Gastblog: Maarten van der Graaff

‘Poets should get back to saying crazy shit / All of the time’ – Dorothea Lasky

‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore I have to make my problems social.’ – Chris Kraus

Deze citaten komen in mijn tweede bundel te staan. Motto’s, ik ben er niet gek op. Ze zijn vaak zo didactisch en opschepperig. Alsof iemand staand, met één voet al te sierlijk op de kruk geplaatst, vol op een orgel staat te rammen. Maar ik kan deze motto’s niet weerstaan, ze lijken precies te zeggen wat ik bedoel.

Op facebook postte Niña Weijers deze vraag:

‘Na een opmerking van Maarten van der Graaff bleef deze vraag me bezighouden: worden mannelijke schrijvers in blurbs wel eens vergeleken met vrouwelijke?’

Ik maakte die opmerking n.a.v. deze blurb op de Nederlandse vertaling van de nieuwe Ben Lerner.


Een jonge Karl Ove Knausgård! Waarom geen jonge Chris Kraus, vroeg ik me af. Dat lijkt me namelijk wel een vergelijking die hout snijdt. Een vergelijking die in een ander artikel uit de Times overigens wel wordt gemaakt.

In hetzelfde stuk merkt Hari Kunzru over Knausgård-Lerner het volgende op:

‘In “Leaving the Atocha Station,” this anxiety was comically excessive, and Lerner’s alter ego seemed to stand in a long line of literary schlemiels, the genealogy of Philip Roth and Gary Shteyngart. “10:04” is an attempt to break out of this tradition of well-armored self-deprecation into — what, exactly? This is no kamikaze attempt at truthfulness or self-disclosure in the vein of Karl Ove Knausgaard. Lerner’s position is always hedged. ‘

Knaus is bekender dan Kraus, dat snap ik ook wel, beter blurbmateriaal dus, maar is dat niet dezelfde vraag? Even de traditie omspitten:

‘Willem Frederik Hermans is een schrijver van het kaliber Anna Blaman.’

‘Daniël Rovers heeft goed naar de vreemde, vormbewuste zinnen van Marie Kessels gekeken.’

‘Anton Valens is een soort melige Marja Brouwers.’

‘Van de generatie van Doeschka Meijsing hebben we eigenlijk alleen Willem-Jan Otten, Matsier en Van der Heijden nog.’

‘Na Charlotte Mutsaers heeft Nederland er eindelijk weer een schrijver bij. Haar naam is Niña Weijers.’

Ik liep een paar dag geleden over een verlaten spoor 7 in de richting van de Van Sijpesteijnkade, toen achter mij iemand blafte of ik wist waar en wanneer die godverdomse nachttrein naar Amsterdam vertrok. Het was Pierre Bokma. Dit is Pierre Bokma, dacht ik, keek in zijn grimmig zoekende ogen en zei dat ik het niet wist. Godverdegodverdedomme, zei Pierre Bokma en beende een roltrap op.

Wanneer ik plotseling, in een omgeving waar ik er onmogelijk op voorbereid kan zijn, een bekende Nederlander tegenkom, is het alsof er een fout in de Matrix optreedt. Ik ga hier slecht mee om. Ooit zag ik in het Guggenheim Gerard Cox en Joke Bruijs naar Picasso’s kijken en was de hele verdere dag nerveus.

Toen Pierre Bokma was weggehold filmde ik een lege colabeker, die aan de voet van de roltrap lag en door het mechaniek voortdurend, hypnotiserend werd rondgedraaid. Ik doe dit soort kunstacademiedingen wanneer ik veel heb gedronken. Dit stukje moest eindigen met dat filmpje, maar ik zie het niet meer bij de video’s op mijn Sony staan.

In de Oorshop

0 tips voor een vervullend leven

Tip 1: Herkenning

Heeft u dat nou ook? Dat alles zo herkenbaar is? Elke dag als ik thuis kom, en mijn kat me angstig aankijkt, laat ik me op de bank zakken en denk ik: dit is echt thuiskomen voor mij. Onderzoek* heeft aangetoond dat vrijwel honderd procent van de mensen zich herkent in herkenbare situaties. Ik zou dat graag het teletubby-effect willen noemen. Want nog een keer is zoveel lekkerder dan voor het eerst. O, het warme bad van herkenning, van weten waar je aan toe bent, van bevestigd krijgen wat je al weet. Geen onzekerheid, geen verrassingen. Tegen die heerlijkheid is geen mens opgewassen.

