Femen

Jarig. Daar hoort ontbijt op bed bij, gezang, cadeaus, en een waxinelichtje waarvan de hitte een kleine draaimolen aandrijft. Aan de uiteinden van de schuingeplaatste schoepjes hangen verjaardagstaartjes met de tekst happy birthday. Het is een wat ongelukkig symbool: zo’n in zinloze rondjes draaiend molentje dat met het doven van de vlam geruisloos tot stilstand zal komen.

Maar ik ga niet miezeren. Daar is geen reden toe. Neem het nieuws. In Oekraïne heeft een topless activiste van Femen geprobeerd de EK-beker te jatten. Het is niet gelukt, maar dat is het punt niet. Femen bestaat uit een groep van zo’n driehonderd jonge vrouwen die, doorgaans topless, protesteren tegen sekstoerisme, seksisme en andere narigheid. Het is een aanstekelijk protest. Het aardigste ervan is dat ze hun tegenstanders in hopeloze verlegenheid brengen. Hoe behoud je als gezagsdrager de waardigheid van je ambt als je een halfnaakte, spartelende vrouw in de boeien moet slaan? Inderdaad, dat gaat niet.

Het doet me denken aan het onvergetelijke programma De bevalling, van SBS geloof ik, jaren geleden. Aan de randen van het beeld zag je vaak de man, de vader, verbeten glimlachend in starre paniek, nog niet zo lang geleden frontsoldaat maar opeens achter vijandige linies. Ik heb me indertijd tranen in de ogen gelachen.

Stel, we winnen het EK. Een gelukkige 1 – 0 tegen Duitsland. Van Bommel staat op het punt de beker te ontvangen uit handen van Willem-Alexander. Naast de prins staat Maximá, stralend als altijd, maar dan zie je het opeens, iets in haar ogen, iets in haar houding: een ongebruikelijke ernst. Wat gebeuren moet gebeurt vervolgens: met een groots gebaar rukt ze het lijfje van haar oranje mantelpakje open en toont de wereld haar royale borsten, de een beschilderd met de Nederlandse vlag, de ander met de Duitse, en op haar buik, in rode lippenstift: lieve pappa, wegkijken is soms hetzelfde als meedoen.

En dan moet je dus goed letten op Mark van Bommel.

In de Oorshop

Aan den dikken os

 

 

 

 

 

 

 

In de zomer van 1908 was de net 26-jarige Nescio in Veere en schreef er een paar brieven aan zijn hoogzwangere vrouw, Agathe Tiket. Liefi, zo luidt de aanhef van de eerste brief. Aan den dikken Os, staat er boven de tweede.

In Veere beleefde Nescio na een wat moeizame start een paradijselijke tijd die hem het materiaal gaf voor De uitvreter. In de brieven die hij aan zijn vrouw schreef zie je dat verhaal al opwellen. ‘En ’t tij kwam in en ’t tij ging uit; ’t water rees en viel.’

In haar nabeschouwing schrijft Lieneke Frerichs, die Nescio’s verzameld werk en ook deze brieven bezorgde, dat Nescio in Veere zijn grote thema’s vond: het verlangen naar momenten dat we onszelf verliezen in een groter geheel, opgaan ‘in God’, zoals Nescio het zelf schreef, en het onvermogen om zulke momenten vast te houden. ‘God’s doel is de doelloosheid’, zo beschreef Nescio het in Titaantjes. ‘Maar voor geen mensch is weggelegd dit bij voortduring te beseffen.’

‘Zoiets als dit heb ik nog nooit beleefd’, schrijft hij op 11 juni 1908, ‘De stokoude Indiers moeten Veere bedoeld hebben toen ze den lui ’t Nirwana voorhielden, ’t niet zijnde zijn. Alles is goed en d’r kan niets dan goeds komen. Eigenlijk wordt hier heelemaal niet gedacht. Soms springen mij vanzelf de tranen in de oogen, zoo maar zonder dat ik ergens aan denk, enkel van de welbehagelijkheid.’

Het Nirwana had aardse kanten, zoals het hoort, en ze geven de brieven soms een scherp kantje. Ergens staan een paar achteloze maar nogal schokkende regels over het doodtrappen van een zeehondje. ‘De Arnemuider had ‘m in een ommezien bij z’n achterpooten in de hoogte en maakte ‘m met zijn waterlaarzen af voordat i goed wakker was. Dat geeft een rijksdaalder premie van ’t rijk.’

Gevoeligheden zijn afhankelijk van tijd en plaats, dat wordt maar weer eens duidelijk. Dit blijkt ook wel uit het feit dat Nescio zijn hoogzwangere vrouw en zijn één jaar oude dochtertje Ati in Amsterdam achterlaat, kennelijk zonder gewetensproblemen. Lieneke Frerichs heeft een ontroerend briefje van Nescio’s vrouw in het boekje opgenomen. Haar frustratie wordt hier en daar duidelijk. ‘Api verlang je nu helemaal niet naar ons? Niet erg hè?’ Toch is de dikke os een ongelooflijke lieverd, ondanks de frustratie. ‘Dag paatje, maak maar veel plezier hoor en amuseer je uitstekend.’

