‘Daar op dat strand bracht ik mijn jeugd door’

Vorige week publiceerden we hier deel IV van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel V:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

twee jaar geleden werkte ik een periode in Vlissingen, in een gebouw vol ateliers aan de dijk. Ik keek uit op zee, en nog bizarder: ik keek naar de overkant. Daar, op dat strand aan de overkant in Breskens bracht ik mijn jeugd door.

En daar keek ik altijd naar de kant waar ik me nu bevond. Dit is geen beeldspraak, dit was echt. Het was alsof ik aan de verkeerde kant van de tafel was aangeschoven.

Het bracht geen sentimenten met me mee, maar een afstand. Als ik ’s ochtends ging zwemmen in die drie maanden, keek ik wat wantrouwend de Schelde over. Er was niks meer te zien van wat ik daar allemaal had meegemaakt. Hoewel ik geen groot fan ben van Armando, vind ik zijn ‘schuldige landschap’ wel een prachtig concept. En dan betrek ik het niet op de vreselijke oorlogsmisdaden, maar het landschap schuldig aan wat er niet meer te zien is.

Ik kon het niet beter verwoorden dan de zin ‘Ik wil niet verdwijnen in een huis met veel uitzicht’, dat gedicht staat in mijn laatste bundel. Ik kreeg het idee dat nu ik het zo goed kon zien liggen, dat landschap waar ik me toen in bevond, dat alles verdwenen was. En misschien daarmee ikzelf voor een gedeelte ook. Dat was althans de angst waarmee ik daar elke ochtend wakker werd, het was geen rationele gedachte, ik kon de angst maar niet van me afschudden.

Zoals je weet, ben ik zwanger. Ik had verwacht dat ik er weeïg van zou worden, maar op de een of andere manier wordt de wereld meer en meer concreet. Laatst ging ik zwemmen, en werd me er bewust van dat er in mij ook iemand zwom. Toen dacht ik: jammer dat ik geen zeezwemmer ben. Ik had gewoon op een goede ochtend van Vlissingen naar Breskens moeten zwemmen, dan was er niks aan de hand geweest.

Ik vermoed dat ik hier iets over ga schrijven, over dat zwemmen.

Weet jij al waar je over gaat schrijven?

hartelijke groet,

Annemieke
—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

al weer lang geleden bivakkeerden we elke zomer aan zee. Onze kinderen waren klein, mijn vrouw en ik vonden het een aangenaam idee om binnen een half uur in de Noordzee te kunnen zwemmen.

Soms woonden we wel drie maanden aan zee. Ik reisde voor mijn werk in Amsterdam gewoon op en neer. Ik herinner me dat iemand voor een werkbespreking wilde langskomen. Dat is goed, antwoordde ik, maar kom ’s ochtends, want ’s middags zwem ik in de Noordzee.

Toen ik bezig was met het samenstellen van m’n laatste bundel ontbrak er op het laatst nog een titel. Ik ben slecht in het bedenken van titels. Toen herinnerde ik me dat ik weleens had geroepen: ’s Middags zwem ik in de Noordzee.

Ik heb vervolgens een gedicht geschreven waarin deze regel voorkwam. Dat ging eigenlijk vanzelf, zoals zwemmen in zee vanzelf gaat als je niet te roekeloos bent. Denkend aan de Noordzee zag ik mezelf op een rustige dag in het naseizoen op een duintop staan terwijl in zee mijn vrouw zeer kalm zwom. Het was eb. Hoe in dat water haar armen nauwelijks bewogen, schreef ik.

Ik heb eerder over de zee geschreven. Maar nog nooit zo associatief en doeltreffend als in dit titelgedicht. In die andere zeegedichten wilde ik teveel en dat is – in mijn geval – vragen om moeilijkheden: ik vind de zee altijd weer zo overweldigend – welk weer het ook is, in welk seizoen ook – dat ik niet teveel praatjes moet hebben.

