Als ik oud moet worden

Mijn gitaar en ik zijn op veel plekken geweest. Van Groningen tot Zeeland en vooral veel gehuchten daar tussenin. Samen stonden we voor burgemeesters, dronken Ieren, honderden mensen, twee comateuze bejaarden. We togen naar kroegen, huiskamers, campings, festivals, theaters. Maar op een boot, daar waren we nog nooit, mijn gitaar en ik.

Tot een paar dagen geleden. Conny werd tachtig en een beetje en dat werd net zo groots gevierd als ze zelf is. De grande dame van Amersfoort had een rondvaart door de grachten van Amsterdam op poten gezet, de stad waar ze zo lang had gewoond. Er was een wijze, charmante gids die van alles wist te vertellen over de huizen, bruggen en straten die we passeerden. Er waren vrienden van Conny, van allerlei pluimage. En mijn gitaar was er dus, en ik mocht ook mee.

Ik treed nog zelden in mijn eentje op met mijn gitaar. Voorlezen, dat doe ik met enige regelmaat en altijd alleen, maar zingen en spelen doe ik de laatste tijd zo min mogelijk. Vanaf het moment dat ik met Loe, mijn muziekbroeder, een duo vormde, ging ik nog zelden alleen met mijn gitaar op pad.

Maar toen Conny vroeg of ik voor haar verjaardag wat liedjes van haar favoriete artiesten wilde zingen, kwam ik met alle liefde uit mijn ‘solopensioen’. De eerste keer dat ik haar ontmoette stootte ze per ongeluk een glas wijn om, bevlogen en beweeglijk als ze nog steeds is. Mijn pas gestoomde pak en ik werden als het ware gedoopt, maar dan zonder de zegen.

Ze verontschuldigde zich zo vaak dat ik me bijna schuldig ging voelen, maar daardoor raakten we wel verzeild in een aangenaam gesprek dat olijk alle kanten op schoot, op een winteravond in de verder uitgestorven foyer van een theater.

Vanaf dat moment raakten we bevriend. Conny is een uitzonderlijk mens, een zeldzaam exemplaar. Van grote klasse, altijd warmbloedig en vooral oprecht geïnteresseerd. En onze bijzondere vriendschap, die was begonnen door rode wijn, bracht mijn gitaar en mij op een boot, die zo groot en chique was, dat hij de naam ‘Vondel’ mocht dragen.

Het was de eerste regenachtige dag, na weken van slepende hitte, maar toen we aan boord gingen staakte de regen even. Ik zette me naast Cherry en Joke, die er ook waren, en Cherry maakte meteen een opmerking die zo geestig was, dat ik er nu nog af en toe aan denk. Het zou een uitstekende middag worden, wist ik.

We gleden langs stukjes Amsterdam die ik nog nooit had gezien – een stad heeft een ander, haast mooier gezicht vanaf het water, alsof de mensenmassa’s uit het straatbeeld zijn geveegd. Er werd gegeten, gelachen, geluisterd, gevierd. Als je ruimt tachtig jaar lang bestaat, is er genoeg te betreuren, maar nog veel meer om te vieren.

Ik heb, om onverklaarbare redenen, nooit het gevoel gehad dat ik oud word. Soms probeer ik het me voor te stellen, maar het is staren in een glazen bol vol ruis, een televisiescherm met sneeuw. Ik wil het ook niet, denk ik. Al vanaf mijn dertiende komt er een leeftijd bij me naar boven, als ik aan sterven denk: zesenveertig.

Maar daar, op die boot, toen ik naar Conny keek die straalde zoals altijd, dacht ik: het kan dus toch. Zo’n uitzonderlijk leven, met al die verhalen, mensen, momenten. Een bestaan vol rijkdom die zich niet laat uitdrukken in getallen en spullen, maar die in een lichaam huist, in herinneringen woont, voortleeft in de anekdotes.

En ondanks die tachtig lentes staat Conny nog steeds midden in de stroming van het leven, leert ze nog altijd dingen bij, kijkt ze elke nieuwe dag weer aan, recht in de ogen, met verwondering en levenslust en zin.

