Anderzijds

De afgelopen dagen zijn we overspoeld door mails, brieven, kaarten en briefkaarten van mensen die schreven: ja, nu hebben jullie wel bekendgemaakt wie er allemaal bijdragen aan de komende Tirade, Tirade 456, maar hoe, in godsnaam, ziet het achterplat van dat nummer eruit? Nou. Hé. Kijk eens rechts van dit stukje… zo dus!

Ontwerp: Emiel Efdée, illustratie: Suzanne van der Aa.

Tip: leer de ISBN code van dit nummer vast uit je hoofd, dan maak je straks helemaal de blits bij de aankomend boekverkoopster (m/v) van jouw favoriete zelfstandige boekhandel door de hele rits (dertien cijfers!) zonder spieken – en in de juiste volgorde – op te dreunen.  Wat ook kan: abonnementje regelen.

Over een dikke twee weken verwachten we Tirade 456 van de drukkerrr.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.

Binnenkort (hoei!): het voorplat.

Tirade – anderzijds, enerzijds.

In de Oorshop

Maarten van der Graaff – Lijst met openbaarmakingen

Lijst met openbaarmakingen

Fuck de avant-garde, zeg ik met Cathy Park Hong.
Ik maak openbaar dat ik in bed wil blijven
omdat ik gek word van alles om mij heen.

Ik maak openbaar dat ik in de polders van Zuid-Holland rondliep
en mij voorstelde dat ik overwoekerd werd door levensvormen
ouder dan de mens, ouder dan mijn eenzaamheid of die van jou.

Mijn fascisme is dat ik niet weet hoe ik moet schrijven over gemeenschap.
Ik maak openbaar dat Cathy Hong de poëzie gesegregeerd noemt
en dat ik niet weet hoe ik schrijven moet.
Dat ik hier verslag van doe.

Ik maak openbaar dat het 2014 is:
opnieuw verlang ik naar een toondoof plantenleven,
maar ook dit is onmacht.

Fuck de avant-garde, zeg ik met Cahty Park Hong
en verlang naar het klemmen van mijn kaken,
een voorbode van paniek.

Het is 2014 en ik maak openbaar
dat mijn kaken klemmen.
Ik doe het dode werk van een dode plant.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Halve seconde geluk – Marc Poorter

In mijn jeugd hielden de ruzies tussen mijn ongelovige vader en diepgelovige moeder mij nachtenlang uit mijn slaap. Tijdens die ruzies moest ik in mijn kamer blijven. Ik hoorde het servies tegen de muren van de huiskamer slaan en ik bad tot de God van mijn moeder in de hoop dat Hij zijn engelen zou sturen om de ruzies op te heffen. Maar helaas, de engelen hadden geen zin in een huisbezoek en het geschreeuw van mijn vader hield aan tot hij uiteindelijk diep in de nacht naar zijn slaapkamer ging en dronken en uitgeput op zijn bed in slaap viel. De volgende morgen zag ik de krassen op het behang van de stukgeslagen kop en schotels, de bladzijden die uit de bijbel waren gescheurd, de bloedvlekken op de salontafel, de huilogen van mijn moeder en de onhandige gebaren van mijn vader die vol berouw mijn moeder probeerde te omarmen. Ik rook het verschaalde bier, het angstzweet van mijn moeder en de ijzeren geur van bloed. 

Van al die jaren dat de strijd duurde, en mijn vader uiteindelijk capituleerde door zich te laten dopen, waarmee hij met zijn onderdompeling de agressiviteit van zich afspoelde, kan ik mij één avond herinneren dat alles goed was. Mijn vader en ik stonden voor het huiskamerraam en we keken naar de sneeuw die in korte tijd alles in de straat bedekte. Het sneeuwde zo hevig dat het leek of er een muur voor ons raam werd opgetrokken. Mijn moeder kwam de huiskamer binnen met een pot thee en een zakje met cakejes die ze die dag op de markt had gekocht. Ze schonk de thee in en kwam daarna naast ons staan. We keken naar de auto’s in de straat die vast kwamen te staan in de hopen sneeuw langs de stoeprand. Mijn vader stond in zijn geruite pyjama in het midden en opeens voelde ik zijn arm om mijn schouders. Ik keek opzij en zag dat hij zijn andere arm om de schouders van mijn moeder hield. Zo stonden we een tijdje naar buiten te kijken, zwijgend, dicht tegen elkaar aan. Op dat moment voelde ik geluk zoals ik dat nog nooit ervaren had. Wij drieën in de warme huiskamer, de thee en cakejes wachtten, en buiten veranderde alles in een sprookje. Ik hield op dat moment ongelofelijk veel van mijn ouders. 

