Bezinningseiland 2

Vorige week  Bezinningseiland 1. Vandaag Deel 2:

Mijn hotelkamer is twee bezemkasten groot. Er ligt zand in de douchebak, zand op het nachtkastje, zand tussen de lakens. De tafel wiebelt, het bed kraakt en aan de muur hangt een abstract zeegezicht in een lijstje van de Action. Er stampt iemand over de gang. Iemand die zijn best doet om te sluipen, maar te log is om zijn voeten op te tillen. De muren in hotel ’t Zonnegloor zijn van vloeipapier.

(Maar denk nu niet dat ik klaag, Alex. Het raam kan ver genoeg open om te roken en maandagochtend is dit allemaal voorbij. En dan moet het voor jou nog beginnen. Wist je dat ma’s koor in een gospelfase zit? Oefen maar vast op je hallelujah-gezicht.)

We werden opgehaald in de haven. Een busje van het hotel met een slungelige jongen achter het stuur. Een eilander die luistert naar de naam Fons. Batman stond al naast hem met zijn rolkoffer. Hij probeerde de slogan die op de bus stond op zijn selfie te krijgen: ’t Zonnegloor ~ Bezinnen is opnieuw beginnen.

(Fons vroeg zich af waar je was, Alex. Op zijn klembord stonden twee ‘de Klerkjes’ om af te vinken. Aan zijn gezicht te zien, geloofde hij je drukbezette verhaal net zo min als ik. Ik hoop dat je je vrije weekend gebruikt om betere smoezen te verzinnen.)

Batman schoof tegen me aan op de achterbank. In het dagelijks leven heet Batman Jasper en laat hij offertes door een hoepel springen. Of beitelt hij prognoses op een whiteboard. Ik luisterde maar half (zoals je doet met mensen die je meteen op de vergeetlijst zet) tot Jasper naar me toe boog en me toevertrouwde dat hij dit weekend een doorbraak verwachtte.

‘Dit gaat ‘m worden,’ zei hij. Zijn adem rook naar kroketten. ‘Vorige keer kwam ik heel dichtbij, maar ik had nog zoveel weerstand in me. Zoveel weerstand..’

Hij schudde zijn hoofd en trok zijn mondhoeken naar beneden.

‘Maar geloof me, Ludo Stoker is het echte werk. Ik heb al heel wat lifecoaches geprobeerd, maar Ludo en Irma..’

Jasper stak twee duimen op. Hij spreekt in smileys. Dit is zijn derde Bezinningsweekend. Als ik de website had gelezen had ik geweten dat Ludo Stoker en Irma Nijverhut al sinds 2005 Bezinningsarrangementen organiseren in hun strandhotel. Maar ik heb de website niet gelezen. Misschien komt Jasper me nog van pas dit weekend.

Toen wilde hij met me op de foto, maar de batterij van zijn telefoon gaf er de brui aan. (Soms knipoogt het universum naar me, Alex. Zullen we het karma noemen?)

***

Er klopt iemand op de deur. Het is te aarzelend om voor op te staan. Waarschijnlijk is het mijn nieuwe beste vriend. Hij zit in de kamer naast de mijne. Jasper zingt onder de douche. Marco Borsato. Hard, en vals.

***

Het was al donker toen Fons ons afzette bij ’t Zonnegloor. Het hotel ligt in de duinen, aan het einde van een lange weg zonder tegenliggers. Er schijnt een bos te zijn, en verlaten bunkers waar de toeristen ’s zomers wildplassen. En volgens Jasper wemelt het van de vakantiehuisjes met rode daken waar nu niemand inzit, want februari is geen weer voor de natuur. Er staat geen maan aan de hemel vannacht, maar sterren zijn er genoeg. Het is hier donkerder dan in de stad. Kouder ook. Ik heb mijn extra trui al aan.

We werden opgevangen door een forse vrouw met een opgetekende glimlach. Irma Nijverhut, de gebatikte rechterhand van Ludo, bemant de receptiebalie met verve. Als ze lacht – en dat doet ze onophoudelijk – gluurt haar zwarte tand naar je. We mogen elkaar niet. Nu al.

‘Raphael,’ zei ze. ‘Raphael de Klerk.’

Ze sprak mijn naam nadrukkelijk uit en keek me onderzoekend aan. Ik knikte. Ik wist wat er kwam.

