Nescio nu

Getogen in Amsterdam-Oost kwam ik veel te laat aan bij Nescio. Al m’n hele leven fiets ik langs de flatjes bij het Oosterpark bekleed met citaten uit Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, maar nooit had ik de klik gemaakt om eens te kijken waar dat eigenlijk vandaan komt. Óók niet nadat ik een paar jaar geleden van mijn oma een prachtige eerste druk erfde. Misschien dat de titels van toch niet erg inspirerend klonken; ik weet het niet.

Achteraf gezien pakte dat goed uit. Het lezen van de verhaaltjes afgelopen week was één grote herinnering aan het feit dat er nog van alles te ontdekken valt. Dat schrijvers die je jarenlang min of meer uit een soort onbewuste, ongegronde desinteresse afschrijft, bij het lezen toch briljant kunnen zijn. Dat stemt hoopvol voor de rest van het leven.

Los van het verhaal (en de heerlijke toon) putte ik groot plezier uit Nescio’s tussen-de-regels-door-obsessie met de grote hoeveelheid verplaatsingen in zulke kleine verhaaltjes. In De Uitvreter (40 pagina’s) kan het bijna niet anders of hij breekt een record: ik telde Amsterdam, Numansdorp, Rotterdam, Veere, ‘Friesland’, Charleroi, Brussel, Marchienne-au-Pont, Parijs, Wijk bij Duurstede, Zierikzee, Etten-Leur, Middelburg, Zaltbommel én Nijmegen.

Je krijgt het gevoel dat Nescio dan wel leuk zijn verhaal vertelt, maar ondertussen in zijn achterhoofd (of misschien bewuster dan dat) constant bezig is met de locatie van alle zaken, om die plekken vervolgens in een paar zinnetjes te vangen. Het boek staat rotsvast in verbinding met het land – dat Nescio terug-eerde door op de talloze locaties uit zijn verhalen monumentjes op te richten of straten en bruggen te vernoemen.

Waar kan ik mijn karakters nu weer eens heensturen? Friesland! En weg is Japi, met de sneltrein. Gewoon, zegt-i, “omdat ik er zin in heb”.

Ik verdenk de uitgever van Nescio’s Engelse vertaling er al langer van een titel te hebben gezocht die expats in de hoofdstad, op zoek naar wat integrerende literatuur, zou moeten trekken: Amsterdam Stories. Dat lijkt me geen goede keuze, maar Netherlands/Dutch Stories bekt ook niet echt lekker.

Je zou willen dat Nescio zijn creatieve kijk op het land, wellicht met een gastbijdrage van A.F.Th. van der Heijden, in een essaybundel of zo had uitgewerkt. Een boek vol met omschrijvingen van de liggingen van steden, van de loop van rivieren. Waarin Rotterdam ge-na-de-loos wordt afgebroken – zoals Nescio op het einde nog even snel doet.

En waarin Nijmegen, zo duidelijk een muze van de schrijver, langzaam steeds verder “on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen, boomen boven boomen” (Nescio) uit de Waal oprijst, de stroom die eigenlijk te breed is voor de stad (Van der Heijden).

In Dichtertje weten Dora en Ee pas definitief welke verboden gevoelens ze voor elkaar hebben als ze samen in Lent van het stadspanorama hebben genoten, “met vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teken voor God om z’n stad te herkennen” – hoe kan het ook anders, denk je al lezende.

 

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

In de Oorshop

Berichten uit Brandenburg (3) Het lot

De man stak de straat over omdat hij een lot wilde kopen in de nauwelijks zichtbare, smalle kiosk aan de overkant. Boven de winkeldeur wapperde een vaantje: Hier wohnt das Glück. De man kocht altijd loten, overal, hij moest er inmiddels een aardig kapitaal aan uitgegeven hebben, winnen deed hij nooit, niet eens zijn eigen geld terug, maar ik zei er nooit wat van. Het hoorde bij hem zoals die eeuwige sigaren en dat hoesten, en zijn immer vage toekomstdromen die al verdampten zodra hij de hoek omsloeg.