Als je maar lang genoeg wacht, wordt alles herkenbaar. Het been-there-done-that-gevoel moet zo tegen de negentig toch de overhand krijgen, lijkt me. Maar veel mensen (U ook? U ook?) willen niet wachten tot hun negentigste voor ze een beetje comfortabel kunnen achteroverleunen in de rolstoel des levens. We willen beslagen ten ijs komen. We willen weten wat we niet weten. We willen herkennen wat we niet kennen. Alles als we ons maar niet onzeker hoeven te voelen. Als ik er zo over nadenk is het egoïstisch eigenlijk, om een ander niet mee te laten meeprofiteren van dat hetgeen jij door schade en schande hebt geleerd? Vind u dat ook niet? Gruwelijk gewoon. Gelukkig biedt het internet hoop.

7 tips voor goed slapen
8 irritante dingen die alle mannen doen tijdens de seks
9 tips om gelukkig te worden
10 manieren om uit de gevangenis te breken
11 dingen waar je je schuldig over kunt voelen als moeder
12 verschillen tussen mannen en vrouwen (in het Italiaans)
13 tips tegen depressie
(sprongetje)
21 tips om muggen te weren
(ik zet mijn verdubbelaar in)
42 manieren om liefde en respect te krijgen
(nog een keer! Min één)
83 redenen om van Warren Buffet te houden

Tip -1. Vervreemding

Laatst kwam ik thuis. Mijn huiskamer was koud en leeg, op een kat na die op me afliep met doodsangst in de ogen. Ik liet me op de bank zakken en dacht: is dit alles? Onderzoek heeft aangetoond* dat eigenlijk niemand een idee heeft waar we nou helemaal mee bezig zijn. Al heb ik geen idee of dat waar is. Of wat waar is? Of waar wat is? Daarom ploeteren we lekker voort door het absurd universum. En laten we ons meesleuren door die grauwe sloot des levens, waarin, op de groezelige bodem, gek genoeg een hoop rolstoelen liggen.

Hoe ouder we worden hoe vreemder alles wordt. De onbegrijpelijkheid van het leven neemt ondraaglijke vormen aan soms. Bijvoobeeld als je leest dat er een zeekat is die zijn houding aanpast aan de richting van de strepen op het behang van de kamer waarin zijn aquarium staat. Dat krantenknipsel uit 2011 vond ik opgevouwen in mijn collected stories bundel van Lydia Davis.

What she knew.
People did not know what she knew, that she was not really a woman but a man, often a fat man, but more often, probably, an old man. The fact that she was an old man made it hard for her to be a young woman. It was hard for her to talk to a young man, for instance, though the young man was clearly interested in her. She had to ask herself, Why is this young man flirting with this old man?
Lydia Davis (uit: Break it Down)

Is mijn kat eigenlijk ook een meester van camouflage, vroeg ik me daarna af. Alie, zeg het me, probeerde ik. Je bent geen zeekat, maar toch, zou je je streepjes aanpassen aan het behang als ik behang had? En geldt het alleen voor streepjes, of ook bij ballonnetjesbehang? Het meest onuitstaanbare is dat ik het idee heb dat ze wel probeert te antwoorden maar dat ik haar niet versta. Zij mij wel. Om me duidelijk te maken dat ze me geestelijk de baas is, groet ze me elke ochtend met een duidelijk verstaanbaar hallo.

Kijk svp). “Ik heb last van optimistische buien. Dan zie ik het ineens weer helemaal zitten. Dan zie ik het ineens allemaal goed komen. Dan heb ik er ineens weer zin in. Dan heb ik zó’n vertrouwen. Dan denk ik ja het kan, ja ik wil, ja we zullen. Dan wil ik het uitschreeuwen, dan wil ik het van de daken schreeuwen. (…) En mijn eigen vrienden zullen zich van me vervreemd voelen. Ze zullen zich van me afwenden. Ze zullen hun hoofden schudden en zich omdraaien. En ze zullen in het café afspreken, zonder mij. En napraten over hoe idioot ik doe. En ze zullen het eens zijn: die is niet normaal, daar heb je niets aan. En ze zullen me vergeten. Dus als ik weer zo’n bui op voel komen dan zet ik mijn telefoon uit. Dan doe ik de gordijnen dicht en hou ik me vast aan het matras. En wacht ik tot het over is.” (uit aflevering 2: Zelfhaat).

