Bezinningseiland 5

Vorige week  Bezinningseiland 4. Vandaag Deel 5 (slot):

Over een half uur mogen we aan boord. We zitten op een houten bankje in de haven. Jasper is op mijn schouder in slaap gevallen. Uit de koffieautomaat van de rederij komt een donkerbruin, waterig goedje, maar na vannacht ben ik blij met alles dat de schijn van cafeïne heeft.

Het is gebeurd, Alex: ik ben betrokken geraakt.

***

Irma had alle ‘bezinners’ verzameld in de lobby. Ze deelde zaklampen uit. Jasper was zonder jas, zonder telefoon, zonder een woord verdwenen, maar dat weerhield haar er niet van om ons stralend op speurtocht te sturen. Haar humeur is onkreukbaar. Ludo stond achter de balie met zijn armen in de lucht.

‘Hij kan niet ver zijn,’ mompelde de coach. ‘Jaspers energie is dichtbij.. zijn energie is.. in de stilte.’

Met die aanwijzing moesten we het doen.

De kille oostenwind blies ons over het strand. Claudia ging voorop, de rest van de ‘bezinners’ waaierden achter haar aan. We vliegerden langs de kust en schreeuwden zijn naam tot we schor waren, maar de zee raasde over onze kreten heen en Jasper antwoordde niet. Onze zaklampen waren niet opgewassen tegen het donker. Het enige licht in de wijde omtrek kwam van ’t Zonnegloor, waar Irma en Ludo de Levende Antenne waren achtergebleven om de schommelingen in Jaspers energie te volgen. Ik snakte naar een sigaret.

Toen Claudia voorstelde om ons op te splitsen en in kleine groepjes verder te zoeken, greep ik mijn kans en snelde de duinen in voor een peuk.

Je voelt de bui al hangen, Alex. Ik wilde hem niet vinden, maar het universum keek vannacht de andere kant op. Net toen ik mijn eerste haal nam, hoorde ik het: een iel stemmetje dat zong dat de meeste dromen bedrog zijn. Ik volgde het geluid. Het licht van mijn zaklamp viel op de resten van een konijn en verse voetstappen in het zand. Ik kwam bij de bakstenen muren en vond het pad dat stijl omlaag liep. Voorzichtig ging ik het bunkerpad af. Het zingen werd harder – en valser.

‘Jasper?’

Ik hoorde gesnik uit een van de bunkers komen. En daar zat hij; in een zwembroek en zijn Batman shirt. Hij was doorweekt. Jasper knipperde tegen het licht.

‘Wat doe je hier?’

Ik kroop de bunker in en ging naast hem zitten, gaf hem mijn extra trui die hij dankbaar aantrok. Het rook er naar pis. Jasper sloeg zijn armen om zijn knieën en begon langzaam te wiegen.

‘De zee,’ snikte hij. ‘Ik dacht als ik in de zee.. dat de vlekken dan..’ Zijn schouders schokten. ‘Maar het komt er niet af!’

‘Je kunt hier niet blijven zitten, Jasper. We moeten terug.’

‘Ik word nooit schoon!’ riep hij, heviger wiegend. ‘Zoveel weerstand, zoveel weerstand..’

Er zat niets anders op, Alex. Ik moest het proberen: ‘Dat is gezond,’ zei ik in mijn beste Hallmarks. ‘Weerstand is gezond, Jasper. Het beschermt je tegen aan-doeningen, tegen slechte in-vloeden van buitenaf, tegen mensen zoals-‘

‘Maar ik ben narcistisch! Ik ben–’

‘Je bent vooral in de war.’

Hij begon harder te huilen. De zaklamp flikkerde. Het licht werd zwakker.

‘Dat bedoelde ik niet zo,’ zei ik snel. ‘Ik ben ook in de war! We zijn allemaal in de war. Daarom zijn we hier tenslotte, om ons te bezinnen. En bezinnen is..’

‘..opnieuw beginnen?’

