Joseph Roth – Leviathan 3

(eerst deel 1 lezen)

2

Hij had arme en rijke clientèle, vaste en toevallige. Onder zijn rijke klanten waren twee boeren uit de omgeving van wie er een, Timon Semjonowitsj, hop verbouwde en ieder jaar goede zaken deed als de graanmakelaars uit Neurenberg, Saaz en Judenburg langskwamen. De andere boer heette Nikita Ivanovitsj. Hij had niet minder dan acht dochters, die achter elkaar trouwden, en die allemaal koralen wilden. De gehuwde dochters – het waren er tot dan toe vier – kregen amper twee maanden na het huwelijk kinderen – en dat waren wederom dochters – en ook deze hadden hadden koralen nodig; zelfs de baby’s, om het boze oog af te wenden. De leden van deze twee families waren de meest vooraanstaande gasten in Nissen Piczeniks huis. De dochters van deze beide boeren, hun kleinkinderen en schoonzonen, schonk de handelaar de goede schnaps die hij in zijn kist bewaarde, een zelfgemaakte schnaps gestookt met mieren, gedroogde paddenstoelen, peterselie en Duizendguldenkruid. De andere regelmatige klanten moesten genoegen nemen met een gewone, gekochte wodka. Want op deze plek werd geen koop gesloten zonder een drankje. Klant en handelaar dronken, opdat de transactie zowel voordeel als zegeningen op zou leveren. Er lag ook in hoopjes tabak in het huis van de koraalkoopman, voor het raam, bedekt met vochtig vloeipapier zodat het vers zou blijven. Men kwam namelijk niet naar Nissen Piczenik als naar een winkel, om gewoon iets te kopen, ervoor te betalen en dan te vertrekken. De meeste klanten hadden een lange reis gemaakt, en dus waren ze niet slechts klanten, maar vooral te gast bij Nissen Piczenik. Hij bood ze iets te drinken aan, te roken en soms te eten. De vrouw van de koopman kookte boekweit met uien, borsjt met room, ze grillde appels, aardappelen en in de herfst pofte ze kastanjes. De klanten waren dus niet slechts klanten, maar ook te gast in het huis van Piczenik. Soms zongen de boerinnen mee met de rijgsters terwijl ze snuffelden naar een geschikt koraal; ze zongen samen, en zelfs Nissen Piczenik begon in zichzelf mee te neuriën; en zijn vrouw tikte in de maat met de lepel op het fornuis. Als de boeren van de markt of uit de herberg kwamen om hun vrouwen af te halen en hun aanwinsten te betalen, moest de koraalkoopman ook met hen schnaps of thee drinken en een sigaretje roken. En elke goede klant kuste de handelaar als was hij zijn broer.

Want als we eenmaal met iemand iets gedronken hebben, is ieder goede en redelijke kerel onze broeder en elke vrouw onze zuster – en er is geen onderscheid meer tussen boer en handelaar, jood en christen; en wee degene die het tegenovergestelde zou beweren!

3

Elk nieuw jaar werd Nissen Piczenik echter ontevredener met zijn rustige leventje, zonder dat iemand in het stadje Progrody dat doorhad. Zoals alle joden ging de koraalkoopman twee keer daags, ’s ochtends en’ s avonds naar de synagoge, vierde de feestdagen, vastte op vastendagen, gordde gebedsriem- en mantel om, wiegde met zijn bovenlijf, sprak met de mensen, praatte over politiek en de Russisch-Japanse oorlog, over alles wat in de kranten stond en alles wat de wereld bezighield. Maar het verlangen naar de oceaan – vaderland der koralen – woonde in zijn hart, en uit de kranten die twee keer per week Progrody bereikten, liet hij zich, daar hij niet lezen kon, het eerst voorlezen wat maar enigszins maritiem nieuws was. Net als over koralen had hij heel bijzondere opvattingen over de zee. Hij wist dat er veel zeeën in de wereld waren, maar de enige echte zee was die je moest oversteken om naar Amerika te komen.