Die avond maakte ik een foto van de besneeuwde straat. Ik had een eenvoudige kleinbeeldcamera waarmee ik op de gok het diafragma en de sluitertijd moest instellen. Om zonder trillingen een lange sluitertijd te kunnen gebruiken steunde ik de camera op de vensterbank en hield de sluiter vijf seconden ingedrukt. Daarna dronk ik mijn thee, at het cakeje en ging naar mijn kamer. Het was die nacht niet nodig om de engelen te roepen.  

Een paar weken later bouwde ik mijn kamer om tot doka. Ik dekte de kieren die licht konden doorlaten af met dekens, installeerde de vergroter op mijn bureau en goot de chemicaliën in plastic bakken. 

Soms, als ik een pak fotopapier had opengemaakt, opende mijn moeder de kamerdeur om te vragen of ik iets wilde drinken, of om te zeggen dat het tijd was om naar bed te gaan. Snel dekte ik het fotopapier af alsof ik een geheim verborg, maar het ganglicht had het fotopapier al bezoedeld met strooilicht. Ik heb in mijn doos met herinneringen nog foto’s liggen die langs de randen geel zijn van het licht dat een fractie eerder dan de stem van mijn moeder de kamer binnenkwam. ‘Maak je het niet te laat, mijn lieve jongen?’  

Onder het gele licht van de dokalamp schoof ik de foto van de besneeuwde straat in de vergroter. Ik beoordeelde de foto als overbelicht, want het licht van de lantarenpaal in de straat kleurde alles op het negatief wit, alleen de school aan de overkant en de flats daarnaast waren in grijstinten zichtbaar. Toen ik de foto heel kort belichtte – niet langer dan een halve seconde, kon ik het licht van de lantarenpaal beteugelen. Het werd een foto van een witte bol met daarom heen in vage tinten de sneeuw op de stoep en op de auto’s. Op de achtergrond was alles donker, de school aan de overkant bestond op de foto niet. Het was geen foto van de werkelijkheid, maar een in een ogenblik vastgelegd beeld van geluk.

A home at the end of the world

DSC_0339Morgen zijn we zeven weken in Suriname. Met elke dag die voorbijgaat ben ik hier meer thuis. Als je gevoelig bent voor het soort schoonheid dat dit land bezit dan raakt het je ook hard.

Ik heb het niet alleen over de natuur. Mocht je wat later op de avond ontdekken dat de fles rum in je koelkast leeg is en naar de winkel op de hoek sloffen, dan kun je een aantal minuten staan staren naar de electriciteitsdraden die als smeltend trekdrop tussen hun palen hangen; naar de maan, die door de drop aan brede repen wordt gesneden.

Daarna kijk je naar het autowrak op het braakliggende perceel, dat op gasbetonnen blokken in slaap gevallen is. De schaduw van de amandelboom valt op de roestgaten in het chassis, die daardoor de kleur van gestold bloed krijgen en vloeken, wringen, knetterend contrasteren met de sprinkhaangroenheid van het hoge gras.

De honden trekken je aandacht, die door de straten draven alsof ze een lijst met taken moeten afvinken voordat het tijd is om met de autoalarmen mee te joelen in de nacht. De koelte van de avond maakt ze monter, de zzp-ers onder de nachtdieren. Ze zouden fluiten als ze lippen hadden. Colaatjes bestellen.

Een oude man en zijn neef of zoon of jongere vriend, die altijd – nacht en dag – naast de ingang van de winkel een plastic stoel delen. Ik heb ze nooit zien eten of drinken. Soms staat de een tegen het rolluik geleund, soms de ander.

