Gratis proza #12: Stil op zolder

Het is nacht, maar dat zou je niet zeggen. Door de sneeuw is het veel te licht op mijn zolder. De gaskachel loeit, en hete lucht stijgt naar de balken, de zware dragers van het dak. Mijn potten en pannen staan over de vloer verspreid. Gebutst, wit uitgeslagen wachten ze op hun vaste plekken tot de dooi inzet.

Ik lig op de matras waarmee ik zo vergroeid ben dat het eerder mijn schild te noemen is  en ik – de schildpad, op mijn rug trappelend tegen de lege lucht – staar naar mijn lege handen, de huid sneeuwwit.

‘Sneue, oude, man’, zeg ik, en weet niet of ik het alleen maar dacht, of hardop zei, dus zeg ik: ‘Zei ik dat hardop?’ Ik zeg het zó hard dat de pan die aan mijn hoofdeind staat begint te galmen. Het is een gietijzeren pan, die van mijn tante is geweest. Mijn tante Bee droeg gele jurken, maar nu, nu is ze dood. Het was de derde tree van de keldertrap die haar nek brak, of eerder: haar val, die door die tree werd ingezet.

‘Nek!’ zeg ik met geknepen stem, omdat het toch wel wat verdrietig is, hoe tante Bee zo aan haar einde kwam. Mijn geknepen stem is hoger dan gewoon, en plots begint, in het donker van mijn kleine keuken, het tinnen koffieblik te resoneren. Het is een zuivere, wat iele toon, die heel mooi bij de diepe van mijn tantes pan zou passen.

‘Geen wonder,’ zeg ik. ‘Het was tenslotte ook háár koffieblik.’ Omdat ik nog verbaasd ben, komt er wat keelklank bij mijn stem, en precies die toon wordt opgepikt door de blauwemaillen pot die op een stapel kranten staat, om daar de ergste druppels van de nokbalk op te vangen.

‘Wonder’, zeg ik. ‘Wonder!’

Hemelse galm stijgt op uit de emaillen pot.

‘NEK!’ roep ik.

‘Eeeee’, doet het koffieblik.

Ik adem diep in, sluit mijn ogen en laat mijn adem heel gecontroleerd weer los: ‘Woooonderrrrr!’

En ja hoor, de emaillen pot zingt met me mee. Nu heb ik absoluut geen absoluut gehoor, maar de intervallen tussen de tonen lijken vrij precies. Als ik nou zou zeggen dat die eerste toon, die OP, dat dat de G was? En het koffieblik de B? Is de blauwe pot dan niet precies een D?

Er klinkt gescharrel aan mijn hoofdeind. Kleine nagels krassen op de zijkant van de pan van tante Bee. Dan zie ik ze: de glimmendzwarte oogjes in het spitse gezichtje van mijn vriend Johann Sebastian.

‘Johann,’ fluister ik. ‘De pannen staan in G groot!’

Het krassen houdt op, en Johann loopt langs de matras tot hij bij mijn kussen komt. Hij springt, de lichtste plof, en dan: zijn warme neusje, dat kietelt in mijn nek.

‘Ave Maria’, zeg ik, ‘Johann, het is Ave Maria!’

Soms denk ik dat hij doof is. Maar dat kan niet, want Johann is nog jong; een jonge componist met goede oren, een glanzende vacht en witte tanden. Na Johann is het Richard, die mijn hoofd besnuffelt; zo komen ze dus één voor één: Gustav, Wolfgang, Henry, romantische dromerige Jean en ijdele Giuseppe. Het is tijd om op te staan, om overeind te komen. Aan het touw met de triangel hijs ik me overeind. Nu staan mijn eeuwigkoude oudemannenvoeten op het wat aangevreten kleed: twee kale nertsen tonen onderaan mijn pyjamabroek. Mijn vrienden scharen zich er al omheen, een rommelige rattenkring ontstaat.

‘Hebben jullie honger, jongens?’

Koppies wippen op en neer. Neuzen glimmen. Een piep, een duw, en het is vechten tussen Richard en Gustav. Terwijl het toch de beste vrienden zijn.

‘Hou op!’ zeg ik. ‘Gedraag je eens volwassen.’

Maar het helpt niet. Ze luisteren niet meer.

‘Dat is wel de dood!’ roep ik, ‘voor wezens zoals jullie. Als je je oren niet gebruikt…’

Nu wordt iedereen erbij betrokken; wervelt er één rattenbal over de vloer, die krantenknipsels, sigarendozen, bloempotten en mijn staande asbak omgooit en zelfs mijn boekenmolen doet wankelen. Tussen Couperus en Bordewijk staat mijn fotoalbum in, en ik wéét al dat gaat vallen voordat het van zijn plek schuift en kantelt en daadwerkelijk naar beneden klapt.

