er een park naar hem vernoemd werd. Ook in die tijd kon je op het Haarlemmerplein een emmer duinwater kopen voor 1 cent, vers drinkwater. De kwaliteit van het water was nog niet best, maar het bewustzijn van de risico’s steeg.

Later steeg ook de waterkwaliteit. En het is algemeen bekend dat Maxima een paar jaar terug meezwom in de eerste grachtenzwemtocht. Dat schijnt te gelden als een goed argument voor waterkwaliteit.

2016-07-13_161907Het beste argument is toch weer proefondervindelijk. Een paar maal per week zwem ik een rondje Prinseneiland. Urban Swimming. Zwemmen in de gracht geeft je een heel vreemd en onverwacht perspectief op een stukje van de  stad dat je dacht te kennen. Het is de wereld van de kades, beschoeiing, vegetatie aan de rand van water en land, planten die ik niet kende of vergeten was, de onderzijden van bruggen, het roest op schepen, de wereld onder piertjes die je van bovenaf niet ziet, de broedende eenden en waterhoentjes. 830 meter kade aan twee zijden. Het water stinkt niet, en is fris van temperatuur.

Hoe kan het dat het water zoveel schoner geworden is?  Hier en hier een uitgebreid antwoord. Het komt in het kort neer op betere riolering, minder lozing, zuivering. De grachten hoeven zelfs niet meer doorgespoeld, en dat bevordert de vegetatie. Vanaf dat het al een beetje beter gaat gaan dieren en planten namelijk meewerken: schoner water is meer licht, dan planten en dan vissen.

En dus loop ik tegenwoordig met een zwembroek aan uit mijn huis naar een steiger voor de plons. En denk steeds aan de Amsterdammers uit Snijders boeken die niet zouden kunnen geloven aan hogere waterkwaliteit.  Ik heb het ze ook zelf wel horen zeggen: ‘Tss, heb die pik geen centen voor het sportfondsenbad? Viespeuk.’

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

kort

De verkoudheid hoorde ik wat dagen terug op natte kleddervoetjes aansluipen. Die kan ik hebben, dacht ik, waardoor mijn intussen middels zelfmedelijden compleet geantropomorfiseerde virus dacht: dat zullen we nog wel eens zien, en me subiet opzadelde met náást koorts, een epische loopneus die ook verstopt zat en een rilruggengraat, ook een stevig robbertje projectielbraken.

Inmiddels kan ik hier heel trots over vertellen en als ik dat doe sta ik erbij als een ouwe piraat die langs de rand van de platte aarde gevaren is, zijn bemanning gestorven in het ruim en een papegaai die bezeten was door Satan zelf als gezelschap. Trots lacht hij een door het zuur en zout gehavend gebit bloot en als je ‘m een bakkie pleur aanbiedt zegt-ie ‘nou doe maar niet, proeven doe ik het niet en mijn maag is nog wat zwakjes, doe maar een geraspt appeltje met kaneel, hoogstens een halfje hoor, misschien wat ijsblokjes ernaast om op te sabbelen tegen de verhoging en de schrale keel, merci.’

Dan snuit hij zijn neus in een zakdoekje dat uit een pakje komt waar met Balsam opstaat, maar dat is niet erg, hij kan toch niet lezen, zijn contactlenzen zijn niet op tijd bezorgd.

U begrijpt. Ik houd het kort.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze schreef ook een roman: Onheilig (Querido).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het eindeloze huis (1)

1.

Een meisje werd geboren. Ze werd geboren in een klein huis in een dorp aan de woestijn. Net als de andere huizen in het dorp bestond dit huis maar uit één kamer, in ieder geval was dat zo aan het begin van dit verhaal. Na de eerste nacht van de baby was er namelijk een nieuwe deur in het huis verschenen, en achter die deur een nieuwe kamer. De nieuwe kamer was diep donkerrood met afgeronde hoeken en een laag plafond. Het was onmogelijk om de kamer binnen te gaan. Het was alsof er een onzichtbare muur in de deuropening zat.