In de winkel, achter de kassa, vind je de Chinese caissière die accentloos Nederlands spreekt. Haar grootmoeder speelt met haar kind in de gang waar ook de instantkoffie staat. Een meisje van een jaar of twee met witte kniesokjes, een roze truitje en een wijnvlek boven haar wenkbrauw. Je blikt op je pols omdat je hier geen horloge meer draagt; kijkt naar de televisie aan de wand boven de koelkasten en ziet dat het half elf is.

‘Moet ze niet naar bed?’ vraag je aan oma.

Maar oma straalt en haalt haar schouder op.

Je legt je handen met de palmen op elkaar en houdt ze tegen je wang, knikt in de richting van het kind.

Weer haalt oma haar schouder op. Ik begrijp je wel, maar ze wil gewoon niet slapen. 

Met de fles in je hand wandel je terug. Buren flaneren langs het autowrak, groeten en vragen hoe het gaat. Na een praatje loop je verder tot waar je huis staat, naar het stalen hek dat je erf afscheidt van de straat. De greep van het poortje voelt warm aan, de verf droog als krijt onder je vingers.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

This country wasn’t founded by tree-huggers.’ – Saint Vincent (2014)

Mijn nieuwe boekje, Elders (novelle), kwam van de drukker. Met een omvang van een kleine tachtig pagina’s leek een presentatie me niet echt gerechtvaardigd, maar om de Onbewogen Beweger te bedanken voor zijn/haar Goddelijke inblazingen (in-spi-ra-tie), woonde ik gisterenavond een trompetconcert bij van Ibrahim Maalouf. Een lekkere, gelikte show; weinig echte jazz solo’s, verder een prima avond.

Maar waar hadden we het ook alweer over? Nergens over! Dit stukje moest nog een aanvang nemen. Gaan we.

Film: St. Vincent (2014).

Regie(speelfilmdebuut): Theodore Melfi.

Genre: sentimentele komedie.

Verhaal: Vin, Vincent, krijgt nieuwe buren. Een alleenstaande moeder en haar adoptiefzoon, Oliver. Moeder werkt in het ziekenhuis, dringt haar zoontje op aan Vin. Vin leert Oliver te leven en van zich af te bijten – hij neemt hem mee naar de paardenrennen en naar kroegen. Dan krijgt Vin een hersenbloeding, verliest zijn dementerende vrouw én bevalt zijn vaste prostituee van een meisje. Daarna leeft iedereen nog lang en gelukkig.

Zoals de meeste Europeanen en Amerikanen heb ik inmiddels een handvol films gezien waarin Bill Murray speelt – Ghostbusters (1984), Lost in Translation (2003), Broken Flowers (2005) en de relatieve Geheimtipp, Coffee and Cigarettes (2003) van Jim Jarmusch – en eerlijk gezegd veel ik hem alleen van harte in de films van Wes Anderson omdat zijn (Bills) acteren daarin ondergeschikt is aan de essenties van Wes. Murrays deadpan is de acteursvariant van het minimalisme in de letteren – en maakt, paradoxaal genoeg, vaak een pretentieuze en ijdele indruk.

Omdat Murray de acteur zoveel goodwill heeft, kan de regisseur van SV hem als volgt introduceren: Vincent (Murray) ligt in bed te roken. Onderwijl wordt hij geneukt door een zwangere, Oost-Europese prostituee die zegt dat ie maar es moet komen. Er zijn gemakzuchtiger manieren om sympathie voor je protagonist te wekken.

De handeling van St. Vincent komt op gang zodra Vincent op zijn buurjongetje Oliver moet passen. Het jochie wordt gepest – op school, op straat – en Murray leidt hem op in de geest van De Directeur uit Nanne Teppers De eeuwige jachtvelden (1995): ‘Een vent mot eelt kweken, en vechten leren as hij omhoog wil, want eenmaal boven laten ze de honden op je los en dan mot je weten waarom ze dat doen en dat lukt niet as je slaapwandelend boven bent gekomen.’ (p.33).

Nou ja, zie ook de titel van deze blogpost.

In de mooiste sequentie van SV rennen Vin en Oliver in slow motion – het ventje een plastic zak vol gewonnen papiergeld in de knuist – over de parkeerplaats van de paardenrennen naar Vin’s cadillac. Lekkere soundtrack eronder. De scène is nonchalanter gekaderd dan Wes Anderson zou hebben gedaan, maar hij werkt beslist.