Opeens is het weer stil op zolder. Mijn componisten vluchten weg en ik, de oude man op kale nertsenvoeten schuifel naar de molen toe, naar het album op de grond, open op die ene foto. Natuurlijk op die ene foto, de zágende voorspelbaarheid: daar ben je, met je mooie ogen, en ik zeg: ‘Dag. Dag kleine meid,’ voor ik het album dichtsla en met grote moeite optil om het weer op de plank te zetten. Het is beter als ik niet te lang naar foto’s kijk.

‘Daar word je óók maar sneu van’, zeg ik, en bij ook weerklinkt de pot. Ik recht mijn rug, wil naar de keuken lopen om mijn vrienden te voeren en stap in iets warms en nats. Als ik naar beneden kijk ligt aan mijn voeten – heel moeizaam ademend – Johann Sebastian: een rat tussen twee blote nertsen in.

‘Johann!’ Met de snelheid van een twintiger zak ik door mijn knieën. ‘Wat probeer je me te zeggen?’

Maar zijn koppie valt opzij en hij is dood. Zijn bloed plakt aan mijn tenen.

______________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceert hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Perspectief, een gedicht over Parijs

kom,
wat we moeten doen lieve is alle apparaten uitzetten
we zetten de apparaten uit en we doen de deur dicht
de deur naar de straat gaat dicht en het grote raam gaat op een kier
jij stookt de kamer warm jij humt dat liedje dat je graag humt
en ik ga in de keuken iets te eten maken
met dat eten gaan we op het bed zitten lieve
we slaan de grote lappensprei om onze benen
we nemen de warme kommen in onze handen
en dan moet jij weer van het bed om uit de kleine koelkast
een fles wijn te pakken die nog over is van het feest van de eeuw
en we openen de wijn en schenken de waterglazen vol
en we kijken naar elkaar en we kijken naar onze huid
die zacht is die uiteen kan rijten
als mannen uiteenspatten op de pleinen van de stad
mannen die genoeg hebben gehad
van de ruimte die hun toebedeeld werd op aarde
en van onze huid kijken we op naar het raam
in ons glas geen gebarsten sterren
in ons luchtruim geen gevechtsvliegtuigen
we kijken naar de perenboom onze armen raken elkaar
we voelen onze lichamen hoe ze ruimte innemen
onverzettelijk en kwetsbaar hoe ze
onverzettelijk en kwetsbaar zijn

Hannah van Wieringen (1982) schrijft, vertaalt en bewerkt toneel, proza en poëzie. Met haar roman De kermis van Gravezuid (2012) won ze de Academica Debuutprijs; haar dichtbundel hier kijken we naar (2014) werd genomineerd voor de C.Budingh’-prijs en bekroond met de Debuutprijs Het Liegend Konijn. Haar nieuwe boek, Prijs de dag voordat de avond valt, verschijnt begin volgend jaar.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De rechten van de materialen

Nu het steeds duidelijker wordt dat de aarde geen onuitputtelijke bron van alles is, worden de pogingen om de natuur een stem te geven creatiever. Zo stelt journalist Lucas Destrijcker op De Correspondent voor de natuur een factuur te laten sturen als we er gebruik van maken en wil juriste Polly Higgins ecocide strafbaar laten stellen. Maar de meest poëtische aanzet tot verandering van perspectief die ik recent ben tegengekomen (los van alle religies die natuurkrachten tot god hebben verheven) is die van architect Thomas Rau. Hij opperde in Tegenlicht het idee dat materialen rechten zouden moeten krijgen.

De universele rechten van de materialen. Ik zie materialen voor me, die in een grote zaal vergaderen over de vraag wat de kern is van het materiaal-zijn, en welke fundamentele rechten daaraan zijn verbonden. Waarbij vaste materialen hameren op het recht niet uit elkaar te vallen, vloeibare materialen de vergadering overspoelen met argumenten voor het recht om te stromen en vluchtige materialen verzuchten dat er ook ruimte moet zijn om elkaar los te laten, totdat water uiteindelijk voorstelt dat elk materiaal vrij moet kunnen zijn de toestand aan te nemen die het materiaal op dat moment het beste past.

In werkelijkheid is de verklaring opgesteld door mensen, en daar zit het probleem met het idee dat we de natuur, de aarde of de materialen centraal zouden kunnen stellen. Want we kunnen ijzererts niet vragen of het niet liever in die rots was gebleven, of juist blij is eindelijk onderdeel te kunnen zijn van zoiets nuttigs als de fiets van Gerda Blees. Dus hebben we een ander referentiekader nodig. En dat referentiekader zijn we zelf.

Want vanuit een materialistisch perspectief is de aarde een grote klomp steen en ijzer met een heel dun laagje leven aan de buitenkant. Die klomp blijft voorlopig wel bestaan, ook als de mens en de pandabeer en het koraalrif al lang verdwenen zijn. En de bouwstenen waar het leven uit bestaat zullen evenmin verdwijnen. Dus wie proberen we eigenlijk te beschermen, als we de materialen beschermen? Inderdaad, het dunne laagje leven waar we zo afhankelijk van zijn. Onszelf. Dat blijkt ook uit de concepttekst van The Universal Declaration of Material Rights*. Het gaat om het voortbestaan van materialen in de huidige vorm, die ons leven mogelijk maakt.

Zodat we zelfs via een universele verklaring voor de rechten van de materialen niet aan ons eigen perspectief kunnen ontsnappen. Wat natuurlijk niet betekent dat we het niet zouden moeten proberen. Het vermogen ons in te leven in zoiets vreemds als glasvezel of spaanplaat zal er niet alleen voor zorgen dat we zorgvuldiger met die materialen omgaan, maar het komt vast ook van pas in intermenselijk contact.

Een vrouw die lief is voor plakband, ook als het steeds aan de verkeerde dingen blijft plakken, wordt misschien ook wel liever voor haar tegenstribbelende knipperlichtgeliefde. Een vreemdelingenhater die zijn hart opent voor latex, wordt wellicht ook aardiger voor zijn nieuwe buitenlandse buren. En een dictator die gewend is zuinig om te gaan met water wordt mogelijk ook voorzichtiger met onderdanen en politieke tegenstanders. Of misschien gaat hij zijn eigen nederigheid wel inzien en besluit dat het genoeg is geweest met dat eeuwige getiranniseer.

Misschien is het toekennen van rechten aan materialen wel de volgende stap naar wereldvrede. Of wordt het nu te gek? Ik ben benieuwd wat mijn keukendeur ervan zou zeggen.

Vraag voor de babbelbox: welk materiaal zou volgens u een betere behandeling moeten krijgen?

* http://theuniversaldeclarationofmaterialrights.org/

 

Foto Gerda BleesGerda Blees was docent bij de opleiding Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit Utrecht, deed onderzoek naar Nederlands-Duitse luistertaal en publiceerde proza en poëzie in verschillende tijdschriften. Vanaf september heeft ze een jaar vrij genomen om aan haar verhalen en gedichten te werken en ze te bundelen. 

Twee soorten antwoorden

Een stukje Raqqa, Syrie, volgens Googlemaps

Het doden van mensen lijkt makkelijker te worden. In een kort onderzoek naar een aantal High School shootings analyseert Malcolm Gladwell in The New Yorker van 19 oktober het geval van John LaDue, een Amerikaanse jongen die net op tijd in de kladden gevat werd op weg naar een moordpartij. Gladwell beschrijft vooral een groot aantal shootings waarbij heel nauwkeurig geciteerd wordt: de jongens in navolgende drama’s citeren ‘Columbine’, in kleding, in filmpjes vooraf, lichaamshoudingen en zelfs in de exacte tijd waarop het schieten beginnen moet, waar de wapens opgeborgen waren en met welke bewoordingen afscheid genomen werd  ‘ In the world before Columbine people like LaDue played with chemistry sets in their basements and dreamed of being astronauts.’

In On Killing schrijft Dave Grossman dat bij grote slagvelden in de Amerikaanse Burgeroorlog enorme percentages geweren zijn gevonden die nog geladen waren, veel en veel meer dan je verwachten zou op basis van hoe groot de kans is dat een soldaat wordt getroffen wanneer hij juist zijn geweer geladen heeft. Sterker nog, er waren geweren die 3, maar ook 6 of 9 keer geladen waren, een bijzonderheid die ruimte heeft aan de veronderstelling dat veel soldaten niet wilden schieten, maar ook niet wilden laten weten aan hun kameraden dat ze dat niet wilden of konden. Herladen was een manier om te doen alsof je geschoten had. De wil tot doden was gering, in de Vietnamoorlog nam die enorm toe.

De verklaring is dat in de tweede helft van de twintigste eeuw intensiever gebruik werd gemaakt van psychologische trucs om de onwil om te doden bij soldaten uit te schakelen. Psychologische oorlogvoering binnen de eigen gelederen: het opheffen van een natuurlijke weerstand. Een grotere afstand hoort daar ook bij. Zoals ik ergens las: de jongen met een frappuccino in zijn linkerhand die in airconditioned  gebouw op een defensieterrein in California met de rechterhand een drone bestuurt die in Syrië een paar mensen doodt.