‘Goh. Wat bijzonder.’

‘Bijzonder?’ vroeg ik voor de vorm.

‘Ja,’ zei ze. ‘We krijgen hier niet zoveel mensen die.. Mensen met jouw.. achtergrond.’

Het viel me mee dat ze het woord exotisch niet gebruikte, Alex.

‘Waar kom je vandaan?’ vroeg ze.

‘Uit Rotterdam.’

Ze lachte. ‘Ik geloof niet dat je begrijpt wat ik bedoel. Waar kom je echt vandaan?’

‘Rotterdam-West.’

De zwarte tand verdween even achter haar dunne lippen, maar Irma herpakte zich snel.

‘Welkom Raphael,’ zei ze. ‘Welkom in de rust.’

Nadat ze ons geplastificeerde naamkaartjes en de sleutels van de kamers had overhandigd, kwam ze achter de balie vandaan en drukte ons omstebeurt aan haar boezem. Het was er benauwd en het rook er naar knoflook.

Toen moesten we onze telefoons inleveren. Daar was geen discussie over mogelijk. Jasper had me er al op voorbereid. Er is geen televisie, geen wifi, geen afleiding van het bezinnen in dit hotel. Contact met de buitenwereld schijnt je “uit het moment” te halen. Ik heb het vermoeden dat ik aan het eind van dit weekend vloeiend Hallmarks spreek.

Irma vertelde dat de andere “bezinners” al liggen te rusten. Er wacht ons morgen een vol programma met de grote coach. Ze stuurde ons naar onze kamers met een dienblad waar een bord waterige pasta op stond en een karaf waar een reep geraspte komkommer in dreef. Het zag er heel gezond uit. Het smaakte naar knoflook.

***

En nu zit ik hier, aan een wiebelende tafel me af te vragen hoe ik zo makkelijk mijn telefoon ben kwijtgeraakt. En waarom ik daar lichtelijk nerveus over ben. Het bezinnen is begonnen, Alex.

Morgenochtend zal ik zien waar ik ben. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo vroeg ben gaan slapen op een vrijdagavond. Ik hoop dat jij..

Daar is het weer. Geklop. Harder nu.

Ik ga kijken –

————

Daphne Huisden portretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Portret: Marisa en Iris.

 

Volgende week: Bezinningseiland 3.

In de Oorshop

Full disclosure

Het artikel ‘The engineer’s lament. What’s the best way to think about auto safety’ in The New Yorker van 4 mei is om drie redenen interessant.

1 In het artikel over statistische uitkomsten van onderzoek naar veiligheid bij kleine auto’s – meer specifiek de compacte Ford Pinto – schrijft Gladwell op de tweede bladzijde, als de lezer er al een beetje inzit: ‘(Full disclosure: In 2011 I gave a talk at a marketing conference sponsored by Ford)’. Dit is de triomf van de onbezwaarde onderzoeksjournalistiek. Het is zo makkelijk: waarom zie je dit nooit in Nederland? Ook bij recensies: als een recensent alleen maar even heel kort aangeeft waarom hij bevooroordeeld zou kunnen zijn – bijvoorbeeld omdat hij getrouwd is met de redactrice van het boek dat hij bespreekt – heeft die openheid tot gevolg dat ik als lezer geen bezwaren meer voel. Of: dat mij de korrel zout is aangereikt waarmee ik het gebodene kan nemen. Het NRC wil in alles een pendant zijn van kranten als The New York Times of The Guardian, de hoofdredacteur Peter Vandermeersch zit zwijmelend voor zijn schermpje newyorktimesje te spelen, maar dit eenvoudige principe van Full disclosure heb ik nog nooit in praktijk gebracht zien worden in deze krant. Het is heel wat helderder en sterker dan de wat pedante ombudsmanoplossing. Dit is journalistieke waardigheid.

2 Malcolm Gladwell staat als onderzoeksjournalist met zijn voeten in de modder. Er is heus een sexier onderwerp denkbaar dan ‘vergelijken van getalsmatige bewijzen voor tank malfunction in een bepaald type lichte auto en daar de resultaten van’. Wie echter het werk van Gladwell kent, weet dat deze uitgebreide studie van 10 volle pagina’s in the New Yorker  terugkomt in een halve pagina in zijn volgende boek. Dat vind ik mooi.

