De gelukkige tijdsprong – over je hoofd als schedel

De encyclopedie van het geluk 22

Ian McEwans recente roman What we Can Know speelt gedeeltelijk in de toekomst. Twee wetenschappers in een Engeland dat alle schade van de klimaatcrisis al heeft ondervonden, zoeken naar informatie over een dichter die in onze tijd leeft en een sonnettenkrans schreef: een ‘corona’, zoals dat genoemd wordt, waarbij het 15e en laatste sonnet uit alle eerste regels bestaat.

Een heel eenvoudige weg naar geluk is dat je je verplaatst in een situatie die heel veel erger is. Een van de wetenschappers in de 22ste eeuw uit het boek verliest zich in verlangen naar de tijd die hij bestudeert. Onze tijd. Zo’n tijdsprong werkt dus gelukkigmakend. Voor hem is het escapisme, voor ons is het het besef dat je zou kunnen verlangen naar deze tijd. De dystopie als gelukshulp. Kampliteratuur lezen werkt op dezelfde manier. De hoofdpersoon in Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale wordt diepgelukkig als ze een vrouwentijdschrift krijgt uit de tijd dat die nog mochten. De heerlijke onnozelheden waarvoor je toen nog kon kiezen. Dit alles gaat over wat nu wel bereikbaar is, maar ooit misschien niet.

Een andere gelukkigmakende, want relativerende gelukssprong is die van het je de wereld voorstellen als de mensheid al verdwenen is. Het filosofische sub specie aeternitatis; van onder het aspect van de eeuwigheid wordt dagdagelijks leed onbelangrijk.

Op zoek naar een sonnettenkrans zoals die door McEwan beschreven werd liep ik tegen Edna St. Vincent Millay op, de Amerikaanse dichteres die Vasalis zo goed vond. In haar reeks ‘Epitaph For the Race of Man’ luidt het vijfde sonnet:

v

Wanneer de mens verdwenen is en slechts goden
over de wereld zwerven, hun machtige lijven omgord
met gouden schild en gouden krullen kort
over hun kinderlijke voorhoofden; als de dode

ronde mensenschedel wordt opgetild en dan weer achtergelaten
door een terugtrekkende golf, tussen het zand
en de kiezelstenen van het strand —
welke tong zal dan over het wonderlijke mensenbrein nog praten:

deze schelp vol wind, zwaar van muziek ooit,
zwaar van kennis over sterrenconstellaties,
de voormalige bewoner van deze tochtige hal,

heeft zelf voorspeld in een tekst die met geleerdheid strooit,
na eeuwen van studie, verstoord door strijd tussen naties,
Deze getande pompoen, dit hoofd schoongeveegd van al.

(Voor het natuurlijk veel mooiere Amerikaans, zie:

https://millay-a-day.tumblr.com/sequences )

Het is een wonderlijke vreugde: de vreugde van het klein maken van de dagelijkse ellende in de wereld zoals 2025 er het nodige van zag, en je een wereld voorstellen waar je schedel over de keien ratelt.

Waarom is dat gelukkigmakend? Omdat het ergste dan niet erg lijkt te zijn. Vanuit dat perspectief.

Tegelijkertijd neem ik me voor om eens nauwkeurig onderzoek te doen naar wat je zoal nog meer gelukkig maakt.

Gelukkig nieuwjaar!

(een klein schot voor de boeg, wat me bijvoorbeeld gelukkig kan maken is een heel goede foto, zoals deze van Edna St. Vincent Millay door Arnold Genthe…

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

DE MENS ALS BIOPIC 10 Soekarno

Jochies waren we, op een lagere school in Amsterdam Noord. Nu staan we op een filmset achter het Tropenmuseum. Hans Hylkema regisseert er de televisiefilm Soekarno Blues. Ik schreef samen met hem het scenario en mag hier even figureren als particulier secretaris van koningin Juliana. Vanuit het Oosterpark zwaait de president van Indonesië naar ons.

Hoe kan dit allemaal? Soekarno is nooit in Nederland geweest.