* Voetnoot <#// error_ z3235:ben>je>stapel?\\#>. Onderzoek, welk onderzoek? Kan wetenschap eigenlijk iets aantonen? Daar had natuurlijk moeten staan: wetenschap heeft nog niet weerlegd dat. Het schijnt trouwens dat onder vrouwen die Mies heten vaker depressie wordt vastgesteld (uit: de niet weerlegde correlaties van misdadiger Diederik S.)

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De genadige hardhandigheid van Flannery O’Connor

Vandaag, om 22.59 uur, zendt NPO2 ‘De verloren zoon’ uit, de nieuwe kortfilm van Jaap van Heusden. Afgelopen woensdag ging de film in première in De Balie (Amsterdam). De verloren zoon werd ingeleid door schrijfster Maria Stahlie. Hieronder vind je – met dank aan de auteur – de integrale tekst van haar lezing.

 

Flannery O’Connor, de Amerikaanse schrijfster van wie de niet minder dan stoutmoedig te noemen filmer Jaap van Heusden een verhaal heeft bewerkt en verfilmd, stelde in een van haar spaarzame lezingen dat het publiek van alle kunstenaars de verhalenverteller het meest als zijn gelijke beschouwt. Ze zei: ‘Schilders en componisten hebben minder te maken met deze democratisering omdat ze zich wijden aan zaken waarvan de meeste mensen niet zoveel weten. Maar de verhalenverteller schrijft over het leven en daarom schat iedereen met een leven zichzelf instinctief in als een evidente verhalenautoriteit.’

Het lijkt voor lezers de normaalste zaak van de wereld dat een boek hen ter meting, ter weging wordt aangeboden: komt het boek tegemoet aan wat zij in een verhaal zoeken dan wordt het als superieur beoordeeld, maar als het boek hun gevoelige snaar niet voldoende weet te beroeren dan is het gewogen en te licht bevonden. De waarheid wil echter dat lezen een mateloos riskantere onderneming is. Bij iedere ontmoeting tussen een lezer en een boek is het maar zeer de vraag wie er door wie gemeten wordt. Het is allesbehalve denkbeeldig dat je als lezer geen partij bent voor een boek en dat je als lichtgewicht opzij wordt gezet.

Nooit ben ik (als mens, als lezer, als schrijver) zo intimiderend de maat genomen als door de onafhankelijke, compromisloze, authentieke, barbaars-komische, scherpzinnige, schokkende, optillende en gewelddadig-liefdevolle verhalen van Flannery O’Connor.

FlanneryOConnor zwFlannery O’Connor (1925-1964) groeide op in Georgia – in het hart van het diepe Zuiden van de Verenigde Staten -, ging als studente naar Iowa en naar New York, publiceerde als 24-jarige haar eerste roman, Wise Blood, en kreeg op haar 25e de ziekte waaraan haar vader in 1941 was overleden (een auto-immuunziekte).

Haar gebroken gezondheid dwong haar terug te keren naar haar geboortestreek waar zij, in het kader van de secure verzorging die ze nodig had, samen met haar moeder op een boerderij ging wonen. Letterlijk en figuurlijk beperkt in haar bewegingsvrijheid, zorgde een weldoordacht, glashelder geloof – ze behoorde met een bezielde overtuiging tot de Rooms-Katholieke Kerk -, in combinatie met onverschrokkenheid en humor ervoor dat ze van de nood een deugd maakte: ze leerde de afzondering en overzichtelijkheid van haar bestaan te zien als de ideale voorwaarde om op het scherpst van de snede werken van de verbeelding te kunnen schrijven.

In de resterende veertien jaar van haar korte leven, ze werd niet ouder dan 39 jaar, schreef ze een twintigtal verhalen – gebundeld in A Good Man Is Hard To Find en Everything That Rises Must Converge – en de roman The Violent Bear It Away… en tussen de bedrijven van het schrijven door ontving ze allerhande bezoekers, correspondeerde ze geducht over de luchtigste en essentieelste zaken, en gaf ze haar moeder – met wie ze een warme, ontspannen verstandhouding had – niet-aflatende kopzorgen over de bloemen-etende, explosief groeiende pauwenkolonie die ze er uit een aloude voorliefde voor pluimvee op nahield.