Buiten verzamelden de mensen van het dorp zich om de uitbreiding van het huis te bekijken. De buitenmuren van de nieuwe kamer leken van een soort gespiegeld glas te zijn gemaakt, dat niet brak, hoe hard de dorpsbewoners er ook op ramden. De dorpsbewoners besloten de nieuwe kamer van het huis te negeren, want niemand snapte waarom en hoe het er gekomen was, en als je er lang over nadacht was het waarschijnlijker dat de kamer er eigenlijk helemaal niet was, dan dat het er wel was.

Maar zes maanden later, na een hete, droge zomernacht, gebeurde het weer. Een nieuwe kamer was aan het huis gegroeid. Deze nieuwe kamer zat op anderhalve meter boven de grond, en het was kleine, melkwitte ruimte. Toen de mensen uit het dorp de nieuwe kamer kwamen bekijken, nam een van de jongens de baby uit de wieg en hield haar voor de ruimte. De baby, Elvira genaamd, stak haar armpjes uit en raakte de binnenkant van de wanden van de kamer aan, wat geen van de dorpsbewoners gelukt was.

Terwijl de dorpsbewoners onder elkaar begonnen te fluisteren ‘de baby heeft er iets mee te maken’ begon de moeder te huilen. Ze trok de baby naar zich toe en joeg iedereen de deur uit. Na overleg op het tuinpad kwamen de dorpsbewoners tot een conclusie: de baby heeft de kamers de wereld in gedroomd. ‘De beste oplossing,’ schreeuwden ze door de voordeur naar de moeder, ‘is om de baby naar een ander dorp te brengen en hen er mee op te schepen.’

De moeder wilde hier niet van horen en weigerde iedereen toegang tot haar huis. Vanaf dat moment leefden de moeder en de baby samen, buitengesloten door de mensen in het dorp. De enige die nog op bezoek kwam was de oma van de kleine Elvira, die in de hoek van de kamer op een stoel met haar breinaalden zat te tikken, sjaals en dekentjes voor de kleine te maken. Weken en maanden en jaren gingen voorbij en er ontstond steeds vaker een kamer, op een gegeven moment kwam er elke week wel een nieuwe kamer bij. De mensen in het dorp probeerden het te negeren, maar het huis groeide steeds dichter naar hun huizen toe, en toen één van de nieuwe kamers een kippenren verpletterde kwamen ze met een grote hijskraan en tilden het huis op met de moeder en het kind er in en reden het vier dagen de woestijn in, waar ze het achterlieten.

2.

De moeder bleef in het huis met het kind Elvira. Dicht bij het huis was een oase, een beschut stuk vruchtbare grond aan een riviertje, waar ze een groentetuintje aanlegde, en waar rondtrekkende handelaars vaak hun kamp opsloegen. Van de handelaars kreeg de moeder meel en vlees, in ruil daarvoor mochten ze het huis zien, en wees ze hen de wonderlijke kamers aan. Zo ging het een tijd goed. Het meisje groeide op tot een lief kind, die veel kletste, uren naar balletshows op de kleine zwart-wit televisie in de woonkamer keek (ze hadden een schotel) en haar moeder hielp met het maken van deeg. Ze kwam alleen niet graag het huis uit, en toen ze te groot werd om op te pakken weigerde ze het huis nog te verlaten. Toen het kind begon te lopen gebeurde het vaak dat ze in de nieuwe gangen en kamers van het huis verdween, waar haar moeder haar niet kon volgen, en pas na lange tijd weer tevoorschijn kwam.

Intussen werd het huis alleen maar groter. Het was moeilijk om van buiten de omtrek te zien, omdat de muren van hetzelfde glas gemaakt waren als die van de eerste kamer, en de omgeving weerspiegelden. Van de buitenkant was alleen nog de voordeur van het oorspronkelijke huis zichtbaar. Er waren eindeloze gangen, verdiepingen, en hele nieuwe vleugels aan het huis gegroeid. De moeder kon zweren dat ze soms geluiden uit de kamers hoorde komen, en af en toe stond er een deur open en dacht de moeder dat ze een schim door de gangen zag bewegen. Het meisje vertelde vreemde verhalen als ze terug kwam van een tocht door de nieuwe kamers. Ze beschreef mensen die de moeder nooit ontmoet had, en gebeurtenissen die onmogelijk zouden moeten zijn.

