Plestik

In zijn hoofd was de tekst al af. Teder, rauw, openhartig. Hooguit nog wat langdradig hier en daar. Hij stond voor zijn boekenkast, rekte zich uit, reikte werktuiglijk naar de Nederlandse vertaling van Baltasar Graciáns Oráculo manual y arte de prudencia (1647).

‘117. Nooit over uzelf praten. Wie over zichzelf spreekt zal ofwel zichzelf prijzen, wat beschamend is, ofwel zichzelf naar beneden halen, wat van wereldvreemdheid getuigt. Onverstand bij de spreker wekt onbehagen bij de toehoorder. Als men dit zelfs al moet vermijden in de omgang met vrienden, hoeveel te meer op belangrijke posten, waar men voor het publiek spreekt, dat alles voor dwaas houdt wat daar maar enigszins de schijn van heeft.’*

Dat was waar ook! Echte mensen zijn van plestik.

Hij zette zijn laptop uit en wandelde door de schemering (zwaluwen, seringen) naar het filmhuis.

—————

Sandro_Botticelli_-_Portrait_of_Martijn KnolMartijn Knol (1973) – schrijver, Tirade-redacteur.

 

 

Noot

* Uit: Baltasar Gracián, Handorakel en kunst van de voorzichtigheid (1990; p.52). Vertaler Theo Kars schrijft in zijn nawoord bij de NL editie: ‘De overtuigingskracht van Graciáns leefregels schuilt in de wijze waarop hij ze formuleert en uitwerkt. Hij legt ons daarbij vaak de mentaliteit en filosofie van onze tegenstanders uit, zegt hoe zij zullen reageren wanneer wij een voorschrift niet in acht nemen, en waarom zij zo reageren. Hij laat ons voortdurend in de huid van anderen kruipen, traint ons onszelf te zien  met hun ogen. Het Handorakel is bedoeld als vademecum en heeft dan ook alleen nut als men het geregeld raadpleegt. Wie het in één keer leest, wint daar niets bij en zal zich achteraf hoogstens herinneren dat de schrijver voorzichtigheid aanraadt, maar niet de voorschriften zelf. Wie daarentegen van tijd tot tijd een aantal bladzijden leest, maakt zich het boek geleidelijk eigen, herkent de situaties in het leven waar Gracián op doelt, en bezint zich langer alvorens een beslissing te nemen, dat wil zeggen: wordt voorzichtiger.’ (Ibid. 134-135).

Volgende week: cinema.

Portret M.K.:  Sandro Botticelli.

In de Oorshop

Bezinningseiland 2

Vorige week  Bezinningseiland 1. Vandaag Deel 2:

Mijn hotelkamer is twee bezemkasten groot. Er ligt zand in de douchebak, zand op het nachtkastje, zand tussen de lakens. De tafel wiebelt, het bed kraakt en aan de muur hangt een abstract zeegezicht in een lijstje van de Action. Er stampt iemand over de gang. Iemand die zijn best doet om te sluipen, maar te log is om zijn voeten op te tillen. De muren in hotel ’t Zonnegloor zijn van vloeipapier.

(Maar denk nu niet dat ik klaag, Alex. Het raam kan ver genoeg open om te roken en maandagochtend is dit allemaal voorbij. En dan moet het voor jou nog beginnen. Wist je dat ma’s koor in een gospelfase zit? Oefen maar vast op je hallelujah-gezicht.)

We werden opgehaald in de haven. Een busje van het hotel met een slungelige jongen achter het stuur. Een eilander die luistert naar de naam Fons. Batman stond al naast hem met zijn rolkoffer. Hij probeerde de slogan die op de bus stond op zijn selfie te krijgen: ’t Zonnegloor ~ Bezinnen is opnieuw beginnen.

(Fons vroeg zich af waar je was, Alex. Op zijn klembord stonden twee ‘de Klerkjes’ om af te vinken. Aan zijn gezicht te zien, geloofde hij je drukbezette verhaal net zo min als ik. Ik hoop dat je je vrije weekend gebruikt om betere smoezen te verzinnen.)