‘Precies!’ Nooit eerder kwam een slechte slogan me zo goed van pas. ‘Het is een kwestie van perceptie, Jasper. De werkelijkheid is een kwestie van perceptie. Nou, doe je ogen dicht,’ zei ik, terwijl ik mijn hand op zijn schouder legde. Natuurlijk had ik geen idee wat ik aan het doen was, Alex. Maar hij stopte met wiegen en deed wat ik zei. Autoriteit is tenslotte ook een kwestie van perceptie.

‘Laten we op-nieuw beginnen, Jasper. Laten we doen alsof het vrijdagmiddag is, hm? Laten we doen alsof we weer op de boot zitten.’

Hij veegde zijn neus af aan zijn mouw en rilde. Even was ik bang dat hij weer zou gaan huilen, maar Jasper keek me alleen treurig aan. ‘Ik wil naar huis,’ zei hij.

Op dat moment gaf de zaklamp er de brui aan. Jasper gilde van schrik.

‘Kom,’ zei ik. ‘Ik breng je naar huis.’

Ik hielp mijn nieuwe beste vriend overeind en bij het licht van mijn aansteker kropen we de bunker uit. Hij gaf me een plakkerige hand. Op de tast vonden we onze weg naar ’t Zonnegloor.

***

Het eiland verdwijnt langzaam uit zicht. Er is niemand op het dek. Ik heb Jasper met twee kroketten achtergelaten in de restauratie. Ze zijn nog steeds in de aanbieding.

Ik zou je willen vertellen dat we als helden werden onthaald, Alex. Dat Irma, Ludo en de andere ‘bezinners’ ons juichend stonden op te wachten met zelfgemaakte confetti en spandoeken waar de ecoline vanaf sprong – maar iedereen was al naar bed. Op de balie lagen onze telefoons en een briefje van Irma. Ze vond het jammer dat we elkaar misliepen, maar bezinnen doe je in een uitgerust lichaam en Jasper had al Ludo’s energie gekost. Hij was een nemer en voor nemers had de coach minstens een week nodig. Er was al een inschrijfformulier naar hem onderweg.

Bezinnen is een egoïstische bezigheid. Ik verfrommelde het briefje voor Jasper het kon lezen.

We hebben gewacht tot de zon opkwam, maar ook vanochtend was er niemand om ons uit te zwaaien. Ik heb een taxi gebeld om ons naar de haven te brengen.

***

Mijn verslag loopt ten einde, Alex. Misschien heb ik het hier en daar wat aangedikt. Het zou kunnen. Misschien heb ik me wel twee dagen in een duinpan liggen vervelen. Wie zal het zeggen? Misschien zit er wel niemand in de restauratie en schrijf ik je dit vanaf mijn balkon. Ik sluit het niet uit, broer. Misschien is het allemaal een kwestie van perceptie.

Maar dit is het verhaal dat je aan ma zult moeten vertellen als jullie onderweg zijn naar haar dameskoor. Wees niet zuinig met de details, die maken tenslotte het verhaal. We hebben Batman gered. We zijn ont-popt. We hebben bijna leren vliegen. Ze zal trots op ons zijn.

Ik hoop dat je me dankbaar bent.

 ———–

Daphne Huisden portretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Dit was de laatste Zondagse Gastblog van Daphne Huisden. De Tirade-redactie zegt: Dankjewel,  Daphne, voor dit heerlijke feuilleton. We kijken uit naar je nieuwe boek!

In de Oorshop

Leviathan

Ik zag van de week Leviathan, van de Russische regisseur Andrej Zvjagintsev. Een waanzinnig mooie film, als je het mij vraagt. In Leviathan wordt het verhaal van Job verteld, de vrome man die alles kwijtraakt; en die van god alles dubbel terugkrijgt. Plus tien nieuwe kinderen, waaronder drie extra knappe dochters. Ik heb dat altijd al een eigenaardige afloop gevonden. Wat is precies de boodschap? Houdt moed bij tegenslag, want als je maar lang genoeg wacht geeft god je dubbel, of beter, terug wat je is afgenomen? Is dubbel dan ter compensatie van het verlies? Vervangen nieuwe, extra mooie kinderen het verlies van tien eerdere? Ik vind het een beetje Amerikaans voorkomen, bigger is better. Als schamele beloning voor een wrede test.