Ook mooi: als Vincent Oliver ontzet van een groepje klasgenoten – de grootste pestkop wordt later Olivers beste vriend – grijpt hij een skateboard dat hij met een schreeuw doormidden breekt op zijn bovenbeen, de twee helften gooit hij achter de boefjes aan.

Oliver zit in een klas, op een school, waar alle (on)geloven verenigd en welkom zijn. Shine like the sun, staat er naast een lief zonnetje boven het schoolbord – en waar je je licht vandaan haalt doet er dus niet toe. Olivers onderwijzer – heel fijn gespeeld door Chris O’ Dowd – is katholiek, de ironische en tegelijk liefdevolle manier waarop hij zijn leerlingen bejegent, vormt wat mij betreft het eigenlijke hart van SV .

In het kader van hun levensbeschouwelijke vorming krijgen Oliver en zijn klasgenoten allemaal de opdracht om iemand uit hun omgeving voor te dragen als hedendaagse heilige. Hun keuze moeten ze toelichten op een podium in de aula van de school. Oliver blijkt zich te hebben verdiept in het leven van Vincent. Oliver stelt: een heilige is iemand die offers brengt voor anderen. En Vincent heeft gediend in Vietnam, hij zorgde acht jaar voor zijn dementerende vrouw en hij gedroeg zich als mentor en vriend voor Oliver.

VincentAan het slot van de film zitten de belangrijkste personages uit SV met elkaar aan tafel. Een soort van gezin dat is samengesteld uit een obese zuster en haar geadopteerde wijsneus, een Oost-Europese prostituee en haar baby en een Vietnam veteraan die herstelt van een hersenbloeding. Dat is het materiaal waarvan de heilige boeken helden maken.

Af en toe vang je een glimp op van het personage dat Vincent had kunnen zijn bij een minder kluchtige, minder conventionele benadering. De getraumatiseerde Vietnam veteraan die rouwt om zijn stervende vrouw en zijn verdriet verdooft door te drinken, te gokken en ruzie te zoeken. In een aantal sequenties draagt Vin een broek van camouflagestof: de oorlog hangt nog steeds om hem heen.

In deze vorm levert de film behalve een flink aantal grinnikjes en glimlachen, maar één interessant inzicht op. Zonder de opdracht van Olivers katholieke onderwijzer hadden de personages uit SV zich niet met elkaar verzoend. De film blaast zo oude waarden (naastenliefde, liefdadigheid) nieuw leven in en toont dat de kunst een onderafdeling van de theologie is. De hemel voelt zich blijkbaar nog altijd thuis op aarde. Wat zegt Oliver ook alweer tijdens zijn spreekbeurt over Heiligen? Uit wat voor hout zijn zij gesneden? Uit duurzaam hout:

‘Saints never give up.’

Eindoordeel St. Vincent: twee in de rijwind van je cadillac (cabrio, woodie) wapperende bandana’s. (2/5).

——

Volgende week: Daniël Rovers over Nanne Teppers De eeuwige jachtvelden (1995).

Coming soon: Jaap van Heusden verfilmt The Lame Shall Enter First van Flannery O’Connor.

Maarten van der Graaff – Let’s get unconscious

Ik loop naar de trein en rechts van me verschijnt een man in fluorescerende overall die een groot ijzeren ding draagt. Hij draagt het met veel zorg. Het ijzeren ding ziet er uit als een pijp, maar heeft een brede rand, waardoor het een grote ijzeren hoed lijkt. Ik kan me niet voorstellen waar het ding voor is. De man nadert een opening tussen twee hekken, die een beetje slap uit hun betonnen verankeringen hangen. De opening is net niet groot genoeg. Hij moet zijn rechterschouder tegen het hek drukken om erdoor te kunnen. Mijn hand beweegt: ik wil het hek opzij duwen. Ik schrik van deze beweging, trek mijn hand terug en loop door richting trein. Mag ik hem wel helpen? Is het geen belediging om een paar seconden lang werk te doen dat je niet eens begrijpt en dat je nooit zal hoeven doen? Ik weet niet wat ik precies heb gezien, wat er voor werk om mij heen wordt verricht. Het is fysiek inspannend, verder kom ik niet.