Batman schoof tegen me aan op de achterbank. In het dagelijks leven heet Batman Jasper en laat hij offertes door een hoepel springen. Of beitelt hij prognoses op een whiteboard. Ik luisterde maar half (zoals je doet met mensen die je meteen op de vergeetlijst zet) tot Jasper naar me toe boog en me toevertrouwde dat hij dit weekend een doorbraak verwachtte.

‘Dit gaat ‘m worden,’ zei hij. Zijn adem rook naar kroketten. ‘Vorige keer kwam ik heel dichtbij, maar ik had nog zoveel weerstand in me. Zoveel weerstand..’

Hij schudde zijn hoofd en trok zijn mondhoeken naar beneden.

‘Maar geloof me, Ludo Stoker is het echte werk. Ik heb al heel wat lifecoaches geprobeerd, maar Ludo en Irma..’

Jasper stak twee duimen op. Hij spreekt in smileys. Dit is zijn derde Bezinningsweekend. Als ik de website had gelezen had ik geweten dat Ludo Stoker en Irma Nijverhut al sinds 2005 Bezinningsarrangementen organiseren in hun strandhotel. Maar ik heb de website niet gelezen. Misschien komt Jasper me nog van pas dit weekend.

Toen wilde hij met me op de foto, maar de batterij van zijn telefoon gaf er de brui aan. (Soms knipoogt het universum naar me, Alex. Zullen we het karma noemen?)

***

Er klopt iemand op de deur. Het is te aarzelend om voor op te staan. Waarschijnlijk is het mijn nieuwe beste vriend. Hij zit in de kamer naast de mijne. Jasper zingt onder de douche. Marco Borsato. Hard, en vals.

***

Het was al donker toen Fons ons afzette bij ’t Zonnegloor. Het hotel ligt in de duinen, aan het einde van een lange weg zonder tegenliggers. Er schijnt een bos te zijn, en verlaten bunkers waar de toeristen ’s zomers wildplassen. En volgens Jasper wemelt het van de vakantiehuisjes met rode daken waar nu niemand inzit, want februari is geen weer voor de natuur. Er staat geen maan aan de hemel vannacht, maar sterren zijn er genoeg. Het is hier donkerder dan in de stad. Kouder ook. Ik heb mijn extra trui al aan.

We werden opgevangen door een forse vrouw met een opgetekende glimlach. Irma Nijverhut, de gebatikte rechterhand van Ludo, bemant de receptiebalie met verve. Als ze lacht – en dat doet ze onophoudelijk – gluurt haar zwarte tand naar je. We mogen elkaar niet. Nu al.

‘Raphael,’ zei ze. ‘Raphael de Klerk.’

Ze sprak mijn naam nadrukkelijk uit en keek me onderzoekend aan. Ik knikte. Ik wist wat er kwam.

‘Goh. Wat bijzonder.’

‘Bijzonder?’ vroeg ik voor de vorm.

‘Ja,’ zei ze. ‘We krijgen hier niet zoveel mensen die.. Mensen met jouw.. achtergrond.’

Het viel me mee dat ze het woord exotisch niet gebruikte, Alex.

‘Waar kom je vandaan?’ vroeg ze.

‘Uit Rotterdam.’

Ze lachte. ‘Ik geloof niet dat je begrijpt wat ik bedoel. Waar kom je echt vandaan?’

‘Rotterdam-West.’

De zwarte tand verdween even achter haar dunne lippen, maar Irma herpakte zich snel.

‘Welkom Raphael,’ zei ze. ‘Welkom in de rust.’

Nadat ze ons geplastificeerde naamkaartjes en de sleutels van de kamers had overhandigd, kwam ze achter de balie vandaan en drukte ons omstebeurt aan haar boezem. Het was er benauwd en het rook er naar knoflook.

Toen moesten we onze telefoons inleveren. Daar was geen discussie over mogelijk. Jasper had me er al op voorbereid. Er is geen televisie, geen wifi, geen afleiding van het bezinnen in dit hotel. Contact met de buitenwereld schijnt je “uit het moment” te halen. Ik heb het vermoeden dat ik aan het eind van dit weekend vloeiend Hallmarks spreek.

Irma vertelde dat de andere “bezinners” al liggen te rusten. Er wacht ons morgen een vol programma met de grote coach. Ze stuurde ons naar onze kamers met een dienblad waar een bord waterige pasta op stond en een karaf waar een reep geraspte komkommer in dreef. Het zag er heel gezond uit. Het smaakte naar knoflook.

