Max Groen – Geluk en logisch nadenken

Café Reynders is een cafe op het Leidseplein waar in de ochtend nog enkele stamgasten rondhangen maar daarbuiten voornamelijk nog toeristen komen die, zoals Jules Deelders het ooit zei, “je het vreten uit je bek kijken.” Desondanks sluimert er nog een zweem van ouderwetse charme. En aan de muur hangt een foto van mijn opa, Max Groen. Net als vermoedelijk alle andere personen achter de portretten is hij inmiddels overleden. Af en toe ga ik Reynders binnen. Ik ga precies zitten waar hij zat – op een bankje tegen de muur met een goed uitzicht op zowel bakboord als stuurboord – en vraag om de combinatie waar ik later toch weer spijt van krijg: koffie verkeerd met tosti kaas. Soms houd ik een barman aan en vraag hem of hij de oude heer nog gekend heeft. Laatst was het raak en liet de man in kwestie vallen dat mijn opa altijd chagrijnig binnenkwam, maar na een paar borreltjes langzaam maar zeker weer wat opbloeide. Volgens mij was hij niet per se slechtgehumeurd, maar gewoon kritisch. Hij stierf toen ik zelf veertien lentes telde. De laatste keer dat ik hem zag was een paar maanden daarvoor, met Pinksteren. Mijn vader duwde de rolstoel van zijn vader voort over de Jordanese straten en we zongen in koor ‘Op een mooie pinksterdag’ van Jongewaard en van den Heuvel.

Morgen kan ze zwanger zijn, misschien ook wel vandaag. ’t Kan van de behanger zijn of van een Franse zanger zijn, of iemand uit Den Haag 

De 86-jarige Max maakte destijds de gewoonlijke complimenten over mijn mooie lange haar en hij was naarstig op zoek naar een bosje bloemen voor zijn vriendin Eef. Ik herinner me hem als een man met ongekende, hopelijk genetisch overdraagbare charme en een karakteristieke kop met zwarte pretogen, die toen hij in de vijver van Artis viel als eerste wilde weten of zijn sigaretten nog wel droog waren. De zomerse postkaarten uit Spanje met daarop Flamencodanseressen heb ik tot op de de dag van vandaag bewaard. Evenals het zilveren tientje uit ’45 dat hij ooit in mijn handen drukte. Later vroeg ik me af of hij bij dat jaartal had stilgestaan.

Voor hij ’s ochtends neerstreek op zijn vaste stek in Reynders, kocht Max elke dag een Telegraaf bij het mannetje nabij de tramhalte op het Leidseplein. Men zei dat de Telegraaf fout was geweest in de oorlog, maar ja, dat mannetje moest ook wat geld verdienen. Hijzelf was na de oorlog verder getrokken en voor wrok was in het dagelijks leven weinig tot geen plaats. Hij vertaalde Engelse en Franstalige films naar het Nederlands (waaronder de enige James Bond film die ooit een Nederlandse naam kreeg – From Russia with Love, treffend vertaald naar Veel liefs uit Moskou), werkte als omroeper bij de radio, speelde gastrollen in tv-drama’s en versierde een hele zwerm beeldschone vrouwen. Was hij een simpele rokkenjager, of had hij voor zichzelf besloten om zich niet te verontschuldigen voor zijn liefhebberijen en de dagen te plukken?

Over de oorlog had hij het niet graag, en ik vroeg hem er ook nooit naar. Maar ik las na zijn dood wel het boek De tocht opnieuw dat zijn vriend Ton Kors – inmiddels ook overleden – schreef over de reis die ze maakten in ’89, mijn geboortejaar. Samen gingen ze terug naar de zes kampen die Max overleefde, per trein, in tegenovergestelde richting: van bevrijding naar internering. Thuis hadden we het niet vaak over dit verleden en mijn vader had me als klein meisje al beloofd dat ik het zou mogen lezen als ik er oud genoeg voor was.