Hoe is het mogelijk dat iemand zo jong, zo ziek en zo ver weggestopt in een achtergebleven gebied mij met haar excessieve verhalen keer op keer in de waagschaal smijt en te licht bevindt?

Voor Flannery O’Connor bezit een kort verhaal een even groot volume aan betekenis als een roman. Beide genres moeten, ongeacht het aantal pagina’s, ‘long in depth’ zijn, een klare diepgang bezitten, zodat onthuld kan worden dat in de zintuiglijke wereld de waarheid besloten ligt dat het bestaan een eeuwig mysterie is. De diepere lagen van een waarachtig, uit zintuiglijk waarneembare details opgebouwd verhaal, moet men niet proberen te interpreteren of vast te pinnen door er psychologische of morele etiketten op te plakken… die diepere lagen kan men, in hun organische volledigheid, ondergaan, ervaren en zo’n ervaring kan, als er een beetje geluk op rust, uitdijen en uitdijen in de geest van een lezer.

Haar verhalen spelen zich zonder uitzondering af in de wereld die ze vanaf haar geboorte kende: het ‘Christ-haunted’ Diepe Zuiden van Amerika waar mensen vaak een leven leiden waarin fundamentalistisch verwrongen protestantisme, racisme en bekrompenheid een verbinding aangaan met armoede en ongeschooldheid. Veel personages die ze opvoert (onder meer een door de erfzonde belaagde jongen die de Kerk zonder Christus predikt; een ontsnapte misdadiger die uit overtuiging ‘verdorvenheid’ tot zijn tweede natuur heeft gemaakt en gewoontegetrouw een heel gezin plus grootmoeder uitmoordt…) verschillen in hun geregeld groteske verschijningsvorm en extreme gedragingen op het eerste gezicht hemelsbreed van moderne, wereldwijze mensen.

Je hoeft echter geen zwaargewicht-lezer te zijn om al snel te beseffen dat de hoofdpersonen van deze woeste maar tegelijkertijd feestelijk-humoristische verhalen ons – wereldwijze mensen – onze eigen armzaligheid tonen, een armzaligheid die mogelijk aan het zicht wordt onttrokken door onze economische en culturele status maar die, door toedoen van de lauwheid van onze liefde en de apathie van onze zelfgenoegzaamheid, niet zomaar tot het verleden zal behoren. Toch is het allesbehalve het einddoel van de verhalen van Flannery O’Connor om ons in onze hoogmoed en povere kleingeestigheid te kijk te zetten. Zelf verwoordde de schrijfster haar centrale onderwerp als volgt: ‘Het gaat in mijn verhalen steeds opnieuw om genade die ten deel valt aan mensen die erg onwillig zijn om die genade zijn transformerende uitwerking te laten hebben… onwillig omdat er eerst diepe wonden geslagen moeten worden voordat een mens wezenlijk kan veranderen.’

De werking van genade, daar gaat het om in de verhalen van Flannery O’Connor. Om ten overstaan van hedendaagse lezers – vaak rationele atheïsten – én ten overstaan van zichzelf zoiets ongrijpbaars als genade een granieten werkelijkheidsgehalte te geven, maakte haar verbeelding keer op keer gebruik van personages die de schok van een frontale aanval te verduren kregen. Die schok moest voor een lezer evenveel impact bezitten als voor het geteisterde personage. ‘Zoals alleen een diamant een diamant kan snijden, zo kan alleen een verwoestende klap versteende harten splijten.’

Het is me een raadsel dat de strategie van de genadige hardhandigheid niet heeft kunnen voorkomen dat er nog heel wat lezers zijn geweest die haar houding ten opzichte van haar verhaalfiguren laakten als koud, wreed en cynisch. Het is waar dat de liefde voor de vaak weinig bevoorrechte mannen, vrouwen en kinderen in haar boeken verschoond was van voor de hand liggende compassie, maar dit betekende niet dat ze haar groteske en perverse personages neerbuigend behandelde of bespotte. Sterker nog, zij verontrust ons, haar lezers, door de personages die wij voor bijgelovige ‘freaks’ verslijten te tonen als ‘geweldenaars’, als dragers van het vuur dat ‘the violence of love’ kenmerkt. Haar eigen ‘violent love’ voor de onbevoorrechte mensen over wie ze schreef werd gevoed door een hoge ernst en was verweven met een niet-zachtzinnige eerbied voor hun aangeboren eigenheid. Het was een gestaalde liefde. In een brief aan een vriendin schreef ze: ‘Was liefde maar een stok… dan kon je er tenminste flink mee om je heen meppen.’