Lieke zegt dat ze meer popcultuur op de Tiradeblog wil. ‘Ze zullen me ook eens voor de serieuze essayistiek vragen,’ typ ik in de het venster van de facebookchat en beloof iets met een oude Madonnavideo te doen.

Wat hebben Madonna, de man met de ijzeren hoed en ik gemeen? Niemand kan een betere euroknaller kopen dan de anderen. De euroknaller maakt ons gelijk. Ik jat dit van Andy Warhol (in The philosophy of Andy Warhol gebruikt hij het kopen van een hotdog in Central Park als voorbeeld).

In dat boek verzucht Warhol – of eigenlijk zijn ghostwriter– dat de president zoveel publiciteitspotentieel heeft dat nooit wordt benut. Hij vindt dat de president eens een lijst zou moeten maken met allerlei taken waarvoor mensen zich schamen, om vervolgens juist deze dingen op televisie te doen. We zien de president de openbare toiletten van ‘the Capitol’ schoonmaken en uitroepen: ‘Why not? Somebody’s got to do it!’
Dit zou de mensen die dit mooie werk gewoonlijk doen een hart onder de riem steken.
Ik wil een video met Madonna maken waarin ze langzaam, met haar armen om een ijzeren hoed geslagen, tussen twee hekken doorloopt. 

‘The city had converted and elevated length of abandoned railway spur into an aerial greenway and the agent and I were walking south along it in the unseasonable warmth after an outrageously expensive celebratory meal in Chelsea that included baby octopuses the chef literally massaged to death.’

Deze sinistere culinaire uitspatting is het begin van 10:04 van Ben Lerner. Wat een goede openingszin en hoe David Foster Wallace-achtig is dat ‘literally massaged to death’. 10:04 bevat hele banale meta-fictie, die me verblufte (terwijl ik toch pas I love Dick van Chris Kraus las, een fantastisch boek dat ook bol staat van dit soort platte, onbeholpen metafictie). Ga Chris Kraus lezen. Maar eerst: banale metafictie in 10:04, een opsomming:

1. Je leest over een auteur die worstelt met een manuscript over literaire fraude en uiteindelijk besluit het boek te schrijven dat je nu leest.

2. In de New Yorker verscheen een verhaal van Ben Lerner. De auteur die de hoofdpersoon van Lerners boek is publiceerde dit verhaal in de New Yorker. Dit verhaal leverde beide auteurs ‘a strong six figure’ deal op voor een tweede boek.

3. De lezer wordt met enige regelmaat aangesproken als ‘jij’ of zelfs als ‘lezer’.

4. De beschrijvingen van de strubbelingen van de schrijver met zijn roman vormen een essay over Walt Whitman, catastrofe en gemeenschap. Ben Lerner is een meester van het plotselinge essay (begint en eindigt in media res en doemt opeens op).

5. In de roman wordt expliciet naar collectiviteit gezocht.

6. De roman eindigt met dichtregels van Whitman, maar zoals men dichtregels citeert in proza. Met een / dus.

Die dichtregels luiden: ‘I know it’s hard to understand / I am with you, and I know how it is.’
Op de Brooklyn Bridge staan en plotseling menigten kunnen bevatten. Iemand moet het doen.

Of is al die ingenieuze banaliteit een vorm van cynisme en wil Lerner ontsnappen aan zijn eigen vragen? Dat wordt hier bediscussieerd.

Nog enkele mededelingen:

Hier staan plaatjes van mensen die tatoeages hebben van Whitmanregels.
Laten we onze lichamen bekrassen en met elkaar praten.

– Iedereen moet Chris Kraus lezen. De hoofdfiguren van Lerner lijken op die van Kraus, maar zijn ook onuitstaanbare kerels. Leg Catt Dunlop – kunstcritica en vastgoedhandelaar – uit Summer of hate daar eens naast.

Dit is de videoclip van ‘Bedtime story’ van Madonna. Het is 1994 en ze zingt: ‘today is the last day I’m using words’. Ik kijk naar de clip, denk aan Micha Klein en laat de video aan Laurie zien. Ze ontdekt dat er een ijzeren hoed in voorkomt. 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.