3 De uitgeklede staat waarin dit artikel van Gladwell zich bevindt maakt duidelijker dan mij voorheen was dat de kern van zijn aanpak, ook in zijn boeken, koude statistiek is, en dat ik dat waanzinnig interessant vind werd me duidelijk toen ik het stuk uit had. En ineens had ik een nieuw voornemen: ik ga me ingraven in de statistiek. Eerst maar eens de lichte kant ervan, dan iets verontrustender, dan the works. En dan de boeken.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van charts.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

The Narrow Road

Op advies van Henk van Straten lees ik Richard Flanagans The Narrow Road to the Deep North. De roman doet – zoals Henk schreef – denken aan het werk van James Salter. Vergelijkbaar zijn de toon, de periode in de geschiedenis en een bijzondere mengeling van afstand en nabijheid in de blik van de verteller.

The Narrow Road zou ik eerder van een hoogbejaarde Salter verwacht hebben dan het zo lucide All That Is, waarachter je op geen enkele manier een geleidelijk uitdovend genie kunt zien. Wat de twee schrijvers verder onderscheidt is het gebruik van ritme in de taal.

Gezien het 5 mei was – en er hier in Ancona geen cameraploeg van het jeugdjournaal zou kunnen opduiken – dacht ik in alle rust na over wat vrijheid voor mij betekent. Uiteindelijk besloot ik dat ik dermate omkom in de vrijheid dat het niet meer in woorden uit te drukken is.

Bijna had ik hier een foto geplaatst van een gedroogde heek met het onderschrift: Gilles eet vandaag stoccafisso con patate. 

In The Narrow Road wordt een Australische arts en legerofficier gevangengenomen door de Japanners en te werk gesteld aan de Birmaspoorweg. Flanagans beschrijving van het leven van de krijgsgevangenen is uitputtend en gruwelijk. Opvallend vaak worden anussen beschreven, die bij extreme vermagering, buiktyfus en cholera schijnbaar opstaand worden omdat de bilspieren eromheen zijn weggeteerd. Ik zal je verdere aanhalingen besparen.

Er zijn momenten in Flanagans verhaal waarop de omstandigheden zo samenspannen dat een gevangene zijn handen weet te leggen op een eendenei of een extra balletje kleefrijst. Onder de open zweren en luizen zitten en in het holst van de nacht op een bed van gespleten bamboestengels tussen honderden stervende maten je gestolen rijstbal delen met een vriend lijkt, althans in de beschrijving van Flanagan, meer op vrijheid dan alles wat ik ervan denk te weten.

Vrijheid laat zich vooral voelen wanneer het tegengestelde realiteit is, of onlangs is geweest. Ademen wanneer je dacht nooit meer boven water te zullen komen. Eindelijk openbaar mogen houden van degene naar wie je zo lang hebt verlangd. Je broer een hand geven door dat eerste gat in een muur die jullie bijna dertig jaar gescheiden heeft.

Natuurlijk scherp ik mijn definitie aan vanuit de luxe van het hier en nu, maar onze westerse vrijheid lijkt vooral te bestaan in de ogen die we toedichten aan degenen die hem niet kennen.

Richard Flanagans boek is een heel mooi boek, laat daar geen twijfel over bestaan. Vreemd genoeg zijn het de passages over het leven van voor de oorlog en de spoorlijn die het sterkst indruk op me maken.

 

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blow the horn, Stan! Blow the horn!‘ – De vierde mei

‘Je zult mij nooit ofte nimmer op de vierde mei ’s avonds om acht uur op de Dam tussen belangrijke en minder belangrijke Nederlanders aan de voet van het Nationaal Monument aantreffen, waarvan een beeldhouwer toen het nog in de werkplaats stond tegen de maker, John Rädecker, zei: ‘Maak er geen suikerbrood van, John!’ Wel ging ik verscheidene keren naar de kleine gedenkplaats even buiten Amsterdam in de bocht van de Amstel bij Rozenoord, dat in de oorlog een fussiladeplaats was, omdat daar een man gewoon in z’n hemdsmouwen zo echt en gevoelvol de Last Post blies. En iedere keer had ik de neiging om met de tranen over mijn wangen te roepen, zoals Oliver Hardy in Saps at Sea, ‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!’ En dan zie ik geen scènes van heldendom en moed voor me. Mannen voor een vuurpeloton die in hun laatste seconde nog iets roepen over het vaderland of de koningin. Nee, dan zie ik de leidse grachten voor me, bijna verstopt met vlotten van bij elkaar gebonden lege amerikaanse biscuitblikken met broodmagere jongetjes erop die uitgelaten door het groezelige water peddelen.’