Flannery coverSchokkend, hardhandig, excessief… dat is ook het verhaal dat Jaap van Heusden heeft uitgekozen om tot een film te bewerken. The Lame Shall Enter First, zo heet het verhaal, en het gaat over de alleenstaande vader Sheppard die een jaar daarvoor zijn vrouw is verloren, zijn tienjarige zoon Norton die gebukt gaat onder het verdriet om de dood van zijn moeder, en de 14-jarige, hoogbegaafde delinquent Rufus die volgens zijn eigen fundamentalistische geloof verdoemd is omdat hij in de greep is van de duivel. Sheppard (een veertigjarige seculiere rationalist die zichzelf inschat als een waarachtige weldoener) besluit de straatjongen in huis te nemen. Hij denkt daarmee twee vliegen in één klap te slaan: hij wil zijn zoon, die hij zelfzucht verwijt omdat hij zich verliest in rouw, een les in onbaatzuchtigheid leren én hij wil Rufus kleden, voeden en verlossen van zijn bekrompen geloof zodat hij – met al zijn intelligentie – in zíjn, Sheppards, rationele en filantropische voetsporen kan treden. Sheppard merkt al snel dat hij zich verschrikkelijk heeft verkeken op zijn liefdadigheidsproject en dat Rufus volkomen ongevoelig is voor de daden en de wijsheden van zijn weldoener. Wat volgt is een mentaal gevecht op leven en dood waarbij Sheppard er – tegen al zijn verwachtingen in – langzaam van doordrongen raakt dat hij geen partij is voor de fundamentalistische straatvechter die Rufus is. De verbijsterende ontknoping, de genadeklap die Flannery O’Connor voor Sheppard in petto heeft, zal ik hier niet beschrijven, maar de hardhandigheid ervan doet een lezer naar adem snakken. En naar adem snakkend weet diezelfde lezer dat rationele overpeinzingen over wat Sheppard in het centrale uur van zijn leven overkomt, niet opwegen tegen het genadige geweld dat al zijn waarheden in één klap binnenstebuiten keert.

In de tijd dat de verhalen en romans van Flannery O’Connor verschenen – zo’n vijftig à zestig jaar geleden – bestond het leeuwendeel van het leespubliek al uit mensen die waren gevormd door seculiere, humanistische, rationele idealen. Het was in die omstandigheden niet verwonderlijk dat haar verhalen veelal grondig werden misverstaan. Wat men zag was een schrijfster die een groot, satirisch vermogen bezat om de groteske atmosfeer van het ‘Christ haunted’ Diepe Zuiden van Amerika op papier tot leven te wekken. Wat men niet zag – of niet wilde zien – was dat het mens- en het wereldbeeld van Flannery O’Connor hemelsbreed verschilden van hun eigen diepste overtuigingen. Nu, in 2014, staat de mondiale culturele elite zo mogelijk nog verder af van de Christelijke traditie waaraan Flannery O’Connor haar verstand en hart verpandde. Het getuigt in mijn ogen van niet minder dan onverschrokkenheid dat een filmer als Jaap van Heusden het aandurft een verhaal als The Lame Shall Enter First over te hevelen naar het hedendaagse, voorbeeldig-seculiere Nederland.

Tot slot, nu Jaaps film deel uitmaakt van een serie die Duivelse Dilemma’s is genoemd, én omdat de duivel in The Lame Shall Enter First een centrale rol speelt, wil ik hier graag een citaat geven uit een van de brieven van Flannery O’Connor waarin zij spreekt over de duivel. Een collega-schrijver beweerde dat zij schreef met de pen van de duivel en daarmee is ze het niet eens. Ze schrijft: ‘De reden waarom we het hier nooit over eens zullen worden is de volgende: er is een verschil tussen onze twee duivels. Mijn Duivel heeft een naam, een geschiedenis en een welomschreven missie. Zijn naam is Lucifer, hij is een gevallen engel, zijn zonde is hoogmoed en zijn oogmerk is de vernietiging van Gods plan. Ik heb het sterke vermoeden dat jouw Duivel Gods gelijke is en niet een van zijn schepselen; dat hoogmoed zijn deugd is, niet zijn zonde; en dat zijn missie niet neerkomt op de vernietiging van Gods plan omdat er helemaal geen plan van God ís dat vernietigd hoeft te worden. Mijn Duivel is objectief en de jouwe is subjectief.’

