Wat weet ik?

Er zijn weinig mensen die ik zo goed ken als Michel Eyquem, beter bekend als Michel de Montaigne. Daar zijn drie heel goede redenen voor. In de eerste plaats is daar de man zelf. Op een kasteel nabij Bordeaux zit aan het einde van de 16e  eeuw in een kasteeltje dat volgestapeld is met boeken uit voornamelijk de klassieke oudheid een man die op zeker moment overweegt zijn tijd te vullen met schrijven over het onderwerp waarvan hij het meeste weet, of waarnaar hij het nieuwsgierigst is: zichzelf. Al schrijvend brengt hij en passant een geheel nieuw genre ter wereld, het essay, een probeersel. Hij maakt wat het essay nu als definitie geworden is: een speels-geleerde beschouwing met iets persoonlijks als uitgangspunt, fris opgetast met citaten van andere schrijvers. Er zijn niet veel vroegere boeken waarin zo hartgrondig getwijfeld en heroverwogen  wordt – gezocht naar wat een mens beweegt, hem bezighoud, wat hij voelt en denkt. Bij het lezen van Montaigne hoor je de stem van de schrijver, je bent te gast in zijn hoofd.

Het tweede belangrijke aspect dat me in staat stelde Michel de Montaigne zo goed te leren kennen is de vertaling van meestervertaler Hans van Pinxteren. Ik moet kennis nemen van veel literatuur door vertalingen en steeds vaker voel ik de behoefte zo’n vertaler persoonlijk te gaan bedanken, maar nooit zo sterk als na lezing van Van Pinxterens vertaling van dit werk. Hoe kan ik krachtiger mijn enthousiasme over ritme en helderheid van zijn Nederlands etaleren dan door een citaat? Het gaat om het begin van het essay III,3:

b ‘Wij moeten ons niet al te zeer door onze stemmingen er emoties laten bepalen. Ons grootste talent is het vermogen ons aan te passen aan allerlei manieren van zijn. Wie zich vastketent aan één bepaalde levensvorm, en daarmee alle andere buitensluit, bestaat wel, maar leeft niet. De mooiste geesten zijn uiterst wendbaar en speels, c Hier volgt een eer­betoon aan Cato de Oudere: Zijn geest was zo wendbaar en nam alles zo makkelijk in zich op dat het bij al wat hij ondernam net leek alsof hij alleen daarvoor in de wieg was gelegd.

b Als ik mij zo zou kunnen vormen als ik wilde, zou ik geen enkele vorm (al was die nog zo goed) aannemen waar­uit ik mij niet los kon maken. Het leven is een steeds wisse­lende, veelvormige beweging, zonder enige regelmaat. Wie voortdurend achter zichzelf aan loopt en zozeer een speel­bal van zijn neigingen wordt dat hij er niet van loskomen of ze omvormen kan, is geen vriend van, laat staan een meester over zichzelf: hij is zijn eigen slaaf. Ik zeg dit omdat ik het tegenwoordig maar moeilijk vind mijn geest te bevrijden van de hinderlijke eigenschap geheel op te gaan in dat waar­op hij zich richt; want hij kan zich alleen aan iets wijden als hij zich hevig inspant. Hoe onbetekenend het onderwerp ook is dat mijn geest wordt voorgezet, hij zal het zo opblazen en uitrekken dat hij er zijn krachten totaal voor moet inzet­ten.’*

Het is deze helderheid die de lezer doet doorlezen. Waar gaat dit heen? De grote spanning van De Montaigne lezen is in die vraag vervat. Eén enkel moment van onhelderheid zou die spanning tenietdoen. Ze zijn er niet, de vertaler heeft even helder kunnen schrijven als De Montaigne denken kon.

De derde reden dat ik maar met moeite en veel denkkracht  de naam Michel de Montaigne van mijn lijstje  ‘wie nodig ik uit voor de picknick  aanstaande zondag’ kan houden is de uitgever.