In de kiosk was het tamelijk donker. Vlak naast de deur stond een rek met kranten en geïllustreerde bladen. Daar weer naast een schap met schrijfbenodigdheden. Uit de ruimte achter de winkel, zo te zien een huiskamer, kwam een oude vrouw gesloft. Ze had kort grijs haar en droeg een bruin, mouwloos vest. De man wees naar een doosje sigaren achter de toonbank en zei toen volmaakt onverschillig: ‘Ach doe ook maar een lot.’ De vrouw vroeg of hij een voorkeur voor een eindcijfer had en de man noemde gewoontegetrouw de dag waarop ik jarig was. Daarna rekende hij af, liet het wisselgeld genereus zitten (zo’n lot is voor de lol en niet omdat ik het nodig heb) en frommelde het papiertje in zijn zak. Buiten stak hij  meteen een van die fijne sigaartjes op. Maar wat, schrok ik plots, als hij een aanzienlijk bedrag zou winnen? Hij kon niet eens met geld omgaan.

En zo liepen we, hij opgetogen en ik meer en meer bezwaard, langs het huis van de voormalige directeur van de speelgoedfabriek, een lichtgrijs Jugendstilpand met ronde hoeken en een sierlijke dakrand. Een pand, beweerde de man naast mij, dat hij na de lottotrekking onmiddellijk zou kopen. En hij blies een enorme rookwolk uit. Zijn ogen gleden langs de voorgevel van het monument. Hij stelde zich voor hoe hij als trotse eigenaar terug zou keren naar zijn geboortedorp, waar hij, nu hij toch geld zat had, uit pure goedertierenheid de Messias uit zou hangen zodat geen mens uit dat gehucht hem nog beledigen zou, laat staan verwijten dat hij de streektaal niet meer sprak. En eenieder die in geldnood zat – zoals hijzelf meestal – zou hij bankbiljetten geven, niet uit barmhartigheid, welnee, maar om de arme drommels uit zijn dorp te tonen dat ze hem nodig hadden. Dat ze hem jarenlang hadden onderschat. Ja, als een nieuwe Nero zou hij voortgaan, met een krans van gevlochten laurier om zijn hoofd, blootsvoets en in een wit gewaad. En al zou hij als een olifant gekleed gaan, niemand zou er een woord van durven zeggen, want ze hadden hem allemaal, met de klemtoon op stuk voor stuk, allemaal hadden ze hem nodig. ‘Zalig,’ riep de man,‘ jonge nimfen zouden mij omringen en wel in groten getale.’ ‘Alle meiden uit het dorp,’ deed ik gezellig mee. ‘Dat deerde hem niet’, zei hij. ‘Maar dat zijn er maar drie,’ riep ik. ‘Drie dartele hertjes,’ kreunde hij, en hij tekende met een gebiedend handje hun silhouet al in de lucht.

We sloegen een hoek om, en nog een, zuchtend, allebei. Hier wohnt das Glück hadden we alweer een flink end achter ons gelaten.

"Foto van Nicole Montagne"
Nicole Montagne

Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Oorzaak en gevolg

Elk jaar raken ze me weer, de kleuren als in oude polaroids, zo warm en droevig tegelijk.

Dit is de maand waarin ik werd geboren, op een dag als deze tijdens weken van oranje licht.

Gisteren was ik op de motor weg, het asfalt grijs als suikerdrop onder me, en reed opzettelijk om.

In Geuzenveld stapte ik af om thee met baklava te drinken.

De Turkse mannen op het terras droegen onsterfelijkheid uit. Ze zijn ingehaald door alles wat we nu over gezondheid weten, maar rookten alsof de nieuwe causaliteit voor hen niet bestond. Hun snorren waren krachtig, de haren zacht maar dik als stekels.