Als ik oud moet worden, dacht ik, als het echt moet, als ik het verder schop dan zesenveertig, dan wil ik oud worden zoals Conny.

Beeld: Conny Meslier

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

Verdeel en heers

(De wereld in stukken 34)

Er zit een vreemde vermorzelende beweging in deze kaart. Je ziet een plak land, maar ook een geschiedenis van invloedssferen en grensconflicten. In de 19 eeuw bestreden twee grote koloniale rijken elkaar hier, het Britse Rijk en het Russisch Imperium. De Britten waren de baas in India, en de Russen wilden die kant op, of tenminste zorgen dat de grens tussen hen en de allesoverheersende Britten zover mogelijk van hun bed was. ‘The Great Game’ was begonnen, een soort Koude Oorlog avant la lettre waarin door kleine diplomatieke bewegingen, maar ook spionage en bedrog getracht werd de ander dwars te zitten en landjepik te spelen in Centraal Azië. Een grote beweging waardoor kleine levens vermalen werden. Lees er Rudyard Kipling maar op na.

‘Kazachstan was nice to have’, je kunt het land nooit meer zien zonder die clownskop van Halbe Zijlstra erbij. Rusland had meer: Kirgizië, Tadjikistan, Kazachstan, Oezbekistan kwamen stap voor stap onder de controle van het Russische rijk. En ontworstelden zich er veelal na 1991 ook weer aan. Afghanistan heeft eigenlijk vrijwel uitsluitend een geschiedenis van grote landen die over haar heen walsen.  Pakistan en India zijn sinds de partition in 1947 ook nog altijd bezig met de verwerking daarvan, evenals Bangladesh, het met 169 miljoen inwoners op acht na bevolkingsrijkste land ter wereld. De politieke geschiedenis buitelt over dit kaartje heen. 

De drie grote punaisegaten zijn eveneens over elkaar buitelende herinneringen aan New Delhi, Nepal en Bhutan.

Maar wat zijn de mijne vergeleken bij die van de oude mannetjes die ik in het uiterste stukje van Zuid-West China zag en sprak en die in een muziekgezelschap zaten, maar ook vertelden over de zeven tochten die ze in de Tweede Wereldoorlog maakten van uit China naar India over de Himalaya en door Tibet heen, om vluchtelingen te gidsen. Je zag verten en geschiedenis in hun ogen.

In Tibet met zijn koude bergen zie je misschien wel een Chinese variant van the Great Game, de volksrepubliek besloot in 1951, op basis van veel oudere claims dat dat grote bergplateau bij hen hoorde, Tibet werd de facto geannexeerd. De Dalai Lama verdween naar het bergresort Mcleod Ganj in Uttar Pradesh in India. In Lhasa heb ik op verzoek van die regering in balingschap – een vriend deed vrijwilligerswerk toen hij hoorde dat we erheen gingen – nog foto’s gemaakt van tempels. Mijn eigen 007-momentje. Een ijdele hoop dat de Chinezen wellicht te bewegen waren cultureel erfgoed overeind te houden. Ze liggen vast ergens in een archief in Dharamsala, die foto’s. Die hoop schijnt nu pijnlijk vervlogen te zijn. Geld en vooruitgang hebben dat vreemde land heel erg veel minder op Tibet doen lijken, en heel erg veel meer op een ‘speciale economisch zone’.

Religieuze ervaringen zijn boven de 3.700 meter altijd frequenter dan daar beneden, zie hier een wat cynische verklaring voor de magie van Tibet (zuurstof). Maar je bent er niet mee. Het is echt een heel wonderlijk land. Lees David-Néel er maar eens op na.

[…]
Waar ik zie, is geweest:
niets stond stil want
ik kwam er: voelden zelfs
bergen warm.

(Lloyd Haft, naar schilderijen van Huang Junbi)

Lezen:

Vikram Seth A Suitable Boy
Rudyard Kipling Kim
Robert Byron The Road to Oxiana
Jane Gardham Old Filth (over de Raj)
Peter Hopkirk Quest for Kim, In Search for Kipling’s Great Game
Peter Hopkirk Het gedroomde Rijk, een groot Centraal Azië 1917-1942
Alexandra David-Néel Magic and Mystery in Tibet

Naar kaart 35

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Waar we op letten

Mijn donderdagse dienst bij De Druif begon rustig. Ik parkeerde Ada (6) aan de bar met een halve cola, zette mijn tas in de fustenkelder en dronk de andere helft van die cola met haar. Om exact halfvier stapte ik achter de tap en maakte ik mijn eerste bestelling van de dag.