De uitgave van de essays van De Montaigne is een van de slimste die ik ken. Waarom? Er is veel moed en inzicht voor nodig geweest het gecanoniseerde werk van deze grote denker uit de Franse renaissance in 10 thematisch geordende deeltjes uit te geven. Het werk is losgeplukt en verzameld in aantrekkelijke, dunne, gebonden boeken met stofomslag  in voorname verzorging van Jacques Janssen met titels als: De sporen van het vuur. Essays over liefde en wellust en Ik ben nogal klein van stuk. Essays over de ijdelheid. We kunnen zeker weten dat daar heel wat puristen over gevallen zijn. Maar het is wat een uitgever van klassiek werk doet: nadenken over hoe oud materiaal als nieuw op te dissen. Als je je met stijgende bewondering een aantal keren door de tien delen hebt heen gewerkt doemt de gelukzaligheid op van een Nieuwe Volledige Lezing: dat van de essays in hun chronologisch verband. Que sçay-je? ‘Wat weet ik’, vraag je je dan met de Montaigne opnieuw af.

 Probeer er eens eentje, ze beginnen halverwege de pagina als je hier klikt.

 

* wat betekenen de lettertjes b en c? De tekst is gemarkeerd met letters a,b, c, ze geven fasen van schrijven aan: a is de eertse druk, in 1580, b de tweede, uit 1588 en c wat de Montaigne er tot zijn door aan toe bleef voegen.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Old sport

Net als de rest van de wereld ben ik een tijdje geleden naar de verfilming van The Great Gatsby gegaan. Het was in een bioscoop in Oxford en ik ging erheen samen met de grootste Scott Fitzgerald-fan die ik ooit heb ontmoet, namelijk mijn vriendin.
            Dat ik de film in deze stad ging zien was eigenlijk wel toepasselijk, want een belangrijke rol in het verhaal speelt de vraag of hoofdpersoon Gatsby wel of niet ‘an Oxford man’ was. Of in termen van het personage Wolfsheim: of hij wel of niet op ‘Oggsford College in England’ heeft gezeten. Waarmee Scott Fitzgerald deze Wolfsheim op twee manieren wegzet als een proleet die er niets van snapt. Want ten eerste spreekt hij ‘Oxford’ raar uit en ten tweede denkt hij dat Oxford een college is in plaats van een universiteit, bestaande uit heel veel verschillende colleges. Een Amerikaan zal dit een ongelooflijk subtiele vondst van Scott Fitzgerald vinden.
            Mijn vriendin en ik liepen rond middernacht de bioscoop uit. Tijdens de wandeling door het middeleeuwse stadje zei ik: ‘Ik vond hem eigenlijk nog niet eens zo slecht.’
            ‘Nee, ik ook niet,’ zei ze.
            ‘Het was alleen tenenkrommend hoe vaak Gatsby “old sport” zegt. Dat zal in het boek waarschijnlijk veel minder zijn, denk ik hè?’
            Ze zei van niet.
            Ik besloot om nu dan toch eindelijk het boek te gaan lezen, met het risico op een loyaliteitsconflict waar ik eerder over schreef.
            Nog dezelfde avond ben ik begonnen en inmiddels heb ik het boek uit. Ik vond The Great Gatsby ontzettend goed. Vooral op basis van de eerste twee hoofdstukken, een paar erg mooie alinea’s en de strakke compositie. Tegelijk vond ik het een enigszins oppervlakkig boek. De hoofdpersonages staan in de eerste plaats model voor een type, of een klasse, en zijn geen psychologisch diepgaande individuen. Het verhaallijntje over de eventueel opbloeiende liefde tussen Nick Carraway en Jordan Baker is ongeloofwaardig en wordt er nogal bijgehaald zonder dat het mooi onderdeel van het verhaal is geworden. Scott Fitzgerald heeft geen humor. Met de passages over het levensverhaal van Gatsby kan ik niet zoveel, en het stuk over hoe Gatsby en Daisy elkaar leerden kennen vind ik behoorlijk clichématig. Anderzijds heb ik in het boek weinig teruggevonden van de mij beloofde kitsch. Ook het einde vond ik helemaal niet zo wanstaltig als veel mensen vinden. Maar het ging me tijdens het lezen van de roman vooral om de vraag hoe vaak ‘old sport’ voorkomt.
            Ik heb geturfd en kwam uit op 44 keer. Op een boek van 148 pagina’s is dat nogal veel. Zeker als je bedenkt dat Gatsby op slechts 56 pagina’s actief voorkomt. Van die 44 keer zegt Gatsby het 35 keer tegen Nick, 5 keer tegen Tom en 2 keer tegen het bijfiguur Klipspringer. 2 keer zegt niet Gatsby het maar Tom, om Gatsby belachelijk te maken. De allereerste keer dat Nick Gatsby ontmoet (en de manier waarop Scott Fitzgerald die ontmoeting beschrijft is ongelooflijk goed) zegt die laatste meteen 3 keer ‘old sport’. En 1 keer zegt Gatsby het zelfs postuum – als Nick naast zijn lijk staat en verwoordt wat hij denkt dat zijn oude buurman tegen hem zou willen zeggen.
            Het idee van Scott Fitzgerald was erg goed, om Gatsby te typeren door het gebruik van zo’n aangeleerde uitdrukking en hem daarmee ook door de mand te laten vallen. Maar het effect was hetzelfde geweest, en de bedoeling was minder opzichtig geweest, als Gatsby wat minder vaak ‘old sport’ had gezegd. Laten we zeggen hooguit 20 keer.
           In een film van Baz Luhrmann wordt zoiets er natuurlijk niet subtieler op. Waarschijnlijk noemt Leonardo di Caprio nu nog steeds iedereen die hij tegenkomt ‘old sport’.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Groeten uit Harkdorp