Op een dag gebeurde het dat de zoon van de lakenhandelaar Alexander Komrower, die drie jaar geleden bij de marine was gegaan, voor een kort verlof thuiskwam. De koraalkoopman had nog niet gehoord over de terugkeer van de jonge Komrower of hij stond al op zijn stoep en begon te vragen naar de geheimen van schepen, water en wind. Waar iedereen in Progrody ervan overtuigd was dat de jonge Komrower zich uit domheid naar de gevaarlijke oceanen had laten slepen, beschouwde de koraalhandelaar de matroos als een begaafde jongen die de eer was toegevallen en die zo gelukkig was tot op zekere hoogte vertrouweling, ja in zekere zin familie van het koraal te zijn geworden. En de vijfenveertigjarige Nissen Piczenik liep urenlang arm in met de tweeëntwintigjarige Komrower over het stadsplein. – Wat wil hij toch van Komrower? – vroegen mensen zich af. – Wat wil hij van mij? – dacht ook de jongen.

Tijdens het gehele verlof dat de jongeman in Progrody doorbracht, week de koraalhandelaar nauwelijks van zijn zijde. De vragen van de oudere man kwamen op de jongen nogal wonderlijk over:

‘Kun je de bodem van de zee zien met een telescoop?’

‘Nee’, zei de matroos, ‘met de telescoop kijk je alleen in de verte, niet in de diepte.’

‘Kun je’, vroeg Nissen Piczenik verder, ‘als je een matroos bent, je op de bodem van de zee laten vallen?”

‘Nee,’ zei de jonge Komrower, ‘maar als je verdrinkt, zink je waarschijnlijk naar de bodem van de zee.’

‘Kan de kapitein het ook niet?’

‘Zelfs de kapitein kan het niet.’

‘Heb je al eens een duiker gezien?’

‘Een paar keer’, zei de matroos.

‘Komen de dieren en planten van de zee soms naar de oppervlakte?’

‘Alleen de vissen en de walvissen, die eigenlijk geen vissen zijn.’

‘Vertel eens’, zei Nissen Piczenik, ‘hoe ziet de zee eruit?’

‘Ze zit vol water’, antwoordde de matroos Komrower.

‘En is het zo weids als een groot land, een uitgestrekte vlakte dus, waarop geen huis staat?’

‘Het is zo groot – en nog veel groter!’, zei de jonge matroos. ‘En het is wat je zegt: een enorme vlakte, en hier en daar zie je een huis, maar dat is heel zeldzaam, en het is helemaal geen huis, het is een schip.’

‘Waar heb je die duikers gezien?’

‘Er zijn duikers’ – zei de jongen – ‘bij de marine. Maar ze duiken niet om te vissen op parels of oesters of koraal. Het is een militaire oefening, bijvoorbeeld in het geval dat een oorlogsschip zinkt en je waardevolle instrumenten of wapens naar boven moet halen.’

‘Hoeveel zeeën zijn er eigenlijk?

‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde de matroos, ‘we hebben het op de opleiding gehad, maar ik lette niet op. Ik ken alleen de Baltische Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee en de grote oceaan.’

‘Welke zee is het diepst?’

‘Dat weet het ook niet.’

‘Waar worden de meeste koralen gevonden?’

‘Ook dat weet ik niet.’

‘Hm, hm, zei de koraalkoopman Piczenik, ‘jammer dat je dat allemaal niet weet.’

(hier verderlezen)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Izmir (II)

Aan het begin van ons verblijf in Izmir was de vastenmaand Ramadan volop gaande, maar we merkten er in de wijk waar mijn moeder woonde weinig van. Alle cafés en restaurants waren overdag redelijk bezet en niemand leek zich te storen aan korte broeken of blousjes met korte mouwen.

Twee dagen voor het Suikerfeest, de afsluiting van de Ramadan, wilden we de archeologische site van Oud-Smyrna in Bayraklı, gelegen in de kromming van de baai, bezoeken. Oud-Smyrna was een belangrijke Ionische stad in de zevende eeuw voor Christus, werd vernietigd door de Lydiërs en daarna de Perzen. Alexander de Grote liet vier kilometer verderop, waar het centrum van het huidige Izmir zich bevindt, de stad herbouwen (Smyrna). De ruïnes, die we in 2018 bezochten, liggen aan de voet van de berg Kadifekale (Pagos) met uitzicht op de baai, achter het district Kemeraltı. Sinds enkele jaren worden er restauratiewerkzaamheden uitgevoerd. Smyrna bleef in de Hellenistische en later de Romeinse periode een belangrijke handels- en havenstad.

