Halfvier

Een minuut voordat hij af zou gaan, zette ik de wekker uit en onttrok me aan de zwaartekracht van een diep slapende B. Ik douchte met gesloten ogen, opende ze pas weer toen het tijd werd om me af te drogen.

Ik trok de kleren aan die ik op de badrand had klaargelegd, poetste mijn tanden en ging naar de keuken om thee te zetten voor mijn thermoskan. Zoals elke keer dacht ik daarbij Ik ben een man geworden die thee in een thermoskan meeneemt. Ik bleef dat in een soort van loopje denken tot het tijd werd om Otis de Hond te wekken – echte gedachten heb ik zo vroeg nog niet.

Zelfs Otis leek het te vroeg te vinden, maar hij stopte met brommen toen we buitenkwamen, waar een verwarde vogel vast begonnen was te fluiten. Om vier uur startte ik de auto en reed bij ons huis vandaan.

De ring was verlaten, de A4 ook. We kwamen langs de grote steden van Zuid-Holland waar iedereen nog sliep. Otis klom op de bijrijdersstoel, wat hij normaal nooit doet, en tuurde voor zich uit over de snelweg. We luisterden naar een aflevering van Nooit meer slapen en ik moest lachen toen Gerbrand vertelde dat hij had moeten lachen bij het lezen van zijn eigen Knecht, alleen.

Knecht, alleen is veel, maar niet grappig. Ik vroeg me af of dat lachen van Gerbrand misschien zelfspot was, maar het denken wilde nog niet erg. Mijn ogen voelden geschuurd aan; zelfs damp van hete thee was moeilijk te verdragen.

Ik wil graag opschrijven dat het licht werd toen we in Yerseke aankwamen, maar dat werd het nog een uur niet. Op de kade wachtte ik met Otis en Chantal de fotograaf, die ook uit Amsterdam kwam – ik geloof dat we het fijn hadden gevonden om ieder ons eigen stukje nacht te braken – op het schip. Chantal haalde haar camera’s uit de auto en legde een hintje licht aan de horizon vast toen De Oosterschelde aanmeerde.

Een halfuur later waren we compleet en konden we afvaren. Ik probeerde uit te rekenen hoeveel langer ik nog had kunnen slapen, maar ook tellen bleek nog lastig. Zwaar en oranje hees de zon zich boven het oosten uit en trok een baan over een volmaakt kalme Schelde.

Er is iets aan het zien ondergaan of opkomen van de zon wat je in lijn zet met alles wat is voorgegaan en alles wat er nog moet komen.

‘Best pijnlijk om zo’n korte nacht te maken,’ zei Chantal. Het water leek te vlammen terwijl de kapitein een trage draai inzette richting de open zee. ‘Maar het is het altijd waard.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Een handdruk

‘Van veel boeken die je hebt gelezen weet je na enige tijd nauwelijks meer waarover ze gingen. Andere – maar dat zijn er veel minder – hebben sporen getrokken door je bestaan. Als je ze weer eens uit de kast haalt, kun je meteen zeggen waar, wanneer en onder welke omstandigheden je ze voor het eerst las, en wat ze met je deden.’ 

Het onmiddellijke toestromen van herinneringen onderschrijft de waarachtigheid van die uitspraak. Ulysses associeer ik steevast met de keukentafel van mijn ouders. Het laatste deel van Op zoek naar de verloren tijd las ik uit in de trein, The Puttermesser Papers van Cynthia Ozick volgens mij ook. Infinite Jest zie ik mezelf nog lezen in het vliegtuig naar Kroatië, op een grasveldje in Split, in de vlucht terug, en vervolgens natuurlijk nog op een tien- of twintigtal overige locaties die blijkbaar niet hoefden te worden opgeslagen. 

De bepalende boeken nestelen zich niet alleen in je geesteswereld, maar haken zich ook vast aan de plekken die je bezocht en de hoofdstukken die je in je autobiografie onderscheidt. Het zijn in zekere zin de piketpaaltjes die je levenspad afbakenen en je, wanneer je over je schouder kijkt, kunnen vertellen hoe je bent geworden wie je bent. 

