Nu te koop: Tirade 454

Champagne, vreugdetranen, regens van rozenblaadjes, honderdduizend knuffels. Tirade 454 is van de drukker. You can’t hurry Love  – maar het nummer is er eerder dan we hadden durven dromen. Volgende week vrijdag, 9 mei 2014, presenteren we Tirade 454 in De Nieuwe Liefde (Amsterdam), maar het nummer is nu al te bestellen in de Oorshop.

Tirade 454: na een inleiding door dichteres en Tirade redacteur Lieke Marsman kun je je laten bedwelmen, ontregelen, ontroeren en amuseren door Nieuwe Liefdesgedichten en Vertaalde Liefdespoëzie van, in volgorde van opkomst:

Ilja Leonard Pfeijffer, Alfred Schaffer, Eva Gerlach, Piedad Bonnett (vertaald door Luc de Rooy), Charlotte Mutsaers, Frank Keizer, Vicky Francken, Jannah Loontjes, Paulos Silentiarios (vertaald door Marko van der Wal), Leo Vroman, Tomas Lieske, Nikki Dekker, Maria Barnas, Gerbrand Bakker, Annemieke Gerrits, Ruben van Gogh, Nickie Theunissen, Piet Gerbrandy, Astrid Staartjes, Sasja Janssen, Antoine de Kom, Anne Broeksma, Paul McCartney (vertaald door Bindervoet & Henkes), Ingmar Heytze, Sylvie Marie, Lieke Marsman, Maarten van der Graaff, Tjitske Jansen, Anne Provoost, Ellen Deckwitz, Erik Bindervoet, Annelie David, Abdelkader Benali, Marjolijn van Heemstra, Paul-Jean Toulet (vertaald door Harrie Geelen), Maartje Smits, Mauro Pawlowski, Joost Zwagerman, Annermarie Estor, Gilles van der Loo, Bianca Boer, Lhasa de Sela (vertaald door Henkes & Bindervoet), Delphine Lecompte, Daniël Vis, Anna Enquist, Tsead Bruinja, Marije Langelaar, Mark Boog, Hannah van Wieringen, Jane Leusink, Nachoem M. Wijnberg, Lize Spit, Thomas Möhlmann, Milou Voskuilen, Daan Doesborgh, Kira Wuck, Nizar Qabbani (vertaald door Hafid Bouazza), Martijn Knol, Lies Van Gasse, Pieter de Bruijn Kops, Tonnus Oosterhoff, Joost Baars, Yannick Dangre, Hans Dekkers, F. Starik, Hannah van Binsbergen, Erik Lindner, Ester Naomi Perquin en Willem Jan Otten.

Het geheel – meer dan honderdtwintig pagina’s Liefdespoëzie – wordt afgeblust door prozaïste Maartje Wortel en wel met een tirade over de Liefde. Wortel heeft letterlijk het allerlaatste woord in Tirade 454 en dat allerlaatste woord is het woord dat je het allerliefst in verband ziet worden gebracht met het woord Liefde. Zie dus Tirade 454.

Tirade 454 achterplatDe illustraties op, achterop en ín deze Tirade zijn van de hand van Rosa Vitalie. De vormgeving van het voor- en achterplat is verzorgd door Emiel Efdée.

Tirade 454 – een nummer om van te houden.

Soundtrack: Lhasa de Sela (1972-2010), Fools Gold. De vertaling van de liedtekst – door Bindervoet & Henkes – vind je in Tirade 454.

Een duurzame verbintenis met Tirade beklink je hier.

 

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot.

In de Oorshop

Badjas

Sterrenrestaurants, beach resorts, persoonlijke assistenten. Ron geeft er weinig om. De enige uitzondering op zijn onverschilligheid ten opzichte van luxe en comfort vormt de dikke, dieprode, behaaglijke badjas die een grimeuse ooit triomfantelijk uit haar Samsonite trok nadat ze hadden uitgecheckt bij het Hotel Grand Palais Raphael. ‘Cadeautje!’ De winkelwaarde van het kledingstuk moet, alleen al vanwege de hoeveelheid zachte katoen die erin is verwerkt, astronomisch zijn. Je zou er een bescheiden speelfilm van kunnen produceren. Deze verrukkelijke, rode badjas is de Rolls-Royce, het Grand Hotel onder de badjassen. Ron loopt er gedurende de dag meer uren in dan betamelijk is voor iemand die al meer dan twintig jaar geleden is afgestudeerd. Vooral nu zijn vrouw en kinderen een paar daagjes weg zijn (naar Kopenhagen, zomerschoenen kopen).