In deze verfilming is het verhaal van Job geplaatst in hedendaags Rusland. En het is deze keer niet god die alles afneemt. Maar de staat, hier voorgesteld als een zwijnerige burgemeester, die wodka wasemt. Deze burgemeester wil hoofdpersoon Kolya’s grond onteigenen. Met daarop zijn huis dat hij eigenhandig heeft gebouwd. Kolya is verwikkeld in een kansloze rechtszaak. De avond voor zitting drinken Kolya en zijn advocaat Dima moed in, kleine glazen wodka, dan nog. Ze hebben een plan om de corrupte burgemeester die nogal wat op zijn kerfstok heeft, in het nauw te drijven met chantage. Later in de film als het onheil toeneemt, nemen de hoeveelheden wodka toe, tot aan halve flessen die worden weggeklokt in een tergend traag shot.

In een van de hoogte/dieptepunten van de film citeert de plaatselijke dominee uit het boek van Job, staande voor de deur van zijn verweerde houten hut, terwijl schrale wind los zand tegen de wanden slaat.

Can you pull in the leviathan with a fishhook, or tie down his tongue with a rope?
Can you put a cord through his nose or pierce his jaw with a hook?
Will he keep begging you for mercy? Will he speak to you with gentle words?
Will he make an agreement with you for you to take him as your slave for life?

Na de film sloeg ik mijn Bijbel erop na. Het citaat blijkt afkomstig uit een lange tirade die god tegen Job houdt, over zijn almacht. Wie van ons twee heeft de wereld geschapen?, vraagt god. Wie van ons heeft op de zeebodem gelopen? Kun jij een monster vangen met een vishaak? Kun jij hem tot slaaf maken? Ben je sterk genoeg? Nee, dat is Job niet. Tegen zo’n God is niemand opgewassen.

Ik heb het altijd moeilijk te begrijpen gevonden dat mensen troost vinden in geloof. Voor mij is zijn afwezigheid op de wereld alomtegenwoordig. Armoe, onrecht, oorlog; als iemand de wereld had geschapen zou dat niet bestaan. Na Leviathan begon ik me af te vragen, of het misschien juist precies andersom ligt? Is de aanwezigheid van ellende het ultieme bewijs voor gods bestaan? Een god die zo macho is, en die zo genadeloos uit is op onderwerping en leed, moet wel aan de oorsprong staan van een wereld waarin zoveel ongelijkheid bestaat. Geef je er maar aan over. Of help! Is onze wereld gemaakt door een genadeloze despoot?

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Een goede morgen met’ 3

00:13:48

Reynaldo Hahn, À Chloris (1916); Phlippe Jaroussky, countertenor; Jerôme Ducros, piano.

00:16:47

Zijn ouders hadden elkaar leren kennen op de zangvereniging; het is dus maar de vraag of hij er zonder muziek wel was geweest. Veel meer dan zijn vader is zijn moeder een en al gezang gebleven: Johannes de Heer, Richard Tauber, het Pelgrimskoor uit Tannhäuser tijdens het ochtendprogramma ‘Moeders wil is wet’, alles zong of neuriede zij zachtjes mee: zij moet in muziek ‘tiefe tiefe Ewigkeit’ hebben gevonden. Muziekprogramma’s op de radio duurden hooguit een uur, zodat Tannhäuser voor hem jarenlang niets anders was dan het Pelgrimskoor. Waar de pelgrims vandaan kwamen, hij had het zich nooit afgevraagd. Het idee om een hele opera te beluisteren kwam niet in hem op. Daar kwam bij dat hij als scholier al, te vroeg dus om dit met eigen ervaringen te kunnen weerspreken, had gelezen dat Nietzsche het troebel-Dyonisische van Wagner graag inruilde voor de Apollinische helderheid van Bizet. Daar was hij erg van onder de indruk geweest. Omdat hij niet zou hebben geweten hoe hij Nietzsche juist op dit gebied moest weerspreken, besloot hij dat hij Tristan und Isolde en soortgelijke zwelgpartijen kon overslaan.