Rustig toekijken, dat is het beste. Wat ik ook deed toen ik de zee voor het eerst in mijn leven zag. Ik herinner me dat nog goed. Ik was tien, we gingen op schoolreis naar een plaatsje in de buurt van Den Haag, Ockenburg, geloof ik. De zee was in elk geval dichtbij, de zee die ik, een plattelandsjongen, nog nooit in het echt had gezien.

Ik herinner me hoe we op een namiddag door de duinen liepen en dat ik opgewonden was bij het idee de zee te zien, voor het eerst. En toen was daar de zee. Ik hecht er aan me voor te stellen dat ik gekeken moet hebben als dat Russische jongetje dat voor het eerst zichzelf in een spiegel ziet.

Ken je de documentaire die zijn vader over hem maakte? Die vader had ervoor gezorgd dat het jongetje nooit in een spiegel kon kijken. Hij wilde namelijk het moment vastleggen dat we allemaal hebben meegemaakt en dat we ons niet meer herinneren.

Het is verbazingwekkend om te zien hoe het jongetje kijkt als hij voor het eerst oog in oog staat met zichzelf. Oog in oog met wat nog onvoorstelbaar is. Ik hecht er aan te geloven dat ik ook zo heb gekeken oog in oog met de zee. En te geloven dat mijn gedichten altijd weer een poging zijn om terug te keren naar dat oermoment, hoe verschillend ze ook zijn, waarover ze ook gaan,

vrgr

Wim

—————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel VI.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

In de Oorshop

Dag, Suriname

Ik heb het eerder meegemaakt, begeleid door tjirpende krekels instappen op Zanderij en negen uur later Schiphol uit lopen in het holst van de winter. Dat pleintje voor de aankomsthal is de naarste plek van Nederland. Een krijsende wind jakkert de hagel er horizontaal de parkeerflats door.

In de woorden van onze buurvrouw hier: ‘Onvriendelijk weer, je voelt je er niet welkom.’ De eerste en enige keer dat zij Nederland bezocht, vroeg ze aan de tante die haar ophaalde waarom alle bomen dood waren. Het bleek februari.

Birre vraagt me regelmatig wat ik het meest zal missen, en ik vind het onmogelijk daar antwoord op te geven. Ook de Nederlandse Surinamer legt moeilijk zijn vinger op wat er zo fijn is aan Lanti. Het valt hem makkelijker te praten over wat er allemaal aan schort.

Dit doet me denken aan de jaren voordat Nadim geboren was. Bijna al mijn vrienden waren al vader, en als ik met ze in het café stond hoorde ik niets dan gekijf over die baby’s, dreumesen en peuters. Later leerde ik dat ze onder elkaar hun hart luchtten over wat er tegenviel, omdat ze al wisten wat er zo geweldig was aan vader zijn.

Suriname, ik zal je wolken missen. De kracht waarmee ze uit de aarde zelf op lijken te rijzen, niet ergens aan de horizon, maar aan het einde van mijn straat. Je mensen zal ik missen; het gemak waarmee ze lachen en vrienden van me worden. Het onbedorven vertrouwen van je kinderen. De geluiden van je nacht, je kuierende honden. Je rivieren zal ik missen, om te janken zo mooi.

Bij een stroomversnelling in de Suriname begreep ik pas dat een rivier niet naar de zee toe stroomt, maar zich in haar armen stort.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Zeeën

In één van de kamers van het huis waar Renoir zijn laatste jaren doorbracht, staat een ouderwetse rolstoel. Van hout.

Ik doe helemaal niks. Ik lees niet. Ik schrijf niet. Ik beantwoord geen mail.

Lunchen op een terras bij de bloemenmarkt. Zonder jas.

Aan de Promenade des Anglais worden kerstbomen verkocht. In zee zwemmen mannen en vrouwen met Kerstmanmutsen op. Één jongen draagt zelfs een grote witte baard en een gele zonnebril. Een kajak met een kunststof rendier voorop.