Hij zit de hele ochtend in badjas aan de eettafel. Koffie drinken, krantje lezen, plaatje draaien. Af en toe maakt hij een aantekening voor het scenario waaraan hij werkt. Als hij de vuilniswagen hoort, schiet hij overeind, trekt in de keuken de vuilniszak uit de Branbantia, struikelt de trap af en slingert grommend de KOMO tegen de lantarenpaal voor het huis. Ruim op tijd, want de vuilniswagen staat nog maar aan het begin van de straat. Zijn buurjongetje, Melvin, zit in kleermakerszit op de stoep; hij bestudeert een gummi oerwoudbeest. Terwijl Ron zich staat te verbazen over de elzen in de straat die opeens vol blad staan – wanneer is dat gebeurd? – kijkt Melvin even naar hem op en zegt: ‘Weet je wat er gebeurt als je een stier rood verft?’

‘Mmm?’

‘Dan wordt ie boos op zichzelf.’

—–

Alan Smithee (Los Angeles, 1967) is regisseur. Hij heeft tientallen speelfilms en televisieseries op zijn naam staan.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

A High Wind in Jamaica

2014 World Press Freedom Index

In 1929 verscheen A High Wind in Jamaica, van Richard Hughes. Ik kocht een paar weken geleden onbedoeld een eerste druk (zie onder). Zou ik nu rijk zijn? Als iemand het boek voor veel geld van me koopt, stort ik het  geld daarna op de rekening van een goed doel naar keuze op Jamaica. Het is een vreemd boek over een groep kinderen die door een piraat worden geroofd. Bijzonder is: de kinderwereld is echt volledig gescheiden van de wereld der volwassenen. Het is een heel fascinerende veelkunner, die Richard Hughes, ik ben nog maar net begonnen met zijn groot oeuvre, door vertaler Johan Hos op zijn spoor gezet. The Fox in the Attic is ook een heel raar boek, dat je niet snel vergeet.

Het plaatje hierboven is de 2014 World Press Freedom Index die je als poster meegeleverd krijgt bij het journalistenblad Villamedia. In het blad en op de site deze maand een special over persvrijheid wereldwijd. 

Een prachtige site met een behartenswaardige inhoud.  Lees internationaal vooral ook dit stuk met per land de plaats in de rangorde, en van welke positie het land komt en wat de stijging of daling verklaart, of hoe men gelijkblijft hoewel er nogal ingrijpende ontwikkelingen waren. (‘The formation of a government led by Mohamed Morsi in Egypt (159th, unchanged) in the summer 2012 was accompanied by an increase in abuses against journalists and all-out efforts to bring the media under the Muslim Brotherhood’s control’) Zie ook de  toch wat verrassend magere plaats van de VS, na het Snowden debacle.

Het is een fascinerend plaatje, zoals  elke pagina in de atlas (ook ‘winning kolen en staal’ Bosatlas 1971) voor veel plezier zorgt als je er de juiste vragen maar bij stelt. Mijn Leopoldatlas 1923 waarin mijn grootvader die boer was maar wel in 1953 zijn reis per bananenboot vanuit Honduras naar Californië optekende,  net als mijn Times Concise Atlas of the World, en de globe op mijn nachtkastje waarop ik nooit uitgekeken raak, behoren tot het weinige materieel bezit waaraan ik hecht. Heel opvallend op deze index is de aanwezigheid van een aantal ‘witte raven’. Waarom is Namibië zoveel beter in het de pers zijn gang laten gaan dan omringende landen? Ik weet het antwoord nog niet, maar in Villamedia wordt het uitgelegd. Costa Rica snap ik al wat beter, het Zwitserland van Midden-Amerika, geld helpt. Maar Jamaica!