*

Bekende schrijvers, politici en ook Jezus Christus waren enige tijd onvindbaar. Agatha Christie liet zichzelf verdwijnen nadat haar man er met een ander vandoor ging. Agatha’s auto werd gevonden bij een ravijn. Het liep allemaal goed af. Er verschenen over Christie’s afwezigheid een roman, een stripboek en een speelfilm. Een tijdje off the radar daagt uit tot wilde speculaties.

*

Ook in het leven van president Soekarno (geboren als Koesno Sosrodihardjo op 6 juni 1901) ontbreken vier weken binnen de periode dat hij verbannen was naar het afgelegen eiland Banka. Geen archief, geen getuige of dagboekfragment geeft antwoord op de vraag: waar was hij gedurende die weken? Slechts één man dat wist en weet het: filmmaker Hylkema.

Hans had het plan om in deels geacteerde, deels documentaire en ook nog ’s met zelfgemaakte archiefbeelden te laten zien én te bewijzen hoe dat zat met Soekarno’s verdwijning. Ik geloofde niet in zo’n historisch spiegelpaleis, niet in zo’n duur, nogal idioot en gezien het behoudend televisieklimaat onhaalbaar project. Maar toen ging Hans vertellen.

Soekarno had een haat-liefdeverhouding met kolonisator Holland, maar koesterde de wens om ooit koningin Wilhelmina de hand te schudden. Wilhelmina zelf moest daar niet aan dénken, die oproerkraaier!

Soekarno was naast een bewonderenswaardig vrijheidsstrijder – Merdeka! – ook een liefhebber van theater. Hij schreef toneelstukken en regisseerde die zelf. Als hij dan koningin Wilhelmina niet meer kon ontmoeten, dan maar haar opvolgster. Koningin Juliana had een eigen toneelclubje op Soestdijk. Dat kwam goed uit.

En zo, teneinde een aantal verlangens te combineren zou Soekarno voor Juliana zijn biografisch toneelstuk Kind van de Dageraad opvoeren. Het zou worden gespeeld door Nederlandse acteurs. Er kwam een Javaans gamelan-ensemble en er was ook nog een heus wajang-schaduwspel.

Soekarno vloog ergens na 3 mei 1949 in het diepste geheim naar Amsterdam.

‘Ja, ja.’ Een mooie fantasie.’ zei ik. ‘Maar…?’

Hans zag het helemaal voor zich. Hij zou zelf, om dit hele verhaal geloofwaardig te doen lijken, op het Instituut voor Oorlogsdocumentatie een filmpje vinden waarop, vaag korrelig in de majestueuze hal van het Tropenmuseum, de opvoering van het toneelstuk Kind van de Dageraad te zien is. Juliana zou alleen en uitsluitend in gezelschap van de auteur – Soekarno dus – deze propagandistische voorstelling gaan zien.

*

Het voert te ver om alle duimzuigerij, veronderstellingen en dubbele bodems in Hylkema’s filmplan op te sommen. Moest dit een mockumentary worden? Zoiets als Forrest Gump? Was dit hypothetische onzin, een politiek pamflet? Toch had ik ook wel zin om dialogen te schrijven tussen Soekarno en Juliana.

JULIANA: Hm…Wie…? Wie, mijnheer Soekarno, schud ik nu de hand?

SOEKARNO: Een bewonderaar, majesteit. Een vriend, als ik dat zeggen mag. Een eenvoudig man uit Insulinde. Een gevoelsgenoot die u met deze door mij geschreven en geregisseerde voorstelling wil vertellen over mijn land, mijn grote familie, mijn strijd.

*

Onder het motto ‘Wij gaan dáár waar geen biograaf kan komen’ trokken Hans en ik op tegen de Publieke Omroep. Er moest veel geld losgepeuterd worden. Men reageerde maandenlang met bedenkingen tegen dit ‘pseudo-documentaire ding, deze malle symbiose, deze doldrieste geschiedvervalsing’.

JULIANA: U bent, mijnheer Soekarno, wel heel bekwaam in het omspringen met volkeren en individuen. U heeft met de Japanners gecollaboreerd!

SOEKARNO: Ik zou zelfs met de duivel samenwerken als ik mijn land ermee kon helpen. Maar excuseert u mij… Uiteindelijk zullen de Hollandse misdaden en duivelse uitbuiting ontmaskerd worden als… Als bedenkelijke domheid van witte mensen op klompen.