Dat is precies wat Jaap Goedegebuure (1947) doet in het zojuist verschenen Door de jaren heen lezen. Over boeken en schrijvers (2022), waaruit het bovenstaande citaat afkomstig is. In het eerste coronajaar schreef hij voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een reeks blogs waarin hij steeds één van die beklijvende titels uit de kast trok en van toelichting voorzag. Samengebracht vormen deze stukken een (lees)autobiografie: Goedegebuure beschrijft via de literatuur zijn gereformeerde jeugd in Zeeland, vervolgt met zijn studententijd en daaropvolgende promotieonderzoek in Leiden, brengt zijn eerste stappen als literatuurcriticus en biograaf in beeld en eindigt met zijn hoogleraarschap en emeritaat – in kort bestek komt een heel leven voorbij. 

De fragmenten zijn luchtig van toon; ze hebben meer weg van informele verhalen, al dan niet boven een borrelglas of vanuit een fauteuil verteld, dan van traditionele literatuurbesprekingen. Het zijn dan ook de vele kleurrijke persoonlijke anekdotes die dit boek de moeite waard maken. Goedegebuure memoreert bijvoorbeeld hoe zijn promotor H.A. Gomperts hem als jonge dandy naar uitgever Johan Polak stuurde om enkele brieven van E. du Perron los te krijgen – een kleine geschiedenis die twee jaar geleden al enig opzien baarde en nu is voorzien van nieuw fotomateriaal. Mooi is ook een toevallige ontmoeting met Teju Cole in de jazzclub The Village Vanguard, of de saga waarin Goedegebuure als Marsman-biograaf aanklopt bij Albert Vigoleis Thelen, hem een bijzonder smeuïge confidentie ontlokt, en vervolgens de deur in zijn gezicht krijgt als hij de medeplichtige meestertypograaf Helmut Salden vraagt om wederhoor. 

Uitzonderlijk aan dit egodocument is de hoge mate van bescheidenheid die Goedegebuure aan de dag legt. Liever dan pronken met zijn eigen verdiensten besteedt hij aandacht aan de mensen die hem op zijn weg hebben bijgestaan: ‘Velen van ons hebben wel eens in een kruiwagen gezeten, voortgeduwd door een weldoener die bereid was om ons vooruit te helpen. Het lijkt me goed om je dat bewust te blijven en de persoon van wie je een opkontje hebt gekregen te eren met blijvend applaus.’ Dat resulteert in dit geval in een aantal fraaie eerbetoontjes aan leermeesters en vrienden, waartoe de schrijver naast Gomperts ook uitgevers Martin Ros en Geert van Oorschot mocht rekenen. 

Zo’n collegiale terugblik op een lange literaire carrière inspireert tot een bijpassend gebaar. Deze blog, die weer een reactie vormt op een bundeling van blogs, mag daarom beschouwd worden als een handdruk; een saluut van de ene neerlandicus, lezer en criticus aan de ander. 

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Een geestigheid

Joris Zwaverick is dertig jaar stamgast in café Bruyns, gelegen in de Jordaan.

Niet te missen. Er hangt een oude racefiets aan een ketting boven het ingangsbordje. Bij zware windstoten wiebelt het gevaarlijk heen en weer. Toch lijkt deze constructie stevig.

Joris communiceert, naar eigen zeggen, met de geestverschijningen van overleden kroegtijgers. ‘Eens een stamgast, altijd een stamgast,’ glimlacht hij.

Zijn gladgeschoren onderkin beweegt blubberig en schokkerig van links naar rechts, alsof hij voor scheidsrechter speelt tijdens een tennistoernooi. Hij lijkt de conversatie tussen de ene en de andere gesprekspartner moeilijk bij te benen. Vervelend dat ze elkaar nooit eens laten uitpraten. Hijzelf draagt gretig bij aan het geanimeerd ogende gesprek, waarbij overigens moet worden opgemerkt dat hij niet te verstaan is. Misschien spreekt het gezelschap in codetaal.