Dat was een tijdlang niet zo moeilijk, want toen hij ging studeren, was hij vooral benieuwd naar muziek die niet al met een aura van heiligheid was omgeven. In het Concertgebouw, waar meer kenners dan liefhebbers rondliepen, dacht hij, en waar tegelijk sociale verplichtingen de boventoon voerden en niet persoonlijke ervaringen, zag je hem niet. Wel – en daar heb ik hem leren kennen – bij de concerten van eigentijdse muziek op zaterdagmiddag in het Stedelijk Museum, bij die in het Sigma Centrum en soms in de huiskamersfeer van De Suite, plaatsen waar je het gevoel kreeg de geboorte van muziek bij te wonen, zoals tijdens een soloprogramma van Max Neuhaus waar even veel aan te zien bleek als te horen, zoals die heen en weer bewoog tussen een instrumentarium dat het traditionele slagwerk tot kinderspel degradeerde, of die keer dat wij Morton Feldman zo over een piano gebogen zagen zitten, zo op zoek naar het stilste geluid dat nog muziek genoemd kon worden, dat het leek of hij met zijn oren speelde in plaats van met zijn vingers.

Achteraf stelde hij vast dat dat er de oorzaak van moest zijn geweest dat het jaren had geduurd, voordat Wagner hem in zijn greep kreeg; maar toen dat eenmaal gebeurde, was het ook direct een stevige greep. Hij doelt op zijn eerste Götterdämmerung, in het Concertgebouw inmiddels, en hij weet nog steeds niet of het van de vermoeidheid kwam na meer dan vier uur aandachtig luisteren of doordat hij aan het slot ineens – rare historische omkering – een flard West Side Story meende te horen, maar voor het eerst van zijn leven bleek muziek hem tot tranen te kunnen roeren; ook hem. Misschien kwam het wel, dacht hij, door de onverwachte samenklanken. Maar waarom was dat dan nooit gebeurd in die kleinere zalen, waar hij toch ook zoveel bijzonders had gehoord? Was ontroering alleen mogelijk bij muziek die al een tijd bestond? Was het een kwestie van patina, van vergeefsheid ook, van het besef dat wat je hoort eigenlijk al niet meer mogelijk is, dat het een droom is uit het verleden? Zou de eigentijdse muziek nog niet dat stadium van vergeefsheid hebben bereikt?

Hoe het zij, sindsdien beperkte hij zich niet meer tot de hoogtepunten, maar is hij hele opera’s gaan beluisteren, waarbij hij verwonderd merkte hoeveel vooraankondigingen in Tannhäuser bijvoorbeeld het eigenlijke Pelgrimskoor bijna overbodig maakten: een voorspel dat intenser leek dan de ontlading.

Ik begrijp wel dat in een programma dat maar twee uur duurt, geen hele opera past, laat staan een van Wagner. Toch laat hij iets horen waarin de intensiteit en de complexiteit van Wagners werk en wat hij er zelf bij ervaart, tot hun recht komen. Hij zal hebben gedacht: als een slot, zoals dat van de Götterdämmerung, pas na uren luisteren kan worden begrepen en aangevoeld, dan moet ik maar een begin kiezen, een voorspel.