*

In het Hilversumse omroepmausoleum regende het neerbuigende lachjes, moest elk overleg helaas worden afgebroken en werden afwijzende verslagen geschreven, tot iemand heel voorzichtig sprak over ‘vernieuwende verteltechnieken’. En dat was ook de persoon wiens vuist ten slotte neerdaalde op de vergadertafel: ‘We gaan het doen.’

Hans maakte, met de NPS als producent, zijn fake film, zijn misleidende documentaire, zijn op hol geslagen what-if-drama, zijn realistisch verzinsel. De belangrijkste acteurs; Juul Vrijdag, Martin Schwab en Porgy Fransen. Willem Breuker had de muzikale leiding.

Maar dan, als er op het toneel na veel anti-Hollands geschreeuw ook nog een bordeelscène verschijnt:

JULIANA: Mijnheer Soekarno, Ik kan mijn positie onmogelijk langer in overeenstemming brengen met mijn… met úw, aanwezigheid hier.

De koningin staat op en loopt weg bij de toneelvoorstelling en ik, als particulier secretaris, volg haar, samen met Soekarno, tot in het Oosterpark. Daar zitten ze dan op een bankje: twee opponenten die elkaar toch heel goed begrijpen, maar dat niet letterlijk kunnen of durven uitspreken. Dat is mooi acteren.

SOEKARNO: Als u hier in de modder graaft, majesteit, dan vindt u water en nog meer modder. Als wij datzelfde doen, dan vinden we soms ook goud en diamant.

*

In het Paleis op de Dam wordt op 27 december 1949 de soevereiniteit aan Indonesië overgedragen. Naast de echte Juliana zitten Mohammed Hatta en Willem Drees. President Soekarno is alleen zichtbaar voor de koningin. Hij staat terzijde in een deuropening.

Op de dag af vijftig jaar later gaat Soekarno Blues in première en wordt kort daarna uitgezonden op tv. Veel aandacht vooraf. Daarna veel minder.

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Dit feestje

Na haar repetitie bij Orkater at vriendin M met mijn gezin mee. Sommige mensen kunnen na een hectische dag in je huishouden binnenkomen en daar iets lichts toevoegen, aandacht brengen in plaats van vragen.

Vriendin M is zo iemand.

Ik had saoto gemaakt op verzoek van de kinderen; we aten en daarna vroeg M of ik mee wilde naar Gerson Main, die zijn show Het laatste feestje in Paradiso speelde.

Afgelopen zomer, onderweg met de auto door Italië, heb ik met mijn gezin veel geluisterd naar zijn nieuwe album.

Gersons melodieën zijn warm en upbeat, zijn teksten ogenschijnlijk simpel, verrassend in ritme, woordkeus, zinsafbreuk.

Toen vriend Sander me voor het eerst Mains nummer NACHT liet horen waarschuwde hij me dat hij ervan had moeten huilen – ondanks die waarschuwing moest ik dat ook.

We kwamen na het voorprogramma aan in Paradiso, haalden spa rood en één gin-tonic om te delen.

Gerson kwam op en begon vrijwel meteen over de eindigheid. Gezien M en ik boven de vijftig zijn, konden we mee met de materie. Een van de antwoorden op eindigheid die Gerson aandroeg was om er dan maar een feestje van te maken, wat hij vervolgens deed.

Zelden een band zo strak horen spelen en daarbij zo open en toegankelijk zien blijven. Main krijgt het voor elkaar dat je je totaal vrij zou voelen om hem de volgende ochtend op te bellen, te vragen hoe het met hem gaat, te vertellen wat je hebt ontbeten.

Ik dacht aan de eindigheid; aan hoe ik onlangs vastliep bij het voorlezen van een radiocolumn met hetzelfde onderwerp. Toen ik daar met B over praatte raadde ze me aan het voortaan licht te houden; om zoiets zwaars met lichtheid voor te dragen. Bij een volgend optreden bleek dat goed te werken.

Dat is precies wat Gerson Main gisterenavond deed: de eindigheid licht maken.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Tafel voor twee

Omdat ik in mijn eentje in Parijs was en tussen het werk door ook moest eten, besloot ik naar restaurants te gaan die me door een kennis waren aangeraden. In de toeristische steden moet je op tijd zijn; wacht je te lang dan worden die fijne zaakjes erg druk of erg duur of allebei.