Wie voorbijloopt kan zich niet onttrekken aan een gevoel van intens medelijden. Oude man, alleen aan een tafeltje met een vol glas, pratend in zichzelf.

‘Wat loopt dat hondje leuk achter die juffrouw aan, of wat?’ mompelt hij tegen een van zijn vrienden. ‘Lief beestje, vind je niet?’

 Geen antwoord. Tenminste, vanuit het perspectief van de caféhouder gezien.

‘Beste vent,’ spreekt hij zijn gast aan. ‘Volgens mij is het nou wel mooi geweest.’

Joris Zwaverick kijkt verward om zich heen, dan begluurt hij de wijzers van de kerkklok.

‘Het wordt onze tijd,’ zegt hij met een pets op zijn knieën. ‘Kom op, ouwe jongens, de vaart erin.’ Ondersteund door de eigenaar staat hij op en drukt een gulle fooi in diens handen. ‘Tot morgen, Oscar.’

‘Beter van niet, kerel.’

‘Oh, ben je morgen dicht?’

 ‘Voor jou wel, helaas. Gefeliciflapstaart met een heus caféverbod.’

‘Mag ik hier niet meer zitten?’

‘Dat houdt een verbod zo’n beetje in, ja.’

Vertwijfeld vraagt Joris naar de duur van het verbod.

‘Voor altijd.’

‘Is dat niet wat lang?’ Joris kijkt twee tafels verder. Daar zit een groepje mensen dat, schuldbewust, ineens ophoudt met praten en wijselijk de hoofden afkeert van deze gênante scène. De eigenaar voorziet het uitzicht van commentaar: ‘Te veel klanten storen zich aan je gesprekken, en de klant is nou eenmaal koning. Begrijp je?’

‘Maar mijn vrienden…’ stamelt de oude Joris terwijl hij zijn grijze lokken naar achteren zwaait. ‘Revolver Sjors en Harry het Scheermes, mogen zij wél blijven?’  

‘Die penozematen van je hingen me bij hun leven al de keel uit,’ bromt de uitbater. ‘Blij toe dat ze twee meter onder de grond liggen op de Ooster.’  

‘Ze zullen me missen als ik er morgen niet ben.’

‘Man, sodemieter op met je gelul.’

‘Dit is ons vaste stekkie,’ roept Joris wanhopig en grijpt zijn tegenstander bij de schouder. ‘Wat nou als ze kwaad worden? Je weet wat een gevaarlijk soort humor ze hebben, om maar te zwijgen van hun extreem korte lontje.’

‘Muil houden en oprotten.’

‘Ik betaal hun biertje altijd. Ze hebben me nodig.’

De eigenaar rukt zich los. ‘Nóg een uitstekende reden om op te krassen: het verspillen van kostbaar vocht door je glas niet netjes achterover te kieperen. Weg met jou en fantoomboefjes!’  

‘Zeg dat niet te hard,’ fluistert Joris. ‘Je brengt ze op ideeën. Onthoud dat je tegen het middaguur een biertje klaarzet op dit plekkie.’ Hij klopt op het tafelblad, steekt de handen in zijn jaszakken, en vervolgt zonder verder protesteren zijn weg naar huis. ‘Denk aan het biertje,’ roept hij achteromkijkend.

‘Idioot,’ mompelt de eigenaar en tikt tegen zijn voorhoofd.

Hoe het heeft kunnen gebeuren, valt niet precies te zeggen. Feit is dat de volgende dag, toen de klok twaalf uur sloeg, boven het verlaten tafeltje bij de ingang, waar geen biertje stond, de racefiets steeds sneller bewoog. De kettingen die het vasthielden begonnen te kraken. Stukjes roest dwarrelden naar beneden. Het ijzer brak, de fiets viel. Met een oorverdovende klap kwam hij neer.

