Žižek over onze nomadische toekomst

Het artikel van Slavoj Žižek in de Groene Amsterdammer van vorige week is − niet verrassend − een van de zinnigste stukken recentelijk verschenen over de migratie. Als Žižek al een aantal minder makkelijk te verteren waarnemingen heeft gedaan, schrijft hij ook nog: ‘De voornaamste les die uit dit alles kan worden getrokken is derhalve dat de mensheid zich moet gaan voorbereiden op een ‘plastischer’ en nomadischer levenswijze: plaatselijke of mondiale veranderingen in het leefmilieu kunnen leiden tot de noodzaak van ongekende, grootschalige sociale veranderingen. Een ding is wel duidelijk: de nationale soevereiniteit zal radicaal geherdefinieerd moeten worden en en nieuwe soorten mondiale samenwerking zullen moeten worden uitgevonden.’

Omdat ik Žižeks film ‘A perverts guide to Ideoligy’ zag, hoor ik hem dit uitspreken met dat hele vette Sloveense accent van hem.

Ik leerde recentelijk pas denken over ‘dans’ in termen van poëzie; choreografen spreken een taal waarin rijm, citaat, karig woordgebruik, herhaling en lyriek, de kijker als begrippen kunnen helpen abstracter te proeven van wat het ziet. Of er over na te denken.

Zoals poëzie een manier is om naar dans te kijken, zo kunnen poëzie en muziek eveneens een manier zijn om een land te definiëren. Dit geweldige concept, dat Bruce Chatwin een boek kost om goed uit te leggen, geldt voor de nomadische Aboriginals in Australië. Chatwin beschrijft dit in zijn prachtige Songlines. Nooit eerder  las ik zo’n boek! Naast een enorme kennis en belezenheid is de fantastische  wendbaarheid van Chatwin als verteller zo’n wonder in dit werk. Elk gesprek, elke uitweiding, elke flashback staat ergens, maar niet éen op éen, in dienst van het grote vraagstuk: begrijpen wat de songlines of liedpaden, voor de Aboriginals betekenen, en waarom dit nomadische tijds-, en ruimte-aspect botst met het westers denken.

Kort en dus beperkt betekent de ‘songline’ iets als dit: hun wereld, Australië, is door de voorvaderen bij elkaar ‘gezongen’: zij zongen wat zij zagen en zo ontstond de wereld. Denk ook aan het christelijke equivalent van God die in Genesis de dingen ‘noemt’. Door het continent lopen lange routes die zijn opgedeeld in afstanden die aan een stam of persoon behoren, zij kennen ook letterlijk het ‘lied’ van die tocht, je zingt wat je gaat zien. Land kennen is dus bij het land horen en het lied van dat land kunnen zingen. Dat verklaart dan ook het onbegrip jegens nieuwkomers die zomaar onbekend land pikken, het pijn doen door er treinen doorheen te laten snijden.

De essentie van het Aboriginal leven is daarmee beweging, en muziek en taal. Leven is: verplaatsing naar waar het beter is. De mens een eeuwige vluchteling. Hun land is een lange lijn die ‘hun land’ is wanneer ze daar zijn. Een plastische, nomadische levenswijze die misschien geen antropologische verleden is, maar een blik op de toekomst.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Tirade bedankt Mira Aluç en verwelkomt Christiaan Ronda

De redactie dankt Mira Aluç voor haar mooie blogs op de nazomerzondagen, en kondigt Christiaan Ronda aan als zondagblogger voor de maand oktober.

 

Cronda04

 

 

Ronda studeerde Literary & Cultural Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen en woont op dit moment in Frankfurt, waar hij werkt aan de afronding van zijn eerste roman. Werk van hem vind je in het laatste nummer van Tirade (459) en op Ekrituur.nl, zijn eigen site.

 

 

 

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Werk

IMG_0778Terwijl ik met een gehuurde beukhamer op mijn knieën de dikke betonnen badkamervloer van mijn vrienden T. en L. aan stukken zat te breken, besefte ik dat de hoofdpersonen van bijna al mijn verhalen een fysiek zwaar beroep hebben.

Visboer, kok, bakker, timmerman, als het maar geen denkwerk is, en nooit zoiets verschrikkelijks als wetenschapper, jurist of schrijver.

Misschien is dat omdat ik me nooit een beeld heb kunnen vormen van wat men op een kantoor nu precies de hele dag doet.