Ik herinner me het verhaal dat hij een keer, toen hij aan het eind van een lange vakantie net de Autoroute du soleil op gedraaid was, uit de kleine boxen in de deur iets had gehoord, van de weg af moest, een aire op – ‘alsof de gedempte sirene en het opvallend trage zwaailicht van een passerende politiemotor me daartoe dwongen’ – om te horen wat het was. Wagner? Wat dan? Het was muziek die hem, door het geluid van de auto, de wind en het andere verkeer heen had weten te raken, vertelde hij, ‘alsof ik de jonge Samuel was’, die in zijn droom door een onbekende stem wordt geroepen en dan niets anders weet te zeggen dan: ‘Spreek Heer, Uw knecht hoort.’ Hij was in de overtreffende trap van muzikale overgave terechtgekomen.

00:20:12

Richard Wagner, Parsifal, Vorspiel (1878); Berliner Philharmoniker olv Daniel Barenboim.

00:34:00

 

adzuiderent Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

Venture capitalists en de uitgeverij

In het instructieve Economics The User’s Guide, van Ha-Joon Chang, wordt de lezer in een rustig vaartje door de geschiedenis van de economie gevoerd: van Adam Smith’s An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776) tot hedendaags venture capitalism. In het eerste hoofdstuk van Smith boek legt hij aan de hand van een eenvoudig voorbeeld – een haarspeld –  uit dat specialisatie van werk tot optimalisatie van resultaat leidt. Wanneer je als mens elke fase van het maken van zo’n ding zelf moet doen werk je veel langzamer dan wanneer je maar 1 stukje doet.

Chang noteert de ontwikkeling van ‘een eigen bedrijf hebben waarvoor je aansprakelijk bent’, naar een bedrijf met beperkte aansprakelijkheid, zoals de VOC er een was, een van de eerste. Hij schrijft: ‘Smith was against the principle of limited liability. He argued that those who manage limited liability companies without owning them are ‘playing with other people’s money’ and thus won’t be as vigilant in their management as those who have to risk everything they have.’

Vigilant, alert. Toch is dat precies het woord dat in je opkomt als je leest over Marc Andreessen, een venture capitalist uit Silicon Valley. Zijn bedrijf Andreessen Horowitz doet eigenlijk precies dit: ze luisteren naar mensen met een plan en harken veel geld bij elkaar voor de financiering van dat plan en kopen zich in het zo te stichten bedrijf in. Maar ze hebben in hun opzet precies dezelfde overweging als Smith ook al had: een te starten bedrijf moet de starter ook als bedrijfsleider houden: alleen hij heeft de energie om er ook echt helemaal voor te gaan.

De vreemde parallel met akkerbouw drong zich op toen ik over dit vreemde bedrijf las: ze zaaien, en ze oogsten. Of met uitgeven: een plan faciliteren en hopen dat het werkt.  Indrukwekkend is wel hoe je je kunt trainen in proeven welk idee met een bom geld het kan gaan halen en welk niet. En wat blijft is een percentage bluf. Ook in de uitgeverij, denk ik.  Ik leerde het woord ‘logo shopping’ – veel dergelijke venture capitalists kopen zich in een laat stadium voor veel geld in in een geslaagd bedrijf (google, facebook) om hun logo in het portfolio te kunnen plaatsen. Ook dat zien we natuurlijk in de uitgeverij. Laten we eerlijk zijn, veel uitgevers sieren met wat anderen hebben opgekweekt. Joris Luyendijk is niet door Atlas/Contact bedacht, ik bedoel maar. (Maar wel door Podium.)

Uiteindelijk, meldt deze geldprofeet Andreessen, is het ook geluk hebben. Een kansspel, en dan sieren met de mooie namen . Net de uitgeverij dus.

 

Luisteren: Andreessen praat met Brian Grazer, ’the super-producer behind half the movies and television you’ve watched in the last three-plus decades including Empire, 24, Parenthood, Arrested Development, Friday Night Lights, The DaVinci Code, 8 Mile, A Beautiful Mind, Apollo 13, Real Genius, Splash….