Op mijn 20ste ging er uiteindelijk een verhalenwereld voor me open. Ik las dat Max werd geselecteerd voor een geheime groep – commando ‘Bernhard’ – om valse dollar- en pondbiljetten te drukken waarmee de nazi’s hoopten de Engelse economie te ontwrichten. Ik las over het onwaarschijnlijke entertainment in de kampen; de cabaret-voorstellingen die hij en zijn beste vriend in elkaar flansten en opvoerden pal voor de neus van Duitsers en krijgsgevangenen, soms in ruil voor sigaretten. Die ruilde zijn vriend voor brood, maar hijzelf zocht een stil moment om ze genietend in rook op te laten gaan. Ook las ik over de liedjes die ze verzonnen en vervolgens zongen. Het plezier, de leuke momenten die hij zich levendiger kon herinneren dan de oorlogsgruwelen. Over geluk en logisch nadenken.

En op een vreemde manier voelde en voel ik me verbonden met deze overlevingsverhalen, met het personage dat ik via een waargebeurd verhaal beter heb leren kennen dan ik de ondeugende man die mijn lange haren aanbad, ooit persoonlijk heb gekend. Het boek wordt inmiddels niet meer gedrukt en meer dan één familielied struint wekelijks de digitale markten af, op zoek naar doorgeef-exemplaren. Gelukkig is er ook het digitale tijdperk en kan nu in principe iedereen kennis nemen van de oude heer. En dat vind ik belangrijk, want met steeds minder in leven zijnde overlevenden, mogen de verhalen niet verdwijnen.

Een interview met Max door een nog jonge Paul Witteman: https://www.youtube.com/watch?v=LVbnR_LpI8Q

Op een mooie pinksterdag: https://www.youtube.com/watch?v=TWs3wmYwxEA

 

______________________________________________________________________

 

11066010_10152982469904353_7538317002007962637_nAmarantha Groen (1989) publiceerde in Tirade, de Brakke Hond, Meander, Met Andere Zinnen, Krakatau, Daidallein, en Op Ruwe Planken. In juni blogt ze iedere zondag op Tirade.nu.

 

In de Oorshop

Kellendonk

Hoe spreek je iemand aan die je nooit hebt gekend? Zeg je dan u, noem je hem dweperig bij zijn voornaam, is het ‘meneer Kellendonk’ voor mij? Laten we de aanhef overslaan, Maastricht, zevenentwintig mei tweeduizendvijftien.

(…)-021

In een nogal boze brief aan Oek de Jong schreef je dat taal het contact met de wereld is, dat er een diepzinnige overeenkomst bestaat tussen taal en lichaam, tussen praten en vrijen. Tegelijkertijd is elke uitdrukking per definitie een vervalsing, gaat alles wat echt is ten onder in wat jij het taalgebeuren noemde. We schrijven juist omdat de wereld niet in woorden uitgedrukt kan worden, maar pratend, schrijvend blijven we nog altijd achter met dat alles wat we niet delen en ook nooit kunnen delen, al het gevoel dat niet kan worden uitgedrukt, nooit echt zoals het is, dat daarom altijd eenzaam blijft en strikt persoonlijk en als zodanig waardeloos.

Dat laatste, die twijfel – zoals, ik citeer vrij, wanneer je je bedenkt dat de stoel waarop je zit voor het overgrote deel uit leegte bestaat en verder uit een paar losse atoompjes, of als je je afvraagt hoe je zo zeker weet dat je van alles gemeen hebt met andere mensen – die twijfel geldt voor iedereen. Maar misschien des te meer voor schrijvers, die per definitie moeten liegen om iets echts te maken; op papier komt niets zo gekunsteld over als een bekentenis recht uit het hart.

 

(Dit is een fragment uit een brief aan Frans Kellendonk. De hele brief, waarin onder andere giraffen, beren en troostmachines een rol spelen, lees ik zondag 7 juni voor in de Tolhuistuin).

IMG_0499Wytske Versteeg schreef Dit is geen Dakloze, De Wezenlozen en Boy. Haar 3e roman, Quarantaine, verschijnt deze herfst.