Ik at mijn baklava en deed suiker in mijn thee. Hier en nu leidde suiker niet tot overgewicht en diabetes. Ik roerde, nam een hap doordrenkt filodeeg en spoelde het weg met zoete thee. De grijze heer die me bediende knipoogde erbij en ik knikte hem toe; keek op mijn horloge. Het was tien voor een.

Ik rekende af, stapte op mijn oude Kawa en reed naar vriend R, die sinds kort een kamer voor zichzelf heeft bij het AVL.

Een kamer voor jezelf bij het AVL zegt geloof ik wel genoeg.

Met lege handen kwam ik aan, het zoete verraad van de baklava plakkend tegen mijn kiezen. R kan niet meer eten. Zijn voeding gaat zonder tussenkomst van zijn maag zijn bloedbaan in. Ik probeerde me een smaak bij het bruine mengsel in de zak aan zijn infuusrek voor te stellen. Op het label stond Nutricia. 

Terwijl we praatten dacht ik aan de gele bekers die Ada en Nadim het afgelopen weekend op Terschelling dronken. R drukte op het knopje van zijn morfinepomp en vroeg wat we op het eiland hadden gedaan. Ik vertelde over het bos, de oesters, het strand en hoe blij Otis de Hond geweest was met zijn tijdelijke erf. Ik sprak over dingen die buiten R’s bereik lagen alsof ze de normaalste zaken van de wereld waren.

We praatten tot de fysio kwam en ik de kamer moest verlaten. Ik kuste R en liep naar de lift, besefte met een steek dat ik daarvoor kiezen kon: opstaan en het AVL uit lopen.

Op weg naar huis reed ik langs de ijzerhandel voor wat schroefjes, en probeerde er het slot van de voordeur mee te repareren. Een minuscuul onderdeel viel uit het mechaniek en verdween in een kier naast de drempel.

Mijn vingers roken naar olie en staal en er stonden tranen in mijn ogen, die ik uitsmeerde met de rug van mijn hand.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was jarenlang redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Kiezen

Het blijft een pijnlijke kwestie voor de mensheid hoe veel vrolijker en intenser het dagelijks leven kan zijn onder invloed van alcohol. De enige remedie-gedachte lijkt dat zo’n beleving ook gepaard kan gaan met een verdraaiing van de werkelijkheid.

Zo kreeg ik afgelopen vrijdag plots het idee dat Apeldoorn de hipste stad van Nederland was, toen ik – met een biertje – in een kelder van een betonnen platenzaak/kledingwinkel naar een extreem aangenaam Amsterdams bandje stond te kijken.

Later die avond, nu in Apeldoorn-Zuid, net thuis bij een vriend, las ik voor het slapengaan nog een pagina in het laatste deel van Miklos Banffy’s Transsylvaanse Trilogie. Toen gebeurde hetzelfde: ik raakte ervan overtuigd dat de passage waarin de moeder van hoofdpersoon Balint Abady een mooie dood sterft, briljant progressief was.

“De jongste dokter stelde voor haar weer bij bewustzijn te brengen met een injectie, maar Balint en de andere dokters wilden het niet toestaan. Het leek ze een vreselijk idee om haar een paar uur terug te halen uit de dood om haar vervolgens wéér te laten lijden bij haar definitieve afscheid. Waarom zouden ze haar daarmee lastigvallen nu ze zo mooi en gelukkig gestorven was?”

Ik dacht een soort extreem liberale voltooidlevenscène uit 1914 te hebben gevonden. In de ochtend lachte ik mezelf vooral uit. Niet-reanimeren is wel wat anders dan euthanasie, wat ik eigenlijk goed wist, maar die avond even vergeten was. Het mag dan kansloos lijken om iets van maatschappelijke consensus te vinden in het voltooidlevendebat, dit deelaspect ligt een stuk minder gevoelig: want geen actief ‘doodmaken’ op een eigen gekozen moment.