Je zou de in zichzelf verzonken jonge schrijver alsnog terug willen sturen naar Amsterdam, naar zijn vrouw en dochtertje, maar dan hadden we misschien De uitvreter moeten missen en dat heb ik er nou ook weer niet voor over. Het zou nog anderhalf jaar duren voordat Nescio met dat verhaal zou debuteren, in De Gids, inmiddels vader van drie dochters en de vierde onderweg.

Nescio. Brieven uit Veere. Bezorgd en toegelicht door Lieneke Frerichs. Van Oorschot, 2010.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Alles wordt weer aarde

 

 

 

 

 

 

 

 

Afgelopen weekend hebben we een stuk weide afgebrand en omgespit om er een moestuintje aan te leggen. Mijn eerste moestuintje had ik in Nederland, aan de Vecht. Daar kwamen op zonnige dagen hele slierten motorrijders voorbij, loodgieters en verpleegkundigen en accountmanagers en verzuimambtenaren en it-consultants, relaxend in het stiltegebied, geloof het of niet. Op betere momenten was het er een paradijs: het water van de Vecht donkergroen, de weilanden vol scholeksters en kieviten en ganzen, de wolken als slagschepen, zo laag dat je ze bijna kon aanraken. De tweede moestuin had ik in Zweden, bij ons vorige huis, daar vraten reeën de sla op. Nu dus nummer drie: de blaren staan me in de handpalmen maar dat hoort erbij. 

Om de grond te verbeteren verzamelen Jona en ik paardenstront in het veld waar vorige zomer vijf ponies stonden. De vijgen zijn half gedroogd maar bij openbreken nog smeuïg, ongeveer zoals goede gehaktballen. Er zitten ook een paar stapeltjes met keiharde keutels bij en iets wat kennelijk diarree is geweest maar inmiddels is ingedroogd tot een plakkaat dat zich goed laat opscheppen. 

– Wordt alles weer aarde, pappa?
– Ja, alles wat leeft in elk geval.
– Maar poep leeft toch niet?
– Nee, maar dat komt uit iets levends, dat telt ook.
– Hoe wordt poep aarde?
– Het valt uiteen in kleine stukjes, en die worden opgegeten door wormen, en die maken er aarde van.
– Eten wormen poep?
– Wormen eten alles, net als de Fransen. En wormenpoep, dat is dus aarde.

Hij denkt hierover na terwijl we de vijgen bij elkaar harken en opscheppen. De zon schijnt, groene sprieten komen tussen het verdorde gras van vorig seizoen tevoorschijn, in de sparren verderop tikt een specht, maar ik kijk alleen maar naar mijn kind: een fronsje boven de neus, lange haren die alle kanten op waaien in het lentewindje, en in zijn blauwe ogen de wereld een goede maar onbegrijpelijke reus.

Monomane werker

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Laatst schreef ik iets over de merkwaardige archivaris die mijn geheugen beheert. Bladerend door Een kuil om snikkend in te vallen las ik bij Kousbroek over de monomane, compulsieve werker die ons brein aan de gang houdt. Deze moet, schrijft Kousbroek, aan het werk worden gehouden, ‘want zodra hij een onbezet ogenblik heeft, gaat hij naar het archief en haalt er allerlei sinds lang afgewikkelde affaires uit, die hij ongemerkt opnieuw in de administratie introduceert.’ Een complicatie hierbij is dat deze monomane werker ook de oorspronkelijke archivaris is: hij kent alle stukken. ‘In de kelders waar die opgeslagen liggen waart hij ’s nachts rond als een somnambule en bladert mompelend in dossiers waarvan iedereen in de organisatie het bestaan al was vergeten.’

Ach, Rudy Kousbroek. Het is alweer twee jaar geleden dat hij stierf. Wordt er ergens gewerkt aan het verzameld werk? Is er iemand bezig met de biografie? Of is Nederland een land geworden waarin zulke dingen niet meer noodzakelijk worden gevonden?

Vuur

Nog zo’n voorjaarsritueel: het verbranden van het tuinafval. Dat bestaat uit het dode hout dat overal ligt en de jonge boompjes die we vorig seizoen hebben gerooid in het bosje naast het huis om weer zicht te krijgen op de kerk. We verslepen alles naar een plek in het weiland waar we een moestuintje willen aanleggen, zagen, knippen, en bouwen zo een mooie stapel.