Sinds ze in groep 2 een themaweek horeca heeft gehad wil Ada ober worden en daarom kiest ze er meestal voor om met me naar De Druif te gaan in plaats van bij een vriendje te spelen. Als ik vergeet haar stiften en kleurboek mee te nemen maakt Aad daar geen een punt van; ze heeft inmiddels een reeks taakjes in het café en op het terras, die ze voortvarend aanpakt.

Het beschilderen van de bar-eieren is nummer één: die moeten gezichtjes krijgen, elk met een andere emotie. In de avond, als mijn gasten die eitjes eten, komt Aads werk altijd ter sprake: het lijkt een extraatje, dat de dochter van de barman die gezichtjes heeft getekend.

Voor mij is het fijn-verdrietig om Ada’s handwerk zo respectvol weggepeld te zien worden door schippers, studenten en penozereservisten. Ik heb haar dan een beetje bij me, en moet mijn dochter met elk flintertje dat de bar raakt een beetje loslaten. Ada’s eitjes gaan altijd op.

De scholen zijn weer begonnen – Aad zit in groep 3, Nadim in de brugklas. Zelf geef ik weer creatief schrijven aan de IVKO in de Pijp, en dat is óók op donderdagen, waardoor ik een crazy lange werkdag heb. In mijn eerste les leg ik altijd uit wat we gaan doen (een kortverhaal maken), wat we gaan leren (de stap van schrijven voor onszelf naar schrijven voor publiek) en hoe we dat gaan doen (dankzij feedback).

‘De komende twintig minuten schrijven jullie het begin van dat kortverhaal,’ zei ik ’s ochtends tegen mijn leerlingen, die weer een hele staalkaart van de Amsterdamse puberdiversiteit vertegenwoordigden. Bij deze leeftijd is zo’n opdracht meestal genoeg, al zit er soms zit er iemand in mijn klasje die meer sturing nodig heeft.

J. begon te tikken – haar krullen deinden met elke aanslag – en daarop meteen te wissen. Ze tikte wat langer, wiste verbeten en keek minutenlang naar het schermpje van haar telefoon.

‘Begin met plek,’ zei ik tegen haar. ‘Sluit je ogen en stel je een podium voor waar je verhaal zich af mag spelen. Hoe begrensder, hoe beter. Een stolp over de gebeurtenissen die alles bijeenhoudt en onder druk zet. Als je die plek helder hebt, begin je hem te beschrijven. Je zult merken dat de woorden die je daarbij gebruikt er kleur aan geven, emotionele lading. De een ziet eindigheid in die boom in de ommuurde tuin, de ander juist een nieuwe lente. Vraag je af wie hier aan het woord is en je hebt je stem, je personage.’

Deze aanpak is natuurlijk niet de enige weg, maar wie met fictie in de weer wil moet dit kunnen snappen.

Heb je plek en personage gevonden, dan ontstaat de vraag wat het streven van je personage is. Waar hij op let en hoe hij datgene kleurt zegt alles over zijn wensen. Ervaart hij gemis, dan streeft hij naar het opheffen daarvan. Blijkt er woede uit zijn waarneming, dan is bijvoorbeeld wraak zijn streven.

Een personage zonder streven is loos – niet meer dan een experiment van de schrijver, die geen zin heeft om zich te onderwerpen aan hoe verhalen van nature gaan.

Omdat wij mensen groepsdieren zijn is een streven bijna altijd gekoppeld aan een belangrijke ander: iemand van wie we in elke denkbare vorm meer of juist minder willen. In dat streven slaagt zo’n personage gedurende het verhaal al dan niet, en daar heeft het dan wel of niet vrede mee. Dit is het hart van vrijwel alle fictie, van Godzilla: King of the Monsters tot Romeo and Juliet.