Schuldvraag

men kan de bijl niet verwijten dat ze de schedel
de hand niet dat ze de bijl
men verwijt de oorlog niet dat er geen vrede

wie de oorlog verklaart moet weten
dat het woorden zijn die de bijl
niet het kind de soldaat die zichzelf smerig

zijn uniform deze taal
waarin men zich opmaakt als in een spiegel
om niet te zien

hoeveel leven tot brandhout dient
onder de vleespotten
van wie voldaan

men kan de moraal niet verwijten dat ze de maag
het kind voedt zichzelf op

men neemt de scherven het snijden niet kwalijk
de vaas gooit zichzelf niet kapot.

Charles Ducal

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Roos van Rijswijk komt bij ons

Met ingang van het aankomende nummer heeft Tirade een nieuw redactielid. Roos van Rijswijk studeerde Nederlands en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en publiceerde in (onder meer) Tijdschrift Ei, De Revisor, De Gids, Tirade en Das Magazin. Zij is initiatiefnemer en jurylid van de J.M.A. Biesheuvelprijs en werkt aan haar eerste roman, die in februari 2016 bij Querido zal verschijnen.

Om degenen die Roos nog niet kennen een beetje op weg te helpen zal zij in december het zondagsblog op Tirade.nu verzorgen. Mocht je niet kunnen wachten: www.roosvanrijswijk.nl

Het geluk (6): Angst

IMG_0757Een tijdje terug schreef ik op deze plek over mijn opgroeien in Vught, een stuk waarboven een foto van mijn oude huis aan de Baroniesingel stond.

Voor het eerst in lange tijd was ik teruggegaan naar de plek waar ik tot mijn negende gewoond heb. Omdat ik het in dat blog ergens anders over wilde hebben schreef ik niet over de sterke herinnering aan angst die me bij het zien van mijn oude slaapkamerraam overviel.

Als kind was ik bang voor geesten. Het hielp niet dat mijn ouders zoals veel afvallige communiegangers in die tijd open minded waren op het gebied van spiritualiteit. Ik herinner me stapels boeken over reincarnatie, bezoeken aan een magnetiseur voor de wratjes op mijn handen, en de geneeskrachtige stenen die mijn moeder bij het aankleden met een miniveiligheidsspeld aan haar bh bevestigde. Mijn oudtante Fien legde kaarten voor de hele familie, en bouwde met de jaren een solide reputatie op. De keer dat ze me onterecht bezwoer dat ik zou overgaan van twee naar de drie Gymnasium wil ik haar niet aanrekenen, omdat haar eigen wens me gelukkig te zien haar normaliter zo betrouwbare voorspelling duidelijk in de weg gezeten had. En ik erken mijn verantwoordelijkheid: na haar verzekering dat ik het volgende jaar met mijn vrienden mee zou kunnen op schoolreisje, besloot ik dat het blokken wel een tandje minder kon.

Probeer ik verder terug te denken dan mijn angst voor geesten – terug naar de slaapkamer met het Junglebookbehang in Prinsenbeek – dan wordt de angst diffuus, gezichtsloos. Het zal hier om de puurste vorm van mijn angst gaan: de variant uit de tijd dat ik nog geen schrikwekkende archetypen paraat had die ik op mijn gevoel kon plakken.

Waar die angst vandaan kwam? Zeker weten doe ik het niet, maar ik was een moederskind wiens moeder vaak ziek was; herinner me meerdere ziekenhuisopnamen. Allebei mijn ouders stonden er op jonge leeftijd in zekere zin alleen voor, en leefden te vroeg zonder de aanname dat de mensen waarvan ze hielden er altijd zouden zijn.

Nu ik volwassen ben is de angst niet meer dagelijks voelbaar, maar bij het oplopen van de werkdruk en in perioden waarin ik slecht slaap ben ik tegenwoordig bang dat ons huis zal verzakken, dat ik mijn werk verpruts of dat er iets gebeurt met de mensen waarvan ik het meest houd. Angst voor de angst, angst voor geesten, angst om de levenden.

Bij B, die doorgaans nooit ergens bang voor is, kwamen de aanslagen in Parijs harder binnen dan bij mij. De gebeurtenissen in de stad waar we dit voorjaar nog ons tienjarig samenzijn vierden liggen op één lijn met het ergst denkbare, waaraan ik dus regelmatig denk. Als psycholoog houd ik rekening met ziektewinst: wat ervaar ik als voordelig aan mijn angst, en kan dus in de weg staan bij het loslaten ervan?

Het antwoord is de liefde. Mijn angst laat steeds opnieuw voelen wat ik te verliezen heb; wat er op het spel staat als je leeft, je bindt, opvoedt en leert te laten gaan.

 

______________________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind. 

 

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.