Reserveren voor één persoon voelde belachelijk, dus ik zou langsgaan op het exacte moment dat de keuken opende en dan stralend vragen of ik misschien in mijn aardige eentje, juste moi, aan de bar mocht eten.

Mijn strategie werkte. Niet alleen kwam ik overal binnen, maar de mensen waren vriendelijk en toonden geen haast om me weer de deur uit te krijgen, wat ik goed zou hebben begrepen, omdat elke restaurantstoel in Parijs vier keer per dag bezet moet worden.

Ik had er een beetje tegenop gezien, in zo’n drukke zaak te zitten zonder gezelschap. Een man alleen, zo’n vijftiger met een groot hoofd, een brilletje met een donker montuur en een e-reader. De laatste tijd zie ik steeds een man van middelbare leeftijd in de winkelruiten en spiegels die ik passeer.

Ik zie mijn vader, als ik eerlijk ben, die een geweldige man was maar op wie ik – zoals veel zoons – niet echt wil lijken.

De lijnen die naast mijn neusvleugels beginnen en doorlopen naar de hoeken van mijn mond worden steeds dieper. Die open, harde lach van ons; hoe snel mijn ogen vochtig worden – mijn lichaamshouding soms, als ik niet oplet of veel wijn gedronken heb.

Maar ik was in Parijs, waar niemand mij of mijn vader kende, en dus zat ik sterk op hem te lijken aan mijn tafeltje voor één in Le Servan, en liet een fijne fles Jura aanrukken.

Mijn vader kon genieten van vrij kleine dingen en zo genoot ik van mijn rauwe langoustines met bindsla, mijn forel, mijn klassieke crème brûlée – in Parijse keukens voelen ze goddank nooit de behoefte daar een ‘eigen twist’ aan te geven.

Na anderhalf uur liepen we met een brede glimlach naar buiten, mijn pa en ik, klaar voor een lange wandeling door het Elfde, dat toch maar een van de leukste wijkjes van de stad was.

Alle spiegels en winkelruiten waren het volledig met ons eens.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Een vroege sigaret

Dat mijn oudoom Sybe Sybesma (1924-1986) in zijn tijd een bekende Friese dichter was, wist ik. Op de middelbare school heb ik zelfs een keer een presentatie over hem gehouden. Maar dat hij nog steeds een zekere bekendheid genoot, had ik niet verwacht.

De afgelopen maanden ben ik voor archiefonderzoek vrij vaak in Friesland geweest, en het gebeurde met enige regelmaat dat mijn gespreksgenoot, wanneer ik liet vallen dat mijn oudoom Sybe Sybesma was, knikte en zei dat hij zijn werk kende. Eentje begon zelfs spontaan een gedicht van hem voor te dragen.

Sybe werd geboren in 1924, in Nijehaske, onder de rook van Heerenveen en zette zich al jong aan het dichten. Zijn eerste gedichten verschenen na zijn middelbareschooltijd, merkwaardig genoeg in het schoolkrantje van de Heerenveense HBS, waar zijn jongere broer in de redactie zat (zelf had hij het gymnasium in Leeuwarden afgerond). Zijn vader, eveneens schrijver en dichter, stimuleerde hem in zijn schrijverschap.

Maar ergens ging het mis. Toen ik klein was, viel zijn naam vaak, en altijd met de verzuchting dat het zo’n getalenteerde man was geweest, maar dat hij niet tot bloei had kunnen komen. Tijdens zijn studietijd in Amsterdam raakte hij aan de drank, en kwam er niet meer vanaf.

Twee dichtbundels schreef hij, En marge en Op ’e râne (Op de rand), maar die bundels bevatten slechts een fractie van zijn werk, dat in vele literaire tijdschriften verscheen. En als goede gelegenheidsdichter pende hij uit de losse pols vele kwatrijnen neer (op bierviltjes en losse blaadjes), die hij vervolgens meegaf aan degene door wie het gedicht was geïnspireerd. Lang voordat ik Fries had geleerd kreeg ik eens van mijn opa de eerste bundel, die ik met eerbied doorbladerde.