Wanneer ik op feestjes kantoormensen leer kennen vraag ik vaak of ze een werkdag voor me willen beschrijven, maar ik heb nooit een bevredigend antwoord gekregen.

‘Wil je dat écht weten?’ zeggen ze meestal.

Als ik dan knik, mijn ogen opensper en mijn hoofd kantel om te laten merken dat ik oprecht geïnteresseerd ben, lijken ze te schrikken alsof ik hen betrapt heb op een leven van ledigheid dat jarenlang aan de omgeving verkocht is als net zo noodzakelijk en doorslaggevend als dat van ieder ander.

Het overmatig beschrijven van de gedachten van een personage – dacht ik terwijl ik het puin met een blik in gevlochten zakken aan het scheppen was – heeft op mij als lezer hetzelfde effect als het veelvuldig gebruik van dromen. Philip Roth schiet me als eerste voorbeeld te binnen. Ben ik geen fan van.

Omdat fictie een onwerkelijkheid is die de lezer voor waar moet accepteren, is het me vaak een brug te ver om mee te gaan in een droom binnen die droom. Daarnaast vind ik het een te makkelijke keus; iemand als Haruki Murakami voelt zich tenslotte ook niet gedwongen zijn absurdistische invallen als droom te verpakken.

Gelukkig lijkt met het vergrijzen van de droomduiding als therapeutisch uitgangspunt de droom als literaire truc uitstervende. Ik zie er tegenwoordig bijna niemand meer naar grijpen.

Terug bij het punt dat ik hoop te maken: maar heel zelden kom ik een uitgebreide theoretische gedachtegang van een hoofdpersoon tegen die me niet uit mijn willing suspension of disbelief haalt. Meestal wordt het personage te duidelijk gebruikt als spreekbuis voor de schrijver, die wat hij verder over de wereld te melden had ook nog even kwijt wilde.

Als geen enkel echt gesprek helemaal in volzinnen gevoerd wordt, hoe kom je er dan bij zoiets interns als een gedachte uit te schrijven? Bij zichzelf heeft een mens aan een half woord genoeg, lijkt me.

 

________________________________________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind. 

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Kafka’s dagboek – 21 februari

MTIwNjA4NjMzODYxOTMyNTU2“Mijn leven hier is zo, alsof ik absoluut zeker zou zijn van een tweede leven, zoals ik mij bijvoorbeeld het mislukte verblijf in Parijs daarom niet aantrok omdat ik zou proberen er gauw weer heen te gaan. Hierbij het schouwspel van de scherp gescheiden licht- en schaduwpartijen op het plaveisel van de straten.

Een ogenblik voelde ik mij alsof ik gepantserd was.

Hoe ver van mij weg zijn bijvoorbeeld de spieren van mijn armen.”

Dagboeken 1910-1913, 1974, Querido, vertaling Nini Brunt. 

 

Wytske Versteeg schreef Dit is geen dakloze, De Wezenlozen en Boy. Haar nieuwe roman, Quarantaine, ligt 21 oktober in de boekwinkel.

Retourner à la rue

Door mijn technologische bloedarmoede met als bijeffect onwetendheid over Instagram, Twitter, Whatsapp, Linkedin en Pinterest, ben ik erg gevoelig geworden voor prikkels. Uit zelfbescherming weiger ik mijn Nokia 100 met swastika-vormige barst in het scherm te vervangen door een smartphone met gevoelig, aantrekkelijk steriel glas. Dit wordt geen stuk waarin ik een pleidooi houd voor de simpele telefoon, of – de horror- voor leven zonder telefoon en sociale media en verwijzingen maak naar de maatschappij van de late 18e eeuw en Rousseau’s oproep tot ‘Retourner à la nature’. Wat mij meer verwonderd is het vermogen je aan te passen aan een steeds fluctuerende hoeveelheid prikkels.