Als in de namiddag de wind gaat liggen is het zo ver: we proppen kranten in de stapel, sprenkelen benzine erover en steken de zaak aan. Binnen een paar minuten loeit het metershoog op en is de hitte niet te harden – we moeten meters afstand houden. Een uur lang slepen we nieuwe voorraden aan om het monster aan de gang te houden maar dan laten we het inzakken tot een zachtgloeiende massa. Terwijl de zon zakt en lange schaduwen trekt grillen we worstjes. Zo nu en dan sist het vuur van het druipende vet. We eten de worstjes op knapperige broodjes met mosterd en ketchup. Bier erbij en er wordt iets voelbaar van het paradijs.

Het spreekt tot de verbeelding, vuur, al millennia. Vuurrood, een vurige vrouw, vurige liefde, het vagevuur, het reinigende vuur, het paasvuur, bevrijdingsvuur, de Vuurrede, tongen van vuur, de brandende braamstruik, onder vuur liggen, het Olympisch vuur, vuurspuwende draken, de brandende kruisen van de KKK, de eeuwige vlam, O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe, het vuur van Prometheus, vuurdoop, vreugdevuur, de vuurbuikpad, in vuur en vlam, een lopend vuurtje, Earth Wind & Fire, dancing through the fire just to catch a flame, een slagschip klaar voor vuur…

Maar ik ben er niet voor in de stemming, al die betekenissen en associaties, en houdt het bij wat de dingen simpelweg zijn. Vuur dus. ’s Avonds laat is er nog altijd een smeulende massa die we bijeenharken zodat de laatste restantjes goed verbranden. De volgende dag resteert een stapel as, onschuldig wit, maar die witte onschuld blijkt misleidend: als ik de stapel uiteenhark slaat de hitte me in het gezicht, als een gloeiende pannekoek.

Valse tegenstellingen

 

 

 

 

 

 

 

Wat een gedoe toch met de Dodenherdenking. Eerst was er dat mooie gedicht van de vijftienjarige Auke de Leeuw. Dat gaat over Auke’s oudoom, Dirk Siebe, een Nederlandse jongen die bij de Waffen-SS diende en aan het Oostfront stierf. Dirk was een goede man, schrijft Auke, maar maakte een verkeerde keuze. Die keuze verscheurde zijn familie, generaties lang, tot aan Auke toe.

Toen bekend werd dat dit gedicht bij de Dodenherdenking op de Dam voorgelezen zou worden, kwam er protest. Het Nederlands Auschwitz Comité schermde met de ‘emotionele en verontruste reacties’ van de achterban en dreigde de herdenking te boycotten. Het CIDI had het over het ‘schofferen van de slachtoffers’. Esther Voet van het CIDI: ‘Wat is de volgende stap, ook Eichmann herdenken omdat hij een verkeerde keuze heeft gemaakt?’

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei zwichtte voor de druk, met tegenzin naar het mij voorkwam, meer om de lieve vrede te bewaren dan om een andere reden, maar Auke mag zijn gedicht in elk geval niet voorlezen.

En nu is er weer gedoe, in Vorden. Daar wil de gemeente tijdens de herdenking op de begraafplaats mensen de gelegenheid geven een route te kiezen die langs tien Duitse graven voert. Federatief Joods Nederland spande een kort geding aan want ze beschouwt ‘deze vorm van herdenken als een onrechtmatige daad tegenover slachtoffers, dood en levend.’ Zelfs het Simon Wiesenthal Center in Jeruzalem bemoeit zich ermee: de beslissing van de gemeente Vorden ‘laat het verschil tussen slachtoffers en daders vervagen’.

De reacties maken duidelijk dat de oorlog door veel mensen nog altijd in zwartwit schema’s wordt ervaren: goed versus fout, slachtoffer versus dader, verzetsheld versus verrader, de geallieerden versus de ‘moffen’. Die oudoom van Auke de Leeuw was fout en dat moet zo blijven anders vervaagt het onderscheid tussen daders en slachtoffers en dan moet je ook Eichmann herdenken.

Het zijn valse tegenstellingen. Oorlog is rotzooi, geklieder en troep. In geen enkele oorlog zijn de lijnen scherp. Wie scherpe lijnen trekt, schept valse tegenstellingen. Dat is pijnlijk: als we iets zouden moeten herdenken, is het dat juist valse tegenstellingen aan het begin van oorlog staan.

PS
De rechter is inmiddels gezwicht: Vorden mag die Duitse soldaten niet herdenken. Alle ‘echte slachtoffers’ kunnen tevreden zijn. Hoewel, de organisatie TOF, Tradition is our future (die zelf zegt te bestaan uit ‘enkele tientallen overwegend joodse jongeren’), heeft desondanks een reclamevliegtuigje boven Vorden laten vliegen met de tekst: ‘Vorden is fout’.

Fout. Weer dat zwartwit schema waar ik het over had. En zo worden de herdenkingen gekaapt door organisaties die haarscherpe lijnen weten te trekken. Ik wil daar niets mee te maken hebben. Wilt u herdenken in uw enkelvoudige schema’s van goed en fout: ga uw gang. Maar ik doe er niet meer aan mee.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • "Foto van Julien Ignacio"
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.