Op de eigenaar, die net de tafel afnam.

‘Doodzonde dit. Dood- en doodzonde,’ verzucht Joris Zwaverick van een afstandje. ‘Ik zei nog zo dat ‘ie aan het biertje moest denken.’

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Een blonde boekenjongen – 16/03/22

Ergens in de zomer van 2017 stond ik met vrienden op straat in de Jordaan. Ik had net de barbecue aangestoken, en we maakten ons op voor een lange dag van koken en wijndrinken.

Mijn gezelschap bestond uit koks die elkaar kenden van het werken in de horeca; iedereen had ingrediënten meegenomen, een flesje of twee. We hadden onze spulletjes binnen op het aanrecht uitgestald en zouden straks samen een menu gaan improviseren.

Naast de barbecue, op het blauwe bankje dat ik voor mijn vrouw getimmerd had, lagen stapels Engelstalige boeken. Ik had ze daar neergelegd in de hoop dat passanten ze mee zouden nemen, maar niemand toonde echt interesse. Tot er een extreem frisgewassen jongeman in een wit T-shirt langsliep, met een legergroene rugzak over zijn schouders.

De man hield halt voor de bank met boeken, stapte terug, kneep in zijn onderlip en deed weer een stap naar voren.

‘Excuse me,’ zei hij in wat later een Oekraïens accent zou blijken. ‘These books, they are for sale?’

‘Absolutely not,’ zei ik. ‘They are for free.’

Hij lachte, leek me niet meteen te geloven. ‘But these are good books.’

‘I know,’ zei ik. ‘I read them.’

De jongeman ging door zijn knieën en pakte mijn oude boeken één voor één op alsof het glazen muiltjes waren, laatste kansen op het vinden van een verloren prinses. Hij liet de ruggen door zijn brandschone handen gaan en rook aan de bladzijden.

‘You are certain I can take them?’

‘Yes,’ zei ik. ‘Would you also like a glass of wine?’

Hij stelde zich voor als Andrew Kobalia uit Kyiv, en we kwamen te praten over zijn stads- en naamgenoot Andrej Koerkov, schrijver van veelal absurdistische literatuur als Death and the Penguin, Penguin lost (beide niet in het Nederlands vertaald), Picknick op het ijs en De laatste liefde van de president.

‘Zullen we hem uitnodigen?’ zei ik tegen mijn vrienden. ‘Dat is toch leuk: je bent op vakantie in een vreemde stad, wordt van straat getrokken en krijgt weet-ik-hoeveel-gangen te eten met de allerfijnste wijn erbij.’

Ze vonden het een uitstekend plan, en kort daarop zat Andrew kaarsrecht en extreem beleefd bij ons aan tafel. Hij babbelde met iedereen even geïnteresseerd en complimenteerde ons met de wijn en de gerechten, zonder daarbij al te luid of emotioneel te worden. Als ik op dat moment een huwbare dochter had gehad, dan zou Andrew aan het einde van die middag met mijn dochter, mijn zegen en een bruidsschat zijn vertrokken.

Uren gingen voorbij terwijl een bataljon aan lege flessen zich vormde onder mijn aanrecht. Al die tijd zat Andrew Kobalia rechtop, bleef zijn T-shirt vlekkeloos, en sprak hij onderhoudend met mijn vrienden. Na dessert, koffie en digestieven gaf hij iedereen een stevige, warme hand en bedankte ons voor de gezelligheid, het eten en de wijn. Mij bedankte hij nogmaals voor de boeken, die hij voorzichtig in zijn rugzak schikte.

We liepen mee de straat op om hem uit te zwaaien, en merkten dat onze nieuwe vriend totaal niet onder invloed leek.