Deze donderdag koos Ada ervoor de eieren egaal te kleuren, geen gezichtjes dus. Toen ze klaar was leek het wel pasen op mijn bar. Rond vijf uur kwam B haar halen, ze verzamelde de spullen van onze dochter en wilde naar huis vertrekken, maar dronk toch een fluitje toen ik zei dat het avondeten al klaarstond – dat alles op haar wachtte in de oven. Nu had ik even tijd gekocht, maar straks zouden ze onherroepelijk gaan, mijn vrouwen.

Een klein café, een barman, een jong kind en een vrouw. Een streven: hij wil niet dat ze gaan.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Bruiloft

Hoog boven het plein hing de zon, met het vizier op ons gericht, bijna als een zegen. Voor de deur van de Lieve Vrouwetoren dromden steeds meer mensen samen. Er stond iets te gebeuren.

Ik rookte een laatste, stiekeme sigaret aan de zijkant van de toren, trok mijn das recht, wapperde wat met de voorpanden van mijn jasje – alsof dat enige verkoeling zou brengen. Het kwik was opgelopen tot dertig graden, maar iedereen was dapper uitgedost in een piekfijn pak of een beeldschone jurk. Met die temperaturen kon dat maar twee dingen betekenen: er was iemand dood, of er gingen twee mensen trouwen.

Op een van de mooiste zomerdagen die ik ooit heb meegemaakt trouwden Jon en Zoë. Ik ken ze uit de kroeg, via Jol, die mij aan hen voorstelde en daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor. Toen ze me vroegen of ik de toespraak op hun bruiloft wilde houden had ik zonder enige aarzeling toegezegd. Nog nooit was ik op een bruiloft geweest, laat staan dat ik daar had gesproken, dus ik voelde me ontzettend vereerd.

Jon en Zoë zijn lieve mensen, van een uitzonderlijk kaliber en ik ben erg op ze gesteld geraakt. De droge humor van Jon en de twinkeling in zijn ogen als hij een grap maakt, het ongetemde enthousiasme van Zoë, en de vanzelfsprekendheid wanneer ze samen zijn, hun gastvrijheid, die bijna geen grenzen kent – het zijn goede mensen en die zijn schaars in deze tijd.

In de toren, waar de ceremonie werd gehouden was het koel, veel koeler dan buiten. De familie van Jon, die uit Amerika komt, was helemaal overgevlogen. Het was hun eerste keer in het buitenland. Ik hoorde van zijn vader dat ze Amsterdam hadden bezocht, Utrecht ook en erg gecharmeerd waren van Amersfoort. En dat de temperatuur in Texas, waar ze woonden, elke zomer de veertig graden aantikt.

De toespraak die ik hield voelde als de belangrijkste tot nu toe. Ik heb vaak voorgelezen, maar toen ik achter de katheder stond, naar Zoë in haar prachtige jurk en Jon in zijn puntgave pak keek, wist ik: deze ga ik nooit meer vergeten. Ik haalde met droge ogen het einde, maar het scheelde niet veel.

Ze zeiden ja. Er werd een groepsfoto gemaakt, gehuild van geluk, omhelsd. We gingen van de toren naar een verborgen tuin en van een verborgen tuin naar een dansvloer.

Er werd gedanst alsof er geen morgen meer zou komen. Zelfs door mij. Jon deed zijn jasje uit en Zoë zweefde als in een film over de dansvloer. Ik zag hoe Jol, die de getuige was van Jon, tevreden naar het hele schouwspel keek en wist dat de dag nog mooier was verlopen dan we hadden gehoopt.

We lachten, zongen gearmd mee met Piano Man, dronken alsof ons leven er vanaf hing. Ik ging met iedereen en niemand op de foto in de photobooth – daar kwam ik pas achter toen ik de ochtend erna in mijn pak wakker werd op de bank, met een setje foto’s in mijn borstzak.