vleesAls jij op maandag de computer aanzet en deze pagina aanklikt met een gegrond vermoeden van het soort stukje dat je hier kunt verwachten, dan doe ik iets niet goed.

‘Wat een leuk begin! Heel anders dan ik had gedacht!’

‘Vind ik ook! Je krijgt ook meteen superveel zin om de volgende zin te gaan lezen!’

‘Zeker weten!’

Het grootste gevaar van bloggen, columns schrijven, de romankunst bedrijven en het leven leven: herhaling… sleur… Of om me te beperken tot de letteren en mijzelve: voorspelbaar worden… van iedere tekst een invuloefening maken en daarmee jezelf reduceren tot uitvoerend kunstenaar… ’t is me een neukende gruwel… En het publiek zal je er niet van weerhouden… dat is dól op routine… zelf leggen de mensen ook iedere dag dezelfde routes af, verrichten dezelfde werkzaamheden, bereiden dezelfde gerechten, bezoeken dezelfde sites…

Terwijl kunst moet de-automatiseren – anders is het geen kunst.

‘Gaap, gaap.’

‘Hij is mij een beetje te serieus vandaag, ik ga de aardappels schillen.’

‘Nee, nee, volgens mij begint ’t nu echt!’

Laat ik snel tegemoetkomen aan je verwachtingen… Wat je hier verwacht/hoopt te lezen is iets als:

 

Slagerij

Hoewel het opvoeren van grootschalige/spectaculaire/wereldwijde goochelshows waarschijnlijk wel altijd mijn Favoriete Lievelingspassie Numero Uno zal blijven – live on stage een onderdanige assistente (glitterbadpak, majorettestaf) doorzagen… daar kun je mij midden in een boek van Cees Nooteboom voor wakker maken – heb ik hier de afgelopen weken met on-ge-loof-lijk – ik mag eigenlijk wel zeggen: tomeloos –  veel inzet, enthousiasme én plezier – ondanks de wetenschap dat dat slechts aan een handjevol getalenteerde connaisseurs (m/v) zal zijn besteed – denkles en schrijfonderricht gegeven, maar nu mijn broer mij heeft gevraagd om – net als vorig jaar, en het jaar daarvoor – op zijn slagerij te passen omdat hij als hardwerkende middenstander ook weleens wil toekomen aan een stukje rust et cetera, et cetera, geldt deze blogpost als een piepklein, tussentijds Adieu.

What the fuck? Waar heeft die gast ’t over?’

‘Hij heeft twee weken blogverlof.’

‘Gaat ie op vakantie?’

‘Hoe kan ik dat nou weten als jij er de hele tijd doorheen lult?’

In Harkdorp, where we lay our scene, lijken de dagen op elkaar… Ik rijd naar een boerderij, loop met de boer de wei in om een koe uit te zoeken – en trek m’n gun uit m’n schouderholster. Pang, pang – spatspetter. Eventuele kalfjes knal ik ook meteen af. Uit mededogen. Even later sleep ik het lijk van het met een touw aan de trekhaak van m’n Jeep gebonden koebeest door het dorp… Ik wil natuurlijk geen bloed in m’n wagen… Onderweg niet vergeten de dorpelingen te groeten… iedere bevriende klant is een tevreden klant…

De vrouwtjes in Harkdorp zijn allemaal dol op de worst van m’n broer.