Op een nacht, toen het meisje weer dagenlang vermist was geweest in één van de vleugels van het huis en de moeder wanhopig haar naam door de deuren schreeuwde, zag ze in de gang een oude vrouw lopen. De vrouw keek opzij, en de moeder herkende de oma die ze hadden achtergelaten in het dorp. Ze hield breipennen vast, die ze ritmisch tegen elkaar liet tikken. Toen de oma de moeder zag, stak ze haar armen naar haar uit en liep ze naar haar toe. Gillend gooide de moeder de deur dicht en schreeuwde dat ze weg wilde uit dit helse huis.

Die nacht werd de moeder wakker van een geluid. Toen ze haar ogen opende zag ze bij de voordeur een nieuwe vloer uit de grond schuiven. Ze sprong op uit het bed en rende door de deur naar buiten. Een nieuwe kamer groeide uit de voorkant van het huis, die de voordeur voor altijd afsloot.

(volgende week zondag deel 2)

bettephoto-largefileBette Adriaanse (Amsterdam, 1984) is schrijver en kunstenaar. Ze heeft Beeld en Taal gestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en een Master in Creative Writing aan de Universiteit van Oxford behaald. Ze werkt in verschillende media; ze schrijft verhalen en romans en maakt tekeningen en installaties.
Bette’s eerste roman Rus Like Everyone Else is in Amerika en Engeland gepubliceerd door Unnamed Press. De roman verschijnt in het Nederlands bij Uitgeverij Cossee.

Maar dan zonder gezicht

IMG_2033 (1)Afgelopen zaterdag zat ik met vriend Mattijs op een pleintje in de Watergraafsmeer. We dronken koud bier terwijl onze kinderen speelden. Hiernaast staat de perfecte foto van die dag. Helaas heb ik de kinderen onherkenbaar moeten maken.

Het klimrek op het Mariotteplein deed me denken aan de roestige speeltoestellen in de Palmentuin van Paramaribo, waar Nadim door mijn schuld op zijn gezicht viel, met een lelijke schaafwond als gevolg. Terwijl Mattijs een nieuw biertje voor ons opentrok, besefte ik dat mijn jongen sindsdien geen schram meer had opgelopen.

De kinderen reden rondjes op zo’n loodzwaar trapkarretje. Mattijs – een massieve kale man die streng kan ogen maar zacht van aard is – vertelde dat hij nu ouder is dan zijn vader was toen hij overleed; dat dit hem aan het denken heeft gezet over hoe hij de komende jaren zijn shit wil regelen.

Dit was het derde gesprek van deze strekking (niet de overleden vader, maar het regelen van shit) dat ik in één week meemaakte. Ik ben 43 en weet nog steeds niet hoe mijn toekomst eruit zal zien. Het is me nooit gelukt om langer dan drie maanden vooruit te denken, en hoewel dit me ongekende vrijheid heeft gegeven, heeft het er ook voor gezorgd dat ik tot dusver 6300 euro aan pensioen heb opgebouwd.

Ik was blij te zien dat de kinderen genoeg hadden van het trapkarretje. Nu renden ze elkaar achterna over de rubbertegels, wat er een stuk minder gevaarlijk uitzag. Toen ik ging verzitten zodat de zon niet in mijn ogen scheen, hoorde ik achter me een klap. Wonderlijk hoe een afgeleide ouder met drie bier in zijn mik temidden van honderden omgevingsgeluiden onmiddellijk weet dat dit de schedel van zijn kind tegen de rand van een picknicktafel was. Dertig seconden later fietste ik als een gek met mijn bloedende jongen naar het OLVG, waar ik hoopte dat mijn kegel geen vragen zou oproepen bij de dienstdoende arts. Hechten bleek niet nodig, en na een uurtje kwamen we met een dot wondlijm weg. Ik kocht een perenijsje voor Nadim en reed hem naar huis, waar hij zijn verhaal in horten en stoten aan zijn moeder deed.

B had de middag gebruikt om keihard te studeren. Zij heeft namelijk wél een toekomstplan, en ondanks ons grote leeftijdsverschil (ze is jonger) meer pensioen opgebouwd dan ik. Bij de frisheid van de open koelkast tuurde ik een tijdje naar een fles Riesling voor ik een alcoholvrij biertje koos en ging koken voor mijn hardwerkende vrouw en beschadigde kind. Nadim wilde weten of hij een litteken zou houden, zoals Scar van The Lion King. Hij vroeg of hij slecht zou worden, omdat iedereen met een litteken slecht was.