De archeologische site van Oud-Smyrna was echter gesloten. Wij waren teleurgesteld.

Het Suikerfeest duurt officieel drie dagen maar de regering had de duur verlengd. Onverwachts zagen de mensen met twee aansluitende weekenden een vakantie van negen dagen in het verschiet liggen, een cadeau van de regering aan de toerismesector, een tegenvaller voor ons.

Wij maakten een korte wandeling in de buurt. Kramen en winkels vol lekkernijen en banketbakkers waar een koortsachtige bedrijvigheid heerste kondigden de komst van het Suikerfeest aan. Even verderop was men begonnen met de voorbereidingen voor een kermis, die nu al de belangstelling van de kinderen trok: armen over elkaars schouders geslagen of de handen gekruist op hun rug, stonden ze de werkzaamheden gade te slaan.

Het straatbeeld was hier beduidend anders dan bij mijn moeder. Wij zagen meer vrouwen met hoofddoeken, gekleed in broeken en mantels die tot aan de enkel reikten, en mannen met baard. Dit is een van de buurten waar in de afgelopen decennia inwoners uit de conservatieve provincies in midden- en zuidoost-Turkije zijn neergestreken. De levensstandaard is aanmerkelijk lager dan de wijken langs de kuststrook.

Maar ook hier stuitten wij verrassend genoeg op een theetuin waar we thee konden drinken met een paar andere gasten.

We hadden het voornemen om op weg van Izmir naar Mersin (950 km zuidoostelijk gelegen aan de Middellandse Zee) de stad Konya aan te doen. De schoondochter van de buurvrouw van mijn moeder die vorig jaar tijdens de Ramadan Konya had bezocht raadde het ons af daar nu heen te gaan: zij trof toen alle restaurants tot zonsondergang, de iftar, gesloten. Een bevriende restauranthouder liet hen stilletjes binnen zodat ze konden lunchen. Op straat ontlokte de waterfles in haar hand afkeurende blikken van omstanders,  waardoor ze niet openlijk durfde te drinken. Op stille plekken nam ze ongezien snel een slok. Wij besloten op de terugweg Konya toch aan te doen.

Wie Turkije op zijn kop wil meemaken moet tijdens het Suikerfeest (of het Offerfeest dat er zes weken later op volgt) dit land bezoeken. Alle kaartjes en tickets voor reizen per vliegtuig, bus, trein en boot zijn dagen tevoren uitverkocht en de hotels zijn volgeboekt. Wij wilden het Suikerfeest bij mijn zus vieren, maar buskaartjes waren pas voor de tweede dag beschikbaar. Ook mijn moeder moest haar vertrek naar haar appartement in Datça uitstellen. Mijn broer kon geen huurauto vinden om haar erheen te brengen.

Voordat zij naar Datça vertrok, reisden wij per bus naar Mersin. Ik zag aan mijn vrouw dat haar reislust was gewekt. Het was jaren geleden dat we zo’n lange reis per bus hadden gemaakt.

"Foto van Kerim Göçmen"
Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Do not go gentle, Roode Bioscoop…

Het is nogal een gedicht, dat van Dylan Thomas: ‘Do not go gentle into that good night’ een villanelle, niet beter ten gehore gebracht dan door de meester zelf:

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light

Theater de Rode Bioscoop verkeert in zwaar weer. Het bestuur meldt op de site dat er pijnlijke beslissingen genomen zijn: het personeel is ontslagen, inclusief de artistiek leider. Met als belangrijkste doel het openhouden en voortbestaan van de Roode Bioscoop. Mis ik hier iets, of kun je niet in rede aannemen dat een culturele instelling kan voortbestaan zonder de mensen die het maken wat het is: het personeel.

Felix Strategier, voorman en oprichter van zowel de Rode Bioscoop als ‘De gebroeders Flint’ – het hoofdgezelschap van de Roode Bioscoop – wilde altijd tijdens zijn leven nog iets doen met Dylan Thomas’ gedicht. Nu worden er afscheidsbijeenkomsten gehouden in de Roode Bioscoop, Felix overleed 17 maart. Dit gedicht speelt een rol, de musici Saskia Meijs, Fuensanta Méndez en Marko Bonarius maken een interpretatie. Teken de petitie!