Op het plaatsje achter de slagerij zaag ik de koe in bloederige hompen (je begrijpt dat mijn goochelervaring me daarbij goed van pas komt!), waarna mijn vrouw en dochter de biefstukjes droogföhnen en fraai uitstallen in de vleesvitrine in de winkel… Laurierblaadjes hier, wat peperkorrels daar… je kent die serveersuggesties wel…

Het zijn vermoeiende, maar ook erg afwisselende weken daar in Harkdorp… De ene dag verzorg je als hoofdverantwoordelijke van de kwaliteitsslagerij de catering voor een ondanks de crisis florerende handelsonderneming, de andere dag zet je een BBQ op voor de kwieke deelnemertjes aan de regionale avondvierdaagse… Op een doordeweekse ochtend zijn de hartelijke opmerkingen die je uitwisselt bovendien beslist niet van de lucht…

‘Mag het misschien iets meer zijn?’

‘Van jouw vlees krijgt een vrouw als ik nooit genoeg, mooie jongen… Leg er gerust nog maar een lapje bovenop.’

‘…’

‘Ach, weet je… ik loop al zo te sjouwen met die tassen… kom je ’t vlees vanmiddag even bij me thuis brengen? Dat doet je broer ook altijd zo lief.’

Het hoogtepunt van een werkweek vind ik de dinsdagavond… gehakt draaien… Een heerlijk karweitje is dat… ik raak altijd in een lichte trance als ik die brokken vlees door de gehaktmolen sta te duwen… Wel oppassen voor je vingers, want gehakt met kluifjes d’r in… daar zit natuurlijk niemand op te wachten!…

Over gehakt maken gesproken… is ’t niet hoog tijd dat ’r wat vaker iemand een paar fraaie roze-witte balletjes van één of ander zouteloos, schijnheilig, gemakzuchtig oeuvre uit de NED-LIT draait?… Of anders van (de bezigheden van) politici, zakenlieden of mediavogels?

Zelf ben ik vrij druk met mijn goochelcarrière, maar dat laat onverlet dat de tijdgeest wel een flinke schop onder z’n  hol kan gebruiken… Gezocht: polemist met bergschoenen…

Om W.F. Hermans, Door gevaarlijke gekken omringd (1988;p.505), te citeren:

‘Natuurlijk is polemiek nuttig. Iemand die denkt dat het maar het beste zou wezen voor eeuwig en altijd de lasteraars, de leugenaars, de bedriegers en de imbecielen het hoogste woord te laten voeren zonder ze belachelijk te maken, die kan beter heroïnespuiter worden of zich dood drinken.’

Of zoals het in Maarten van der Graaff’s Vluchtautogedichten (2013;p.45) heet:

De sfeer verzieken is een levensvervulling.

Op maandag 24 juni ben ik hier weer terug – uiterlijk. Want mochten ze inmiddels internetaansluiting hebben in Harkdorp, dan zie ik misschien wel kans om eerder iets te posten.

Ciao, ciao, de ballen, adieu en tot ziens.

Tirade – of je worst lust.

Tirade – snijdt dieper.

 

Soundtrack bij deze blogpost:   If you want blood… you got it.

 

Eerdere afleveringen uit deze serie lees je: hier.

Archieven

Geen van deze hypothesen heeft ingang gevonden en als Nygard zegt: ‘Where so many have failed, there seems as little hope of success as in the turning of the sands of Egypt for the tomb of Sanakht’2., dan is het gezond verstand geneigd hem gelijk te geven. Watergeest, Wodan, Strömkarl zijn de nevelen in gegaan; de overeenkomst met Holofernes is al in 1882 door Child3. ontzenuwd en Spiesz4. merkte terecht op dat een melaatse ridder toch weinig heeft aan het bloed van een hele reeks opgehangen jonkvrouwen.

1971
167/168
Een afgehouwen hoofd Hans van Straten
Omslag Tirade nr. 167

Voor de allerbelangrijkste thuisblijver

Over een paar uur vlieg ik naar New York. Drie maanden lang zal ik mijn zondag hier op Tirade.nu leeg laten, in de hoop ruimte te creëren voor de minder deadline-gerichte dingen, de dingen die de blog-lengte overschrijden.