Ik zei dat zijn moeder ook een litteken had, wat hem gerust leek te stellen. B was niet boos omdat ik ons kind met een snee boven zijn wenkbrauw terug had gebracht, maar ik kon me niet aan het gevoel onttrekken dat dit onder haar hoede nooit zou zijn gebeurd, en terwijl ik nasi maakte met de rijst van zaterdag besefte ik dat het tijd werd om mijn shit te regelen.

________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

De konijnenplaag

De tuinman werd bij de koning geroepen.
‘Tuinman,’ zei de koning, ‘de hoftuin is getroffen door een plaag. Zie je dit?’
Voor de koning lag een worteltje op een zilveren dienblad.
‘Er is aan geknaagd,’ zei de koning, ‘maar niet door mij.’
De koning sloeg het dienblad met een klap door de troonzaal.
‘Dat zijn de konijnen,’ zei de tuinman. ‘Ze hebben nogal veel babies gekregen dit jaar, dus ze zitten overal.’ Zijn stem piepte een beetje want hij was zenuwachtig. Dit was zijn eerste overleg met de koning. Zijn vader was jarenlang hoftuinman geweest, maar zijn rug had het eindelijk begeven en hij lag kromgegroeid op bed. De jonge tuinman had alles wat er te weten viel over de tuin van zijn vader geleerd, die dat weer van zijn vader geleerd had, en die weer van zijn vader, enzovoort. Vanaf de eerste dag van zijn leven had de tuinman in de aarde rondgewroet. De laatste jaren had hij gemerkt dat hij vaak sneller en beter werkte dan zijn vader, en hij begon een eigen mening over het vak te vormen. Hoewel hij tegen zijn vader opkeek was hij vaak geïrriteerd door zijn vaders zachte aanpak. ‘Ongedierte kan je de tuin niet uitkletsen,’ zei hij wel eens tegen zijn vader als die zachtjes mompelend de jaarlijkse sprinkhanenplaag onderging.
‘We moeten gif sproeien.’
‘Ongedierte bestaat niet!’ riep zijn vader dan vastbesloten en elk jaar opnieuw gooiden ze zwijgend de gehele slaoogst op de composthoop. Maar nu was zijn vader afgeschreven en stond de jonge tuinman voor de koning.
‘De konijnen moeten weg,’ zei de koning. ‘Hoor je me?’
De tuinman schuifelde met zijn voeten.
‘Tja,’ zei hij voorzichtig. ‘Ik zou de konijnen wel kunnen vertellen dat ze weg moeten gaan, maar ik denk eigenlijk niet dat ze het zullen doen.’
‘Vertellen?’ zei de koning. ‘Je hoeft ze helemaal niets te vertellen. Maak ze maar af.’
De tuinman keek naar de grond.
‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Mijn vader-’
‘Je vader!’ riep de koning. ‘Jij bent nu toch de tuinman of niet soms? Het is van het grootste belang dat we van die beesten afkomen!’ Hij keek over zijn schouder naar zijn woordvoerder en knikte. ‘Vertel het hem maar.’
De woordvoerder van de Koning schoot uit de hoek van de zaal naar voren en legde zijn hand op de schouder van de tuinman. Met gedempte stem zei hij: ‘We hebben ontdekt dat de konijnen een ziekte verspreiden. Ik kan je er niet veel over vertellen, we kunnen niet hebben dat het bekend wordt, maar het treft voornamelijk de kinderen.’
De tuinman keek uit het raam. Hij zag de konijnen samenkomen in een hoek van de tuin en zich daarna verspreiden. Ze gingen bij de kinderen zitten.
De keel van de tuinman werd droog. ‘De konijnen klimmen bij de kinderen op schoot,’ zei hij. ‘Ze knabbelen aan hun oortjes en kruipen onder hun truien.’
‘Precies,’ zei de woordvoerder. ‘Het is verschrikkelijk. Ik begrijp het als je dit niet wil doen. Het vereist moed. Je zal boven je vader moeten uitstijgen, je zal een ridderorde krijgen en een standbeeld, iedereen zal je kennen en bedanken. Je zal nooit meer een doorsnee tuinman kunnen zijn, je zal een held zijn, en daar moet je tegen kunnen.’
Die nacht sloop de jonge tuinman langs zijn vader het bed uit, het veld in. Hij maakte alle konijnen af. Een voor een sneed hij hun nek door, de eerste was moeilijk, de tweede ging beter en na een tijdje kreeg hij er handigheid in. Het was een gigantisch werk dat de hele nacht duurde. De tuinman voelde geen moeheid. Hij voelde zich goed, hij scheurde de konijnen kapot, hij schreeuwde tegen ze, vuile konijnen, hij stak hun geniepige oogjes er uit en gooide hun kopjes in de lucht. Met zonsopgang was hij klaar en liep hij naar het paleis om zijn ridderorde op te halen.
De woordvoerder blokkeerde de deur. ‘Nog even over die konijnen,’ zei hij.
De woordvoerder kuchte.
‘Uiteindelijk is het onduidelijk of er wel of geen ziekte was die de konijnen wilden verspreiden. Er was een klein misverstand. En de koning was enigszins overstuur vanwege zijn wortel. Hij is nogal gehecht aan zijn wortels.’
‘Maar,’ zei de woordvoerder, ‘ik moet van hem zeggen dat hij je ontzettend dankbaar is. Ziekte of niet, je hebt fantastisch werk geleverd. Nu zijn we voor altijd van dat ongedierte af. Je bent nog steeds een held, je hoeft je in ieder geval niet te schamen. Maar het is beter om het er nooit meer over hebben. De koning wil het er nooit meer over hebben.’
De woordvoerder wenkte de wachters die de tuinman naar het tuinpad begeleiden.
‘Nogmaals ontzettend bedankt,’ riep de woordvoerder de tuinman na, die over het tuinpad naar zijn huis liep, in zijn laarzen die met elke stap aan de met bloed en dons besmeurde tegels bleven kleven.

