08:46

Al meer dan een jaar drukt de realiteit zich lelijk en onderdrukkend in onze gezichten als de knie van een boosaardige witte man in de nek van een onschuldige zwarte man. Toen ik die zin schreef, doelde ik op de pandemie. Maar precies een jaar geleden gebeurde wat als beladen maar passende metafoor werkt, letterlijk. 08:46 is symbool gaan staan voor de dood van George Floyd – al bleek het achteraf nog langer te duren. En pas zo’n elf maanden later kon iedereen het erover eens zijn dat het moord was. Dat de man die al grijnzend het leven uit een ander lichaam drukte, de gevangenis in moest.

Toen ik een jaar of veertien was bezocht ik met mijn ouders het Arles Fotofestival. Een van de tentoonstellingen liet allerlei beelden zien van vroegere lynchings in Amerika. Sindsdien staat er een beeld uit 1935 in mijn geheugen gegrift, als met een dikke permanent marker: een meisje, niet ouder dan acht, staat haast proestend te kijken naar een zwarte man (Rubin Stacy) die in een nabije boom is opgehangen. (Hij werd gelyncht voor het ‘bang maken van een witte vrouw’.)

Lynchen ging vaak gepaard met buurtpicknicks. Dit was zo’n widespread fenomeen dat er lange tijd twijfel bestond over de etymologie van het woord ‘picknick’. Het martelen en vervolgens vermoorden van zwarte mensen was een gezellig familie-evenement voor witte mensen.

In de roman The Stone Face (1963) van William Gardner Smith – een tijds- en Parijsgenoot van James Baldwin en Richard Wright – beschrijft de protagonist het gezicht waarvoor hij naar Frankrijk is gevlucht, het gezicht van de racistische mensen in Amerika. ‘…the jaw was clamped tight, the mouth was a compressed bitter line, […] the eyes were flat, fanatic, sadistic and cold. It was an inhuman face, the face of un-man’. In Frankrijk komt hij hetzelfde gezicht tegen: hier is het niet op hem gericht, maar op de Algerijnen.

In Baldwin’s If Beale Street Could Talk (1974) beschrijft de jonge, zwangere Tish eveneens het voorkomen van de witte politieman die haar onschuldige vriend arresteerde. Ze komt hem op straat tegen en kijkt voor het eerst goed naar hem. ‘I was beginning to learn something about the blankness of those eyes. […] If you look steadily into that unblinking blue, […] you discover a bottomless cruelty, a viciousness cold and icy. In that eye, you do not exist: if you are lucky. If that eye, from its height, has been forced to notice you, […] you are marked, marked, marked, like a man in a black overcoat, crawling, fleeing, across the snow.’

85, respectievelijk 57, respectievelijk 46 jaar later ziet haast de hele wereld een witte politieman met een nietszeggende uitdrukking en zijn hand in zijn zak op de nek van een zwarte man knielen tot die sterft. Is dit echte nonchalance, of is die geveinsd? Is die aangeboren of aangeleerd? Waar leer je zulke onmenselijkheid? (Asking for an enemy.) En wat is er onmenselijker: haat en walging, of pure onverschilligheid over andermans lijden?

Dit is óók het gezicht van racisme. Mensen denken al snel aan haat, maar er is ook leegte, onverschilligheid, soms grenzend aan vermaak. Je komt het niet alleen tegen in het nieuws uit de VS en andere verre oorden. Dit is ook het gezicht van mensen die ik ken, die zeggen: ‘Ik ben geen racist, maar…’ en vervolgens apen-en-bananengrappen maken. Dit is ook het gezicht van de oude dansdocent van mijn zusje, die ervan overtuigd was dat zij goed ‘urban’ kon dansen, nog voor de les was begonnen. Of het iemand pijn doet, hen voor altijd bij blijft – daar denken ze niet aan. Dat doet ze niets.