Enkele weken geleden bekende ik hier dat ik de tijd uit elkaar wil trekken, totdat de dagen geen troebele lagen meer zijn, maar overzichtelijke vouwen, elke inkeping een adempauze. Nu vind ik in mezelf een tegenstander, want in New York wil ik juist op zoek naar vloeibaarheid. Of, zo zie ik het voor me: drie maanden zonder deadlines betekent drie maanden zonder dagen. Het liefst ook zonder duidelijk dag en nacht, maar ik begrijp dat de wereld gewoon doordraait.

Vannacht dronk ik een afscheidsbiertje met de thuisblijvers, want de koffer is te klein om hen mee te nemen, of de ambitie te groot. Telkens wanneer ik over het weer begin (‘Goh, ik kan mijn jas gewoon thuislaten!’) blijft het stil. Uiteindelijk roept iemand: ‘Maar jij gaat toch de hele dag binnen zitten schrijven?!’

Het afscheid is zonder drama, de bekende kus en knuffel, het zijn maar drie maanden en ‘je bent tegenwoordig nooit echt ver weg’, maar dat van het weer wil ik terugnemen (hoewel, for the record, het is daar 31 graden).

Ik ruim op en vind meer doppen dan lege flesjes.

Samen met de allerbelangrijkste thuisblijver wacht ik tot het licht wordt.
            ‘De tijd moet vloeibaar worden’, zeg ik, ‘dan zijn drie maanden zo voorbij en kan ik je ook niet missen.’ We knijpen onze rode ogen tegen de dag die aanbreekt. De laatste uren stromen te snel, bijna staan we al op Schiphol.
            ‘Stroperig’, verbeter ik mezelf, ‘De tijd moet stroperig worden.’ Zodat het kleeft, beklijft. De tijd hoeft niet voorbij te gaan als ‘ie toch geen indruk maakt.

Ik weet wat ik zoek, trek het boek uit de kast en lees voor (voorlezen, de mooiste daad die op Skype wel mogelijk lijkt, maar toch nooit werkt):

– Wat drinken jullie?
– Sambuca.
– Mag ik een slokje?
Ik gaf haar mijn glas, ze nam een slokje en gaf het terug.
– Anijs.
– Ik houd ervan hoe stroperig het is.
– Ik heb mascara in mijn tas. We kunnen iets op zijn gezicht tekenen.
– Een Hitlersnor?’*

Straks koop ik een zak taxfree drop. Voor onderweg, zodat ik de sambuca in de lucht al bijna proeven kan. Maar eerst zal ik een sms sturen aan de allerbelangrijkste thuisblijver: kijk straks even op Tiradu.nu.

Bedrink je  (Charles Baudelaire)

Wees altijd dronken. Daar gaat het om: dat is het enige.

Om niet de afschuwelijke last van de tijd te voelen die je
 schouders verbrijzelt en je naar de aarde toe drukt,
moet 
je je onophoudelijk bedrinken. 
Maar waar aan?
Aan wijn, aan poëzie, of aan 
deugdzaamheid, dat moet je zelf weten.
 Maar bedrink je.

En als je, een enkele keer, op de traptreden van een paleis,

op het groene gras van een greppel, in de sombere

eenzaamheid van je kamer, wakker wordt,

en de dronkenschap is al verminderd of verdwenen,
vraag 
dan aan de wind, aan de golf, aan de ster, aan de vogel, aan 
de klok, aan alles wat vliegt, aan alles wat zucht, aan alles
 wat voortrolt, aan alles wat zingt, aan alles wat spreekt, 
vraag dan hoe laat het is: 
en de wind, de golf, de ster, de vogel, de klok, zullen je
 antwoorden: “Het is tijd om je te bedrinken!”

Om niet de gemartelde slaven van de tijd te zijn, bedrink 
je,
bedrink je voortdurend!
 Aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid, dat moet je zelf weten.

 

 

 

*Uit De Republiek van Joost de Vries

Je bent geweldig

Je bent geweldig – Maria Barnas

Je bent maar tweeëndertig en als je een stap
vooruit maar achttien zeventien richting
de deur nog maar elf centimeter geweldig

 

Een tijd geleden las ik dit gedicht en het bleef me bij. Het is een kort gedicht, maar je kunt het toch op vele manieren lezen. Eigenlijk las ik het altijd als een vrolijk gedicht, een gedicht dat gaat over iemand die een eindje wegloopt en steeds kleiner wordt, dat is geweldig, dat perspectief zo werkt, kijk je lopen, zo leuk. De eerste tien keer dat ik het las stond er in mijn hoofd dan ook een dash tussen ‘centimeter’ en ‘geweldig’. Dan krijg je: “Je bent maar tweeëndertig en als je een stap / vooruit maar achttien zeventien richting / de deur nog maar elf centimeter – geweldig”. Maar dan kun je het nog steeds op twee manieren lezen. De schrijfster van het gedicht kan het namelijk ook geweldig vinden dat de ‘je’ steeds kleiner wordt: fijn dat je weggaat. Of misschien is het wel een enigszins sarcastische ‘geweldig’ op het eind – echt gewéldig hoor, dat je ‘m smeert. Dat maakt het voor mij een nog veel grappiger gedicht.