Later op de dag speelde ik nog wel eventjes met het idee dat mijn roes-denkfout het resultaat was van verkeerde priming. In mijn eigen familie bestond de afgelopen tijd een dynamiek die min of meer omgekeerd was aan die in de maatschappij (net zoals alle generaties boven mij homoseksueel waren geweest). Mijn opa, die de laatste decennia van zijn leven met enige depressiviteit en zelfmoordgedachtes kampte, deinsde plotseling terug toen de dokter na een longontsteking op 89-jarige leeftijd vroeg of hij bij calamiteiten wel gereanimeerd wilde worden. Ja, eigenlijk toch wel.

Nauwelijks meer dan een jaar later besloot hij met zelf besteld poeder uit China een einde aan zijn leven te maken – het totale andere uiterste van het debat. Amerikanofiel (& Democratische Partij-adept) die hij was wilde hij die eerste novemberdagen van 2016 wachten op de uitkomst van de Amerikaanse verkiezingen, maar drie dagen voor de stemming besloot hij dat hij geen zin meer had om te wachten. Hij dronk die ochtend wat thee die hij al snel koud liet worden, bladerde losjes in The New York Times van die dag – toen gingen we met hem mee naar zijn slaapkamer.

De minder controversiële optie schrok hem twee jaar eerder júist af omdat hij niet zelf zijn eigen, beste moment kon kiezen. Mijn opa realiseerde zich gelukkig net op tijd dat je sterfdag van verkiezingen(uitslagen) laten afhangen dat niet veel meer is.

 

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Where the fuck is Imnaha? Over snelheid.

Imnaha is het kleinste dorp dat ik zag deze zomer, als iedereen thuis is zijn er 19 mensen. Op een al zeer rustige loop in Hell’s Canyon, Oregon, moet je afslaan en dan 30 mijl door een vallei rijden waar een paar boerenbedrijven liggen, alle in bezit van een van de telgen ‘Marks’. In Imnaha is een winkel/café. Rechts café. Links winkel met alles wat je nodig hebt.

Toen we daar aan een geweldige hamburger zaten, zag ik buiten, boven de vrieskist met daarop de stand van de plaatselijke ‘Rattlesnake contest’ (‘All snakes must be dead, with head removed’ most kills 2017: Bill Devore, 64) iets vreemds: buiten hing een voederbakje met voedopeningen in de vorm van bloemen. Eromheen woedend elkaar bestrijdende kolibri’s.

 

IMG_7566In Noah Stryckers The Thing With Feathers, komt elke wetenschappelijk geïnteresseerde vogelaar goed aan zijn trekken. In het kolibrihoofdstuk leer je het beest echt beter kennen. De kolibri is in al zijn schoonheid eigenlijk een droevig beestje, dat in snelheid en bouw volledig is ingesteld op een maximalisatie van zijn calorie-inname. En de calorie-inname is nodig om zijn snelheid en verbruik te kunnen opbrengen. Hij vliegt helicoptergewijs in turbo door het leven. ’s Avonds gaat hij ‘uit’, een soort winterslaap ’s nachts om zijn verbruik te beheersen. De kolibri is verstrikt geraakt in zijn eigen niche. Bij de vele voederbakjes met suikerwater die ik in de VS zag, zijn altijd felle gevechten gaande tussen kolibri’s. De noodzaak tot calorie-opname heeft de kolibri totaal intolerant gemaakt. Zelfs bij onuitputtelijke voorraden bestrijdt hij zijn concurrenten op leven en dood. Dat die gevechten op zich al zinloos zijn omdat zowel snavel als klauwtjes te zacht zijn om schade te kunnen aanbrengen, maakt het eigenlijk alleen maar droeviger.

Strycker haalt een onderzoek aan dat aantoont dat stedelingen sneller lopen dan mensen op het platteland.  In Japan en in het Westen sneller dan elders op de wereld. En we gaan steeds sneller lopen! We zijn aan het verkolibriën! Onze hartslag zal omhoog gaan en we zullen korter leven. (Want welk harthebbend dier ook: we leven maar ongeveer 2,5 miljard hartslagen.Tik, daar gaat er weer een.)