Ik probeer een week helemaal niks te doen. Met het intikken van dit stukje ben ik eigenlijk al in overtreding.

Tussen de olijf- en mandarijnenbomen in de tuin bij Renoirs huis denk ik: ja, waarom zou je hier ook eigenlijk geen bezadigde doekjes en beelden maken? Madeliefjes, mugjes in het licht van de middagzon.

Alles glanst en glinstert, alles leeft.

Op pleinen ruisen fonteinen. Bij de bushaltes hangen jongens in trainingspakken. Oude mensen ruiken naar mottenballen, jonge donkere vrouwen naar kokosolie. Een steeg door, een trap op – het vrolijk-melancholische geluid van een trekharmonica die wordt bespeeld door een vijftiger op een stenen bankje.

De oude Renoir leed aan reuma en aan artritis. Er zijn zwijgende filmbeelden waarop hij laat zien hoe hij blijft werken: zijn handen zijn ingezwachteld, de penselen steken tussen huid en katoen. Hij gaat zijn doeken te lijf als een bokser. De oude, poezelige Renoir – action painter avant la lettre.

Kook ik zelf, dan draai ik Serge Gainsbourg. Gainsbourg: dichter, mooiboy, chansonnier, regisseur, schilder.

Het paradijs bestaat. Vanaf luchthaven Nice ben je er in twintig minuten. Bus 200, richting Cannes.

Ik verheug me op de matinee van komende woensdag. Ballet in de Opéra.

Iedere dag loop ik vanuit het dorp de berg af, naar zee, om naar de vissers te kijken. Hoe ze hun spartelende vangst in een theedoek wikkelen en hem dan met één tik doodslaan op de rotsen. Alle patisserie wordt hier in vloeipapier verpakt. ’s Avonds is het koud en, logisch, donker, dan kun je op het pleintje met de kerstmarkt een zakje gepofte tamme kastanjes kopen.

In het restaurant naast de bloemenmarkt werkt een serveerster die iedere handeling die ze uitvoert zelf recenseert. Parfait! Hier, uw koffie… parfait. Zo, dan neem ik de borden weer mee… parfait! Ja, neemt u maar plaats… parfait!

Het slechte, het lelijke – bij deze lichtsterkte lost het gewoon op.  Suikerklontje, gloeiend hete thee.

Voor vogels en bomen en vissen maakt het niet uit of het 6 februari is of 25 december. Soms is het leuk om kerst met twintig mensen van drie, vier generaties door te brengen aan een grote tafel. Maar liever vier ik kerst als de dieren: niet.

Alles hier verzet zich tegen een narratief. Wat volstaat als verbinding: schoonheid en zonlicht.

In de voortuin staat een grote sinaasappelboom. Ik loop op mijn blote voeten naar buiten. Tussen de bladeren van de sinaasappel hangen tientallen of misschien wel honderden vruchten. Ik begin te tellen. Bij 187, 188, 189 stop ik omdat ik me realiseer dat ik me had voorgenomen een week niks te doen.

’s Avonds kijk ik vanuit de woonkamer op de tweede verdieping naar de lichtjes in het dal en in de bergen. Hoeveel mensen zouden nu, gelijktijdig, naar de schichten van de vuurtoren staan te kijken? En hoeveel van hen zouden zich afvragen hoeveel mensen nu, gelijktijdig, naar de schichten van de vuurtoren staan te kijken?

Tirade – een welbehagen.

Soundtrack (allemaal staan!): ‘Vrede op Aarde.’

——–

Volgende week: Let’s call it a year.

Bregje Hofstede Tirade’s Zondagse Gastblogster Januari 2015

Bregje Hofstede (1988), wier debuutroman De hemel boven Parijs (2014) in het jongste nummer van Tirade, Tirade 456, lovend wordt besproken door Carel Peeters, is in januari 2015 onze Zondagse Gastblogster. Hofstede studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. Ze ontving de Hollands Maandblad aanmoedigingsbeurs 2012/2013 voor de teksten die zij publiceerde in het gelijknamige tijdschrift. Bovendien is zij mede-auteur van De Verbeelders (2014).  Hofstede woont in Brussel.