In Going to Meet the Man stelt Baldwin zich voor wat er in de hoofden van de witte mensen omgaat die een lynch-picknick bijwonen: ‘“we’re going on a picnic,”’ zegt de vader van jonge Jesse. ‘“You won’t ever forget this picnic!”’ Vervolgens kijkt de jongen, zittend op de schouders van zijn vader, toe hoe er een zwarte man levend wordt verbrand. ‘He began to feel a joy he had never felt before.’ (Als Jesse later in zijn leven aan de lynching terugdenkt, raakt hij opgewonden. Is dát misschien wat Chauvin’s hand in zijn zak deed…?) Na de verbranding gaat de familie snel richting de tafel waar het eten is uitgestald, voordat het op is.

"Foto van Fannah Palmer"
Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

In de Oorshop

Participatiegevangenis

In de greep van de taal van Antoine Mooij is een boek dat niet verstoft. Dat is omdat je het op twee manieren kunt lezen: het bevat een gestructureerd overzicht van de filosofie van Jacques Lacan en Ernst Cassirer. Maar het is tegelijkertijd zo geschreven dat de teksten je laten nadenken over je eigen ervaringen en je uitdagen met de concepten aan de haal te gaan.

Mensen zitten gevangen in taal. Taal bepaalt hoe we denken over de wereld, onszelf en anderen; en hoe we ons daarover uiten.

Schrijvers en dichters kunnen misschien wel niets anders doen dan de grenzen van die taalgevangenis oprekken, haar zo ruim maken dat ze niet als gevangenis voelt. Je zou critici in de wereld van politiek en het bedrijfsleven kunnen zien als mensen die de taal juist beschieten. Ze richten hun pijlen op het taalgebruik van leiders om ‘het volk’ weer vrij te laten denken. Dat is een eervolle taak, waarvoor ze soms – helaas – het loodje moeten leggen.

Deze taalgevangenis is niet alleen een abstracte weergave van de menselijke conditie, ze is ook zichtbaar en voelbaar, zoals in bijna elk overleg dat ik de afgelopen maanden voerde over participatie. De situatie is meestal als volgt: er moet een bijeenkomst worden georganiseerd over een nieuw plan. Dat plan gaat bijvoorbeeld over de aanleg van warmtenetten, over nieuwe woningen of over de nieuwe inrichting van een plein. De vraag waar participatie om draait is: kan er nog wat aan het plan worden veranderd, en wie mag dat doen?

Zodra de vraag gesteld is, merk je opeens dat alle deelnemers aan een overleg taalgevangenen zijn. Ze beginnen vaag te sputteren, zich te uiten in woorden die ze niet op een berisping zal komen te staan: ‘Dat hangt er vanaf, een stukje verwachtingsmanagement is belangrijk, mensen moeten begrijpen dat niet alles kan, er is natuurlijk ook een regionale agenda waar het bij moet passen, dit is vooral een principe-stuk op hoofdlijnen.’

De presentaties die hieruit voortkomen worden volledig gedicteerd door een zwartboek waarin foute en goede woorden staan. Niet burger maar bewoner, niet groen maar duurzaam, niet beste maar meest voor de hand liggende, enzovoorts.

Het doet me weleens denken aan mijn eerste interview – 1994, schoolkrant van het Murmellius Gymnasium: lekker vrij schrijven met veel pretentie en wars van regels – met televisie-icoon Ted de Braak die vertelde dat hij op televisie niet mocht spreken van slecht weer omdat de Heer, volgens de Christelijke omroepvereniging, geen slecht weer creëerde.

Het effect van die taalgevangenis is dat bijeenkomsten vooral draaien om het voorkomen van versprekingen. Ambtenaren, politici en professionals zijn eindeloos bezig om in uitnodigingsbrieven, presentaties en interactie met bezoekers te voorkomen dat ze iets zeggen dat tegen de gevangenisregels ingaat. Ze leren zichzelf een taal aan waarmee ze genoegzaam in de ontspanningsruimte kunnen blijven zitten.