But I’m sad to say, I’m on my way
Won’t be back for many a day
My heart is down, my head is turning around
I had to leave a little girl in Kingston Town.

Ik moet het liedje misschien ook wel van mijn opa hebben. zie  Harry Belafonte – Jamaica Farewell Lyrics | MetroLyrics en de meester zelf op Youtube.

Ik heb deze eerste druk met stofomslag en prachtig papier. Koop het voor een groot bedrag van me en ik stort het geld naar Jamaica.
Ik heb deze eerste druk met stofomslag en prachtig papier. Koop het voor een groot bedrag van me en ik stort het geld naar Jamaica.

In de grote Jamaicaanse online krant The Gleamer vind ik rondsnuffelend vrij makkelijk dat wat ik maar als het eenvoudigste criterium van vrije pers hanteer: dat een journalist een machthebber de maat durft te nemen. In dit artikel ‘Roger in Wonderland – fishing for excuses’ gaat Christopher Serju redelijk ver in zijn kritiek op de minister van landbouw en visserij.

‘After all, believe it or not, like the agriculture minister, I’m walking on air. I never thought it could feel so free … .’

Zeer vrij, juist in Jamaica.

Down at the market you can hear
Ladies cry out while on their heads they bear
Akkisai sort fish are nice
And the rum is fine any time a year…

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Tyn’s tuin – primo

Een stuk onbeschreven papier (freecard, taartenbestelformulier) is in de Utrechtse binnenstad altijd wel te vinden. Alleen: ik heb geen pen bij me. Net terwijl le mot juste me invalt! Wat zeg ik… een complete alinea… Koortsig stiefel ik een kantoorartikelenwinkel binnen om me bij de wand balpennen te realiseren dat ik mijn portemonnee bij Orloff op tafel heb laten liggen. Shit! Schijt! Godverdomme! Kutzooi! Tyfus! Nou ja… pech voor de onderhavige detailhandelaar! Ik pak een blauwschrijvende Caran d’Ache van twee euro en steek ’m vlug in de binnenzak van m’n jasje (Oger, Oger, Oger – een vlek!). Als ik me omdraai, zie ik dat een andere klant, één of andere gepensioneerde zeikerd, naar me staat te kijken…

‘Dat zag ik, jongeman.’

‘Dan vergeet je maar wat je hebt gezien.’

‘Dat kan niet.’ En terwijl ie op z’n slaap tikt: ‘Het staat allemaal op de harde schijf.’

‘Prima. Dan gaan we die harde schijf van jou es eventjes wissen.’ Ik grijp de revers van z’n muisgrijze zomerjack en begin ’m zo hard op z’n smoel te slaan dat z’n hersens via z’n oren naar bui–

‘Tyn!, Tyn!, Tyn!… je doet ’t hartstikke goed, maar je zit in de verkeerde scène!’

‘Mmm?’

‘Je hebt een stukje over je tuin beloofd.’

‘Niet!’

‘Wel!’

‘Niet!’

‘Wel!’

‘Nou en?’

‘…’

‘Zie ik eruit als zo’n burgerlijke sukkel die zich netjes aan z’n afspraken houdt?’

‘Eerlijk gezegd wel.’

‘En wie dweilt al dat bloed dan op?’

‘Dat doen wij wel, ga jij nou maar lekker over je tuin schrijven.’

‘Ik héb helemaal geen tuin!’

‘Dan verzin je d’r maar één.’

‘…’

‘En je moet ook iets over liefdespoëzie schrijven.’

‘Pfffffff.’

Kom op, vadsige lamstraal. En… actie!

Van 2010-2012 hield ik een blog bij over mijn leven in Utrecht. HIER SCHRIJFT MARTIJN, heette het – die kapitalen zijn verplicht bij blogger. De stukjes gingen over het verzamelgebouw met ateliers waar ik werkte, over voorstellingen en films die ik zag, over mijn assistente, Eline Struweel, en over mijn tuin. Dat blog heb ik een jaar geleden omgedoopt tot KNOLLYWOOD en vervolgens een beetje braak laten liggen – het enige waar vroegere volgers van HIER SCHRIJFT MARTIJN nog weleens naar vragen is die tuin… hé, Tyn… hoe gaat ’t nou met je tuin?*…

Nou goed… sinds vorig jaar heb ik een nieuwe tuin, op een tulpenbolworp afstand van de vorige, met volop avondzon. En als je nu hoopt op een pastorale selfie van Martijn met kruiwagen tussen de Vergeet-Mij-Nietjes, dan bots je tegen een dikke, vette middelvinger op – donderstraal maar op met je Libelle Romantiek.