Jan Wolkers, Zwarte Bevrijding (1995; p.21). De tekst is ook opgenomen in Wolkers’ De schuimspaan van de tijd, verzamelde essays (2001; p. 328).

In hetzelfde 1995 kwamen Laurel & Hardy opnieuw ter sprake – en opnieuw in relatie tot de dood – in een interview dat Eric van Onna Jan en Karina Wolkers afnam voor Vara TV-Magazine (nr. 44, p.6):

‘Als er een begrafenisondernemer was die doodskisten verkocht met op de binnenkant een projectiescherm met Laurel & Hardy – wat ten eeuwige dagen door zou gaan – dan stapte ik vandaag nog in die kist.’

De vierde en de vijfde mei lijken me mooie dagen om romans als Kort Amerikaans (1962) en De perzik van onsterfelijkheid (1980) te herlezen. Dat laatste boek is door Rieks Swarte onlangs bewerkt voor het toneel.

Soundtrack (alvast voor Bevrijdingsdag): Jan en Karina Wolkers zingen Strauss’s Radetzkymars.

——–

Volgende week: plestik.

Bezinningseiland 1

Alex,

Ik hoop dat je me dankbaar bent. Maar dat ben je niet. Waarschijnlijk denk je dat je het goed gespeeld hebt. Ik denk dat we het eens zijn.

Ik stel me je zo voor; in de garage van je glazen kantoor, je opmakend voor de weekendfile met die stapels onverzetbaar overwerk op de achterbank. Met een elleboog leunend op het dak van je leasebak, fronsend naar het scherm van je telefoon, verontwaardigd dat je geen bereik hebt in een parkeergarage. Het ziet er drukbezet uit, broer. Dat moet ik je nageven; je bent er altijd goed in geweest om een drukbezette indruk te wekken. Het is je beste troefkaart. Jammer dat je hem al zo vaak hebt ingezet.

Ik geloof dat je nog niet goed beseft hoe lang die uitvoeringen van ma’s dameskoor duren. Maar daar zul je snel genoeg achterkomen. Wat hadden we ook alweer afgesproken? In ruil voor dit verslag ga jij naar de eerstvolgende drie optredens? Of waren het er vier? Inclusief ophalen, eten en na afloop weer thuisbrengen. Gelukkig heb je een comfortabele auto.

Ik zit aan mijn tweede sloot spoorwegkoffie. In een stiltecoupé naar het noorden. Wist je dat het drie uur reizen is naar de boot? Vast. Wanneer heb jij voor het laatst voor een wiebelend treintoilet staan mikken, Alex? Laten we het daarover hebben de volgende keer dat we elkaar zien. (Op ma’s verjaardag. Jij bent verantwoordelijk voor het cadeau. Had ik dat al gezegd?)

Tegenover me probeert een uitgebluste moeder haar hysterische peuter op zijn plek te houden. Ze heeft een rugtas vol afleiding bij zich, maar het wil niet helpen.

‘Het is een sst-coupé, Jort,’ zegt ze. ‘Waarom luister je niet naar mama?’

Jort is drie. Hij heeft al twee keer naar me geschopt. De eerste keer vloog zijn schoentje rakelings langs mijn beker. De tweede keer was raak. Nu heb ik een koffiekruis. Vertel ma later maar dat je het hilarisch vond.

Ze belde gisteren. Of we er wel aan dachten een extra trui in te pakken. Er liggen wat collega’s van de spoelkeuken met griep op bed dus nu denkt ma weer dat er super-ebola op komst is. Een extra trui zal ons beschermen.

‘En zeg tegen Alex dat hij zich goed insmeert,’ zei ze nog. ‘Ik kreeg hem niet te pakken, maar jullie krijgen altijd zo’n grijze huid van de kou. En de nachten zijn koud op zo’n waddeneiland. Kouder dan in de stad.’