***

En nu zit ik hier, aan een wiebelende tafel me af te vragen hoe ik zo makkelijk mijn telefoon ben kwijtgeraakt. En waarom ik daar lichtelijk nerveus over ben. Het bezinnen is begonnen, Alex.

Morgenochtend zal ik zien waar ik ben. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo vroeg ben gaan slapen op een vrijdagavond. Ik hoop dat jij..

Daar is het weer. Geklop. Harder nu.

Ik ga kijken –

————

Daphne Huisden portretDaphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Portret: Marisa en Iris.

 

Volgende week: Bezinningseiland 3.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Full disclosure

Het artikel ‘The engineer’s lament. What’s the best way to think about auto safety’ in The New Yorker van 4 mei is om drie redenen interessant.

1 In het artikel over statistische uitkomsten van onderzoek naar veiligheid bij kleine auto’s – meer specifiek de compacte Ford Pinto – schrijft Gladwell op de tweede bladzijde, als de lezer er al een beetje inzit: ‘(Full disclosure: In 2011 I gave a talk at a marketing conference sponsored by Ford)’. Dit is de triomf van de onbezwaarde onderzoeksjournalistiek. Het is zo makkelijk: waarom zie je dit nooit in Nederland? Ook bij recensies: als een recensent alleen maar even heel kort aangeeft waarom hij bevooroordeeld zou kunnen zijn – bijvoorbeeld omdat hij getrouwd is met de redactrice van het boek dat hij bespreekt – heeft die openheid tot gevolg dat ik als lezer geen bezwaren meer voel. Of: dat mij de korrel zout is aangereikt waarmee ik het gebodene kan nemen. Het NRC wil in alles een pendant zijn van kranten als The New York Times of The Guardian, de hoofdredacteur Peter Vandermeersch zit zwijmelend voor zijn schermpje newyorktimesje te spelen, maar dit eenvoudige principe van Full disclosure heb ik nog nooit in praktijk gebracht zien worden in deze krant. Het is heel wat helderder en sterker dan de wat pedante ombudsmanoplossing. Dit is journalistieke waardigheid.

2 Malcolm Gladwell staat als onderzoeksjournalist met zijn voeten in de modder. Er is heus een sexier onderwerp denkbaar dan ‘vergelijken van getalsmatige bewijzen voor tank malfunction in een bepaald type lichte auto en daar de resultaten van’. Wie echter het werk van Gladwell kent, weet dat deze uitgebreide studie van 10 volle pagina’s in the New Yorker  terugkomt in een halve pagina in zijn volgende boek. Dat vind ik mooi.

3 De uitgeklede staat waarin dit artikel van Gladwell zich bevindt maakt duidelijker dan mij voorheen was dat de kern van zijn aanpak, ook in zijn boeken, koude statistiek is, en dat ik dat waanzinnig interessant vind werd me duidelijk toen ik het stuk uit had. En ineens had ik een nieuw voornemen: ik ga me ingraven in de statistiek. Eerst maar eens de lichte kant ervan, dan iets verontrustender, dan the works. En dan de boeken.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van charts.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

The Narrow Road

Op advies van Henk van Straten lees ik Richard Flanagans The Narrow Road to the Deep North. De roman doet – zoals Henk schreef – denken aan het werk van James Salter. Vergelijkbaar zijn de toon, de periode in de geschiedenis en een bijzondere mengeling van afstand en nabijheid in de blik van de verteller.

The Narrow Road zou ik eerder van een hoogbejaarde Salter verwacht hebben dan het zo lucide All That Is, waarachter je op geen enkele manier een geleidelijk uitdovend genie kunt zien. Wat de twee schrijvers verder onderscheidt is het gebruik van ritme in de taal.

Gezien het 5 mei was – en er hier in Ancona geen cameraploeg van het jeugdjournaal zou kunnen opduiken – dacht ik in alle rust na over wat vrijheid voor mij betekent. Uiteindelijk besloot ik dat ik dermate omkom in de vrijheid dat het niet meer in woorden uit te drukken is.

Bijna had ik hier een foto geplaatst van een gedroogde heek met het onderschrift: Gilles eet vandaag stoccafisso con patate. 