Er werd vergeten, maar veel meer onthouden. Van alles, nog het meeste dit: dat het prachtig was.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

De porseleinkast, over Rusland I

(De wereld in stukken 33)

De olifant in de kamer, is ook de olifant in de porseleinkast: Rusland. Op dit tweede kaartje waar een stukje van het gigantische land op verschijnt gaan we het er maar eens over hebben. (De eerste was 29)

Kort na de inval van Poetin in Oekraïne ging ik naar een Rachmaninov-concert in het Concertgebouw, gespeeld door en (halve) Rus. Er werd her en der van alles gecancelled. Een ergens aandoenlijke impuls die werkelijk buiten alle redelijk denken is.

Op dit stukje alleen al zijn tientallen kampen van de Goelag aan te wijzen: de grote verzameling detentiecentra die tijdens de communistische overheersing zich over met name Siberië uitstrekten. Sommige ervan hadden al dienst gedaan toen de Tsaren hun volk nog knechtten. En sommige ervan doen nog steeds dienst.

In een stuk over Alexander Etkind beschrijft Raymond van den Boogaard in De Groene Amsterdammer nr 36, 2023 dat deze Russische historicus de inval ziet als een opmaat naar uiteenvallen van de Russische Federatie. Rusland is zo zegt hij een petrostaat, en bij in de toekomst toch te verwachten vermindering van de olie- en gasinkomsten houdt het een keer op met paaien van de deelstaten met geld. En meer dan geld heeft Poetin niet te bieden, en daar steeds minder van. Dan valt het grote rijk een keer uit elkaar. De ironie van ook Poetins lot is dat wat hij het meest vreest zal gaan gebeuren. Nog los van de zaken die hij over zijn eigen kleine leven vreest en die ook gaan gebeuren.

Op deze kaart 33 hiernaast een van de honderden nederzettingen die vrijwel uitsluitend daarom bestaan: ‘Snelle verstedelijking van Surgut vond plaats in de jaren zestig, toen het een centrum van olie- en gasproductie werd. Op 25 juni 1965 kreeg de werknederzetting Surgut de status van stad.’

Goelagkampen

Het cancellen van componisten, schrijvers en andere kunstenaars, of ze nu al heel lang dood zijn of nog leven is vreemd. Waarom? Omdat veel van deze kunstenaars in openlijk of verborgen conflict met hun autoritaire overheden leven. Het is als Thomas Mann cancellen omdat hij een Duitser is, of Kurt Tucholsky, of Breyten Breytenbach omdat hij een Zuid-Afrikaan is. Het gaat er nog wel om welke positie zij innemen. En al deze schrijvers vochten voor de goede zaak.

Uitgeverij van Oorschot startte met de gevluchte Russische schrijver Maxim Osipov het emigranten tijdschrift Fifth Wave. Fantastische dissidente bijdragen, onder meer van Vasily Antipov, die maanden vast zat in een Wit-Russische gevangenis.

De Goelag is een constante in de Russische cultuur. In de Russische literatuur evenzeer. Maar Rusland is altijd meer dan Poetin, zoals Duitsland meer dan Hitler was. Sterker: veel van de schrijvers toen en nu wrikken hun taal los uit het misbruik ervan door potentaten. In Fifth Wave zie je heel goed hoe dat gebeurt, hoe schrijvers de taal ontsmetten en hun land terugvorderen. En hoe sneller de wereld zijn olie- en gasdorst verbijt, hoe sneller dat gebeuren zal.

Bergen buigen voor dit leed, de grote
Stromende rivieren zijn verstard,
Maar ’t gevang heeft nog zijn zware sloten,
En daarachter zijn de ‘kerkerholen’
En de dodelijke smart.

-Anna Achmatova

Lezen: Fifth Wave

Zie hier een blogje over Gustav Herling Een wereld apart en Sjalamov.

Maxim Osipov De wereld is niet stuk te krijgen en Kilometer 101

Naar kaart 34

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Alles tegelijk

Ik werd vijftig op de zoveelste dag van een hittegolfje en er waren even veel kinderen als volwassenen op mijn feest. Het mooiste was al dat jonge leven in het water voor het oude boothuis, het gillend duiken van de brug, dobberen op plasticbeesten en in bootjes.

Zo warm, was het, dat ook de ouders in het water gingen, in zwemkleding of ondergoed.