Een paar weken daarna kreeg ik een Facebookbericht van Andrew. Of ik hem mijn laatste boek kon sturen. Hij kende een uitgever in Kyiv bij wie hij het onder de aandacht wilde brengen. Ik herinnerde me niet mijn werk met hem besproken te hebben, maar er was wel meer wat ik me niet herinnerde van die middag; mijn boek ging naar het adres dat hij me opgaf en enkele dagen later kwam Andrew bij me terug: de bal lag nu bij de uitgeverij.

Toen ik gisterenochtend wakker werd, herinnerde ik me opeens die zachtaardige Oekraïner. Ik zocht hem op via Facebook en schreef: Andrej, my friend. Jesus. How are you?

Binnen een halfuur kreeg ik antwoord: I’m good. Joined territorial defense of Kyiv. Other relatives are mostly safe. I’m planning to fight until the city is lost (which is highly unlikely) or the province is free from Russian soldiers (it can happen in the nearest weeks).

Op Instagram kwam ik een foto tegen die hij had genomen vanuit een geïmproviseerde geschuttoren. Door een smalle horizontale ruit ziet hij uit op een gebarricadeerde toegangsweg. Op de voorgrond, in de toren: de gekruiste benen van Andrew Kobalia, in smetteloze khaki legerbroek gestoken, met een automatisch wapen er dwars overheen.

Andrii Kobaliya (25) is per 23 februari 2023 tweede luitenant bij de Territoriale Strijdkrachten van Oekraïne. Voor de oorlog was hij journalist bij de publieke radio, docent aan de democratische school van Maibutni en due diligence-analist. Sinds deze maand verschijnen er zo nu en dan frontberichten van hem in De Groene, vertaald door Menno Grootveld. Gilles van der Loo zamelt geld in voor zijn vriend, die daarmee tot dusver een kogelvrij vest, een fijne slaapzak, een goede helm en een drone kocht. Je bijdrage is van harte welkom en gaat integraal naar Andreii. Overmaken kan naar NL84 ABNA 0482526033 t.n.v. dhr. G.J. van der Loo o.v.v. Andreii. Je kunt ook direct overmaken met Paypal via: andriikobaliia@gmail.com

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Woorden van de nutteloze toeschouwer (Over Louis Couperus)

Vind maar eens woorden voor deze oorlog, laverend tussen de Scylla van de platte clichés en de Charybdis van de schrille retoriek. Alleen muziek kan misschien iets verwoorden. Daarom bezoek ik een klein benefietconcert (Giro 555) in de Haagse Kunstkring met o.a. cellosuites van Bach (enz.).

Er zijn woorden: een heel erg Haagse mevrouw leest voor uit de beroemde Brieven van den Nutteloozen Toeschouwer van Louis Couperus, over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Ze doet dat heel goed. Het is voordracht in de beste traditie van Couperus zelf. Eenmaal buiten spoed ik me naar de openbare bibliotheek en vind het boekje. Bruin, met een Art Nouveau-kaft. Ik bliep het langs de uitleenmachine en loop de open, vrije stad weer in.

Wat een prachtige dag! De stad ademt lente. Een staalblauwe hemel, lachende gezichten op de Grote Marktstraat, drommen mensen biggen zich de PRIMARK in en komen er, schijnbaar gelukkig, ook weer uit. Trams ratelen voorbij, chihuahuas keffen en een jonge vrouw met donkere krullen en een groene muts op loopt in een zwevende tred over het Spui naar boekhandel Van Stockum, op zoek naar letters en woorden en gedachten en scènes en ondertussen … ‘worden steden gebombardeerd, storten de reusachtige legers op elkaâr in, sneven de duizenden aan beide zijden, is de grond rood van bloed en de lucht rood van gloed … is het een ontzettende Gruwel, vol van gruwelijkheden, zóo ontzettend als nimmer de Historie nog schiep.’

Couperus, de decadente kosmopoliet, bevond zich bij het uitbreken van de oorlog in Florence en München, waar hij het nieuws van de telegrammen volgde, de internationale ‘couranten’ las, en bedwelmd raakte door tegenstrijdige en verwarrende berichtgeving. Toch moest en zou hij op de hoogte blijven, want ‘ik wil niet dat de, om mij heen ruischende, Historie, mij met een plooi van hare zware wade of een tik van haar vleugel weg veegt.’

Zo is mijn zondag niet. Voor het eerst in tijden heb ik mijn telefoon (en dus Twitter) thuis gelaten – een QR-code is niet meer nodig. Ik lees Couperus en verplaats me naar Konditorei Vienna bij Buitenhof, waar in rampjaar 1672 een woedende massa de gebroeders De Witt in stukken heeft gereten. Ik verzin het niet. Twee tafeltjes verderop zit, achter een donkere zonnebril, Paul van Vliet. Dat die nog leeft. Hij heeft Couperus vast nog gekend. En Johan en Cornelis de Witt. En de geschiedenis. Zou hij ook koortsachtig telegrammen lezen? Hij weet misschien wat Couperus wist, in 1914: ‘…zelfs vóór de Pers bestond, zullen oorlogsberichten, berichten van overwinning of nederlaag, relatief zijn geweest, een spiegeleffectje, een weêrglans-draai van de Waarheid, die hare handspiegel snel bewoog heen en weêr.’

Woorden schuren in mijn hoofd. Van Oekraïense studenten. Ze is uit Marioepol. Ze heeft geen contact met haar tante. Al twee dagen niet. Geen gehoor. Kharkiv, een andere student, in tranen, het huis van haar ouders is vernietigd. Evgenii, die ene historicus uit Odessa die ik in 2016 ontmoette op een congres in Lviv. ‘My nation is strong and united now’, schrijft hij me in een e-mail. Hij moet naar het front. Het woord is aan de oorlog.

‘Wij zijn de groote kinderen, die àltijd nog kùnnen gelooven aan de ons zoo eenvoudige, klare idealen en aan dat eéne Ideaal van Wereldvrede, het zonnezuivere, waarvan de verwerkelijking in latere eeuw onloochenbaar schijnt….als wij er over praten, schijnt het ons reeds toe, dat een immense, wimpelende, witte vaan zich ontplooien gaat over de wereld…. Helaas, het zijn alles woorden, ideeën, idealen, onmogelijkheden, fantazieën van kinderlijke droomers.’

Plotseling zie ik in mijn ooghoek Gideon van Meijeren – ja die van het Forum voor Democratie – een tafeltje zoeken. Als een dwingeland stuurt hij zijn vriendin naar een plek ten noordoosten van mijn koffie en uitzicht. Dit is een zondag in deze stad. Johan de Witt, Paul van Vliet (‘Ik ben Paul van Vliet’), en de Poetin-hamster. En ik, met het boekje van Couperus op mijn schoot, op het terras van Konditorei Vienna. Het wordt tijd om af te rekenen.

Langs de Hofvijver en het Plein loop ik naar station Centraal. Couperus, de zelfverklaarde ‘dwaler’ en ‘schoonheidszoeker’, draaide zijn rug toe naar de ‘Wereldbrand’. Dat kan ik niet, al voel ik me in deze zogenaamde ‘Stad van Vrede en Recht’, in de schaduw van het Vredespaleis uit de tijd van Couperus, ook een ‘Nuttelooze Toeschouwer’. Wat kunnen we doen? Demonstreren, inzamelen en doneren. Couperus kwam niet tot schrijven, behalve dan die brieven. ‘Ik voel mij, moreel, gevangen, hoewel dat woord misschien niet geheel mijn gemoedsstemming uitdrukt. Ik kan niet denken. Ik voel mij suf. De Oorlog drukt als een nachtmerrie, een ontzettende zwarte demon over mijn ziel…Ik doe niets dan wezenloos couranten lezen.’ De schrijver heeft geen hoop. Terloops, ja in een fatalistische terzijde, schrijft hij: ‘…er zijn ook nog Individuën, en als die zich eens allemaal vereenigden tegen deze groote Wereldkrankzinnigheid, zoû dat niet geven…? Ik vrees bijna van niets.’ Couperus vervolgt: ‘Oorlog verklaren ligt in de lucht, het is in de mode. Lezer, ik verklaar u den oorlog.’