In The Narrow Road wordt een Australische arts en legerofficier gevangengenomen door de Japanners en te werk gesteld aan de Birmaspoorweg. Flanagans beschrijving van het leven van de krijgsgevangenen is uitputtend en gruwelijk. Opvallend vaak worden anussen beschreven, die bij extreme vermagering, buiktyfus en cholera schijnbaar opstaand worden omdat de bilspieren eromheen zijn weggeteerd. Ik zal je verdere aanhalingen besparen.

Er zijn momenten in Flanagans verhaal waarop de omstandigheden zo samenspannen dat een gevangene zijn handen weet te leggen op een eendenei of een extra balletje kleefrijst. Onder de open zweren en luizen zitten en in het holst van de nacht op een bed van gespleten bamboestengels tussen honderden stervende maten je gestolen rijstbal delen met een vriend lijkt, althans in de beschrijving van Flanagan, meer op vrijheid dan alles wat ik ervan denk te weten.

Vrijheid laat zich vooral voelen wanneer het tegengestelde realiteit is, of onlangs is geweest. Ademen wanneer je dacht nooit meer boven water te zullen komen. Eindelijk openbaar mogen houden van degene naar wie je zo lang hebt verlangd. Je broer een hand geven door dat eerste gat in een muur die jullie bijna dertig jaar gescheiden heeft.

Natuurlijk scherp ik mijn definitie aan vanuit de luxe van het hier en nu, maar onze westerse vrijheid lijkt vooral te bestaan in de ogen die we toedichten aan degenen die hem niet kennen.

Richard Flanagans boek is een heel mooi boek, laat daar geen twijfel over bestaan. Vreemd genoeg zijn het de passages over het leven van voor de oorlog en de spoorlijn die het sterkst indruk op me maken.

 

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!‘ – De vierde mei

‘Je zult mij nooit ofte nimmer op de vierde mei ’s avonds om acht uur op de Dam tussen belangrijke en minder belangrijke Nederlanders aan de voet van het Nationaal Monument aantreffen, waarvan een beeldhouwer toen het nog in de werkplaats stond tegen de maker, John Rädecker, zei: ‘Maak er geen suikerbrood van, John!’ Wel ging ik verscheidene keren naar de kleine gedenkplaats even buiten Amsterdam in de bocht van de Amstel bij Rozenoord, dat in de oorlog een fussiladeplaats was, omdat daar een man gewoon in z’n hemdsmouwen zo echt en gevoelvol de Last Post blies. En iedere keer had ik de neiging om met de tranen over mijn wangen te roepen, zoals Oliver Hardy in Saps at Sea, ‘Blow the horn, Stan! Blow the horn!’ En dan zie ik geen scènes van heldendom en moed voor me. Mannen voor een vuurpeloton die in hun laatste seconde nog iets roepen over het vaderland of de koningin. Nee, dan zie ik de leidse grachten voor me, bijna verstopt met vlotten van bij elkaar gebonden lege amerikaanse biscuitblikken met broodmagere jongetjes erop die uitgelaten door het groezelige water peddelen.’

Jan Wolkers, Zwarte Bevrijding (1995; p.21). De tekst is ook opgenomen in Wolkers’ De schuimspaan van de tijd, verzamelde essays (2001; p. 328).

In hetzelfde 1995 kwamen Laurel & Hardy opnieuw ter sprake – en opnieuw in relatie tot de dood – in een interview dat Eric van Onna Jan en Karina Wolkers afnam voor Vara TV-Magazine (nr. 44, p.6):

‘Als er een begrafenisondernemer was die doodskisten verkocht met op de binnenkant een projectiescherm met Laurel & Hardy – wat ten eeuwige dagen door zou gaan – dan stapte ik vandaag nog in die kist.’

De vierde en de vijfde mei lijken me mooie dagen om romans als Kort Amerikaans (1962) en De perzik van onsterfelijkheid (1980) te herlezen. Dat laatste boek is door Rieks Swarte onlangs bewerkt voor het toneel.

Soundtrack (alvast voor Bevrijdingsdag): Jan en Karina Wolkers zingen Strauss’s Radetzkymars.

——–

Volgende week: plestik.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

  • "Foto van Menno van der Veen"
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.