Maar de meest logische lezing is natuurlijk dat ‘je’ steeds minder geweldig wordt. De schrijfster wordt dan door iemand achtergelaten, ondergaat dat. Daar ga je, je wordt steeds kleiner, je bent geweldig, maar je bent het steeds minder. Het is eigenlijk wel prima dat je weggaat. Dat maakt het een droevig gedicht. Want het is heel droevig als een geweldig iemand van je weggaat, en nog droeviger als ze dat doen door steeds minder geweldig te worden. Maar de leestekenloosheid maakt dat ik het niet droevig lees, maakt het venijniger, of misschien wel paniekerig: oh help, je gaat dus weg. Daar moet ik iets van vinden. Nou laat ik het dan maar geweldig vinden. Tegelijkertijd is de titel heel lief, en dat maakt dat mijn definitieve lezing is dat de schrijfster de ‘je’ niet meer geweldig wil vinden, want je gaat weg, en tegelijkertijd: je bent het nog wel. Geweldig.

Maar ik heb een klein onderzoekje gedaan onder vrienden en familie om te kijken hoe zij het lezen:

 

– ZUSSIE
– HEY BABE
– HOE IS HET?
– TOP. KUN JE ME EVEN VERTELLEN HOE JIJ DIT GEDICHT VAN MARIA BARNAS LEEST?
(…)
– Gaat het over een kind?
Dat net kan lopen?
Want dan past dat geweldig
– het gaat er toch gewoon om dat als iemand steeds verder wegloopt hij kleiner wordt 
– Ja, dat is zo
Maar waarom lijkt het eerst om leeftijd te gaan?
Dat dacht ik
– oh
nee dat dacht ik niet
– Ik denk dat Maria 
– (…)
– (…)
– … je denkt dat maria?
– dronken in een bar zat
in Berlijn
en dat ze met haar vingers
een kader maakte
met haar handen
om iemand heen
die naar een deur liep, vele meters verderop
en dat ze zag dat hij of zij kleiner werd
– had ik al verteld dat ik dit ging gebruiken voor mijn tirade stukje morgen?

 

– ha papa
ben je er? ik heb een vraag
– Vertel
– hoe zou jij dit gedicht interpreteren:
(…)
– Ik kan hier moeilijk me concentreren ik zit in een vergadering
Wat denk je zelf?
– je kunt er toch wel iets over zeggen?
en waarom zit jij te facebooken in een vergadering?
– Hallo
Hier ben ik weer
Ben je er al uit?
– ik vroeg het aan jou…
– Hoe verder, kleiner hoe mooier/beter
– kun je dat uitleggen?
– Spreekt voor zich
– nee. vertel eens meer?
– Heb jij me nog nodig, ik moet gaan koken
– ja, je moet meer uitleg geven
– Afstand speelt een rol
– ok
dank
dat was
zeer verhelderend
wat ga je koken?
– Iets wat ik nog niet eerder heb gemaakt
Iets met kip en tomaten

 