Nee hoor, grapje! Ik ben gewoon te verlegen om op de foto te gaan!

‘Kan een gerecht ook poëzie zijn?’ Goeie vraag. Het antwoord luidt: ja. En dan refereer ik niet aan de geforceerde prozagedichten op de gemiddelde menukaart of aan het beter geformuleerde recept in een comfortabele kwaliteitskrant. Een goed bord eten ís een mooi gedicht – en zo’n goed gerecht/gedicht begint met goeie ingrediënten, ofwel: met verse spulletjes uit je eigen tuin.

Aangezien deze blog vooral wordt gevolgd door lafbekken, bleekscheten, mietjes, stadsmensen, papkindjes en gesubsidieerde jankerds, breng ik vandaag – bij wijze van liefdesgedicht – een recept/gerecht met groenten die iedere schlemiel zelf kan telen op zijn of haar bijstandsbalkonnetje.

‘Charmeur!’

Die groentes/kruiden zijn: courgettes, knoflook, platte peterselie.

En deze eenvoudige ingrediënten gaan we gebruiken in een recept dat de grote Florine Boucher precies zes jaar geleden, in mei 2008, publiceerde in de NRC. Voor een diner à deux bak je een paar kleine courgettes (drie ons) op hoog vuur… na een paar minuten gooi je er een mengsel van gehakte knoflook (twee teentjes) en gehakte platte peterselie (vier eetlepels) bij. Nog een minuutje op lager vuur doorbakken… Vervolgens gooi je gekookte, afgegoten, vochtige pasta door je saus. Dan twee eierdooiers erbij, een paar eetlepels pecorino romano… een flinke peperregen eroverheen… en het gerecht kan gedeclameerd/het gedicht kan geserveerd worden… Dit bordje pasta moet natuurlijk wel buiten genoten worden – aan een met liefde gedekte tafel (geblokt tafelkleed, verse bloemen, zicht op bomen en vogels).

Dit pasta/courgette gerecht is een primo… maar verleidelijker voedsel bestaat niet en ik kan je garanderen dat de gang die volgt op een bordje met dit intense voedsel niet vegetarisch zal zijn…

‘Hahaha!’

O, en niet vergeten, geachte cursisten: wat voor de slaapkamer geldt, geldt ook voor de keuken… het wordt pas echt lekker als je het met liefde klaarmaakt…

‘Oh, schunnig! Hahaha!’

Tirade – happerdepap.

Soundtrack (moderne tafelmuziek): Stolen Dance, Milky Chance.

‘Is dat de nok van je tuinhuisje op die foto?’

‘Ja.’

‘Romantisch, zeg! En hoe heet die vlinder?’

‘Die heet Gerard, nou goed. Jezus Christus, wat zijn dat nou voor achterlijke vragen?’

Volgende week: Franca Treur, Anton Valens, Jannie Regnerus en Daniël Rovers. Of: hoe Daniël Rovers zijn nieuwe boek presenteerde. En meer.

‘Komen er in je stukje van volgende week ook herdershonden voor?’

‘Natuurlijk.’

Noot

Niet te versmaden, dat tuinprogramma van Maarten ’t Hart. Maar ben ik de enige die in zijn stem de hele tijd die van Mat hoort, de buurman met de rode trui, uit Buurman en Buurman?