In het komende nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede. Bovendien zal zij in januari optreden tijdens de twintigste editie van het Writers Unlimited Festival (Den Haag).

De familie van het plaatje

Het zijn de donkere dagen voor kerstmis en heel Nederland is wanhopig bezig zich gelukkig te kopen. Er is, om te beginnen, de heikele vraag bij wie Eerste Kerstdag zal worden doorgebracht en wat dat vervolgens betekent voor de familieverhoudingen en wie wie het belangrijkst vindt. Alleen al de gedachte aan het diner, dat steevast teveel gangen kent omdat iedereen toch íets moet maken, is voldoende om een spontane maagzweer op te wekken. Tijdens het eten zijn er de krampachtige pogingen om een geanimeerd gesprek te voeren terwijl het hele gezelschap onder tafel al met kromme tenen zit, er is altijd minimaal een gast die teveel drinkt en daarna de ellenlange autorit omdat ook de schoonfamilie niet kan worden overgeslagen.

Maar bovenal is er de dwingende noodzaak tot gezelligheid, het dodelijke verlangen om op te gaan in de familie van het plaatje. U kent ze wel: die mensen die in witte kabeltruien de tijdschriften bevolken; de mannen steevast van het type golden retriever, de vrouwen urenlang door een visagiste bewerkt om er lekker nonchalant uit te zien in hun houthakkershemd, de blonde kindertjes met engelenvleugels aan hun witte jurkjes bevestigd. Iedereen weet dat die mensen helemaal niet echt bestaan, laat staan dat ze familie van elkaar zijn; iedereen weet dat die mensen stuk voor stuk bedacht zijn door kwaadaardige middenstanders, eerst zorgvuldig geregisseerd en daarna nog gephotoshopt.

Ze zijn niet echt en toch zijn ze er wel, de hele tijd.

Het is niet goed, zeggen ze, niet goed genoeg. Ze zeggen het met een poeslieve glimlach tegen al die mensen die zich plichtsgetrouw inblikken om kerst te vieren bij familie die ze liever helemaal niet zouden zien. Ze zeggen het ook, en dat is pijnlijker, tegen wie geen familie heeft om met kerst over te klagen. Voor die laatste groep is december met een beetje pech een donkere maand waarin je alleen van buitenaf kunt toekijken hoe ieder ander aan een feestelijk gedekte tafel lijkt te zitten. Is dit je leven, fluistert die perfecte familie spottend vanachter het verlichte raam. Is dít alles wat je hebt?

Ze lijken zo prachtig, zo mooi op het plaatje. Maar in vergelijking met de familie van het plaatje was de eenzame, onaardige Scrooge zo slecht nog niet.

Niet vaak in de geschiedenis was geluk zo dwangmatig als nu.

——————————————–

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Boy (2013) en De wezenlozen (2012) en het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008). Ze won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. In Tirade 455 vind je een kortverhaal van Wytske, Overgave. Ze werkt aan een proefschrift en aan haar derde roman.

Volgende week: de vierde Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

 

Portret WV: Eline Spek.

 