Twee van zijn beste gedichten staan erin: ‘Etude 2’ en ‘Eis eauton’ (oud-Grieks, voor ‘naar jezelf’. Recent vond ik online een opname van Sybe waarin hij ‘Etude 2’ voordroeg. Op poëzieavonden was hij een veelgevraagde dichter. Iemand zei laatst zelfs tegen mij dat er geen dichtersavond geslaagd werd geacht als hij er niet had opgetreden. Een heldere stem: 

            ‘de lêste treast: in moarnske sigaret

            deawurge eagen dy’t net sliepe koene

            en tinzen: mei gjin inkel lot fersoene…

– it daget al, en it is fierste let.’

            (‘de laatste troost: een vroege sigaret

            doodmoede ogen, door de slaap gemeden,

            gedachten: met geen enkel lot tevreden…

– ’t is veel te laat, in ’t oosten schemert het.’)

(Eerste kwatrijn van het sonnet. Vertaling: Jan Popkema in: Spiegel van de Friese poëzie (2008))

Een rake sfeer, mooie beelden, prachtige woordkeus. Ik zie hem zitten, aan een tafel, de rook die opkringelt van zijn sigaret, een vulpen die zachtjes over het papier krast. Volgens de schrijver Anne Wadman was hij Frieslands laatste bohémien. En Pieter de Groot schreef laatst in de Leeuwarder Courant dat Sybe de Gerard den Brabander was van de Friese literatuur, maar dan zonder Den Brabanders ‘kwade dronk’. Ik zou hem wel ontmoet willen hebben.

Deze maand zou hij 101 zijn geworden; hij overleed in 1986 aan een hersenvliesontsteking.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

DE MENS ALS BIOPIC 9 Mama Wilders

Op 6 september is Geert Wilders jarig. Dat is altijd een sacraal gebeuren, want op die dag komt hij langs bij zijn moeder Maria Ording Wilders in Grubbenvorst. Maar vandaag niet.

Vandaag moet hij in verband met een kabinetsformatie – alweer – op bezoek bij koningin Beatrix. Dat vindt zijn moeder onbegrijpelijk, verdrietig en schandalig.

*

Het toneelstuk over de moeder van Geert Wilders begint met een scène waarin twee ambtenaren van de Binnenlandse Veiligheidsdienst mama’s huis moeten inspecteren, want als mijnheer Wilders straks komt…

‘En nu ben ik aan de beurt?’

‘Mevrouw, u kunt niet weigeren om beschermd te worden. U krijgt een Safe House.’

‘Safe House?! Alle Hollandse mensen hier passen op me. En zolang ze mij een vriendelijke Indonesische toverheks vinden die op de braderie Indische dingetjes maakt én omdat ik elke Kerst in Onze Lieve Vrouw zit, is er niks aan de hand. Er is één keer, met carnaval, in m’n brievenbus geplast. Dat is alles.’

De BVD-heren zijn onverbiddelijk en Mama berust.

Diezelfde dag ziet ze op de tv dat Geert een Limburgse vlaai meeneemt voor Beatrix.

‘En dat terwijl hij zo boos op haar is omdat ze bij een staatsbezoek in Abu Dhabi een hoofddoek droeg.’

Maar toch komt er vandaag verjaarsvisite, Krisztina Wilders-Marfai. de schoondochter.

*

Ik koos, samen met mede-auteur Gita Hacham, voor een toneelstuk over de moeder van Wilders omdat ouders, ex-partners en kinderen van politici geschikt en vaak bereid zijn uit de school te klappen over de mooie en minder mooie kanten van hun geliefden. Natuurlijk zijn dit soort intieme informanten niet te vertrouwen. Ze roddelen, dwepen, liegen, aanbidden en beschuldigen, maar dat is nu juist het spul waar een scenarioschrijver van leeft. Die schrijver wil zelf ook kunnen liegen en aanbidden. Research is leuk, maar verzinnen is beter.

*

De grote vraag bij Mama Wilders was: Kan ik twee vrouwen in een woonkamer te Grubbenvorst – de actrices Ineke Veenhoven en Roos Schlikker – lukraak laten praten en bekvechten? Kan ik moeder en schoondochter voor mijn eigen met oordelen en overtuigingen volgeladen karretje spannen?