‘If there’s one business on planet earth that makes Silicon Valley look sober and level-headed it’s Hollywood’

 

——————-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt vandaag van non-fictie en ook van poëzie.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dertig jaar Caffè Toscanini

Aan het eind van de avonden verzamelden we de kaarsen van alle tafels op één dienblad, als verweesde sterren waarvan de planeten lang vertrokken waren. We haalden de blauwe kleden af, vouwden die tot stroken en zetten rondzwervende stoelen aan de kant. Alleen de stamtafel bij de keuken lieten we met rust. Later, onder het geleidelijk doven van al die sterren, maakten we de kas daar op.

We dronken wijn, stonden om beurten op om een vork door een pan afgekoelde pasta te halen en pikten ansjovisjes uit de schaal die na het service was blijven staan. Was het mijn beurt om een rondje te halen, dan zette ik steeds Pino Danieles Dimmi cosa succede sulla terra op, waarbij ik – ook toen ik nog niets van de tekst begreep – keihard meezong. Ik nam aan dat Danieles muziek over voorbije of hopeloze liefde ging, en voorbije of hopeloze liefde vond ik mooi.

Romantisch als het schrijverschap mag lijken, kan het niet tippen aan mijn jaren in Toscanini. Als schrijver probeer je steeds een overtuigend leven vast te leggen, maar mezelf vond ik overtuigender, échter, toen ik nog vier avonden per week in Toscanini rende, zweette, lachte, dronk en zong.

Het verstrijken van de tijd is in niets zo voelbaar als in mijn relatie tot het mooiste restaurant van Amsterdam. In Toscanini werkte ik samen met mijn vriend Gijs en leerde ik Birre kennen, met wie ik er op een regenachtige maar onvergetelijke junizondag trouwde. De eerste keer dat onze zoon uit eten ging zaten we aan tafel 250, waar Nadim in minder dan een minuut een mergpijp met zuurdesemtoastjes en gremolata wegwerkte. Toen Gijs vermist werd, kwamen al zijn vrienden en collega’s in Toscanini samen om zijn verjaardag te vieren. Een maand later verscheen het voltallig personeel op de begrafenis.

Voordat ouder worden ons evenwichtig maakt lijkt het ons eerst te doen wankelen, en zo is er steeds meer twijfel mijn leven in geslopen. Sommige van mijn vrienden noemen dat vooruitgang, maar terwijl ik dit stukje schrijf mis ik mijn sloof en dienblad opeens vreselijk; mijn eindeloze, drukke en onbekommerde geouwehoer.

‘Dubbi non ho,’ zong Daniele op Dimmi cosa succede: twijfel heb ik niet. En ik, zonder te weten waarover het allemaal ging, zong zulke ware woorden hardop mee. Jaren later zou een ander lied van de Napolitaan mijn hart nog breken, op de begrafenis van Gijs:

 

Voglio il sole per asciugarmi

Voglio un’ora per ricordare

Allegria

 

Ik wil dat de zon me droogt

Een uur om terug te denken, wil ik

aan het geluk.

 

In januari van dit jaar overleed Pino Daniele aan een hartstilstand. Naast geëngageerde nummers schreef hij vooral over voorbije of hopeloze liefde. Over de kansloze wens dat alles mag blijven zoals het ooit was.

 

 

* Het citaat uit Alleria (Pino Daniele, 1980) is hier in het Italiaans weergegeven en niet in het Napolitaans. 

________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind. 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Maandag

Tirade 459 (juni 2015) wordt de laatste Tirade waarbij ik ben betrokken als redacteur. Na dertien papieren nummers, honderdvijftig blogposts, drieduizend tweets en vijf miljoen mailtjes is het tijd om me weer volledig te gaan wijden aan het schrijven.

Dank Tirade lezers, Tirade contribuanten, Tirade (gast)redacteurs en Tirade uitgevers voor twee en een half jaar literair geluk.

Tot ziens!

——–

Martijn Knol (1973) – schrijver.

Soundtrack – Carry on (remix), Janne Schra.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Menno van der Veen"
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

  • "Foto van Michaël Van Remoortere"
    Michaël Van Remoortere

    Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.