Literaire viespeuken

Judith Eiselin schreef vorige week in NRC over het gemis aan door vrouwen geschreven schelmenromans in de Nederlandse literatuur. Waar blijft de vrouwelijke onbezonnen vuilak?, kopte de NRC. Kennelijk zitten ze daar al decennialang op te wachten. De tijd zou rijp zijn voor ‘Ik Janneke Cremer’ en voor de vrouw die de Wolkeriaanse zin durft te uiten: ‘Ik neukte alles wat los en vast zit.’ Eiselin vindt dat de jonge generatie schrijfsters (ze noemt Weijers, Bervoets, Gerritsen en Wortel) opvallend weinig seksuele losbandigheid kennen. “Seks komt in hun boeken wel voor, maar het is afgewogen, afgemeten, overbewust, en zelden zomaar voor de vuist weg, wild, woest of slordig.” Als mogelijke oorzaak van dit tekort geeft zij de Sletvrees, zoals geïntroduceerd door Sunny Bergman: de angst van vrouwen om als hoer te worden gezien. Kennelijk, zo concludeert Eiselin is er nog altijd iets als een glazen plafond. Ze nodigt de vrouwelijke schrijfster uit daar eens flink tegenaan te schurken, “laat zien wat je hebt, kunt en wilt, breek er ‘gloei-kittelend’, fel splinterend doorheen. En vis vooral die pen tussen je borsten vandaan.”

Ik moet toegeven dat ik me ergens uitgedaagd voelde. Aangesproken, want ja, ik beschouw mezelf als een vrouwelijke viespeuk, en ben daar ook trots op. Maar. Ik pieker er niet over om daar een boek over te schrijven, alleen omdat mannen dat ook gedaan hebben. Is dat dan emancipatie? Grote mannelijke literatoren hebben boeken geschreven die bulken van seks, en dus moeten vrouwen dat ook? En omdat we dat niet doen is er een glazen plafond? Het grote glazen neukplafond waarop Cremer en Wolkers (zaliger) lekker literair liggen te naaien?

Het probleem in de redenering van Eiselin zit hem wat mij betreft in haar opvatting dat de tijd rijp is voor vrouwelijke viezigheden. Volgens mij is het omgekeerde het geval. Er was een seksuele revolutie gaande in de tijd dat Wolkers en Cremer hun meesterwerker schreven. Deze heren literatoren-viespeuken zetten zich af tegen eerdere generaties die vonden dat seks alleen binnen een huwelijk plaats mocht vinden. Een huwelijk dat je bovendien als maagd binnen hoorde te wandelen. Jan en Jan genoten ervan dat je opeens onder rokjes mocht grijpen zoveel je maar wilde, en schreven groots en meeslepend over hun promiscue strapatsen. Tegenwoordig ligt dat anders. Seks is niet meer iets waarmee we ons afzetten. Trouwen doen we steeds minder en later. Seks hebben we gemiddeld geloof ik vanaf ons vijftiende, en gemiddeld met een partner of twaalf voordat we trouwen. Sommige mensen leren pas laat in hun neukende leven dat het ook mogelijk is dat te doen met liefde. Want porno kijken kindertjes tegenwoordig vanaf een jaar of acht. Seks en naakt is dagelijks aanwezig in ons blikveld. En niet alleen in de populaire cultuur. Naakt is ook diep verankerd in het culturele leven. Ik durf zelfs wel te stellen: naakt is een verplicht nummer geworden in de Nederlandse kunst. Probeer maar eens een boek te vinden waarin geen seks voorkomt. Of een toneelstuk vavlammenwerpersn de TGA waarin niemand zijn kleren uittrekt. In de Nederlandsche topfilm mogen we van dichtbij bekijken hoe Carice haar schaamhaar blondeert. Sex Sells is het grootste cliché van onze tijd. Mogen we het alsjeblieft toejuichen dat er een generatie opstaat die zich daartegen verzet?

In the flamethrowers beschrijft Rachel Kushner bijzonder geëmancipeerd, zonder het woord emancipatie ooit te gebruiken, over de omzwervingen van een alleenstaande vrouw/kunstenares per motor door Amerika en Italië. Haar autonomie en onafhankelijkheid is zo vanzelfsprekend dat hij niet aan de orde hoeft te worden gesteld. Onderweg ontmoet ze menig man die interesse heeft in haar, maar de meesten – en juist degenen met die roofdierenblik in de ogen – vervelen haar enorm. De Ik Janneke Cremer van vandaag, zoekt misschien naar manieren om van die seksueel ongeremde man af te zijn.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.