Voor de meesten van ons, zo vermoed ik, zal het geen duivels dilemma zijn om uit te maken welke van de twee door Flannery O’Connor beschreven duivels die van ons is. Het is de vraag of onze hoogmoed getuigt van naïviteit of van gezond verstand.

———-

Marie Stahlie portret bankMaria Stahlie (1955) is schrijfster. Zij debuteerde in 1987 en ontving verschillende prijzen voor haar werk. Onlangs presenteerde zij haar veertiende boek, de roman Egidius, die in De Morgen al werd onthaald op een juichende recensie (5 sterren) door Fleur Speet. Toef Jaeger interviewde de auteur voor NRC.

Portret Maria Stahlie (copy, paste): NRC.

 

 

Vragen

are-they-human-questionsFerdinand von Schirach is een Berlijns strafpleiter die boeken is gaan schrijven. In vertaling komen ze uit bij De Arbeiderspers. Er is iets zeer aantrekkelijks aan juristen die schrijven. Omdat ze zulke goede vragen stellen. Niet  Geert-Jan Knoops, niet Bram Moskovicz, zij missen de afstand en ze zijn te zeer gevleid door media-aandacht, zo lijkt het. Von Schirach’s debuut Misdaden is een heel fraaie verhalenbundel met als uitgangspunt zijn eigen juridische praktijk. Het gaat over mensen en de achterliggende verhalen waardoor zij tot hun daden kwamen.  Een recente verzameling van artikelen die Von Schirach schreef voor ‘Der Spiegel’ komt misschien niet in vertaling, omdat ‘essays’ niet verkopen en wellicht omdat het allemaal een beetje te Duits is. Maar er zijn goede redenen om het boekje Die Würde ist antastbar  te lezen. Eén ervan is de verstandige voortdurende bevraging van de contemporaine rechtspraktijk, bijvoorbeeld vragen rond de openbaarheid, of meer de media-gestuurdheid van het rechtsproces. Hij schrijft daar in deze bundel een aantal mooie stukken over. Hij stelt vragen. Vragen krijgt Von Schirach zelf ook over zijn grootvader, Baldur von Schirach. Zonder meer het mooiste stuk in  deze bundel heet ‘Du bist wer du bist. Warum ich keine Antworten auf die Fragen nach meinem Großvater geben kann’.

what-does-that-man-questions-503x600Nog niet eerder heb ik iemand zich in een kleine 10 pagina’s zo soeverein zien verhouden tot zijn zeer nabije banden met het besmette Duitse verleden.

Een andere bijdrage bestaat uit louter vragen, onder de titel ‘Begrijpt u alles nog?’ . Ik vertaal er een paar en voeg er een paar van mij aan toe. Vragen is een vruchtbare bezigheid.

Zijn er in andere landen ook zoveel windmolens? Vormt het landschap de mens echt? Is het verstandig thans schulden te maken? Kunnen de Chinezen Europa kopen? Gelooft u dat volksvertegenwoordigers alles lezen waarover ze besluiten? Denkt u vaak na over eenzaamheid? Stuurt Rutte wel eens een SMS’je dat de melk en het brood op is? En aan wie? Heeft u op een vliegveld wel eens met de gedachte gespeeld uw bagage onbeheerd achter te if-god-loves-me-questions-386x600laten? Houdt u het voor mogelijk dat er een burgeroorlog komt? Zou het u aangenamer zijn als uw huis wel een kelder had? Hamstert u al? Waarom verdienen eenvoudige ambtenaren zoveel geld? Weet u eigenlijk wel hoeveel? Kent u een beleidsmedewerker? Bestaat er zoiets als het humeur van een land, een volk? Verontrust de gedachte u dat Linda de Mol soms ook niet lacht? Weet u wie de baas van Amazon is? Wist u dat Jeff Bezos waarschijnlijk de enige bezitter van 27 miljard is die voor zover bekend niet aan goede doelen doet? Zou u graag Belg zijn?  Vindt u het beangstigend dat de mensheid insolvent is, terwijl het 50.000 miljard aan schulden heeft? Bij wie heeft het die schulden? Er is een Wet van Behoud van massa? Is er geen Wet van behoud van waarde? Weet u wat de Gulden Snede is? Hoe precies weet u het? Herinnert u zich nog een vakantie in de lagere school jaren? Gaat het goed met u?