AM over de wrede schrijver

Van Ayn Rand leerde ik ooit (Ja, Ayn Rand, die demonische verheerlijkster van het kapitalisme. Ik geef het toe: ik las haar boeken. Sommige zelfs met plezier, waaronder haar The Art of Fiction, dat ooit een enorm schrijversvuur in me aanwakkerde.) dat gewoon een conflict niet genoeg is in een verhaal. In een goed verhaal horen volgens Rand duivelse dilemma’s. Conflicten die de persoonlijke moraal van je personages zoveel mogelijk op de proef stellen. Als schrijver moet je je volgens Rand constant afvragen: hoe maak ik het conflict zo erg mogelijk voor iedereen die erbij betrokken is? Of ze daarin gelijk heeft, daarover blijf ik maar twijfelen. Ze heeft een punt want (oneindig) veel (heerlijke) boeken zijn volgens dit principe geschreven. Bijvoorbeeld een persoonlijke favoriet: Freedom (Franzen). Idealistisch echtpaar Berglund, democraten, gaat tweezijdig vreemd, maar beide buitenechtelijke relaties stranden op akelige wijze. Hun dweil van een zoon wordt republikein en raakt als investeerder betrokken in wapenhandel. Bovendien blijkt het natuurbehoudproject waar Walter zich vol vuur voor inzet een dekmantel voor de delfwerkzaamheden van een steenkoolmaatschappij.

Als Rand gelijk heeft moeten schrijvers dus meedogenloos zijn. Genadeloze wezens die gniepend en gnuivend boven hun werktafel hangen om gruwelijke details te bedenken die het allemaal nog nog nog erger en dan nog net iets erger maken. Zo bedacht Victor Hugo dat zijn hoofdpersoon (priester) uit Notre-Dame de Paris, in de slotscène niet kon verdragen om zijn grote liefde te zien sterven op het schavot (haar ter doodveroordeling was bovendien door hem zelf veroorzaakt uit wraak dat zij zijn liefde niet beantwoordde). Vlak voor haar executie werpt hij zich dus van de toren van de Notre Dame. Maar wat gebeurt: hij blijft hangen met zijn pij aan een waterspuwer waardoor hij vertraagt in zijn val en hij net voor hij te pletter valt tóch getuige is van haar dood.

Soms ben ik bang dat ik het niet in me heb. Genoeg wreedheid. Dat ik niet genadeloos genoeg ben, niet onverbiddelijk of naar. Ik heb last van existentieel optimisme. Dat zit me in de weg. Daarom bid ik soms voor een wredere inborst. Bid ik dat ik de personages in mijn verhaal zo kan laten lijden dat mijn lezer haast vergeet te ademen van het lachen, huilen en beven tegelijk. En ik schreef een gruwelijk verhaal. Over een ambtenaar en zijn dochter die ontspoort. Ik bedacht een gezin dat ik liet ontsporen. Fuseerde een paar vriendinnen in een moeder. Fuseerde wat collega’s in een vader. En ik geef toe: ik heb veel plezier beleefd aan het schrijven over de ontkenning die omgaat in ouders die hun dochter zien afglijden. Ik bedacht er nog wat perifere rampjes bij die het allemaal nog erger maakten. Maar ik kon het niet volhouden tot het eind. Ik was gaan houden van mijn personages. Ik wilde dat het goed afliep, op zijn minst een beetje. Dat in elk geval iemand daarna nog lang en gelukkig zou leven.

Van de week las ik Roem van Daniel Kehlmann. En las daarin de volgende passage: Doe eindelijk iets, zegt ze tegen mij. Verpest je verhaal. (…) Jij kunt me genezen (..). Het kost je niets! Kehlmann laat hier zijn personage Rosalie met hem, de schrijver, in discussie gaan. Rosalie is ongeneeslijk ziek en onderweg naar haar euthanasie. Bijna had ze me uit mijn tent gelokt, schrijft Kehlmann. Maar Rosalie is onderdeel van een groter plan en daarbij hoort dat ze dood moet. Maar ze geeft niet zomaar op. Een paar bladzijden verderop doet ze een tweede poging: Laat mij leven (…). Jouw verhaal. Vergeet het. Laat mij gewoon leven. Het ergert Kehlmann. Even sta ik paf. Ik weet niet wie haar geleerd heeft zo te praten. Het past niet bij haar. Het is stijlbreuk.