Als er bijvoorbeeld wordt gevraagd naar de concrete plannen voor een wijk, verwijzen ze routineus naar eerdere stukken, onderzoeken die nog op stapel staan en toekomstige bijeenkomsten. Het liefst sluiten ze af met de uitsmijter: ‘…en we zien er naar uit dat samen te doen en kijken zonder vooringenomenheid naar elk initiatief.’

Na afloop prijzen ze elkaar ‘omdat het niet mis ging’. ‘Een of twee versprekingen misschien, maar verder ging het goed.’ Maar het is natuurlijk wel mis: een taalgevangenis die mensen reduceert tot spreekbuizen stompt die mensen af, creëert boosheid en cynisme onder de deelnemers aan bijeenkomsten, en (uiteindelijk, denk ik) woede onder de bevolking.

Hoe ontsnappen we uit die taalgevangenis? Nou, helemaal ontsnappen lukt natuurlijk niet. Maar we zouden wel kunnen streven naar bijeenkomsten waarin niet de angst voor verspreking, maar de wil om plannen te veranderen voorop staat. Laat sprekers een bijeenkomst maar eens beginnen met de verzuchting: ik zit vast in een taalgevangenis die we met elkaar maken en in stand te houden, help me de muren te verplaatsen. Beschiet me als een criticus, verleg grenzen als een schrijver of een dichter.

Ik noem die opstelling een radicale participatiehouding.

Bezoekers zullen waarschijnlijk verbaasd opkijken, maar ik denk niet dat ze zich daarna gaan misdragen. Integendeel, ik reken op een fascinerende uitwisseling van ideeën. En betere plannen!

"Foto van Menno van der Veen"
Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Lente

B ging erg vroeg naar haar werk en daarom bracht ik Ada en Nadim naar school; meestal doe ik dat niet op dinsdag omdat ik dan om negen uur moet lesgeven in Oost.

Ergens op een vaste tijd verschijnen geeft me na al die jaren freelancen achter de laptop stress. Ik kuste mijn zoon en dochter, zwaaide naar de juf en trapte als een gek door de klamme ochtend naar de Derde Oosterparkstraat, om er voor de deuren van het IVKO achter te komen dat ik vijfentwintig minuten te vroeg was.

Ik besloot koffie te halen en fietste in de richting van het Beukenplein, waarbij ik langs het huis van Gijs kwam. Gijs is nu tien jaar dood, maar voordat hij doodging waren we de beste vrienden. In zijn appartement op de Derde Oosterparkstraat 146 ben ik praktisch opgegroeid. Hij had weinig meubels, geen kussentjes of andere ‘zachte’ elementen in zijn interieur, maar spartaans als het daar was: het voelde als mijn eigen huis.

Met Gijs’ dood is die plek verdwenen, een thuis minder om heen te gaan. Nu valt me sowieso op dat het aantal thuizen krimpt naarmate ik ouder word, en dat zal zijn omdat ik nooit meer tijd heb om echt bij mijn vrienden te hangen. Meestal zie ik ze (onder oud-normale omstandigheden) in de kroeg, en zo niet daar dan in een restaurant. Hangen wordt het nooit. Kennelijk is er een zekere ledigheid nodig om van een huis een thuis te maken.

De jongen met het mondkapje bij Coffee Bru klonk gastvrij en vriendelijk. Ik bestelde en besefte dat mijn portemonnee thuis lag. Gelukkig was er nog geen boon gemalen.

‘Ho,’ zei ik. ‘Sorry, maar ik heb geen geld bij me. Ik moet die koffie cancelen.’

‘Dan betaal je me toch de volgende keer?’ zei de jongen. ‘Als je daar tenminste niet mee zit.’

‘Wat heel erg aardig,’ zei ik, beseffend dat de schuld die ik bij hem zou hebben staan me de hele week zou achtervolgen.