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Terugkomen

Ik heb altijd geschreven. Pas nu ik er – sinds een jaar of vier – dagelijks mee bezig ben, besef ik dat de verhalen die ik als kind in een schriftje krabbelde en de gedichten die ik als puber maakte geen gekke probeersels waren, maar het eerste vuren van synapsen; het begin van leven.

Als twintiger schreef ik twee boeken die ik nooit ergens zou durven aanbieden. Na thuiskomst uit het café waar ik werkte tikte ik nachtenlang bij het schijnsel van de oranje letters op het schermpje van mijn tweedehands desktop.

Ik rookte Bastos, toen. Liet de manchetten van mijn overhemd openhangen, waardoor de knopen tegen het tafelblad tikten bij het beginnen van een zin.

Vaak benauwt het me dat ik pas op mijn 38e debuteerde. Een verschrikkelijke haast bevangt me dan: maken, maken, máken voordat het te laat is, want het moet er allemaal nog uit. Op die manier kwam ook mijn laatste manuscript tot stand. Zoveel haast had ik ermee, dat ik niet zag dat het boek een hart miste.

Gelukkig weet een goede redacteur zoals een goede arts dat slecht nieuws het best direct gebracht kan worden.

Ik was terug bij af, en hield me voor dat deze tegenslag onderdeel was van mijn leerproces.

Na zes weken nauwelijks gewerkt te hebben, keerde ik gisterenavond terug bij mijn toetsenbord. De afzettingen van dode huid en gemorste koffie tussen de knopjes kwamen me vreemd voor, als achtergelaten door iemand die het apparaat voor me in gebruik had. Een accountmanager misschien, die er targets mee bewaakte en korte verhaspelde mailtjes op tikte. Onder de functietoetsen vermoedde ik shortcuts naar youtubefilmpjes over auto’s en sites die Brazzers of Analteens heetten.

‘Hier ben ik weer,’ fluisterde ik tegen letters en getallen, komma, puntkomma; punt. ‘Ik ben terug.’

Terwijl een kleuter met oranje en gele Ecoline losging in de hemel boven Paramaribo, startte ik Word op. Ik probeerde niet naar de cursor te staren, maar nog even te genieten van de oneindige mogelijkheden.

Misschien, dacht ik, houd ik wel evenveel van een afgerond verhaal als van die eerste lege bladzijde. Van dit korte moment voordat je woord voor woord een leven vast begint te leggen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

‘Waist nog wel?’ – Nanne Tepper, 1962-2012

Tepper portretVandaag precies twee jaar geleden maakte Nanne Tepper een einde aan zijn leven. Zijn inzet als schrijver, dat wat je zijn poëtica moet noemen, was de ‘grandeur van de teloorgang’, en preciezer gezegd: hoe je die grootsheid voelbaar kunt maken in een verhaal. In zijn werk overheerst de nostalgie naar een verleden dat vooral zo paradijselijk is omdat het buiten het bereik van gezond verstand valt. Wat heb je ook aan gezondheid? Weliswaar raakt het heden verstikt door dat zwelgen in hoe het ooit was, maar dat hoeft niet onprettig te zijn.

Iedereen beseft wel dat je het verleden niet kunt herhalen. Gedane zaken nemen geen keer. Bullshit, vindt aankomend schrijver Hille Veen in De avonturen van Hillebillie Veen, kijk maar naar mijn manuscript! Daarin ligt mijn jeugd in Veendam en de liefde voor mijn nimfijn Yvonne opgebaard. Als zij het leest zal ze niet anders willen dan het vuur van onze liefde opnieuw opstoken. Hilles vriend repliceert: ‘Da’s wat anders mienjong… “waist nog wel” is iets anders den “wilst nog wel”.’

Nanne Tepper was de auteur van De eeuwige jachtvelden, De vaders van de gedachte en De avonturen van Hillebillie Veen, romans waarvan de kwaliteit per titel exponentieel minder werd. Dat is vooral te wijten aan zijn waanzinnig goede debuut, over de Oost-Groningse doktersfamilie Prins en de liefde tussen broer Victor en zus Lisa, een roman die tot de beste vijf Nederlandstalige romans van de vorige eeuw behoort.