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Een goede morgen met’ 4

00:20:12

Richard Wagner, Parsifal, Vorspiel (1878); Berliner Philharmoniker olv Daniel Barenboim.

00:34:00

In de tijd dat de VPRO nog op Radio 4 uitzond, had je Senza Parole: uiteenlopende muziek zonder presentator, soms overhellend naar easy listening, meestal om echt naar te luisteren en je door te laten verrassen; de soundtrack van een niet bestaande film, een klanklandschap. Het was een programma waar hij destijds graag naar luisterde en het zou me niet verbazen als dat van invloed is geweest op zijn keuze voor vandaag. Hoewel ik dan wel de ouverture Dichter und Bauer had verwacht, begeleid door straatgeluiden, waarmee hij opnieuw in het dorp van zijn jeugd het huis uit zou worden gelokt, de straat op, onopgemerkt tussen het zaterdagavondpubliek zou terechtkomen, sommigen schuin tegen de stang van hun fiets geleund, aan de rand van het water, waarboven, in de zwakke belichting van de muziektent, de fanfare zou zitten, in een ongekende intimiteit. Toen hij nog jonger was, had hij deze muziek al vanuit bed gehoord; zijn hele verdere leven zou die hem aan het dorp doen terugdenken. Wanneer wordt iemand dichter?

De ouverture staat niet op de speellijst, maar wel iets anders dat hem moet hebben herinnerd aan de muziekkorpsen op dorp. Als kind is hij weet ik hoe vaak met andere kinderen meegelopen achter fanfare Na Lang Streven of fluitclub Juliana, het hele dorp door – met zijn allen op afstand gehouden door gekke Ai. Eén keer per jaar, bij een concours, kwamen er ook korpsen uit omliggende dorpen. Dan wist je niet meer, vertelde hij, waar je moest lopen; liep je achter het ene korps, dan hoorde je drie andere. Op gehoorsafstand lopen was sowieso onmogelijk; hoe ver kon hij ’s avonds in bed niet de weg van een bromfiets de polder in volgen.

Net als hij moet ook Charles Ives, tientallen jaren eerder, achter de fanfare hebben gelopen; zo lijkt diens kakofonie van tegelijk spelende muziekkorpsen op wat hij zich herinnert. The Fourth of July heet het deel van de Holidays Symphony waarin dat feest der herinnering wordt gevierd, en ook dat klopt, want concoursen horen bij de zomer. Eerst hoor je nog de bijna gewijde stilte als vanaf de muziektent, daarna spat die stilte uit elkaar in een vuurwerk van geluiden en ontstaat er, ook al zal Ives een stad in zijn hoofd hebben gehad, een dorp van een en al klank.

Voor kleiner werk van Ives bleek hij net zo gevoelig; dat heeft hij mij herhaaldelijk laten merken. Na de herhalingen van de solotrompet in The Unanswered Question begon hij vaak herinneringen op te halen aan een vroege voorjaarsavond waarop hij over dorp fietsend uit een schuur het geluid van moeizame koperblazers hoorde, het ‘oef’nen van de hoempa’s’, zoals Redbad Fokkema het in een van zijn vele muziekgedichten had geformuleerd. Zijn eigen verleden werd op die manier in dit verstilde stuk en in het verwante Central Park in the Dark behalve tot een herinnering opgerekt tot iets universeels, al wist hij dat nog niet te benoemen.

Pas toen hij las dat Ives die stukken eerst respectievelijk A Contemplation of a Serious Matter en A Contemplation of Nothing Serious had willen noemen, begreep hij hoe het kwam dat bij het horen ervan niet alleen verre herinneringen een plaats kregen in zijn heden van denken en formuleren, maar dat dan de diepste paradoxen omhoog werden gebracht: de filosofische paradox van ernst en onernst tegelijk, de artistieke van zwaarte en lichtheid, de psychische van rust en rusteloosheid. Dat was wat deze muziek in hem teweeg bracht, dat was wat misschien wel alle muziek die er voor hem toe deed, teweeg bracht.