Ik dronk mijn koffie op een bankje voor de deur en bedacht dat het aanvaarden van het vertrouwen van een ander zwaarder mocht wegen dan mijn eigen rust. Deze jongen zou gesterkt worden in zijn positieve kijk op het leven. Hoewel zijn citroencake best lekker was, kreeg ik de plak niet op. Ik loosde mijn bekertje, vouwde het zakje van de cake weer dicht en fietste naar het IVKO.

Terwijl ik mezelf voor een verrassend lege klas hoorde praten over het belang van ritme in de taal, en over wat volgens mij goed en minder goed werkt in een verhaal, dacht ik weer aan Gijs. Toen ik voor het eerst op nummer 146 kwam, was ik maar een paar jaar ouder dan mijn leerlingen hier waren.

Was het ook lente toen ik voor het eerst bij Gijs thuis was? In een verhaal zou dat goed werken.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Kollaards engagement

De laatste dag van de koning (2021) komt mooi ten einde: deze heruitgave van de twee verhalenbundels van Sander Kollaard wordt afgesloten door een reeks verspreide, voornamelijk in tijdschriften gepubliceerde essays. De enerverende stukken over het werk van Stephan Enter, Elisabeth van Nimwegen en Charles Darwin, bijvoorbeeld, verschenen afgelopen jaar in Tirade, en ik kan liefhebbers en bewonderaars alvast verklappen dat ook ons komende zomernummer weer een bijzonder essay van Kollaard zal bevatten.

Mijn belangstelling ging echter vooral uit naar een korte tekst uit 2014 die niet eerder gepubliceerd was: ‘Nabokovs engagement’. Het is een wat schetsmatig stuk over de eeuwige discussie omtrent politieke betrokkenheid en literatuur, ditmaal naar aanleiding van enkele polemische opmerkingen van Anton Dautzenberg. Net als veel van de andere essays is deze tekst tegelijkertijd speels en zeer gestructureerd van opzet. Kollaard werkt stapsgewijs en benoemt steeds wat hij aan het doen is, als een scholier die een scheikundige proef uitvoert – of het elders in het boek genoemde leraarschap van zijn vader hier iets mee te maken heeft, durf ik niet te zeggen. De gedachtesprongen worden steeds zorgvuldig gegrond en ingekleed, waardoor je de schrijver als het ware ziet denken op de pagina en hem stap voor stap kunt volgen.

Tegenover Dautzenbergs strenge maar in de praktijk tamelijk vage pleidooi voor directe politieke betrokkenheid (de vraag blijft dan natuurlijk: hoe precies?) plaatst Kollaard het gedachtengoed van Milan Kundera, zoals hij dat afleidt uit het boekwerk De kunst van de roman (1986): ‘Kundera heeft een heel andere opvatting van engagement. Hij bepleit een engagement met de literatuur zelf, met de roman, of preciezer nog: met de complexiteit van onze levens, waarmee de roman zo goed uit de voeten kan.’

Dat verbindt Kollaard weer met zijn eigen leeservaring van Nabokovs illustere puzzelroman Pale Fire (1962). Hoewel hij notoir apolitiek is, is juist deze schrijver voor hem een toonbeeld van betrokkenheid. Niet omdat hij zijn werk lardeert met statements en strijdkreten, maar omdat hij het leven ongekend precies in fictie weet te vangen: ‘Zo laat Nabokov zien wat literair engagement is: hij maakt ruimte voor de verbeelding en daarmee voor de individualiteit van zijn lezers.’

Die individualiteit heeft Nabokov dan ook vurig bevochten. Zijn weerstand tegen marxistische en psychoanalytische interpretaties van literatuur (de ‘Weense delegatie’ moest volgens Nabokov uit zijn buurt blijven) is daar volgens mij een direct gevolg van. Theoretische generalisering gaat immers altijd gepaard met reductie, waardoor de uniciteit van de menselijke ervaring in het gedrang komt. Voor Nabokov was de maatschappelijke buitenpositie van kunst van levensbelang: juist omdat de schrijver zich niet direct tot ideologische stromen hoeft te verhouden, kan hij zijn eigen, unieke blik op de wereld intact houden.

Zo fel en bokkig als de Russische meester is Kollaard bepaald niet, maar ook hij stelt zich uiteindelijk een vergelijkbaar doel: al schrijvend het leven vangen, in al zijn specificiteit, vluchtigheid en particulariteit, waardoor het ons iets minder snel lijkt te ontglippen.

En terloops vroeg ik me af: kunnen we in deze beginselverklaring niet de kiem van Kollaards gevoelige en vorig jaar bekroonde roman over het alledaagse ontwaren?

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Geschiedenis van een landschap

Een aantal weken geleden was ik in Zeeland voor een residentie. Vlakbij het dorpje waar ik verbleef lag het natuurgebied de Verdronken Zwarte Polder. Toen ik de naam op Google Maps zag staan, wist ik gelijk dat ik daar heen wilde. De naam intrigeerde me. Ik probeerde me voor te stellen hoe het gebied eruit zou zien: of een polder kan verdrinken, of een landschap kan verdwijnen, en hoe dat er dan uitziet: een verdwijnend landschap.

Ik ging erheen en zette mijn fiets in de houten rekken onderaan de dijk en nam de route over het strand het natuurgebied in. Onderweg speurde ik het strand af naar stukken plastic, zodat ik die later weg kon gooien. De zon was fel en ik ploeterde hijgend langs de kustlijn. De zee begon zich net weer terug te trekken en liet een drijfzandachtige substantie achter waar mijn schoenen in wegzakten.

De verdronken zwarte polder bevond zich achter een aantal duinen. Ik zag de slufter en wist dat ik er bijna moest zijn. Eenmaal om de duinen heen gelopen, verbaasde het me hoe groot de inham was waar de zee zich uit aan het terugtrekken was. Een soort meer dat met vloed volliep, en met eb langzaam door de krachten van de maan werd leeg getrokken.

Er was niemand, ik hoorde enkel wat zwartkopmeeuwtjes schreeuwen. Ze cirkelden om elkaar heen boven het water en waren kleiner dan de meeuwen die ik gewend ben. Liever, ook.

Ik liep naar het informatiebord dat aan de rand van het water stond. De in 1623 aangelegde polder overstroomde in 1802 en werd zo de Verdronken Zwarte Polder. Na de overstroming besloten de mensen een deel van de polder terug aan de zee te geven. Het andere deel werd opnieuw herdijkt, maar is tegenwoordig ook een beschermd natuurgebied.

Ik keek weg van het bord, naar de duinenrij en de slufter, naar de slikken en schorren, de houten brug die je naar de overkant van het water bracht, naar de zee die nu vrij het gebied in- en uitstroomde alsof het nooit anders geweest was.

Ik moest denken aan de mensen van toen, aan de mensen die in 1623 de polder met hun blote handen hadden aangelegd, aan de mensen in 1802 die een deel van de polder teruggaven aan de zee. Misschien wel omdat ze erachter kwamen dat de natuur grillig en ontembaar was en nog steeds is. Opeens kon ik die mensen vlakbij voelen, alsof ze achter me stonden en over mijn schouders mee naar het glinsterende water keken.

Ik zag al die gebeurtenissen in relatie tot dit natuurgebied en begreep toen voor het eerst dat ook landschappen een geschiedenis hebben, een verhaal. Iedere plek is door de tijd heen veranderd. Vooral in een klein land als Nederland is elke plek aangeraakt door mensen, en dat is verdrietig, maar ook mooi. Ik wil liever niet denken aan alle natuurgebieden die woonwijken geworden zijn, maar wel aan plekken die door de tijd heen teruggegeven zijn aan zichzelf, aan de natuur. Net als hier.

Ik liep de brug op en ging precies in het midden zitten, mijn benen bungelend over de rand. Ik keek naar de meeuwtjes die boven het water zweefden alsof ze nooit iets anders gedaan hadden. Ik dacht aan de geschiedenis van deze polder, aan dit verhaal, en besloot naar meer van zulke verhalen op zoek te gaan.