Goudzand – een wereldboek

Ik heb mijn collega’s op de uitgeverij al een poos lastiggevallen met het voor mij veelbetekenende verhaal dat ik in 1990 op bezoek ging bij mijn broer die toen al enige tijd in Nicaragua woonde. Het was mijn eerste intercontinentale reis en vanuit het vliegveld (er lagen veel bemoedigende wrakken naast de landingsbaan) reden we in Grote Broers pick up naar zijn huis.

In de patio een hangmat, aan één zijde bevestigd aan een mangoboom. Mijn broer – die een groot lezer is en zijn volledige bibliotheek had laten verschepen voor de emigratie – duwde me het eerste deel van de memoires van Paustovski in handen, Verre jaren: ‘Ga jij dat maar even lezen, daar in de hangmat, dan kun je rustig een beetje wennen aan het klimaat.’

De volgende zes dagen bracht ik in die hangmat door, ik las de  zes delen memoires achter elkaar uit, een afdruk van het weefsel van de hangmat stond in mijn rug.

Nu zijn wij bij Van Oorschot in de gelukkige positie geraakt dat we die memoires opnieuw uit gaan geven, maar eerst nog even een kloek werk van een kleine 700 pagina’s met nieuw door Wim Hartog vertaald werk in de boekhandel konden brengen. Goudzand. Verhalen, dagboeken, brieven. Hoe was mijn leeservaring in vergelijking tot de eerste, van 26 jaar terug?

Paustovski’s werk beweegt met je leeftijd mee. Ik vind het precies even geniaal als toen, maar om andere redenen. Deze verzameling teksten is ook vooral zo bijzonder omdat verschillende genres door elkaar geplaatst zijn. Je leest dagboeken, soms bijna staccato, die op een rechterdij tijdens een vuurgevecht geschreven zijn, dan die ervaring verpakt in een brief aan een geliefde, dan net iets anders maar herkenbaar in een journalistiek stuk, en vervolgens in een verhaal.

Dit boek is voor iedereen die nog nooit van Paustovski hoorde. En voor wie alles al dacht te kennen. Maar bovenal is dit boek voor schrijvers, of wie schrijver worden wil. Want een technischer kijkje in de keuken zul je niet vinden.

Twee keer per dag viel er een mango in de hangmat, daar in Managua, die smaak zal wel voor eeuwig met deze lectuur verbonden blijven voor mij. Lees dit boek!

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Julien Ignacio"
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler