Nieuw leven

De afgelopen week verscheen er op deze plek geen stukje van mij. Ik gaf mezelf vrij na de presentatie van Het jasje van Luis Martín, maar de reden was vooral dat ik even niets te zeggen had.

Bij mijn eerdere boeken ervoer ik na publicatie niet zo’n – overigens aangename – leegte als nu. Er staat geen nieuw verhaal te dringen, het gevoel van door-door-door is weg. Mijn verschrikkelijke haast lijkt te zijn verdwenen.

Wat er nu gaat komen weet ik niet, maar ik heb het gevoel dat Het jasje een keerpunt voor me zal blijken, en dat een volgend boek anders zal zijn dan mijn voorgaande werk.

Volgende week begin ik weer met werken. Vijf dagen per week schrijf ik de eerste bladzijde van een nieuw verhaal, dat kans maakt uit te groeien tot een roman. De beste bladzijde van de week zal ik op deze plek delen.

Misschien wil je meedenken en reageren. Misschien kun je me helpen te kiezen voor een volgend boek.

Foto: archief Nutty Johnny Mallard, Esq.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Afleidende bijzaken

Schrijvers die het hebben over hun schrijfproces: ik vind het moeilijk. Achteraf kan ik het hebben, dat ze vertellen hoe ze op personage A kwamen en op motief B, al lees ik liever gewoon het boek. Schrijvers die het in het openbaar hebben over het schrijven van hun huidige project: hmmm. Online screenshots van woordaantallen, foto’s van verhaalschema’s, foto’s van onleesbare aantekeningen, foto’s van een stapel printpapier met rooie kringeltjes erin: meh. Ik snap het wel: het is fijn om je omgeving, terwijl je als een maniak aan je manuscript zit te werken, te laten zien dat je nog leeft. En als je na drie jaar afwisselend naar een knipperende cursor staren en vruchteloos duizenden woorden typen eindelijk over de 40.000 woorden heen zit, heb je misschien behoefte aan een schouderklop of applaus. Maar ik denk dan: joe, ik merk ’t wel als je boek af is hè. Dat heeft ongetwijfeld te maken met dat ik over het algemeen ook niet erg gevoelig ben voor ‘kijkjes achter de schermen’ (behalve als het achter die schermen heel spectaculair is, met veel vuur en mooie kleuren, zoals bij een glasblazer, of heel hoog, zoals in een hijskraan) of – en deze is tricky – de biografie van kunstenaars en schrijvers (tenzij met veel vuur en mooie kleuren, drank en hoeren kennen we nu wel). In die laatste categorie bestaan natuurlijk uitzonderingen, want een goeie biografie, biopic of een goed interview kan een kunststuk an sich zijn. Toch kennen mijn twee desinteresses – die stapels printpapier en die biografieën – misschien dezelfde oorsprong: het is namelijk je reinste demystificatie – ik mystificeer mijn helden graag. En soms is het gewoon kokette aanstellerij, bijvoorbeeld in geval van een overdaad aan online voortgangsverslagen, schrijven over je eigen schrijfproces of nodeloze autobiografieën.  Doe gewoon je ding, schrijvers, applaus volgt wel tijdens je boekhandelstoernee. Suck it up.

leonid_pasternak_-_the_passion_of_creationDit gezegd hebbende wil ik het even over mijn eigen schrijfproces hebben. En dan niet alleen dat van mijn volgende roman (huidige stand: 5000 woorden waarvan minstens 4000 poep, bedankt dat u ernaar vraagt) (hairflip), maar dat van alles bij elkaar; recensies, columns, blogs, verhalen, essays, de dingen die ik schrijf of eigenlijk zou moeten schrijven. Iedere keer als ik ergens aan begin, gaat het hele internet and beyond door mijn achterhoofd, of eigenlijk niet het hele internet maar een heel klein kruimelig hoekje ervan, waar je, als je er eenmaal in zit, verdomd moeilijk uitkomt, tenzij je het voor elkaar krijgt niet op social media te kijken maar daar ben ik persoonlijk te millennial voor. Het Literaire Internet. Een flauwe doch dikwijls correct gespelde afspiegeling van wat er in de echte wereld gebeurt, gelardeerd met polemieken tussen veelal heren uit de polemische generatie of met tenminste sympathieën in die richting, en een aantal flinke gewetensvragen.

cover_of_gutter_star_by_dorine_b-_clark_-_illustration_by_frank_uppwall_-_intimate_novel_1954Dan schrijf ik een roman met een mannelijk hoofdpersonage en denk ik nee dat moet een vrouw zijn want waarom schrijven we de hele tijd maar over mannen, alsof het echt zo is dat een mannelijk personage een soort blanco canvas is zonder afleidende bijzaken en bij vrouwen ineens alles uitgelegd moet worden, en dan verander ik ‘hij’ in ‘zij’ en ben ik ineens een kneiterlesbische zeikroman met veel te veel uitleg aan het schrijven, wat is daar mis mee vraagt u, nou helemaal niks, maar het overschaduwt de rest van het plot zo, en waarom schrijf ik eigenlijk geen Grote Geëngageerde Roman, nou, is het niet al genoeg dat ik niet over mezelf schrijf, nee, dat is niet genoeg, het moet Over De Wereld Gaan, maar ik heb helemaal niks van de wereld gezien, en dan verander ik die zanikende lesbo maar weer in een witte man van middelbare leeftijd en ga ik mezelf een beetje haten, maar dat zal wel weer komen omdat ik een vrouw ben.

Dan heb ik een mening over of schrijvers elkaars boeken moeten recenseren en schrijf ik die op maar heb ik na een aantal zinnen überhaupt geen zin meer om daar een mening over te hebben, want de literaire sector bestaat uit ongeveer vijftien mensen die zich heel druk maken om de literaire sector en de rest van lezend Nederland zal het werkelijk aan de reet roesten, maar als helemaal niemand meer een mening over dat soort dingen zou hebben zou het vrij rampzalig zijn, want de literatuur moet toch levend blijven, en het zou jammer zijn als die alleen in leven gehouden werd door louter (al dan niet mentaal) belegen kerels, echter, waarom ga je elkaar in het openbaar te lijf met vuile stukjes en niet gewoon telefonisch of zo, maar, dan onderschat ik weer het hele genre van de polemiek, en, doe ik nu iets heel belangrijks af als stijloefening, dus, kom ik eigenlijk nog wel eens ergens anders dan op een boekpresentatie, nee, en dan bel ik mijn moeder of we in godsnaam even ergens zonder literatuur in de buurt wijn kunnen gaan slempen, hoe ben ik hier eigenlijk beland, na zes bier klink ik als een ouwe Jordanees en eergisteren woonde ik nog in een nieuwbouwwijk en dacht ik dat De Groene Amsterdammer een blad voor natuurvrienden uit de stad was.

1024px-voor_de_vuist_weg_1971-02-26_-_tante_leen__johnny_jordaan_1Dan vind ik het echt heel belachelijk dat er mensen zijn die beweren dat er een absolute vrijbrief moet zijn voor het reproduceren van racistische stereotyperingen in Naam Van de Kunst, dan wil ik daar iets over opschrijven, maar dan denk ik: heb je Roos, met d’r donkerblonde haar, d’r witte vrienden en d’r keurige ouwelijke dictie tenzij zes bier, anders hou ik gewoon mijn geprivilegieerde muil even in het openbaar, en dan bel ik iemand op om even tegen te fulmineren, wat dus geen schrijven is, wat verdomme geen schrijven is.

Dan wordt er om de zoveel maanden een boek onterecht bejubeld en zou het op zich wel prettig zijn als iemand even zou opschrijven dat het een matig boek is, maar ik ben dus niet degene die dat gaat doen, ik hou van niet zeiken, in ieder geval niet over Nederlandse boeken, want dan vallen die vijftien mensen over je heen en daar is het leven te kort voor, en God, iedereen moet het toch eigenlijk lekker zelf weten levenlatenleven etc., ik hef zes glazen bier en biets een peuk, roep tegen mijn literaire vertrouwenspersonen ‘dit is een kutboek’ en daarna ga ik ergens shoarma eten en neem ik preventief een paracetamolletje.

Maar ondertussen ben ik dus zo hard bezig met niet over al die dingen schrijven, me keurig op de vlakte houden, alles doodnuanceren en relativeren, dat ik terstond ook niet meer kan schrijven over dingen die helemaal niks met bovenstaande kwesties te maken hebben. Er zijn Belangrijke Dingen aan de Hand, tenslotte,  in die kruimelige literaire hoek maar vooral in de rest van de wereld, hoe kun je het dan nog hebben over de neusverkoudheid waar je eigenlijk deze blog aan wilde wijden? Wie zit daar op te wachten? Helemaal niemand, nee. Inderdaad: suck it up.

fredott

—–

 

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Therapie (5, slot): zie het als een murder mystery novel

In mijn tweede jaar van de academie schreef ik een tekst waarin mijn ouders voor het eerst een rol speelden. Het korte verhaal zat vol verhoudingen die op een dieper niveau nog geen woorden droegen, het waren alleen beelden: mijn moeder die een camera van de galerij van een flat naar beneden laat vallen; mijn vader die naast mijn broertje en mij in Batman the Ride zit in een pretpark en mijn broer angstvallig vasthoudt, omdat diens riem niet vastzit en de hele ruimte inclusief de stoel als een gek beweegt; de kaart die mijn moeder naar mijn vader stuurt vanuit Parijs wanneer ze zwanger is van mij. Soms lijk ik alleen opgebouwd uit verhaalfragmenten, niet uit een genetische code. Dan draag ik niet dezelfde frons als mijn moeder, heb ik niet dezelfde bovenlip als mijn vader. Ik draag een tape in mijn hoofd die ik steeds terug kan spoelen op zoek naar verwijzingen naar mij.

*

In The Curious Indicent of the Dog in the Night-time vindt Christopher de hond Wellington dood in de tuin van de buren. In Wellington steekt een hooivork. Het dier bloedt. Christopher weet niet waarom dit gebeurd is, maar in de openingsscène Mark Haddon’s roman vindt de vijftienjarige autistische jongen zichzelf op het gazon van de buren met het bloedende dier in zijn armen, vol met empathisch vermogen dat hij niet kan verklaren. De dode hond is het startschot voor wat Christopher een ‘murder mystery novel’ noemt, hij zal de moord op de hond oplossen. Dat is waar het boek over gaat. ‘It is a puzzle,’ schrijft hij. ‘If it is a good puzzle you can sometimes work out the answer before the end of the book. ‘

*

In de tekst die ik in het tweede jaar aan de academie schrijf, verwoord ik ouders als superhelden van kinderen. Je kan nog niet dieper in hen kijken. Ze zijn zo tastbaar als de Brinta die ze in de ochtend voor je maken, de popcorn die ze met je bereiden in de keuken, een pan vol mais, suiker en olijfolie. Dat er geen diepte is, betekent dat ik ook niet kan vallen. Er is niets om over te struikelen. Er zijn geen eigenschappen van mijn vader of moeder waarin ik ook verstrikt kan raken, alsof er nog een glazen scherm tussen mij en hen in staat, een one-way mirror: zij zien dingen die ze mij nog niet tonen, die me nog niet opvallen.

*

Ik ga een weekend naar mijn moeder. Datzelfde weekend vertrekt mijn vader naar Spanje met zijn huidige vrouw.
‘Ik heb een mail naar jellinek gestuurd,’ zeg ik als ik bij mijn moeder op de bank zit. We drinken thee, eten pepernoten. Mijn moeder fronst haar wenkbrauwen, neemt een slok, slaat haar andere arm tussen haar knieën en wiebelt in de donkerrode fauteuil tegenover mij.
‘Je hebt niet zulk soort problemen.’
‘Het is een praatgroep voor kinderen van alcoholistische ouders.’
Ik zou dit aan mijn vader moeten vertellen, het gaat hem aan, maar die zit in een vliegtuig. En hoe verdeel je je zorgen over ouders die uit elkaar wonen?
‘Is dat nodig? Je hebt toch heel veel op orde? Je werkt, er komt een boekje uit, het gaat goed met je, je praat veel meer dan vroeger.’
Ik wil zeggen dat dat de buitenkant is, maar een buitenkant is ook maar een beeld en mijn moeder is meer van de praktische dingen.

*

‘[…] I thought about how for a long time scientists were puzzled by the fact that the sky is dark at night, even though there are billions of stars in the universe and there must be stars in every direction you look, so that the sky should be full of starlight because there is very little in the way to stop the light from reaching earth. Then they worked out that the universe was expanding, that the stars were all rushing away from one another after the Big Bang, and the further the stars were away from us the faster they were moving, some of them nearly as fast as the speed of light, which was why their light never reached us. I like this fact. It is something you can work out in your own mind just by looking at the sky above your head at night and thinking without having to ask anyone.’

Ik heb dit lange citaat nodig, omdat ik denk dat alles een herinnering van een herinnering is. Niets staat vast. We weten dat het heelal uitdijt en dat is dat. In het licht van nieuwe gebeurtenissen veranderen je herinneringen. Dat beangstigt me. Net zoals ik nooit af ben, zijn de verhaalfragmenten waaruit ik besta nooit af. ‘Herinneringen heb je eerder in versies dan in waarheidsgetrouwe verslagen,’ vertelt psycholoog Douwe Draaisma in september in het NRC. Ik ‘herwerk’ mijn verleden, ik verwerk het niet. Het ben de lezer die boven een harde schijf zweeft, ik draai op een processor die met andere dingen aan het licht andere bestanden toont of de bestanden herschikt.

*
Volgens de vader van Christopher is zijn moeder overleden aan een hartkwaal. Dit is niet waar. Christopher’s moeder verliet zijn vader voor een andere man. Maar hoe leg je dat uit aan een autistisch kind? Het brengt een mozaïek van problemen en een schakering van herinneringen met zich mee. Christopher ontdekt dat zijn moeder in Londen woont – met de buurman, van die dooie hond dus was. Hij zoekt haar op, zijn murder mystery novel moet koste wat kost worden afgemaakt. Zo wordt een oude werkelijkheid een nieuwe werkelijkheid. Het beeld van de herinnering verschuift en de referenties veranderen. Je bent een signifier die verwijst naar telkens veranderende signified‘s, verschillend per omstandigheid of nieuwe gebeurtenis, zo vat ik de gedachte van Douwe Draaisma ook maar losjes op.
‘Mother used to say that it meant Christopher was a nice name because it was a story about being kind and helpful, but I do not want my name to mean a story about being kind and helpful. I want my name to mean me.’
Wat eerst een one-way mirror is, wordt een ruit waar je doorheen kunt kijken. Soms trek je de spiegel aan jouw kant van het glas op. Ouders zijn geen superhelden. Ze vallen van hun voetstuk. Wij doen dat op onze beurt ook. Daarvoor moet je misschien soms in therapie.

lisa-weedaLisa Weeda (1989) schrijft, maakt literair programma bij Mooie Woorden in Utrecht, is co-host bij de literaire podcast Ondercast, geeft les en workshops. Haar werk verscheen onder meer in Das Magazin, De Titaan, op De Optimist en Hard//Hoofd. Lisa is onderdeel van het Slow Writing Lab, het talentenprogramma van het Nederlands Letterenfonds. In november verschijnt haar chapbook ‘De benen van Petrovski’ bij Literair Productiehuis De Wintertuin.

Foto: Masha Bakker

Konzentrationlageräpfeltotalbuch

Grundlage für pomologische Lexika

Hij was een licht gevulde jongeman met blozende wangen. Zowel bloezend als blozend dus. Een Zuid-Duitse hartelijkheid en intelligentie. Omdat hij in zijn paviljoentje al uren met uitgevers gepraat had over de rechten die hij verkocht, snakte hij naar een sigaretje. Bereid als ik altijd ben om de eenzame roker te vergezellen in de buitenlucht vertrokken we al pratend naar een snipper zonlicht net buiten de gevangenisgebouwen van de Frankfurter beurs.  Ik formuleerde mijn wensen met een wat absurd voorbeeld: ‘Toon mij nou bijvoorbeeld het ultieme boek over appels, ik wil graag iets van jouw uitgeverij waar jij enthousiast over bent en dat betreffende een speciaal  onderwerp  het laatste woord is.’

Het enige wat absurd was, bleek het feit dat hij dat boek verkocht. Bijna.

De laatste maand was ik tweemaal in Duitsland, de eerste keer om de begrafenis van mijn Engelse tante June bij te wonen.  Mijn broer vertelde op die plechtigheid onder meer dat hij zich mijn tante herinnerde als iemand die gewoon was in het najaar gevallen appels die op openbare grond terechtkwamen te behoeden  voor rot en verval en meenam voor een ongetwijfeld zalige Engelse crumble apple pie, of apple cinamon muffin. Engels blijf je.

De tweede maal liep ik door de velden nabij Bad Arolsen, waar het geboorteslot staat van onze koningin Emma. En de Sauerlandse bossen en heuvels, die schitterend van kleur verschieten in het najaar, barst het van de verwilderde appelbomen die uitbundig vrucht dragen en slechts de dankbaarheid van kraaien oogsten. Geen mooier beeld voor de rijkdom van het najaar gecombineerd met de weemoedigheid van het verval dan een niet genoten appel, glanzend nog, in vochtig gras…

Dit bracht de muffin topped jongen mij in herinnering met zijn fraai betoog over zijn Ultieme Appelboek. ‘De Zuid-Duitse dominee Korbinian Aigner schilderde zijn levenlang appels: in Originalgröße kleine, große, gestreifte, gefleckte, gepunktete, runde, spitze, plattgedrückte, grüne, gelbe, rote, glänzende, blasse, schiefe, glatte oder schrumpelige Äpfel.

Korbinian Aigner was een vroege anti-fascist, werd in de oorlog opgepakt en overleefde verschillende concentratiekampen. Ondermeer omdat hij in zijn broekzak appelzaad meesmokkelde en in de beperkte ruimte tussen de barakken appels kweekte, de soorten KZ-1, KZ-2, KZ-3 en  KZ-4 kweekte hij op in Dachau. Alleen K-3 bestaan nog, de rest is ook al weer uitgestorven.  Wat dacht de schilder Aigner 800 appels lang? Voor hem moet de appel net als voor Luther ( ‘Wenn ich wüsste, dass morgen der Jüngste Tag wäre, würde ich heute noch ein Apfelbäumchen pflanzen.’ ) een beeld voor hoop zijn, maar eveneens een herinnering aan de dood.

De ‘runde’ rechtenverkoper met zijn sympathieke zachtblauwe blik wist nog te vertellen dat die appels niet erg best smaken. Maar groeien doen ze, overal.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Therapie (4): niets is als in de musicalfilm

Op een maandagavond neem ik een vriend en een vriendin mee naar een sneakpreview. Het is een nieuwe Nederlandse knaller, gonst door de wandelgangen. Het blijkt de twee uur durende musicalfilm De Zevende Hemel. Het verhaal: Italiaans familierestaurant De Zevende Hemel viert over vijf dagen het dertigjarig bestaan, maar de familie ligt half uit elkaar. Zoon Paul en zijn vrouw Silke – Tjitske Reidinga, die ook zingt – zijn jaren terug de laan uit gestuurd door vader Max. Het gezin gaat natuurlijk nooit bij elkaar komen voor zo’n laffe reünie, er moet meer gebeuren en dus krijg Maria – de godmother – in het begin van de film te horen dat ze dood zal gaan. De dood zet in een film alles op scherp.

*

Op mijn oude studie Theaterwetenschappen zat een meisje met een bril waarvan één pootje met alleen plakband aan het montuur vastzat. ‘Vrouwen lossen alles wat stuk is op met duct tape,’ zei ze. Regelmatig zag ik haar in de collegebanken nieuwe duct tape om haar bril binden. Ik wist niet of ze dit nu echt deed om efficiënt gebruik te kunnen blijven maken van haar bril, of omdat ze te lui was om naar de opticien te gaan. Als je iets wat kapot is echt wilt repareren, ben je het vaak een tijd kwijt.

*

duct-tape_moving_van
’Ik weet niet of iemand nu heel diep moet gaan graven,’ fluister ik tijdens de film in het oor van de vriendin. Onze vriend trekt zijn capuchon verder over zijn hoofd, terwijl Halina Reijn huilt in de keuken.
’Ik denk dat je moet kijken wat je van therapie verwacht,’ antwoordt ze, ‘een doel hebben. Dan komt dat van je ouders vanzelf wel boven drijven.’
Jan Kooijman heeft opeens geen shirt meer aan en danst een balletsolo samen met Noortje Herlaar.
’Ik wil onderbuikgevoelens hebben, naar mijn gut luisteren,’ zeg ik.
‘En het daarna ook uiten,’ zegt ze. 
Ik denk aan hoe ik soms liever heb dat mensen met me luisteren naar muziek die me iets doet, dan dat ze me vasthouden, dan dat ik zelf woorden moet geven aan wat me bezighoudt. Het is er al: luister maar, kijk hier in de tekst gebeurt iets en dan wordt alles duidelijk, als vanzelf.

*

duct_tape_wall

In een musicalfilm de ontwikkelingen die je ziet niet ontelbaar. Nergens duct tape, maar dunne lijnen tussen mensen die langzaam naar het plot toe weven. Zo lost het meeste zich vanzelf op: Paul keert terug en vervangt direct de overspelige lul van een kok die al jaren aast op het etablissement, en het juiste kind neemt het familierestaurant over. Moeder Maria sterft, maar met een gerust hart: alles wat gebroken was, is weer heel. Maar stel je nu voor dat je tegen een vriend of familielid op straat ‘Ik leef niet meer voor jou’ begint te zingen. De muziek die achter jouw noten hoort, verschijnt niet zomaar. Naar je toe trekken of wegduwen, open zijn over wat pijnlijk is en dichtbij je gevoel komen, draagt niets pompeus of overdreven hysterisch in zich. En je kunt ook niet steeds doen alsof je stervende bent, om iedereens diepste gevoelens naar boven te halen. Het is eerder alsof je een kitten in handen krijgt om mee naar huis te nemen, maar je moet nog wel even door heel het Amsterdamse centrum fietsen met dat diertje in je handpalm. Driekwart – en dan ben ik nog optimistisch – van de voetgangers, automobilisten, medefietsers zal niet zien wat je bij je draagt. Wat jij van waarde acht is voor een ander verwaarloosbaar, en ja, dus ook weerloos.

lisa-weedaLisa Weeda (1989) schrijft, maakt literair programma bij Mooie Woorden in Utrecht, is co-host bij de literaire podcast Ondercast, geeft les en workshops. Haar werk verscheen onder meer in Das Magazin, De Titaan, op De Optimist en Hard//Hoofd. Lisa is onderdeel van het Slow Writing Lab, het talentenprogramma van het Nederlands Letterenfonds. In november verschijnt haar chapbook ‘De benen van Petrovski’ bij Literair Productiehuis De Wintertuin.

Foto: Masha Bakker

You and me, baby

Lieve Gijs,

Je bent de laatste die te horen krijgt dat ik een boek over ons geschreven heb. Sorry, daarvoor. Je had het als eerste moeten weten.

Het is een roman geworden. Fictie is met het toenemen van de hoofdstukken door ons verhaal heen gegroeid en ermee verweven geraakt, maar ik weet zeker dat je jou en mij – de vriendschap – zult herkennen.

Gisteren kon ik mijn exemplaren ophalen bij Van Oorschot. Ze waren lief, op de uitgeverij. Ik mocht meelunchen en kreeg een broodje kroket. De doos met boeken stond naast mijn stoel terwijl ik at en grappen maakte. De tweede keer in vijf jaar dat jij in een doos lag en mijn leven doorging, zo heel vlakbij.

Nu Het jasje van Luis Martín af is en ik geen komma meer verplaatsen kan komt vooral in me op wat er allemaal niet in het boek staat. Wat er nog mist.

Wat ik niet opschreef is dat ik zo van je gehouden heb.

Dat de dingen minder waard lijken sinds ik ze niet meer met je kan delen.

Dat ik nog steeds niet goed weet wie ik ben sinds jij er niet meer bent.

Het staat er wel, maar niet in juist die woorden. Ook dat klopt met de vriendschap: ik heb je dit nooit in het echt gezegd.

En ik merk dat ik bang ben. Voor de reactie, recensies, de aandacht die ons verhaal niet, of juist wel zal krijgen. Alsof mijn binnenwerk buitenstaat en overgeleverd is aan elke gek die er voorbij loopt.

Dit blogje moest een open oproep worden, een uitnodiging aan iedereen die zich betrokken voelt om naar de presentatie te komen. De Kingfisher in de Pijp op zondag 23 oktober om 16:00. Dat is het nu dus ook.

Ik hoop dat iedereen komt. Dat het niet leger lijkt dan het al zal voelen om er zonder je te staan.

Ik mis je nog steeds.

Je vriend,

Gilles

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen