De synthetische schrijver

Ik las van de week een artikel in de Correspondent over het gevaar van kunstmatige intelligentie.  Als je intelligente computers (te veel) ruimte geeft, kunnen ze de mensheid vernietigen met een simpele opdracht als: win een schaakspel. Dat klonk me behoorlijk Frankenstein in de oren. Mijn interesse was gewekt.

Ik vraag me sindsdien af of er al synthetische literatuur bestaat. Want als computers de mensheid gaan uitschakelen, dan liever voor een boek dan voor een potje schaken, als je het mij vraagt. (Wel hopen dat op zijn minst één iemand lang genoeg leeft om het te lezen). En daarom zit ik de afgelopen dagen op het wereldwijde web te zoeken. Is kunstmatige intelligentie al slim genoeg om een boek te schrijven? De synthetische schrijver. Ik wil hem lezen. Maar ik heb nog geen overtuigend voorbeeld kunnen vinden van kunstmatige fictie. Althans geen voorbeeld dat verder gaat dan een theoretisch experiment, of een gimmick. Zoals de immortal prose generator, die teksten “genereert”* die bestaan uit Shakespeare-elementen, zoals deze (let op: er zit twee keer hetzelfde element in, is dat toeval of een bewust toegepast stijlmiddel?):

Now thou art gone, the very stream of his life is troubled by hot blood. Hark, the clown pierced a sigh so piteous and profound. I pray thee, this babble hath had no notice of mine eye-balls. ‘Tis now struck twelve; every unworthy thing doth lack a cover. ‘Tis now struck twelve; this hand of yours mocks the fruit to that great feast. O spite! the son of a dear father murder’d doth lack me. 

Ook bestaat een aantal generatoren van poëzie. Maar die hebben veelal gewoon één (of meerdere) verschijningsvormen gedefinieerd (bijv. zin van vier woorden, zin van twee woorden, uitroep (alas! hark!, beware!), zin van vier woorden, drie zinnen van drie woorden), en vullen die in aan de hand van lijsten van (in betekenis verwante) zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, etc. Bijvoorbeeld deze (afkomstig van: http://thinkzone.wlonk.com/PoemGen/PoemGen.htm):

Sharks grow!
Misty, small seashells calmly fight a sunny, warm sailor.
Never love a wind.
Warm, misty whales swiftly love a big, clear tuna.
Old, rainy pirates swiftly lead a stormy, lively seashell.

Het is een soort gedicht ja, maar poëzie zou ik het niet willen noemen. De wetenschap dat het gedicht volgens een vaststaand stramien is geproduceerd, maakt het eigenlijk bij voorbaat geen poëzie. Want de oneindige variatie in vorm is  juist een van de weinige vaststaande eigenschappen van literatuur. Dan heb ik misschien nog liever Google-poëzie, die in zekere zin willekeurig is, maar wel oneindig in variatie.

Het definiëren van literatuur is een -understatement- lastige aangelegenheid. Er bestaan alleen opvattingen over. Het enige dat vaststaat, zo  leerde ik ooit in een grijs verleden waarin ik Nederlands studeerde, is dat literatuur dat is wat de experts literatuur noemen. Als we dat gegeven ombouwen in een computationeel model, dan moet dat er ongeveer zo uitzien:

1 Vul een database met meesterwerken uit de canon van de wereldliteratuur. (Of de Nederlandse, om te beginnen.) Begin met de kale teksten uit een boek of duizend (eigenlijk natuurlijk zoveel mogelijk boeken). We beginnen met proza wat mij betreft.
2 Laat daar een simpel patroonzoekend mechanisme op los, dat de teksten op kleinere en grotere patronen doorzoekt, bijvoorbeeld frequentie van woordkeuze, frequenties van combinaties van woordkeuze, herhalingen, verschijning en verdwijning van personages.
2b Koppel er een goede thesaurus aan zodat in de gevonden patronen ook enige synonymie, of misschien zelfs een soort betekenisvelden kunnen worden herkend.
3 Genereer, op basis van de gevonden patronen, nieuw proza.

Ik ben helaas geen programmeur, en heb dus niet het flauwste benul van hoeveel rekenkracht dit experiment zou kosten. Gevoelsmatig zeg ik dat het een redelijk simpel project moet zijn. Immers de analyse van big data is een tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld. Misschien kan het IT-mannetje van Tirade dit wel? En zelfs al zóu het een hoop rekenkracht kosten, dan nog moet er toch wel ergens wat serverruimte beschikbaar kunnen worden gesteld om een stukje proza te genereren. Voelt een universiteit zich geroepen? Misschien wil Google bijdragen aan de wereldliteratuur? Of is er een uitgever die wil investeren?

Aldus. Hark, hark! Lieve wetenschap, lief literair veld, ik smeek u: ontwikkel een synthetische schrijver. Ik huiver en popel om zijn werk te lezen. Ik krijg visioenen van woeste, haast onbegrijpelijke teksten. Of juist van extreme middelmatigheid. Even kraakhelder geschreven, als duister en vaag. Produceert de virtuele schrijver een stream of consciousness? Dat zou griezelig zijn. Of wordt het een nieuwe openbaring? Een waarschuwing? Een nieuwe ontdekking van de hemel? Ik kan niet wachten.

 

*Al is het aantal uitkomsten eindig.

In de Oorshop

Dubbeldenken

Vandaag, om 22.59 uur, zendt NPO2 ‘Geraakt’ uit, een kortfilm van Sander Burger. Afgelopen dinsdag ging de film in première in De Balie (Amsterdam). Geraakt‘ werd ingeleid door romancière, essayiste en wetenschapster Wytske Versteeg.Hieronder vind je – met dank aan de auteur – de integrale tekst van haar lezing. Film en essay zijn tot stand gekomen binnen de context van de Human-serie ‘Duivelse Dilemma’s.’

Door Wytske Versteeg

Tegenover mij in de trein zit een dik jongetje, hooguit een jaar of tien, misschien nog jonger. De hele reis staart hij naar de grond en ik denk dat er misschien iets met hem aan de hand is, want er is iets vreemds in de manier waarop hij kijkt. Niet kijkt, beter gezegd.

Naast hem zit een meisje, jonge vrouw. Zijn oudere zus, denk ik. Ze praat tegen hem, snauwt, beter gezegd. Dat is niet per se gek, dat is wat zussen doen. Waarom hij daar zo zit. Of hij een idioot is. Nou? Is hij een idioot?

Wanneer hij antwoordt is zijn stem zo hoog dat ik hem niet eens kan verstaan. Eén keer pakt hij een Mars uit zijn jaszak, en wil hem openmaken. Nee, dat is een goed plan vlak voor het avondeten, vetzak.

Dan begint hij te huilen. Is hij een jankebalk? Nou?

Hij zet zijn bril af, veegt zijn tranen weg. Hij heeft geen geluid gemaakt.

Ik denk, ik moet iets doen. Ik moet iets zeggen tegen haar, dat dit te ver gaat. Maar ik weet niet zo goed wat of hoe, ik ben niet de meest assertieve persoon. Terwijl ik nog nadenk over wat ik zou moeten doen staan de vrouw en de jongen tegenover mij al op om uit te stappen. Dan zegt hij mama tegen haar. Dat maakt alles veel erger.

*

Wanneer grijp je in?

Wanneer bemoei je je met andermans zaken?

We kennen allemaal de verhalen van mensen die met een acute noodsituatie worden geconfronteerd en dan niets doen. De menigte die apathisch en zonder ook maar een vin te bewegen blijft toekijken hoe iemand verdrinkt of doodgeslagen wordt. We noemen dat het omstanderseffect; hoe meer mensen er staan te kijken, des te kleiner de kans dat iemand zal ingrijpen.

Om wél in te grijpen moeten we een situatie eerst opmerken als een geval van nood, een waarbij ingrijpen noodzakelijk is. Bij een onderzoek werd aan studenten gevraagd om een formulier in te vullen. Terwijl ze daarmee bezig waren pompten onderzoekers rook naar binnen in de kamer waar de studenten zaten. Wie alleen in de kamer zat merkte de rook eerder op dan wie in een groep aan het formulier werkte, en was ook sneller geneigd de rook te rapporteren. Van de acht groepen in het experiment zeiden er vijf helemaal nooit iets over de rook – en we hebben het nu over rook die zo dicht was dat het zicht erdoor belemmerd werd, en ogen geïrriteerd raakten.

Als we het al moeilijk hebben met het opmerken van zoiets eenduidigs als rook in de kamer, dan is het goed bezien een wonder dat vermoedens van kindermishandeling ooit worden gemeld. Ook daar heeft immers vaak een hele groep mensen in theorie de mogelijkheid om blauwe plekken of afwijkend gedrag op te merken en daarop te reageren. De niet-mishandelende ouder, de buren, vrienden van de familie, de docent lichamelijke opvoeding; er is altijd wel iemand te bedenken die dichter in de buurt staat. Die, als er echt iets aan de hand was, toch zeker al iets gedaan zou hebben.

En dan is er nog een complicatie, want de betekenis van het woord kindermishandeling staat bepaald niet vast. U herinnert zich vast nog de discussie over de pedagogische tik en onlangs werd er in de Volkskrant beargumenteerd dat ook in de hoek zetten niet zo onschuldig is als we graag denken. Triviale discussies misschien, maar in de jaren 1970 werd seksueel contact tussen volwassenen en kinderen nog verdedigd als normaal en zelfs bevordelijk voor het kind, een situatie die nu moeilijk voorstelbaar is. De onderliggende vraag is in alle gevallen dezelfde: wat vinden wij, met z’n allen, normaal?

*

Ieder volwassen mens heeft in principe zeggenschap over zichzelf en over zijn eigen gevoelens. Als ik zeg dat ik het eten niet lekker vind kunt u zeggen dat u datzelfde eten wel lekker vindt (uw eigen mening) of zelfs, eventueel, dat het eten lekker is (een objectieve claim). Maar u kunt niet zeggen, of niet zonder dat u de kans loopt om mij te beledigen, dat ik dat eten wel degelijk lekker vind. Daarmee overschrijdt u een grens, claimt u kennis die primair aan mij toebehoort; dat soort gedrag zou vreemd op ons overkomen.

Maar zou ik een kind zijn en was u mijn vader of moeder, dan kunt u die kennis wel degelijk claimen. Sterker nog, een groot deel van de opvoeding draait precies daarom, en om de onderhandeling daarover: jij lust dit wél. Jij bent wél chagrijnig.

Er is wel eens gesteld dat een van de dingen die kindermishandeling zo schadelijk maakt, de noodzaak is tot dubbeldenken; het accepteren van twee tegenstrijdige waarheden tegelijkertijd. Misschien wordt ieder kind weleens gevraagd te dubbeldenken, als wij bijvoorbeeld zeggen dat ze best van spruitjes houden. Maar kinderen in een situatie van mishandeling moeten voortdurend dubbeldenken, omdat de ouder die voor hen zorgt, aan wie ze loyaal zijn en van wie ze houden tegelijkertijd gevaarlijk is, en onvoorspelbaar. Voeg daarbij het feit dat we aan kinderen sowieso weinig kennis toedichten over zichzelf, of geen kennis die niet door een volwassene kan worden overruled en u begrijpt hoe verwarrend de situatie is. Geen wonder dat er enerzijds valse beschuldigingen van mishandeling worden geuit, bijvoorbeeld tijdens echtscheidingsconflicten, terwijl anderzijds veel situaties van werkelijke mishandeling helemaal nooit naar buiten komen.

Als getuigen van mishandeling zijn we ook gedwongen tot dubbeldenken, en keer op keer blijkt dat we daar niet zo goed in zijn. We denken nu eenmaal graag in termen van daders en slachtoffers, waarbij we de dader bij voorkeur een verdorven en diepzwarte persoonlijkheid toedichten. Dat lost de noodzaak tot dubbeldenken op, want van iemand die nu eenmaal slecht is valt ook te verwachten dat hij zijn kind slaat, daar is niets tegenstrijdigs aan. Natuurlijk weten we wel dat de werkelijkheid vaak ingewikkelder ligt, maar we willen dat liever niet voelen. Die neiging om te simplificeren is gevaarlijk, en schadelijk ook voor het slachtoffer, dat dikwijls des te machtelozer wordt naarmate we de dader zwarter afschilderen. Elke loyaliteit jegens de dader wordt dan immers een – nog grotere – reden tot schuldgevoel en er blijft geen ruimte over voor de kluwen aan verwarrende en dikwijls ambigue gevoelens die gepaard gaan met mishandeling in een familiesituatie.

Tegenover ons beeld van de inktzwarte dader staat dat van een lelieblank slachtoffer, en ook dat is niet zonder risico. Er is in onze samenleving veel aandacht voor het verhaal van het slachtoffer, er wordt wel eens gesproken over een slachtoffercultuur. Maar binnen dat verhaal is er maar weinig ruimte voor variatie, en dikwijls wordt van het slachtoffer ook een soort heldendom verwacht; het slachtoffer moet iemand zijn van wie we kunnen houden. In werkelijkheid is dat vaak niet het geval. Het jongetje dat ik in de trein tegenkwam was geen schattig meisje, zoals we dat straks in de film zullen zien. In het Engels hebben ze daar een woord voor: hij was niet loveable. Ongetwijfeld wordt hij niet op feestjes gevraagd en trekt hij niet de aandacht van de omgeving – laat staan dat hij de steun krijgt die hij nodig heeft.

*

it takes a villageMishandeling en misbruik hebben niet op iedereen hetzelfde effect. Vergelijkbare situaties zijn voor sommige kinderen veel schadelijker dan voor andere en er bestaan mensen die in alle opzichten relatief succesvol uit zelfs de meest problematische jeugd tevoorschijn komen. Veerkracht, noemen we dat.

Zodra we een vermoeden van kindermishandeling melden, wordt het primair een zaak van professionals en van de protocollen die daarbij horen. Een protocol geeft richting in het woud van duivelse dilemma’s rondom kindermishandeling; het is bedacht ter bescherming van kinderen die toch al kwetsbaar zijn. Maar een protocol is er ook, en uiteindelijk misschien nog wel meer, voor de omstanders. Wie volgens het protocol gehandeld heeft, heeft altijd iets om op te wijzen, heeft altijd een rechtvaardiging; het was misschien uiteindelijk niet juist, maar wel volgens het protocol.

Als samenleving besteden we de jeugdzorg graag uit aan een onderbetaalde instantie, één waar we graag op mopperen, vlak nadat er weer een groot gezinsdrama heeft plaatsgevonden. Dan volgt er een onderzoek, dan zeggen we dat dit nooit meer gebeuren mag. In de nasleep van die verontwaardiging wordt het protocol steeds belangrijker, de vraag of alle regels wel gevolgd zijn. Tegelijkertijd is onze aandachtsspanne kort, en heeft jeugdzorg zelden de prioriteit wanneer de budgetten verdeeld worden.

We praten vanavond over één, enkel dilemma; melden of niet melden. Achter die vraag schuilt een andere: in hoeverre is een geval van kindermishandeling ónze verantwoordelijkheid?

Er zijn namelijk uiteenlopende antwoorden op de vraag wat iemand veerkrachtig maakt, maar een van de factoren is de nabijheid van betrouwbare volwassenen op wie een kind wél kan rekenen, volwassenen om mee te praten, te lachen, om een andere situatie te leren kennen dan thuis. Er is, daadwerkelijk, een dorp voor nodig om een kind op te voeden. Het is gemakkelijk om op een instantie te mopperen, maar de werkelijke vraag is een andere, een die we minder graag stellen; zijn we zelf wel in de buurt wanneer dat nodig is, zijn we op het dorpsplein aanwezig?

*

Ik kijk naar hen, vanuit de trein, de moeder en haar zoon. Op het perron sjokt hij achter haar aan. Ik ken die houding van gestolde eenzaamheid, van spieren die zich permanent verdedigen. Het is een houding die niemand, zeker geen kind zou moeten hebben, een houding ver voorbij verdriet.

Mijn trein rijdt verder en de jongen verdwijnt uit het zicht. Ik weet niet wie hij is, maar ik weet dat hij het niet zal redden, dat hij hier nooit tegen op kan.

Ik weet nog steeds niet hoe anders, maar ik weet wel dat ik gefaald heb. Ik had iets moeten doen.

——-

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. Behalve de romans De wezenlozen (2012) en Boy (2013) publiceerde Versteeg het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008), dat onder andere gebaseerd is op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Dit is geen dakloze mengt filosofische literatuur met journalistieke observaties en de ervaringen van daklozen zelf en werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot.  Versteeg won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar won zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 455, staat een kortverhaal van Wytske Versteeg, Overgave. Ze werkt aan haar derde roman.

In december 2014 is Wytske Versteeg Tirade’s Zondagse Gastblogster.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Enerzijds – Tirade 456 is bezorgd!

Zojuist kwam een fikse stoet gepantserde waardetransportwagentjes de Herengracht op rijden om halt te houden voor het hoofdkwartier van het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot. Wat droegen de dames en heren van Brinks naar binnen? De eerste felbegeerde exemplaren van Tirade’s herfstnummer: Tirade 456.

In de loop van de komende week is het nieuwe nummer te koop in iedere zichzelf respecterende boekhandel. Maarrr… je kunt het nu al bestellen in de internet-webwinkel. Hiernaast zie je het voorplat van Tirade 456.

‘Wat mooi!’

‘Wat ongelooflijk súperprachtig.’

‘En dat zijn wat mij betreft dan nog gevoelsarme understatements… Ik moet bijna huilen van ontroering zo mooi vind ik het! Van deze Tirade ga ik minstens twintig losse nummers bijkopen, denk ik!’

llustratie: Suzanne van der Aa. Ontwerp: Emiel Efdée.

Voor de inhoudsopgave (met een overzicht van alle auteurs én vertalers): klik hier. Voor het achterplat: daar.

Tirade – monterrr.

Soundtrack: Singing Whistling in the rain.

De Bijlmer – de wereld

Volgend jaar bestaat Uitgeverij van Oorschot 70 jaar. Met Karel van het Reve en Jacques de Kadt deelde de oprichter Geert van Oorschot een maatschappelijke en politieke betrokkenheid, die zich vertaalde in de publicaties van de uitgeverij. Toen ik deze week in de Bijlmer was bij ‘Bijlmer Boekt’ realiseerde ik me bijna met een schok hoe verfrissend geëngageerde literatuur eigenlijk is. Hannah van Munster presenteerde er kort haar nieuwe roman, Onder de dreven, een schitterende boek.