IMG_7565Niet in Imnaha, daar ging het op de kolibri’s na heel langzaam aan toe. Er kwam een man aan de bar zitten die een weekje ziek was geweest. Omstandig informeerden de andere 18 inwoners hoe het nu met hem ging. Dat ging nog door toen wij onze hamburger allang ophadden.

‘The famous golfer Walter Hagen, perhaps the first athlete ever to earn a million dollars, recognized the need to slow down once in a while. He might even have been pondering hummingbirds when he once quipped: “Don’t hurry. Don’t worry. And be sure to smell the flowers along the way.”‘

 

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.
"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Berichten uit Brandenburg (2) Het water

Een huis aan een rivier vraagt ter compensatie voor het uitzicht dat het biedt om speciaal onderhoud want met de gestage slagregens in de herfst stijgt ieder jaar het water in de grond. Je bespeurt het niet maar het water baant zich een weg onder het plaveisel en op een dag merk je het tóch.

Toen ik de kamer binnenkwam en naar de muren keek, wist ik meteen: dit is niet goed. Boven de plinten tekenden zich donkere vochtplekken af. Ze zagen eruit als gaven ze een statistiek aan, met toppen en dalen, als hadden ze een week lang vrij consciëntieus het weerbericht bijgehouden. Eerst hoopte ik tegen beter weten in dat de plekken weg zouden gaan, dat ze met het warme weer als vanzelf zouden verdwijnen. Ze bleven.

En zo kwam er op een dag een man die verstand had van monumenten en van bouwsanering. Hij had een vriendelijk gezicht en droeg zijn dikke bruine haar in een paardenstaart. Ik dacht dat hij ook wel een protestzanger had kunnen wezen, uit de tijd dat mensen nog zingend protesteerden, zoals Boudewijn de Groot of Wolf Biermann. In plaats daarvan stelde hij voor om mijn muren open te breken. Zo gebeurde het. Twee mannen beitelden een week later op hun hurken de onderkant van mijn mooie muren aan stukken, de brokstenen en het gruis stapelden zich op in de kamer, er ontstonden kleine heuvels en die werden uiteindelijk bergen, ik hield mijn hart vast en vroeg of dat allemaal wel goed ging, de mannen bromden wat, een degelijke uitleg zat er niet in, waarschijnlijk had ik hen met mijn vraag in hun beroepseer aangetast, mij restte niets anders dan koffie te zetten, en op mijn vraag om suiker en melk zei de een ‘ick bin weiss’ en de ander ‘ick bin süss’, waarna ze onverdroten verder hakten en ik naar het kale binnenste van de muren keek, naar leidingen en buizen, en toen kwam er eindelijk een waterkering tevoorschijn die (!), zei een van de mannen boos, niet goed was afgewerkt, maar ik verontschuldigde me niet want ik had hem niet aangelegd en beperkte me daarom tot een ‘o o o’ met gefronste wenkbrauwen, daarna kalmeerde de man weer wat.

Het puin werd afgevoerd, de waterkering gerepareerd en de muren werden dichtgemetseld. Dat laatste gebeurde door een klein kereltje met blozende wangen. Hij vond dit stadje maar druk. Hij veegde zijn handen aan zijn blauwe, met cementspatten bedekte overall af, en dronk zijn koffie. ‘Wanneer er in mijn dorp een auto voorbijrijdt, wind ik me al op’, vertelde hij. ‘En hoe vaak gebeurt dat dan?’ ‘Maximaal drie keer per dag.’ Hij schaterde het uit en streek de muren af. Straks mocht hij weer naar huis.

—-

Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

"Foto van Nicole Montagne"
Nicole Montagne

Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Senna Felius"
    Senna Felius

    Senna Felius (1997) is dichter. Ze studeert filosofie en Arabisch en woont in Egypte. Haar poëziedebuut staat in Tirade 487.

  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.