"Foto van Willemijn Kranendonk"
Willemijn Kranendonk

Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

De omslag

Heel onverwacht konden we naar het huisje in Zeeland. Ik nam het aanbod meteen aan en merkte dat mijn gezin nog even moest wennen aan de verrassing. B en Nadim houden er niet van als je hun planning omgooit, maar niet lang na onze aankomst in Zuidzande bleken ze zich daar wel overheen te kunnen zetten.

We reden naar de duinen en liepen daarna over het verdronken land, waar dit jaar geen plukje lamsoor of zeekraal te vinden was. Aan de vloedlijn, waar het normaal stikt van de broze strandschelpen met zoete weekdieren erin, was niets lekkers te vinden. Terwijl Ada, Nadim en B steeds vrolijker over het zand raceten, op de voet gevolgd door een keffende Otis de Hond, werd ik steeds stiller.

Op de treden naar de strandtent stond een lange rij gezinnen. Omdat er maar 50 man op het terras mocht, liepen de wachttijden op tot een halfuur. We besloten ijsjes te kopen en weer naar het huisje te gaan. Ik wilde geen ijs, ik wilde koud bier en een bitterbal. Terwijl de kinderen tevreden likten, bromde ik met grote passen over de duinen naar de parkeerplaats.

‘Heb je haast?’ vroeg B.

Ik kon alleen mijn schouders optrekken. De natuur is machtig mooi, maar als er niks te foerageren valt, verveel ik me er te pletter. ‘Sorry,’ zei ik, en wilde me omdraaien, glimlachen, maar mijn oog viel op een lange, bleekgroene stengel naast het pad. De stengel had een forse, donkergroene knop.

‘Asperges,’ zei ik. Ik liet me op mijn knieën vallen en plukte er een pond van, dat ik teder in het rugtasje van Ada vleide. Haar knuffels en make-upsetje moesten maar even in de zakken van mijn jas.

Thuis liet ik een pan loeiheet worden; ik coatte de asperges in olie en bestrooide ze licht met zout voor ik ze op het plaatstaal roosterde. At er de helft van op en legde de rest op een bord voor mijn gezin.

Ik bracht het bord naar de tafel, die mooi in licht en donker werd verdeeld dankzij een lage, gele zon. Een paar dagen Zeeland was – bleek nu uit alles – een heel goede beslissing. Wie het zien wil, vindt altijd bekrachtigingen van zijn keuzen.

Ik zou mezelf niet als een rasoptimist omschrijven, maar een zegen is wel dat ik alles wat me overkomt duid als punten in een stijgende lijn. Ik zie dus ook nare gebeurtenissen als een onderdeel van opbouw.

De laatste tijd vraag ik me vaak af hoe dat komt, want ik geloof niet in een master plan dat buiten me bestaat. Misschien is het iets biologisch, een predispositie tot voorwaarts streven. Alle organismen evolueren tenslotte, er is – als je het grote plaatje erbij pakt – alleen maar groei.

Toen we uitgegeten waren, wandelden we over het pad met de populieren naar het oude huis van Anne en André. Anne is nu weduwe en woont in Amsterdam. Het huis werd verkocht aan Belgen die er een heel smaakvolle verbouwing op loslieten. Ik dacht aan André, die in zijn laatste jaren bijna alles wat er om hem heen gebeurde in een afbouwend kader leek te plaatsen. Zou dat iedereen overkomen die zich niet lang verwijderd weet van de dood?

Was het omslaan van die predispositie een noodzakelijke stap naar het accepteren van een einde?

We liepen door de tuin van André, en daarna weer naar huis. De zon ging onder aan het einde van de dijk, en ik besefte dat ik die omslag meer vreesde dan ouderdom en ziekte, meer dan de dood zelf misschien.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Michaël Van Remoortere"
    Michaël Van Remoortere

    Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.