Zij maakte deel uit van een literair variétéprogramma dat al enige jaren onder de titel Bijlmer Boekt in het Bijlmerparktheater plaatsvindt. Een heel gevarieerd en geëngageerd programma. Simone Zeefuik vond ik bijvoorbeeld interessant. Maar haar teksten had ik nog nooit eerder gezien of gehoord. Een vrouw die veel verschillende dingen doet, waaronder dit: “An Orange Blues” is the choreopoem centred around the anecdotes of 17 men who’re trying to survive an undocumented existence in the Netherlands. How does this influence their concepts of ‘home’, ‘identity’, ‘family’ and ‘normal’? What’s are the safest places to keep memories, hide fears and grow dreams?’ Grappig was dat ze een bepaald soort hum hum deed, nadruk op tweede hum, die een enorm effect op de aanwezigen had: een uiting van semistreng misnoegen dat ook komisch bedoeld is en tot het typisch Bijlmerjargon zou behoren. Ik begrijp nog niet zo goed wat Simone Zeefuik allemaal wil en kan, maar ik voel me erdoor aangesproken. Misschien ook door het intrinsieke verwijt in veel van haar tekst. Raciale kwesties waarvan ik denk dat ze mij niet aangaan, maar is dat zo? Op haar blog – in het Engels, vind je veel stukken over Afrika, en enig misnoegen over de onbekendheid van ‘De Nederlander’ met dat continent. ‘De Nederlander’ ziet het meestal fout.’ Maar wie is die ‘de Nederlander toch’? Ik voel me erop aangesproken en het gaat toch niet over mij. Zou dat racisme zijn?

Een bijzondere combinatie van ongemakkelijkheid en breeduit lachen was het optreden van Kabier Noor Mohamed, ‘hij leeft van crisis naar crisis en het enige wat hem overeind houdt is het levenslied, zoals een aankondiging op een youtubefilmpje luidt. Een Hindoestaanse man met een Amsterdams accent, een groot drank- en drugsprobleem, waarmee hij koketteert, en een repertoire van chansons op eigen tekst en Hazesliederen. Foute grapjes tussendoor die net niet leuk zijn, typisch Hazes dus ook in zijn ongemakelijkheid, maar de tragiek van de man ligt open al lijkt hij nog niet te weten dat de echte tragiek nog komt. Hij deed onder meer, een ‘Zwart kerstfeest.’ Leuk? Ik weet het niet. Relevant wel.

En een conference van Nathalie Baartman die op haar beurt liet weten excentrisch te zijn door haar Twentse achtergrond. ‘Op haar zeventiende verhuist ze naar Nijmegen om psychologie, filosofie en ontwikkelingsstudies te studeren. Vanuit haar idealistische wereldbeeld is ze voornamelijk geïnteresseerd in de fundamentele fout van de mensheid die zoveel ellende in de wereld veroorzaakt.’ Indrukwekkend was haar vertolking van een Servisch strijdlied, vanuit het niets, snoeihard, echt geweldig. ik vond het helaas niet op internet. De programmering was dus gevarieerd maar eenduidig in engagement: Said El Hadji over het Mandelamonument, Joke van Leeuwen zong de blues en deed een aantal gedichten in die vreemde hees-kinderlijke stem die eerst irriteert en je daarna  volledig meeneemt.

Ik houd niet zo van literaire avonden, en ben niet zo’n fan van de presentatie van Christine Otten. Maar de volgende keer ga ik weer naar Bijlmer Boekt.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De weg naar huis

DSC_0707Aan het eind van de middag betaalde ik de jongen met de scheve lach voor het letten op onze auto, waarna ik zijn erf af reed om mijn gezin en onze bagage op te pikken bij de kade. Toen ik aankwam zwaaiden Birre en Nadim net de bootsman uit die – in zijn eentje – begon aan de drie uur stroomopwaarts, terug naar zijn dorp bij de soela.

We laadden alles in, maar keken niet echt naar wat we deden; de rivier leek een hogere zwaartekracht te hebben dan de weg terug naar huis. Birre kocht water onder de rode luifel van supermarkt Han Fo, en een pakje met een trosje druiven erop voor Nadim, dat Grape Drink heette. Ik wilde zeggen dat daar geen druppel druif in zat, maar vroeg me net op tijd af wie het iets zou kunnen schelen.

De weg van Atjoni naar Paramaribo bleek op ons na verlaten. Ik hield de naald tegen de tachtig, zakte onderuit in mijn stoel en probeerde uit te rekenen hoe laat we in de stad zouden zijn. Of ik dan nog ergens telo zou kunnen eten.

Als het donker zich om je rijdende auto sluit en de weg verlaten genoeg is, wordt het snel aannemelijk dat je gezin het laatste op aarde is, rijdend op de laatste liters brandstof. Dat je op weg bent naar iets waarvan je weet dat het niet meer bestaat. Rijden tot je aankomt of totdat de benzine op is; het uitstellen van de onvermijdelijke stilstand.

Nog voor Brownsberg werd het licht uit de hemel getrokken. Omdat de schemering hier in Suriname zo’n accuut iets is, heeft het erg Nadims aandacht. Zo kan hij in het halve uur tussen licht en donker wel tien keer vragen of het dan nu schemering is. Ik keek achterom, zag dat zijn koppie voorover hing, zijn armen met de polsen naar boven langs zijn zij in de universele houding van het slapende kind

‘Birre,’ zei ik. ‘Man down.’

Ze keek achterom en glimlachte hoorbaar: ontsluitende lippen, wangen die loskomen van kiezen, een korte uitademing door de neus. Daarna leunde ze voorover om Al Green aan te zetten. The Reverend zong dat hij zo genoeg had van het alleenzijn. Zo vreselijk genoeg.

Na een half uur stopte ik de auto om in de berm te plassen. Ik vroeg me af waarom ik in de berm plaste als ik me op een verlaten weg bevond, tweehonderdvijftig kilometer van de dichtstbijzijnde stad. Op het warme wegdek verdampte mijn urine onmiddelijk tot een van de vele dierlijke geuren die bij oerwoud horen. Als een trage motor kwamen de cicaden op gang. 

Tegen de tijd dat de schoorstenen van Suralco opdoemden leek het – hoewel half acht – de diepste uren van de nacht. Een post-apocalyptisch roestbruin organisme, vastgezogen aan de rode aarde op de grens van oerbos en savanne: gele lampen, witte rook, raderen zo groot als wagenwielen. Nog vijfenveertig minuten en we zouden thuis zijn.

Meneer Green zong mijn lievelingsnummer, Your Love is Like the Morning Sun, en zoals elke dag sinds onze aankomst werd ik vol getroffen door het besef van mijn rijkdom. Door het simpele feit dat ik hier, nu, ben.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Donor

Ondanks haar eigen idyllische kinder- en jeugdjaren heeft mijn vriendin nooit de behoefte gevoeld zelf een kind (m/v) op de wereld te zetten. Bij mij thuis is neuken een zuiver amoureus-recreatieve activiteit. Vraag je mijn vriendin of ze kinderen heeft, dan antwoordt ze blij: nee, ik ben kindvrij. Ze mist het kinderwens-gen. Ik heb dat altijd erg aantrekkelijk gevonden, sexy is het betere woord. Mijn vriendin is, hoewel ze eruit ziet als 25, inmiddels 39, dus dat haar biologische eierwekker alsnog zal afgaan lijkt me zeer onwaarschijnlijk.

‘Maar hoe zit dat dan bij jou,’ vraagt Lieke. We zitten in De Balie (de melanzane voor haar, De Balieburger voor mij) en omdat we allebei op vrouwen vallen, is dat de hele avond al ons belangrijkste gespreksonderwerp.

‘Bij mij is het minder categorisch. Tot 2005, 2006 wist ik altijd zeker dat ik geen kinderen wilde, sindsdien realiseer ik me dat je zonder kinderen ook wel iets mist. Maar er is geen drama hoor: mocht ik kinderen willen met een andere vrouw, dan vindt mijn vriendin dat oké.’

‘Tof!’

‘Ja. En ook gewoon fair, toch?’

‘Nou,’ roept Lieke na een korte stilte door de zaal, ‘Misschien doe ik nog wel eens een beroep op je als zaaddonor! ’

Tirade –  snel, ongeremd.

———–

Volgende week: twee ZKV’s. Cinema. En meer.

Één dezer dagen: het voorrrplat van Tirade 456. En soon: dit is Tirade’s Zondagse Gastblogger in December 2014…

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.