‘Het is maar een weekend, ma. En we gaan niet op poolexpeditie.’

Ik kon horen dat ze de bestekla dichtsloeg.

‘Je moet niet spotten met je gezondheid.’

‘Ma, ik spot niet..’

‘Raphael de Klerk!’ (Je weet hoe ze dan klinkt, Alex. Alsof de verbinding bevriest, kristallen in je trommelvliezen.) ‘Raphael de Klerk, laat me mezelf niet hoeven herhalen!’

Dus je hebt een extra trui mee, Alex. Dan weet je dat. En genoeg crème om jezelf te frituren.

‘..dus je mag blij zijn dat ik nog weleens een puzzeltje maak. Wie had dat gedacht hè? Ik heb nog nooit iets gewonnen, wist je dat? Ja, die kruimeldief bij de Paasbingo. Maar die ging al na twee keer stuk, dus dat telt niet.’

‘Ma, ik moet nog een hoop doen, dus ik ga zo..’

‘Maar ik ben blij dat jullie eindelijk gaan! Jullie hebben het al zo vaak uitgesteld. Krijgen jullie eens iets leuks van je moeder.. Een Bezinningsweekend in een strandhotel! Ze hebben vast nuttige tips, denk je niet? Jullie leven allebei zo gehaast, zo afgeleid. Alex zit altijd in die telefoon, behalve als ik bel..’

‘Ma! Ik moet nu echt..’

‘En jíj! Misschien kun jij je eens gaan bezinnen op je toekomst. Je kunt niet eeuwig in dat hotel blijven werken. En dat boek van je.. Er zit geen toekomst in boeken, jongen. Ik las laatst dat er steeds minder gelezen wordt. De literatuur schijnt dood te zijn, wist je dat niet?’

Een uur, Alex. Het duurde een uur. Ik hoop dat het koor aan toegiften doet.

***

Ik moest overstappen in Akkrum. Of nee: wé moesten overstappen in Akkrum. Als ma er ooit naar vraagt: er was niks te zien in Akkrum.

We hebben koffie gedronken op het terras van de rederij. In de kou, omdat ik zo nodig moest roken ja. Zelf deed je niet mee, je bent volgens ma gestopt in 2013, ergens tussen Sinterklaas en Kerst. (Maak je aantekeningen?)

De veerdienst is een uur geleden afgemeerd. Het vaste land ligt achter ons. Na een half uur te zijn weggeblazen door de februariwind op het dek (samen met een idioot in een Batman t-shirt die bijna over de reling viel toen hij een selfie probeerde te maken) heb ik me teruggetrokken in de restauratie op het benedendek.

Vanaf waar ik zit, kijk ik uit op het buffet. De kroketten vinden gretig aftrek. Er is een aanbieding. Ik probeer te raden wie er nog meer op weg zijn om zich een weekend te bezinnen. Ik merk dat ik op zoek ben naar vermoeide gezichten, maar zo groot kan dat strandhotel niet zijn.

Iedereen is praktisch gekleed. Dat wil zeggen; de stevige zolen en comfortabele broeken zijn niet van de lucht. En dikke truien natuurlijk. Alle mannen zijn kalend. De vrouwen zien eruit alsof ze overal en te alle tijde een pakje zakdoeken, een strip paracetamol en een leesbril vandaan kunnen toveren. Wandelende nachtkastjes.

Batman bestelt twee kroketten. Zonder brood. Selfies maken maakt hongerig.

Het is geen spannend leesvoer, ik weet het. Maar het zijn de details die straks het verhaal maken, Alex. Ik hoop dat je ze goed in je opneemt. Ik ben benieuwd waar we ons over zullen bezinnen dit weekend. Maar maak je geen zorgen, ik verzin vast iets leuks. We zullen zien of je me na dit weekend nog steeds niet dankbaar bent.

Er klinken opgewekte gilletjes als de scheepshoorn gaat. Batman heeft zijn kroketten op. Er zitten kruimels op zijn shirt. We gaan het dek weer op.

Het eiland is in zicht.

———

Daphne Huisden auteursportretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan haar derde roman.

Portret: Salih Kilic.

Volgende week: Bezinningseiland 2.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Roos van Rijswijk"
    Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.