Maar Kehlmann laat Rosalie uiteindelijk toch niet sterven. Hij krijgt het niet voor elkaar. Hij spreekt haar toe: je klampt je vast aan de illusie dat je bestaat, maar je bestaat uit woorden, uit vage beelden en een paar simpele gedachten. Je denkt dat je lijdt. Maar niemand lijdt hier, er is niemand. Maar op het laatst laat hij haar vrij, hij verpest zijn verhaal. Hij maakt Rosalie jong en gezond. Zelfs knapper dan ze ooit is geweest. Waarom niet? Lachend loopt Rosalie met ferme stappen uit beeld.

Had ik al gezegd dat ik Kehlmann een weergaloos schrijver vind? Kehlmann maakt zich als schrijver tot personage en trakteert ook zichzelf op een gruwelijk dilemma. Wie van ons pleegt de karaktermoord? De schrijver of het personage? Kehlmann laat zien dat de relatie tussen een schrijver en zijn personage moeizaam kan zijn, een conflict op zich. En dat niet alleen de schrijver wreed is, maar ook het personage (en de schrijver weer mild). En verpest die dan zijn verhaal? Welnee, hou toch op. Want Kehlmann is de schrijver van zijn personage de schrijver die zijn verhaal verpeste over personage Rosalie. En die schreef een genadeloos goed verhaal.

Pleidooi voor de persoon

Dit ben ik. Naast me zit mijn moeder. We pellen paaseieren. Achter de fotograaf, die mijn vrouw is, staat een pan asperges op het fornuis, en rechts buiten beeld speelt mijn vader op het kleed met onze zoon. 

Er is niets bijzonders aan de personen in of buiten beeld. Bijna iedereen heeft of had een moeder, een partner, een vader, een kind. Schrijven over mensen om je heen zou om die reden oninteressant zijn. Exhibitionistisch, zelfs. 

“Quisquis amat ranam, ranam putat esse Dianam,” commentte een bekende auteur van mijn eigen stal in reactie op een blog dat ik over onze zoon Nadim schreef. Hij zal niet de enige zijn die mijn stukjes te persoonlijk vindt. 

Gezien Tirade – terecht, en niet in de laatste plaats door mij – wordt gezien als literair vakblad, heeft men bepaalde verwachtingen van haar redacteurs en de onderwerpen die ze kiezen. Zo zijn er mensen die de moeite nemen om me terecht te wijzen als mijn taalgebruik clichématig wordt, of me confronteren met een (zeldzame, al zeg ik het zelf) tikfout. 

Goed, om te merken dat wat we naar buiten brengen met scherpe blik wordt opgenomen. 

Inhoudelijk, echter, ben ik ervan overtuigd dat elk verhaal persoonlijk zou moeten zijn. Wat is er bijzonder aan een blog over Garcia Marquez als de lezer niet te voelen krijgt wat Marquez voor de schrijver van het stuk betekend heeft? Hoe kun je als auteur mensen raken zonder jezelf te laten zien?

Ik sta ervoor open het als een handicap te aanvaarden dat een stuk dat zo’n persoonlijke toon mist voor mij meestal niet te volgen is. De boodschap lijkt niet tot me door te dringen omdat er geen hart is dat de informatie draagt. Om iets over te brengen moet je eerst contact met me maken. Noem het cerebrale dyslexie. 

Als een tekst te cerebraal wordt, overvalt me eenzelfde gevoel als op het gymnasium, waar ik me alle talen met gemak eigen maakte behalve het Grieks. Die symbolen… ik weet niet wat het was. Alsof die alpha en epsilon, maar vooral medeklinkers als de theta en de zeta niets met me te maken wilden hebben. Na een jaar las ik de woorden nog steeds letter voor letter, waardoor ik nooit aan de betekenis van een zin toekwam. 

Als ik in mijn werk moet falen, laat het dan zijn omdat ik te persoonlijk schrijf. Omdat er zoveel hart in mijn verhalen sluipt dat ik terzijde geschoven word als zijnde larmoyant, dweperig of – schijnbaar erger – Amerikaans. 

Mijn goede vriend Oscar Siegelaar vertelde me een tijdje terug dat hij de mate waarin een kunstenaar vernieuwend is belangrijker vindt dan of zo iemand aardig is. Er zijn meer mensen die zo denken. Grote vergissing, lijkt me. 

Elkaar is alles wat we hebben, om mezelf maar eens te citeren.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.