Ik had de dag tevoren hapjes willen maken, maar was daar niet in geslaagd omdat ik voor een boottochtje werd ontvoerd. Op de ochtend van mijn verjaardag, terwijl ik me afvroeg hoe ik het in godsnaam allemaal ging klaarspelen, stonden er vijf vrienden voor de deur, die me het hele zwikje in no time hielpen koken en uitstallen.

Hoeveel ik ook van mijn mensen houd, als ze hun liefde voor mij zo heel direct tonen vind ik dat moeilijk. In de kern geloof ik kennelijk die liefde niet waard te zijn. Dat is niemands schuld: mijn vader hield van me, mijn moeder houdt nog steeds van me.

Vanaf een uur of drie kwamen er vrienden langs, waardoor ik de hele middag en avond werd verrast. Het meeste leven was te vinden op de steiger voor het boothuis, waar iedereen stond of hing of zat, zwom of rondjes voer op weer nieuwe drijfbeesten. Het was te druk om na te denken, dit moment te zien voor wat het was.

Vandaag ben ik laat met dit stukje. Ik tik het op een stoel in het ziekenhuis, waar ik met mijn moeder ben. We zullen hier vanaf nu wekelijks heen moeten; ik zal dan een paar uur naast haar bed zitten en haar daarna weer naar huis rijden. Je snapt de situatie wel.

Onderweg om mijn moeder op te halen belde ik Pernille. Ik wilde haar bedanken voor het kadootje dat ze me gestuurd heeft. Toen we twintigers waren hadden zij en ik een relatie, woonden we samen in een ander huis, een heel andere tijd. Na een jaar of zes ging het uit en verhuisde ze terug naar Kopenhagen.

Ik naar het huis van mijn ouders waar mijn moeder sinds februari in haar eentje woont, ging haar ophalen voor haar afspraak in het ziekenhuis en had mijn ex-vriendin aan de lijn – net als ik vijftig, net als ik ouder van twee kinderen; een choreograaf die net als ik probeert te bestaan van haar eigen werk. Pernilles moeder overleed terwijl we samen waren en haar vader verloor ze kort geleden.

‘We’re far apart, but very much in the same boat,’ zei ik.

‘Old friend,’ zei Pernille, en werd even heel stil. ‘For fuck’s sake. You’re going to make me cry, and it’s only nine ‘o clock on Wednesday morning.’

Ik haat telefoneren, maar in de auto vind ik het geweldig. Het lijkt erop dat ik bellen alleen maar haat omdat ik dan niet weet wat ik met de rest van me aanmoet; het voelt als loze tijd – ik wil er iets bij dóén.

Omdat ons gesprek nog niet klaar was, stopte ik op de hoek van mijn moeders straat en keek uit over de sportvelden van mijn oude middelbare school. Ik had een hekel aan de gymlessen omdat het altijd met ballen was, die dan ergens heen moesten. Ik snapte daar de noodzaak niet van.

Ik dacht aan Jasper, Barry, Jop en Namilla die ik al sinds mijn schooltijd ken, en die ook op mijn verjaardag waren. Namilla als verrassing, helemaal uit Portugal.

Je zou zeggen dat ik wel kon janken, maar dat kan ik dus steeds niet. Nou ja, heel even: toen een paar van mijn liefste vrienden Bill Withers zongen op mijn verjaardag. Ik heb hier al eerder gezegd dat hij de soundtrack van mijn leven schreef – zijn muziek hoort bij elke fase die ik tot dusver heb doorgemaakt.

Mijn vrienden zongen Lovely Day, en omdat ik geen verweer heb tegen Bill zong ik heel hard mee. Voor ik het in de gaten had stond ik daarbij te janken. Gejuich steeg op rondom me.

‘Jaaaa!’ riepen de klootzakken. ‘Gelukt!’

Soms kunnen we niet huilen omdat we denken dan nooit meer te zullen stoppen. Maar dat is niet zo – ik weet ook niet waarom ik dat steeds denk.

beeld: Nata Girard

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Zoeken

    Zoeken

    ’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Roeien – een liefdesverklaring

    Roeien – een liefdesverklaring

    De encyclopedie van het geluk 30 Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over.  Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Michaël Van Remoortere"
    Michaël Van Remoortere

    Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.