Terwijl ik dit schrijf zit ik op een stoel in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. De eerste keer dat ik hier kwam, was ik blij dat ik na een uur weer buiten stond. De ruimte is schematisch opgedeeld met rijen en rijen van grenen boekenkasten waarin soms 8 planken vol boeken van hetzelfde formaat met dezelfde letters op de rug staan. Slechts één regel op de kaft wijkt af van het boek dat ernaast staat. Volume 38, volume 39. Het gebouw komt uit de jaren 80 en heeft die immer geliefde postmodernistische ambiance door het veelvuldig gebruik van wit kunststof in zowel interieur als exterieur. Daarbovenop vraag je je door het schrijnende gebrek aan ramen cq. daglicht soms af of de wereld nog wel bestaat. Ironisch genoeg ligt de enige, voor bezoekers bereikbare raampartij in het laptopschuwe stiltegebied. Toch nog enige mogelijkheid van prikkelaanvoer, ware het niet dat het glas zo dik is dat geluiden van buiten niet door kunnen dringen. Wat de afsluiting van prikkels nog meer bevordert zijn de huisregels. Zo mag je onder geen beding eten en drinken in de bibliotheek meenemen, dien je jas en tas in de kelder in een kluisje te stoppen en je boeken in een mandje mee te dragen. Als je geluk heb, zie je mij soms met open mond water drinken boven het drinkfontijntje, met in mijn handen een zwart boodschappenmandje met het logo van de Koninklijke Bibliotheek. Allemaal ter bescherming van het meest belangrijke goed, de boeken. Bijwerking van deze regels is dat je soms het gevoel hebt je in een intellectuele isoleercel te bevinden.

Gelijktijdig met de opkomst van mijn frequente bezoeken van de Koninklijke Bibliotheek -KB, voor intimi- namen mijn bezoeken aan het restaurant Sumo met zijn onbeperkte aanbod sushi, gestaag af. Een restaurantconcept dat voor veel mensen aantrekkelijk is en net zo’n explosieve groei heeft doorgemaakt als wokrestaurants 10 à 15 jaar geleden. Van een plek die werd gezien als een nieuw en betaalbaar restaurant, is het nu een soort veredelde FEBO geworden, louter omdat je eten aan tafel wordt gebracht. Dat brengen van eten is misschien wel waarin Sumo zo loodrecht tegenover de Koninlijke Bibliotheek staat, want daarin ligt de overdaad aan prikkels waar je in de Koninklijke Bibliotheek van wordt onthouden.

Maandag bezocht ik sinds lange tijd Sumo. Ik ga altijd met mijn vader en broertjes, tafel 11 aan het raam, gereserveerd onder de naam ‘Omus’, het omgekeerde van Sumo. Omdat onze vaste tafel in de hoek staat, kan de bediening ons eten maar vanaf één kant van de tafel opdienen, namelijk mijn kant. Mijn vader en broertjes bezoeken Sumo vaker dan ik, dus het bestellen laat ik aan hen over. Nadat de lijst voor de eerste ronde is opgenomen, komt er een stroom van zwarte bordjes met verschillende warme grillgerechtjes en koude sushistukjes op gang, die blijft aanhouden. Bordjes worden neergezet; iedereen begint te eten; nieuwe bordjes komen; er wordt op tafel plaats gemaakt voor nieuwe bordjes; bordjes worden weggenomen; lege bordjes worden opgestapeld en weggenomen; nieuwe bordjes komen; er wordt met bordjes geschoven; de tafel blijkt te vol en nieuwe bordjes worden gebalanceerd op de randen van bordjes waar nog eten op ligt. Dit alles gebeurt terwijl je eet. En opeens besef je dat de stroom er niet is om jou bij te houden, maar dat jij moet eten om de stroom zwarte bordjes bij te kunnen houden. En zelfs al is alles van de eerste ronde gekomen en staat de gehele tafel vol, dan blijft de bediening lege bordjes wegnemen. Hierdoor zal je nooit weten hoeveel je eigenlijk gegeten hebt, waardoor je dus nog meer kan eten in de volgende ronde.

De Koninklijke Bibliotheek en restaurant Sumo zijn twee plaatsten die weinig met elkaar gemeen hebben, maar wanneer je deze beiden verlaat, de deuropening doorgaat en weer op straat staat, voelt het alsof je weer voor de allereerste keer buiten bent. Je loopt door de roodgelakte deur van het restaurant, een gratis lolly in je mond alleen omdat hij gratis was en je hoort hoe stil de straat eigenlijk is, hoe weinig prikkels er binnen komen en je alleen bent zonder per se eenzaam te zijn. Je luistert zoals je naar het constante geruis van de straat luistert, nadat je uitgespuugd bent door de witte kunststof draaideur. Het koeterwaals van geluiden werkt op je in en maakt dat je weer ergens middenin staat.

257789_351428901605513_26271548_oZondagblogger Mira Aluç (Schiedam, 1993) doorliep de Akademie van Beeldende Kunsten in Den Haag en debuteerde in Tirade 459 met het kortverhaal Eila. Dit is haar laatste gastblog; de redactie dankt haar voor haar bijdragen. 

 

"Foto van Mira Aluç"
Mira Aluç

Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

Meer houvast

Marie Jean Antoine Nicolas de Caritat, marquis de Condorcet (1743-1794)

Twee citerende schrijvers voor het nieuwe millennium

Politiek columnisten hebben de ongeëvenaarde kwaliteit de vraag te stellen zonder het antwoord te hoeven suggereren. De vragen die Bas Heijne in het VPRO televisieprogramma ‘De volmaakte mens’ stelde, waren ethisch van aard, een duidelijke ontwikkeling in zijn werk die het lange essay Onredelijkheid uit 2007 al zichtbaar maakte. Het boek zweeft heen en weer over gebieden als jeugd en verwachting, ontzuiling, populisme, nationalisme, media en religie. Het is ook een persoonlijk boek, Heijne maakt de staat op. In het essay citeert Heijne Rüdiger Safranski:

‘Het door de prothesen van de media kunstmatig opgerekte zintuiglijke bereik van de media heeft zich volledig van het handelingsbereik losgemaakt. Je kunt er handelend niet meer afdoende op reageren, met andere woorden: je kunt de opwinding niet meer in daden omzetten en afvoeren. Terwijl aan de ene kant de individuele mogelijkheden om handelend op te treden almaar afnemen, voert aan de andere kant de onverbiddelijke logica van de mediamarkt met zijn informatie- en beeldenstromen de toevoer van opwindende prikkels alleen maar op. Dat kan niet anders, aangezien de aanbieders van opwindende prikkels elkaar om het hardst om de schaarse hulpbron “aandacht” bij het publiek beconcurreren. Maar dit publiek, dat inmiddels aan sensaties gewend en verslaafd is, verlangt naar een hogere, in elk geval nieuwe dosis opwinding. In plaats van handelingsafvoer: prikkeltoevoer.

Teveel beelden, teveel wereld, te weinig mens, daar komt het kort gezegd op neer.’

Heijne heeft overtuigend de stap gezet naar aanleiding van zijn gecontinueerd denken hierover, hij wenst de mens terug, in al zijn onredelijkheid nog wel. Het is een interessante en persoonlijke beschouwing, die concrete aanleidingen van rond de tijd van schrijven als uitgangspunt neemt voor in wezen een ethische of religieuze vraag: welke kant moeten we op? En dan zoekt Heijne eerst uit welke kant het opgegaan is. Bij hem zijn de 80-er jaren een kantelpunt.

Ik las het toevallig gelijktijdig met een boek dat er vreemd genoeg aan raakt: Tony Judt’s Ill Fares the Land.

De fraaie titel een regel uit een gedicht van Oliver Goldsmith’s The deserted Village

Ill fares the land, to hastening ills a prey
were wealth accumelates and men decay.

misschien te parafraseren  als

Heilloos is het land  en aan gezwinde narigheid ten prooi
waar de weelde groeit en de mens van laag allooi

Vergelijkbaar omdat een ‘bezorgd intellectueel’ binnen zijn metier een overzicht tracht te geven van hoe het zo gekomen is. Judt doet dat politiek-historisch met economische inzichten doorspekt. Boeiend is de wijze waarop hij het in Europa inmiddels vaak verguisde zorgprincipe juist huldigt, en Amerika in die zin een veeg uit de pan geeft. De kortste samenvatting van Judt’s economische claims is dat hoe beter je voor de armen zorgt, hoe minder problemen je uiteindelijk hebt.

Judt citeert op zijn beurt Marquis de Concordet:

‘Indeed, the thought that we might restrict public policy considerations to a mere economic calculus was already a source of concern two centuries ago. The Marquis de Condorcet, one of the most perceptive writers on commercial capitalism in its early years, anticipated with distaste the prospect that “liberty will be no more, in the eyes of an avid nation, than the necessary condition for the security of financial operations.” The revolutions of the age risked fostering confusion between the freedom to make money .. . and freedom itself.’

Heijne en Judt citeren om hun belangrijkste punt te maken: de menselijk maat. Afkeer van abstracties als mediageweld en rijkdom, en behoefte aan de concrete mogelijkheid iets te doen, en ook voor een ander te doen. Waarden, dus. Ergens in de jaren ’80 meent ook Judt is een kentering gekomen in een breed gedeeld gevoel dat waarden van groter belang zijn dan persoonlijke rijkdom. De vrolijke kant van deze constatering is dat het dieptepunt al weer een jaar of dertig achter ons ligt. Beide boeken tonen overtuigend een begin van een weg terug.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.