Moeilijk te vertalen dit gedicht, maar ik deed een poging als kleine bijdrage en als een eerbetoon aan Felix Strategier:

Betreed niet te gedwee die goede nacht,
Ouderdom moet branden, furieus als het bijna is gedaan;
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht

Hoewel de wijze weet dat aan het eind het donker wacht,
daar zijn woorden nimmer vonken deden slaan:
Betreed niet te gedwee die goede nacht.

De rechtvaardige, die voorbij de laatste golf, huilend tracht
zijn zwakke daden dansend in een groene baai te laten gaan,
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht.

De avonturier, die zong tijdens zijn zonnejacht
en te laat en zeer bedroefd ziet dat het is vergaan;
Betreed niet te gedwee die goede nacht,

De ernstige, stervend, die met afnemend zicht nog tracht
Als een meteoor te stralen, blik op vreugdevol bestaan
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht

En jij, mijn vader, liggend daar op droeve hoogte zacht,
ik smeek je, vervloek me, zegen me met je woeste traan.
Betreed niet te gedwee die goede nacht,
Raas, raas voor de dood het licht ten einde bracht

Do not go gentle, Roode Bioscoop!

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Mooie nagels, meneer

Vriend Boris werd vijftig en Ari en ik waren de niet erg verrassende verrassingsgasten. Er kwamen vrienden zingen voor de deur en Boris’ zus schoof aan, maar het soort feestje waarvan Boris houdt kon nu dus effe niet.

Van mijn gewoonte Boris drank voor zijn verjaardag te geven kwam ik ook dit jaar niet los, maar gelukkig hadden Aar en ik ook vette Nikes voor onze hem. Stephanie had kaasfondue geregeld.

Ik ben op een dieet waarbij ik nauwelijks zetmeel mag, maar vrat me – het móést voor Boor, verdomme – zwanger aan in kaas verzopen stokbrood. Ik miste het mijn vriend te zien dansen: dat lange lijf met die lange armen in de lucht, die lok die voor zijn ogen flapt en die hij dan met twee handen terug omhoog blijft flappen.

Boris’ dochter is erg met make-up bezig, en ik dacht haar een plezier te doen door om gelakte nagels te vragen. Na een klein uur onderhandelen kwamen we haar beginprijs overeen en mocht ik mijn tengels op tafel leggen. Jacky bleek er goed in, binnen twee minuten zat de lak erop. Ik voelde me qua tijd voor geld een tikkeltje bekocht, maar strakke nagels had ik wél: om en om roze en paars.

Om half elf stonden Ari en ik weer buiten, want corona en oud. Ik trapte door een avond die als bijna-ochtend voelde naar huis en stortte daar naast B in bed. Een paar uur later werd ik wakker met Ada in mijn armen. Haar hete bonkige kleuterheid, de onrust. Toen ze wakker werd zag ze als eerste mijn nagels.

‘Ik wil ook van die mooie,’ zei ze, en porde B wakker. Voor alle echt grote wensen spreekt ze haar moeder aan. Later die ochtend lakte ik Ada’s nagels, óók om en om roze en paars. Ik fietste haar naar de crèche en ging op weg naar de rest van mijn dag.

Waar ik ook kwam: slager, groenteboer, uitgeverij: terwijl ik praatte keken ze alleen maar naar mijn vingers.

Ik ben gevoelig voor verlegenheid, maar verzet me daar óók altijd tegen. Alleen als ze me vragen waarom ik gelakte nagels heb, dacht ik, leg ik het uit.

Er waren mensen die het vroegen, maar veel meer die er geen woord over zeiden. Die avond gaf ik les aan tien studenten. Iedereen keek naar mijn nagels, maar een vraag daarover kwam er niet.

Wat ik in hun ogen las – dit is weerlegbaar en supersubjectief – was dat als Gilles iemand was die zijn nagels lakte, of als hij dat sinds de vorige les geworden was, dat dat dan oké was. Dat dit gewoon moest kunnen.

Een soortgelijke ervaring was het twaalf jaar terug, toen ik mijn snor liet staan.