In De eeuwige jachtvelden gunde Nanne Tepper zijn held Victor de zoete teloorgang – via Oude Huizen naar Groningen, Amsterdam, Parijs en terug naar huis – die hemzelf in zijn leven niet gegeven was. Aan het einde van het boek zijn Victor en Lisa voor even weer herenigd in het paradijselijke Groningse gehucht van hun jeugd. ‘Het klinkt in zijn hoofd en het is schril en lelijk, als een gevecht… Pathos, in muziek volledig acceptabel.’

In alles wat na zijn dood over Nanne Tepper geschreven is, teksten waarin herinneringen werden bovengehaald, brievenboeken aangekondigd, een eerdere poging tot zelfdoding gereconstrueerd, bleef onduidelijk waarom zijn spreekwoordelijke ganzeveer opdroogde, hoe hij in de versukkeling raakte, waarom hij op het einde van zijn leven alleen nog maar de auteur was van sardonische Engelstalige comments op obscure Amerikaanse muzieksites. Hoe en waar je ook leest, nergens een duidelijke oorzaak of verklaring. En natuurlijk is zo’n verklaring er uiteindelijk ook niet. Wat evengoed geldt voor dat raadselachtig goede debuut van destijds. Hoe is dat er ooit gekomen?

Waarschijnlijk de kernzin in zijn oeuvre, halverwege De eeuwige jachtvelden: ‘Maar wat viel er meer met het leven te beginnen dan het te romantiseren?’ Nanne Tepper bouwde in zijn boeken aan een eigen familie, een eigen thuis zoals ooit J.D. Salinger, die andere voortijdig gestopte schrijver, dat deed.Niet om het verlangen te stillen in oosterse berusting, maar om het, op nabokoviaanse wijze, volledig bot te vieren.

Kees ’t Hart heeft geschreven dat Nanne Tepper zichzelf ‘ten koste van alles’ in een staat van het ‘gelukkige schrijverschap’ kon brengen. Dat is een mooie en ook wel troostende diagnose achteraf.

Zijn dialogen zijn gemaakt voor de bühne, zijn metaforen sprankelen, hij had het goocheme van een aforist. Bijvoorbeeld deze: ‘De hemel boven Oost-Groningen: het plafond van zijn jeugd en misschien ook van zijn kunnen.’ Of hier, over Amsterdam: ‘Van dit krenterig decor werd je losjes en lacherig. Hier was de Hollandse ironie geboren.’

De mooiste zin uit het oeuvre is wat mij betreft een onopvallende. Hij heeft een rustig jambische gang en versnelt haast ongemerkt bij de adjectieven op het einde: ‘Haar kamertje was verduisterd, maar boven haar bed stak een geruststellend, onhoorbaar zoemend, lichtgroen lampje in het stopcontact.’ Oké, dat zal wel sentimenteel klinken, zo met die twee verkleinwoorden erin. Maar wat moet je anders als je ooit ook zelf zo’n groen lampje in het stopcontact in de kamer van jou en van je zus hebt gehad?

Het laatste hoofdstuk van De eeuwige jachtvelden is een naar verluidt faulkneriaanse (maar ik heb Faulkner nooit gelezen) innerlijke monoloog van de overleden Directeur van de plaatselijke bank. Hij beschrijft de dag van zijn eigen begrafenis en ziet vanuit het zolderraam hoe Lisa en Victor allebei gekomen zijn om hem de laatste eer te bewijzen. De slotregels van het boek luiden:

‘En ik hang voor dat dakraam en zie de avond over de velden en de zon die achter de einder dooft en er spoelt iets warms door dat wat van mij over is en dood zal ik wel niet meer gaan en als ik door het dakraam vloei en de avonden van altijd ruik, zie ik in mijn hoofd mijn oude vriend Zonnebloem die mij bij een elleboog pakt en zegt: “Mien beste kerel, waist nog wel…”’

Het is bijna twintig jaar geleden dat De eeuwige jachtvelden verscheen. Misselijkmakend toch, dat zoveel tijd zo ongemerkt voorbij kan gaan?

————

Daniël Rovers (1975) schreef de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt, de romans Elf en Walter en een bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning.  In Tirade 450 publiceerde Rovers een ’tirade tegen zichzelf’ en in Tirade 453 het verhaal The Killing Fields. In het komende nummer van Tirade, Tirade 456, vind je een essay van Daniël Rovers over Jeroen Mettes en diens N30.

Foto Nanne Tepper: dbnl.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jos Versteegen"
    Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.