Couperus’ woorden dansen voor mijn ogen in de tram naar huis. Woorden die resoneren met het vage geweld van een schommelende Haagse tram op de stalen rails bij de halte Wenckebachstraat. Woorden die weggetikt lijken uit het verleden en nu verloren zijn in het heden.

Even mager als zwaarmoedig zijn ze, die woorden van de nutteloze toeschouwer.

"Foto van Guido van Hengel"
Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Leve de vrijheid!

Wat zou toch deze eeuw de allerergste maken?
Wellicht dat in de walm van angst, verdriet,
zij wel de zwartste zweer wist aan te raken,
Maar haar genezen kon zij niet.

In ’t westen schijnt de aardse zon nog op de huizen,
zodat de daken in haar licht te glanzen staan.
Hier zet de witte dood op alle deuren kruizen
en roept de kraaien, en de kraaien vliegen aan.

Dit zou heel goed een gedicht kunnen zijn dat geschreven is in maart 2022 in Charkov door een Oekraïnse. Maar het werd geschreven in 1919 door een Russische. Leven onder een oorlog die je wordt aangedaan door mannen die de macht naar zich toe trokken, geen tegenspraak dulden en ook alle kritiek in eigen gelederen elimineren, het is helaas geen uniek Oekraïense ervaring. Anna Achmatova, Russin, in Odessa (Oekraïne) geboren, schreef er ten hemelschreiend mooie poëzie over, hier in vertaling van Margriet Berg en Marja Wiebes.

Hoe bijziend ben je als je Russen wilt cancelen die precies dat meemaakten wat de Oekraïners nu te verstouwen krijgen? Niet het Russisch is het probleem, noch het Russisch volk en al zeker niet de dichters, schrijvers en componisten en andere kunstenaars. Maar de man Poetin is het probleem. Poetin die – zoals Navalny al zei – de geschiedenis in zal gaan in associatie met ‘de onderbroek van Navalny’, niet in associatie van een ‘herwonnen imperium’. Wat Tsar-struck Poetin nog denkt te kunnen bereiken is maar de vraag. Hij zoekt zijn historische voorbeelden bij de tsaren die gebiedsuitbreiding realiseerden. Maar Vladimir is een beperkte geschiedenisleerling: want wie alle tegenspraak elimineert zal uiteindelijk nooit winnen. Die eindigt in een put. Daar hoef je de geschiedenis maar op na te slaan.

Als we toch in algemeenheden denken dan zouden we de mannen moet aanwijzen als de schuldigen van een zinloze en brute oorlog. Zoals Virginia Woolf schrijft in Three Guineas – haar lucide geformuleerde studie naar oorlogvoering – ‘Scarcely a human being in the course of history has fallen to a woman’s rifle.’ En verder: ‘Obviously there is for you some glory , some necessity, some satisfaction in fighting which we have never felt or enjoyed.’

Of mannen? Poetin lijkt een bange bolle boze boomer meer dan een krijgsheer. Ergens blijft het onbegrijpelijk dat een geest zo op kan raken dat hij gelijk denkt te hebben door iedereen die anders denkt het zwijgen op te leggen. Daarin is hij een moderne Stalin.

Ik heb gezichten langzaam zien vervallen,
gezien hoe angst vanonder wimpers kijkt,
ik heb gezien hoe lijden op de wangen
iets kerft dat op ruw spijkerschrift gelijkt.
[…]
Ik bid niet louter voor mijzelf dit uur
maar ook voor wie zich daar met mij bevonden,
voor hen die bij die rode blinde muur
in barre kou en juli-hitte stonden.

Anna Achmatova

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • "Foto van Twan Vet"
    Twan Vet

    Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

    Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

    De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

    Foto: Roderique Arisiaman

  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.