Omdat het niet van eten was gekomen haalde ik na de les een snack bij een loket. Het meisje dat mijn geld aannam – jong, verzorgd, Hindoestaanse achtergrond – zei dat ik erg mooie nagels had.

‘U heeft erg mooie nagels, meneer,’ zei ze.

Ik bedankte haar en bloosde omdat ik niet zo vaak meer complimenten krijg.

Nu is de lak van Jacky bijna weggesleten. Het voelt als wennen aan een tatoeage: je bent gewend als je gaat nadenken over een nieuwe.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Een rund in de Koestraat

De Koestraat – eigenlijk is het meer een steeg – ligt geplet tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal. Een vriend van mij, Werther – die ik leerde kennen gedurende mijn studie Theaterwetenschap aan de UvA, maar die dezelfde ambitie als ik koestert om acteur te worden -, huurt daar het souterrain van een statig pand. Op een avond komen we terug van een etentje met vriendinnen in Noord, en Werther biedt me zijn bed aan zodat een zwalkende speurtocht naar huis in nachtelijk Amsterdam me bespaard blijft. Hij neemt de bank, gelegen in een ander vertrek.

   Rond een uur of drie ’s ochtends schrik ik op van het gerammel van een sleutel in het slot. In één klap ben ik wakker en zijn mijn ogen wagenwijd open. Ik hoor het gekraak van een opengaande deur en de klap van het dicht smijten. Voetstappen gaan de trap af, komen dichterbij. Het is aardedonker. Dan flikkert ineens de lichtschakelaar aan en ik vlieg overeind. Met de dekens bedek ik mijn blote bovenlijf.

   Ik staar recht in de verwarde ogen van een man van middelbare leeftijd; hij zou zo gecast kunnen worden als Jezus met zijn imposante baard en schouderlange haar. Een bril maakt hem intellectueler dan hij eigenlijk is, want hij is lam. Hij struikelt over zijn eigen in de weg liggende voeten voor hij halt houdt bij een schemerlamp, die hij gretig vastpakt teneinde zijn evenwicht te bewaren.

  ‘Wie bent u?’ vraag ik wanneer hij zijn smoezelige jas uitdoet en aan de schemerlamp ophangt.

   ‘Goedenavond, jongeheer,’ begroet hij me met dubbele tong. ‘Gij zijt hier te gast, nietwaar? Onze gemeenschappelijke kompaan sluimert ongetwijfeld een paar passen verder, of ben ik abuis? Wat ben ik blij u te mogen verwelkomen in mijn stulp.’

   ‘U moet de huisbaas zijn,’ concludeer ik tijdens het wegwrijven van het slaapzand uit mijn ooghoeken.

   ‘Die deductie is geheel juist, jonge vriend,’ zegt hij en ploft laveloos neer aan het voeteneind van mijn bed. ‘Anton Andriessen, aangenaam, maar noem me vooral Anton. Heer van dit kasteel, wandelaar over de gracht, zuipschuit eerste klasse en bohemien pur sang.’

   Hij ziet dat ik verbaasd kijk naar de nattigheid op de ramen boven ons; druppels druipen langzaam naar omlaag. Net zaten die er nog niet. ‘De natuur riep me mijn schaamteloze plicht te doen, vandaar.’

   ‘U heeft het laat gemaakt,’ zeg ik besmuikt glimlachend.

   ‘Ik wekte u, au contraire? De jongeheer bracht zeker al een bezoek aan het onderbewustzijn. Mijn excuses, ik duik er weldra in.’ Hij plukt nadenkend aan zijn baard met zijn ongeknipte, puntige nagels. ‘Met permissie toon ik u morgen mijn relikwieën, zoals daar zijn: de schaatsen van André Hazes – niemand weet dit, maar de volkszanger was een meester op het ijs -, de injectiespuit van Herman Brood, de boa van Adèle Bloemendaal, de Bhagwan-mala van Ramses Shaffy, en de fallus van Theo van Gogh op sterk water. Allemaal snuisterijen gevonden op het Waterlooplein,’ vertelt hij ongegeneerd speeksel sproeiend. ‘Gij zult uwen ogen uitkijken; maar eerst, mijn jonge vriend, zult ge ze toedekken. Ik zal bij u blijven waken tot ge slaapt, en de slaap verwelkomen met een compositie. Mijn ode aan uw schone, jongensachtige uitstraling.’

   Hij gaat achter een enorme piano in de hoek zitten, en speelt de meest betoverende en rustgevende melodieën die ik ooit hoorde of nog zal horen.  

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Joseph Roth – Leviathan 2

(eerst deel 1 lezen)

Hij had een heel speciale eigen opvatting over koralen. Naar zijn mening, zoals al gezegd, waren het dieren van de zee die in zekere zin uit een handige bescheidenheid voorwenden bomen en planten te zijn om niet aangevallen of opgegeten te worden door de haaien. De koralen verlangden er zelf naar door duikers te worden geplukt en aan land te worden gebracht, bijgesneden, gepolijst en geregen te worden om uiteindelijk hun ware bestemming te bereiken: namelijk het sieraad te zijn van een mooie boerin. Aan de blanke, ferme halzen van vrouwen, daar alleen, in innige nabijheid van de slagader, die zuster van de vrouwelijke harten, kwamen ze tot leven, verwierven pracht en schoonheid en oefenden hun aangeboren magie uit om mannen te verleiden en hun verlangen naar liefde op te wekken. Jehovah, de oude god, heeft weliswaar alles geschapen, de aarde en haar dieren, de zeeën en al haar schepselen. Maar de Leviathan, die zich op de oude bodem van de wateren ophield, vertrouwde God voor een poosje, tot aan de komst van de Messias, de heerschappij over de dieren en planten van de oceaan toe, speciaal over het koraal.

Na dit alles zou je kunnen denken dat de handelaar Nissen Piczenik als een excentriekeling bekend stond. Dit was beslist niet het geval. Piczenik leefde in het stadje Progrody als een onopvallend, bescheiden man, wiens verhalen over de koralen en de Leviathan zeer serieus werden genomen, als mededelingen van iemand namelijk die zijn vak wel moest kennen. Zoals de lakenhandelaar Manchester-stoffen onderscheidde van Duits katoen en de theehandelaar Russische thee van het beroemde bedrijf Popoff van de Engelse thee die vanuit Londen werd geleverd door het al even beroemde Lipton. Alle inwoners van Progrody en de ommelanden waren ervan overtuigd dat koralen levende dieren waren en dat de oeroude vis Leviathan onder de zeespiegel toeziet op hun gedragingen en dat ze tot wasdom komen. Dit stond buiten kijf, aangezien Nissen Piczenik het zelf had verteld.

De mooie sieraadrijgsters werkten vaak tot diep in de nacht door en soms zelfs tot na middernacht in het huis van Nissen Piczenik. Nadat ze zijn huis verlaten hadden, begon de koopman zelf met zijn stenen, dat wil zeggen: dieren, te rommelen. Eerst controleerde hij de kettingen die zijn meisjes hadden gemaakt, telde vervolgens de stapels koralen die nog niet gesorteerd waren en de koralen die al wel waren gesorteerd naar soort en grootte, en daarna begon hij ze zelf te sorteren en met zijn roodbehaarde, sterke en fijngevoelige vingers bevoelde hij elk koraal, wreef het glad, streelde het. Er waren ook koralen bij die wormstekig waren. Ze hadden gaatjes op plekken waar ze niet hoorden. Daar had de onbezorgde Leviathan dan even niet opgelet. En als een terechtwijzing stak Nissen Piczenik een kaars aan, hield een stuk rode was boven de vlam totdat het heet en vloeibaar werd, en vulde de gaatjes in het steen met een dunne naald, waarvan hij de punt in de was had gedoopt. En dat doende, schudde hij zijn hoofd als begreep hij niet dat een zo machtig god als Jehovah de koralen had kunnen overlaten aan de roekeloze vis die Leviathan was.