00:36:32

Charles Ives, Holidays Symphony, dl. 3, The Fourth of July (1912); San Francisco Symphony olv Michael Tilson Thomas.

00:42:20

 

adzuiderent Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

Lang leve de hipster

Er is geen modestroming die zoveel voor mijn geluk betekend heeft als het hipsterisme. Hoewel ik – in ieder geval in mijn eigen ogen – te oud ben om er in alle opzichten aan deel te nemen, geniet ik elke dag van die jongemannen op hun fixies, met hun arbeidsintensieve haar, baarden en tatoeages. Ik houd van hun gestreepte kousjes en smetteloze linnen instappers. Hun (in West-Europa!) handgemaakte spijkerbroeken eindigen halverwege hun enkels en accentueren hun liefst spillige benen. Ze fitnessen niet en dragen dure witte T-shirts waarvan ze de mouwen oprollen tot bovenaan liefst iele vogelarmpjes*.

Ik weet niet hoe de twintiger er over tien jaar uit zal zien, maar het kan niet veel beter zijn dan dit. Die hele uitstraling is zo ontzettend vriendelijk, zo verzorgd en fris. Zo grappig ook, al zullen ze dat zelf anders zien.

Hipsters geloven in kleinschaligheid, ambacht, duurzaamheid. Ze maken degelijke schoenen en fietsen. Ze bakken hun brood in steenovens en brouwen fantastisch bier op zonne-energie. Tegenwoordig kan ik overal goede koffie krijgen, en espressobonen kopen die door iemand met een master antropologie geroosterd zijn. Een volwassen autochtone man die een baan bij de overheid had kunnen krijgen, maar niets liever doet dan met de hand te donkere boontjes verwijderen uit een paar kilo gloeiendhete Batch no. 3 Colombino Dark.

Laatst heb ik een gin-tonic gedronken met gevijzelde gefermenteerde jasmijnbloesems erin. En het was geen bullshit: alle smaakjes klopten, van de Japanse gin tot de obscure Duitse tonic en het kleine krulletje uitgeknepen bergamotschil.

Eindelijk krijg ik genoeg ijs in mijn drankjes.

Op steeds meer plekken in de stad kun je eten zonder op je bord schuim of gelbolletjes tegen te komen. Onlangs maakte ik mee dat twee mooie, slanke meisjes van een jaar of vijfentwintig aan een tafeltje naast me een gehalveerde varkenskop leeglepelden.

Ik hoop dat de hipster een blijvertje is. En zo niet: de kringen van een steen die je in de randstad te water laat, dijen nog jaren de provincie in. Misschien ga ik dan wel weg uit Amsterdam, de hipsters achterna.

 

* Ja, ik weet dat vogels geen armen hebben, maar je begrijpt wat ik bedoel.

________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind. 

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Paard

OLYMPUS DIGITAL CAMERANa dagen kwam ik weer uit het woud tevoorschijn. Het regende hard. Tussen de bomen door zag ik de lichtjes van andere mensen en iemand zei: ‘welkom terug in de beschaving.’

Op een veranda spraken twee vrouwen met elkaar over de zelfmoord van Robin Williams. Ze hadden harde stemmen. Een van hen had hem ooit ergens zien optreden.

‘Het was een ramp’, zei ze, ‘hij was helemaal niet te verstaan.’

‘That just goes to show’, zei de ander. Ze zei er niet bij wat precies.

Ik kocht een ijsje omdat hier niets anders te koop was, het ijs was wit en zoet. Ik vroeg me af wat het betekende dat uitgerekend de man die in films altijd iedereen had troostte, iedereen redde, nu zichzelf had gedood.

Ondertussen ging de zon felroze onder. Het zou mooi zijn geweest als er een paard was, om nu langzaam op weg te rijden.

 

   Wytske Versteeg (1983) schreef Dit is geen Dakloze, De Wezenlozen en Boy. Haar nieuwe roman, Quarantaine, zal dit najaar verschijnen.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Machiel Jansen"
    Machiel Jansen

    Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

  • "Foto van Inez van de Ven"
    Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.