Ja. Ik vond dat dat kon. Mama zegt bijvoorbeeld:

‘Ik weet toch allang dat die Mohammed van hun voor geen cent deugt. In die tijd was het misschien goed dat een man meerdere vrouwen van overleden soldaten mocht trouwen. En dat mannen besneden moesten worden, dat was hygiënisch, maar tegenwoordig kan je toch onder de douche.’

Maar mág een schrijver bij het publiek bekende personen opvoeren ter ondersteuning van het eigen gelijk?

Jazeker. Mama raast verder:

‘Ze naaien vrouwen van onderen dicht. Of ze zetten je in een kuil van je tuin en dan stenigen ze je met… met tuinkabouters. Die mensen zelf, daar is niks mee, die moeten gewoon bij hun groentestalletje blijven. Mijn Geert werd als kind doodsbang toen hij hier uit de Maas drie vrouwen omhoog zag komen. Van onder tot boven in zwarte gewaden. Daar heeft ie lang van gedroomd. De dood was opgestaan. Het is die religie. Die is net zo verkeerd als ons christelijk geloof, maar Jezus was een directe zoon van God en Mohammed is een kind van gewone mensen. Dat is het verschil.’

Mijn afkeer van sommige door de islam uitgelokte praktijken is bijna net zo groot als mijn weerzin tegen christelijke dogma’s, maar ik heb in het toneelstuk van moeder Wilders te veel een buikspreekpop gemaakt. Daarbij verschuil ik me achter het begrip dramaturgische vrijheid, maar een beetje laf blijft het.

*

Overigens babbelen mama en schoondochter soms ook gezellig verder:

‘Al mijn kinderen hebben, net als ik, heel donker, mooi haar. Geert ook. Als jochie had ie langspeelplaten van die Duitse zanger, eh…?

‘Heino. Blau blüht der Enzian.’

‘Ja. Geert vond die nummers prachtig en heeft toen net als Heino z’n haar gebleekt.’

Maar dan komt toch eindelijk de ware reden van Krisztina’s bezoek ter sprake.

‘Moeder… Ik eh… Ik overweeg een scheiding.’

‘Wat? In Geert z’n haar?

Krisztina glimlacht even.

‘Heeft u de laatste tijd zijn gezicht wel eens gezien?’

‘Alleen op tv.’

’Geert is net zo’n aapje in de dierentuin, dat je in één hand kan vastpakken. Dan plast ie op je hand, van angst. Dat is Geert tegenwoordig. Ik kan er niet meer…’

Dit is de druppel voor Mama.

’Dat doe je niet. Niet scheiden! En weet je wat? Als de Berg niet naar Mohammed komt, dan gaat Mohammed… Naar Den Haag! Nu meteen!’

Geert heeft in het stuk al een paar maal ge-sms’t. Dat doet hij ook nu: ‘Blijf thuis, Moeder! Als u toch naar Den Haag komt, dan u laten afzetten in Hotel Des Indes. Rekening Wilders.’

Mama kan meerijden met de mannen van de BVD, want security is niet meer nodig nu de beroemde politicus niet komt.

En daar in de naar koloniaal verleden geurende lobby van Des Indes, met zicht op de draaideur, wacht zij. Een paar uur. Maar ook nu verschijnt haar zoon niet.

Ze laat een taxi bestellen – rekening Wilders – en is midden in de nacht terug in Grubbenvorst, moe en verdrietig. Geert is nu niet meer jarig.

Ze dekt de tafel voor twee personen, zet lekkere Indische hapjes neer, heft het glas en zegt tegen een lege stoel: ‘Fijn jongen, dat je er bent. Dit hier is het enige echte safe house.’

DOEK

*

  • Mama Wilders ging in de regie van Floor Maas op 24 oktober 2012 in première in De Balie, Amsterdam.
"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Meer blogs

  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
  • Afbeelding bij DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

    DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

    ‘Een koe laat elke 90 seconden een scheet, een mens 18 keer per dag. Het aantal scheten van een walvis kan alleen maar geschat worden.’ Zo ongeveer begint het toneelstuk Emily, of het geheim van Huis ten Bosch. De drie zonen van koningin Beatrix en prins Claus von Amsberg zitten in de centrale salon van...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Roos van Rijswijk"
    Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.