Soms, uit pure stenenvreugde, reeg hij zelf koralen tot de dageraad aanbrak en de tijd voor het ochtendgebed gekomen was. Het werk vermoeide noch verzwakte hem. Zijn vrouw sliep dan nog onder de dekens. Hij wierp haar een korte, onverschillige blik toe. Hij haatte haar niet, hield niet van haar: zij was een van de vele rijgsters die voor hem werkten, wel minder mooi en aantrekkelijk dan de meesten. Hij was al tien jaar met haar getrouwd, ze had hem geen kinderen geschonken – en dat was alles wat hij van haar verlangd had. Hij had een vruchtbare vrouw gewild, zo vruchtbaar als de zee, op de bodem waarvan het koraal groeide. Maar zijn vrouw was een droge vijver. Ze kon in haar eentje slapen zo vaak ze maar wilde! Volgens de wet had hij van haar kunnen scheiden. Maar ondertussen deden vrouwen en kinderen hem niet veel meer. Van koraal hield hij. En er woonde een onbestemd heimwee in zijn hart, hij zou het niet hardop hebben durven zeggen: Nissen Piczenik, geboren en getogen midden op het grootste continent verlangde naar de zee.

Ja, hij verlangde naar de zee, op de bodem waarvan de koralen groeiden, of liever ravotten – zoals zijn overtuiging was. Er was niemand heinde en verre met wie hij over dit verlangen had kunnen spreken, het zat diep van binnen, als koraal in zee. Hij had gehoord over schepen, duikers, kapiteins, matrozen. Zijn koralen kwamen uit Odessa, Hamburg of Triëst in zorgvuldig verpakte dozen die nog altijd naar de zee roken. De klerk op het postkantoor deed zijn zakelijke correspondentie. Hij bestudeerde de felgekleurde postzegels op brieven van verre leveranciers zorgvuldig voordat hij de enveloppen weggooide. Hij had Progrody nog nooit van zijn leven verlaten. Het kleine stadje had geen rivier, zelfs geen vijver, alleen moerassen rondom, en je kon het water onder het groene oppervlak horen gorgelen, maar je zag het nooit. Nissen Piczenik stelde zich voor dat er een geheime verbinding moest zijn tussen de verborgen wateren van de moerassen en de machtige wateren van de grote zeeën – en dat er koralen onder in de moerassen aanwezig zouden kunnen zijn. Hij wist dat als hij ooit deze overtuiging zou delen, hij de risee van het stadje zou zijn geworden. Dus zweeg hij en deelde zijn ideeën niet. Soms droomde hij dat de grote zee – hij wist niet welke, hij had nog nooit een kaart gezien, en alle zeeën in de wereld waren voor hem een: de grote zee – op een dag Rusland overspoelen zou – en dat deel waar hij woonde. Dan zou de zee waarop hij nooit had durven hopen tot hem zijn gekomen, de uitgestrekte en onbekende zee met op de bodem de onmetelijke Leviathan en met al zijn zoete, bittere en zoute geheimen.

De weg die van het stadje Progrody naar het kleine treinstation liep, waar de treinen maar drie keer per week arriveerden, voerde langs het moeras. En steeds, zelfs als Nissen Piczenik geen koraaltransport verwachtte, en zelfs op de dagen dat er geen trein kwam, ging hij naar het station, of eigenlijk naar het moeras. Aan de rand van het moeras stond hij een uur of langer en luisterde eerbiedig naar het gekwaak van de kikkers, alsof ze hem over het leven op de bodem van het moeras konden vertellen, en soms geloofde hij dat hij allerlei verhalen hoorde. In de winter, als het moeras bevroren was, durfde hij er zelfs een voet op te zetten, en dat deed hem een ​​vreemd genoegen. In de stank van het moeras rook hij de belofte van de machtig geur van de grote zee, en het lichte, droevige klokken van de onderaardse wateren verwerden in zijn helder gehoor tot het ruisen van de enorme groenblauwe golven. In het kleine stadje Progrody wist echter niemand wat er in de ziel van de koraalhandelaar omging. Alle joden beschouwden hem als een van hen. De een handelde in stoffen en de ander in aardolie; de een verkocht gebedskleding, de andere waskaarsen en zeep, de derde hoofddoeken voor boerinnen en zakmessen. De een leerde de kinderen bidden, de ander rekende, de derde handelde in kwas en mais en gekookte tuinbonen. En het scheen hen allemaal toe dat Nissen Piczenik een van hen was – alleen handelde hij in koraal.

Maar hij was zoals je ziet nogal bijzonder.

(verderlezen)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.