– taylan, hoe lees jij het? dat vraag ik me al heel lang af. ik lees het met een streepje tussen centimeter en geweldig, dus: nog maar elf centimter – geweldig. maar je kunt het ook lezen alsof de ‘je’ steeds minder geweldig wordt, en dan is het opeens geen lief gedichtje meer.
– Ja ik denk ook het laatste
of ‘ook’ 
niet ook dus
het klinkt als iemand die aan het vertrekken is
– ja eigenlijk is het in die lezing wel mooier
want dan heeft het gedicht veel meer betekenis
en ook het woord ‘deur’
– ik snap die ‘maar’ niet in het begin
misschien is het perspectief
want ‘je’ wordt steeds kleiner
– ja, dat leek me evident
– ja ik weet het niet
ik probeerde het te lezen alsof er niet iemand anders bij is
– hoe bedoel je? dat begrijp ik niet
– dat perspectief betekent alleen iets als er nog iemand is
vanuit wiens gezichtspunt je telt
– ja, dat is toch het gezichtspunt van de schrijfster
en die ziet iemand weglopen
– ja maar dan krijg je
dat ‘je’ al met zijn of haar rug naar de verteller toe stond
want ‘je’ stapt vooruit
– ja
dat is toch altijd zo als iemand wegloopt
er is nog nooit iemand achteruit van mij weggelopen
deden ze dat maar! dan kon je ze tenminste nog boos aankijken
– ja maar het is dus alleen het weglopen
alleen die beweging
niets ervoor
11 centimeter is klein he
misschien is het een dog
– hahahaha ja
je bent geweldig

Birres bankje

Ons oude bankje stond op doorzakken. Het was onveilig geworden om er met twee volwassenen, een manneke en een middelgrote hond op te zitten, en dus vertrok ik op een vroege morgen met mijn schoonvader naar de houthandel in de westelijke havens. 

Pim was nog wat aangeslagen door de lelijke groef die zijn jongste dochter bij het uitrijden van een parkeergarage in de flank van zijn nieuwe witte busje getrokken had, maar in de houthandel lagen grote stapels ruwe planken en er waren rokende mannen met cirkelzagen, waardoor hij zienderogen opklaarde.

Zingend liepen we langs de bergen merbau en meranti naar de afdeling grenen/vuren, waar ik mijn hout keurde door met één oog langs de lengte van de planken te turen zoals ik mijn meubelbouwende vriend Lourens had zien doen. Ik vroeg me af of het er stoer uitzag en schaamde me daar weer voor. Een echte man zou ik wel nooit meer worden. Echte mannen deden dit soort dingen zonder daarbij meteen zichzelf belachelijk te hoeven vinden. 

Steeds harder zingend – we speelden tenslotte sjouwers – laadden we het busje vol. We stapten in, draaiden de raampjes naar beneden zodat we onze arm naar buiten konden laten hangen en reden het terrein van de houthandel af op weg naar de Karthuizersdwarsstraat. 

Die middag lag de stoep vol krullen en afzaagsels. Met duur gereedschap (ik heb alles van A-merken) dingen maken van blank hout geeft eenzelfde gevoel als met een nieuw Stanleymes door een vel geschept papier snijden, als een perfecte vergelijking op de juiste plek in een zin laten zakken, als een hele rib eye portioneren voor twintig man en exact uitkomen, inclusief het kontje voor Otis de Hond. Laat ik het eens gewoon bij zijn naam noemen: het is heel erg fijn.

Onder mijn handen groeide het bankje. Het werd er een met twee kleppen, zodat onze stoeltjes erin zouden kunnen, maar ook Nadims wandelwagen en Otis’ ballen en stokken. De buren kwamen allemaal kijken, knikken en zeggen dat het mooi werd. Toen het tijd was om te lijmen en schroeven durfde ik zelfs mijn tool belt om te doen. Niemand lachte.

Aan het einde van de middag riep ik Birre erbij. Met Otis op haar hielen kwam ze van de trap.

‘Ga maar zitten,’ zei ik, en haalde nog even een hand over de zitting om te voelen hoe glad ik hem geschuurd had, ‘Otis ook.’

Ik deed een paar stappen naar achter om naar mijn werk te kijken en besloot dat de dingen soms echt op hun plek leken te vallen. Hier stond het bankje waarop Birre op warme zomeravonden zou wachten tot ik uit mijn werk kwam; waartegen Nadim en zijn vriendjes hun fiets zouden kwakken voordat ze de trap opstormden om te komen eten; waarop mijn hele gezin eindeloos boekjes zou zitten lezen zo gauw het weer het maar een beetje toeliet.

Zonder erbij na te denken had ik het bankje gebouwd waarop Otis de Hond oud zou worden, grijs zou worden, en op een gegeven moment ook dood zou gaan. Ik werd er (om de dingen nog maar eens bij hun naam te noemen) een beetje verdrietig van, maar vond het ook heel mooi. Morgen, als de lak gedroogd was, zou ik BIRRES BANKJE op de leuning schrijven, in hemelsblauwe verf. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

  • "Foto van Michaël Van Remoortere"
    Michaël Van Remoortere

    Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.